Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

Zef Timmers

Als ik in de auto stap om naar Luik te rijden, dwarrelen er allerlei gedachten door mijn hoofd. Het schiet me te binnen hoezeer de stad met de lange geschiedenis van de Belgen en de Nederlanders verbonden is, hoe weinig ze echter in de Nederlandse literatuur voorkomt. Ik besluit een andere weg te nemen dan gewoonlijk. Vanuit het dal van de Maas, sla ik in plaats van rechtdoor te rijden rechtsaf waardoor ik uitkom in de buurt van vliegveld Bierset, vandaar uit rijd ik naar de stad waar ik mijn auto parkeer niet ver van de citadel. Ik wil de stad eerst van boven af zien, voordat ik langs de trappen van Montagne de Bueren in haar afdaal. Is dat handig? Nee, want het betekent dat ik op de terugweg ook weer langs die trappen omhoog moet klimmen, maar dat kan me niks schelen. 

Bij de trappen aangekomen, klim ik omlaag. Na enkele stappen komen van opzij twee mannen tevoorschijn. Een van de mannen zegt: Ik woon hier al vijftig jaar en het aantal trappen klopt niet, het zijn maar ongeveer 350 trappen. Volgens de andere man zijn het er exact 365. Het duurt een jaar om ze te beklimmen, zegt hij veelbetekenend. Er komt een derde bij, die zegt: Het zijn er 373, en daarmee basta. Daarna verdwijnen ze even snel als ze gekomen zijn weer.

De afdaling duurt niet eens zo lang, al snel sta ik in de Rue hors Château. Ook de Féronstrée ligt op haar eigen plek, net als het Perron, dat het symbool van de stad is. Het ziet er daar beneden uit, alsof er nooit iets zonderlings gebeurt.

Als ik de Bogenbrug oversteek, komt daar Xavier aan die me met een eigenaardige blik in zijn ogen opneemt. Ik loop voorbij, waarna wij beiden omkijken en stilstaan.  Dan zegt hij zachtjes: Albert, je komt van boven, nietwaar?

Ja, zeg ik, ik kom van Maastricht, en onderweg schoten er allerlei gedachten door mijn hoofd, en toen viel het me in om een andere weg te nemen dan gewoonlijk.

Merk je hier in de stad iets?

Nee. Of bedoel je de Luikse lelijkheid?

Ik gebruik zo’n woord niet, antwoordt hij verwijtend. Als je Luik alleen kent van het voorbij rijden, ken je Luik niet op zijn mooist. Luik is mooi, de buitenwijken zijn grijs en deprimerend, maar mooie delen vindt men hier, in het oude Luik. Toch zijn die historische gebouwen net zo voor het nut gemaakt als de buitenwijken. Waarom vindt men het oude Luik dan mooi, en het nieuwe lelijk?

Dat begrijp ik niet helemaal, zeg ik. Neem eens de  kathedraal van Sint-Lambertus, hij is mooi, in zijn tijd, maar wat is het nut ervan?

De kerk is, samen met het paleis van de prins-bisschop, niet alleen het religieuze maar ook het politieke centrum van de stad en van het land van Luik.

Wordt het land in die tijd dan vanuit de kerk geregeerd?

Ja. Achter de kathedraal verschuilt zich een opvatting over de staat. Een kerkelijke staat. Een theocratie. Een religieuze economie. In het prinsdom Luik zijn kerk, staat en markt verenigd. Die zaken zijn niet van elkaar gescheiden, zoals in een moderne staat.

Wat is een religieuze economie?

Nu praten we over religieuze kunst, als een aparte kunstvorm die zich onderscheidt van andere doordat ze gebruikt wordt voor de eredienst. De religieuze economie, die in die tijd in Luik bestaat, is iets heel anders. Deze wordt georganiseerd door de staat en tot voordeel van de staat. De bouw van kerken, de vervaardiging van beelden en metaalbewerking dienen om de staat zichtbaar te maken en om de bevolking op te voeden tot gehoorzaamheid aan de staat. Een bijkomend voordeel voor de kerk is dat bijbeluitleg kan worden gegeven in de vorm van beelden, noodzakelijk voor een bevolking van analfabeten. Bovendien brengt de vervaardiging van de kunstwerken welvaart voor de ambachtslieden met zich mee.

Wordt in het oude Luik de economie dan door de staat geleid?

Inderdaad, de eerste bisschop van Luik, Notger, die tevens staatshoofd is, zet tal van kunstenaars aan het werk. De stad Luik ondergaat een grondige metamorfose, door de aanleg van een stadsmuur en de bouw van zeven nieuwe kerken. Ten oosten van het paleis ontstaat een nederzetting van kooplieden en ambachtslieden. Zij vestigen zich ook op de rechteroever, Outremeuse. Er komt een stenen brug over de Maas die beide kernen verbindt, op de plaats van de huidige Pont des Arches, hier, waar wij nu staan te praten.

Notger kan die bouwactiviteiten nooit volbrengen, als er geen bronnen van welvaart zijn. Overvloed aan delfstoffen en metalen bijvoorbeeld. Andersom heeft de winning van metalen geen zin zonder gebruikers en dat zijn smeden en andere metaalbewerkers. De gebruiksvoorwerpen die ze maken zijn kunstwerken. Met name de Maaslandse edelsmeedkunst is toonaangevend voor het toenmalige Europa. Verder ivoorbewerking, beeldhouwkunst, letterkunde, boekverluchting en de architectuur natuurlijk.

Waarom is de Maaslandse kunst zo weinig bekend?

Dat weet ik niet, antwoordt hij. Timmers schrijft er een boek over, waarmee hij die vergeten periode weer tot leven wil brengen. Hij beweert zelfs, dat die periode voor de Nederlanden een gouden eeuw is, gelijkwaardig aan de latere Bourgondische en Hollandse gouden eeuwen.

Brengt het Maasland geen eigen kunst voort?

Voorzover ik weet, niet. Of het moet de Luikse school van de schilderkunst zijn. Gérard Douffet legt in de 17de eeuw de grondslag voor deze stroming. De schilders richten zich op religieuze schilderijen en portretten. De stijl is ontleend aan die van in die tijd toonaangevende schilders als Poussin in Frankrijk en Caravaggio in Italië en daarom is er geen sprake van vernieuwing van de stijl. De stijl onderscheidt zich echter van die van de contemporaine Vlaamse school van Rubens, waardoor ze tenminste in de Nederlanden een eigen plaats krijgt.

Is eigenheid belangrijk?

Goeie vraag. Ik denk het niet. In de kunstwereld wordt het belangrijk gevonden. Eigenheid, originaliteit. Maar dat is een mythe. Geen enkel kunstwerk is origineel. Het is altijd een transformatie van een voorbeeld. Het is mooi, dat Timmers de Maaslandse cultuur propageert en dat die cultuur een renaissance beleeft en dat er nog een bijna vergeten Luikse school van de schilderkunst is, maar het is niet nodig aan die cultuur een eigenheid toe te schrijven, om de eenvoudige reden dat die er niet is, niet in Luik, en niet in de rest van de wereld.

Wat is dan de betekenis van zijn werk?

Hij wijst erop dat er in de zuidoostelijke Nederlanden een bloeiperiode van de cultuur bestaat, die door bijna iedereen vergeten wordt.

Is dat dan niet belangrijk?

Zeker wel, maar hij ziet een andere bloeiperiode van de Luikse cultuur over het hoofd.

Welke periode is dat?

Je kent toch wel een beetje de geschiedenis? De industriële revolutie, hoe die vanuit Engeland naar België overwaait, en hier in Luik en Verviers als eerste op het Europese continent wortel schiet?

O, bedoel je dat? Maar dat is toch geen bloeiperiode van de cultuur?

Wat is het volgens jou dan?

Er is dan een explosieve groei van de economie. Luik verandert in korte tijd in een veel grotere stad en in de omgeving van Luik ontstaat een enorm industrieel landschap, maar het is ook de overwinning van de lelijkheid.

Kunnen industriegebieden niet mooi zijn?

Het kan, maar ik zie er nog geen, zeg ik.

Dat begrijp ik, zegt hij. Ik denk, dat mensen zoals jij, ik, bijna iedereen, ook de kunstenaars, last hebben van een schoonheidsideaal, dat we van de Grieken en Romeinen gekregen hebben. Daardoor kunnen we de schoonheid van de industrie niet zien. De schoonheid van fabrieksschoorstenen en elektriciteitspalen.

Ik ken een schilderij van Claude Monet, zeg ik. Hij schildert Gare Saint Lazare, ik vind het prachtig, maar dat komt, denk ik, doordat het geschilderd is. Ik vraag me af: waarom is een geschilderd station kunst en is het echte station dat niet? Moet het echte station niet als het kunstvoorwerp gezien worden, en het schilderij dat Monet ervan maakt als een impressie ervan?

Dat zie je helemaal goed, zegt hij. Het echte station is het eigenlijke kunstwerk.

Ik loop verder met Xavier, eerst in een onbepaalde richting. Ik vraag me af of het tijd is om terug naar huis te gaan. Het wordt al laat en ik wil graag voor het donker wordt terug zijn op de plek waar mijn auto staat. Is er nog tijd, het nieuwe station Luik-Guillemins, te gaan bekijken? Ik besluit met Xavier te gaan kijken. Wat ik zie bevestigt wat ik op afbeeldingen zie. Hoewel plat tegen de grond lijkt het station als een vogel te zweven of zich als een vrouw zacht neer te leggen op een heuvel. Als ik het station betreed, heb ik het gevoel binnen te komen in de buik van een vliegtuig, dat elk moment kan opstijgen.

Xavier legt enthousiast uit: Het station laat zien dat Luik een moderne metropool is, niet in de zin van moederstad, zoals de Grieken het woord gebruikten, een stad zoals Korinthe, vanwaaruit Syracuse werd gesticht, maar in de tegenwoordige zin van een stad die de maat vormt voor andere steden. Luik is in die zin een metropool, niet de gemeente Luik, maar de hele Luikse agglomeratie. De stad is niet beperkt tot de 200.000 inwoners van de gemeente Luik, maar omvat de ongeveer 700.000 inwoners van de agglomeratie die er gewoonlijk wonen, werken en recreëren. Van Seraing tot Oupeye en Ans in Chaudfontaine, Beyne-Heusay en Fléron voel je h. Iedereen weet, dat Luik de grootste stad van Wallonië is, en om eerlijk te zijn haar enige natuurlijke metropool en haar onbetwistbare referentiestad. Luik is ook het eerste culturele centrum van Romaans België. Het gaat er niet om Doornik, Mons, Charleroi, Namen, Ciney, Arlon of Verviers te kleineren of Eupen, Hasselt, Maastricht en Aken weg te vlakken, alle naburige steden zijn vrienden, natuurlijke en historische partners. De kwestie is om zonder problemen te laten zien dat Luik weer floreert en straalt aan het begin van de 21e eeuw, zoals het was toen het de hoofdstad was van een vorstendom dat alom gerespecteerd werd, en op het punt staat zijn volledige rol te spelen als metropool, een referentiestad in het hart van Europa, een kruispunt dat de hele wereld verwelkomt.

Na deze lyrische uiteenzetting neem ik afscheid van Albert. Ik wandel terug naar Montagne de Bueren, beklim de trappen, vergeet ze te tellen, hoewel ik daar nu wel de kans voor heb, kom boven aan, stap in mijn auto en rij langs dezelfde weg als waarlangs ik kwam terugb naar huis. 

Liège Métropole

François-Xavier Nève:  

Liège métropole wallonne, eurégionale, européenne et mondiale.  

Métropole vient historiquement de deux mots grecs : mêtêr, ‘mère’ et polis, ‘ville’. Le  terme a été inventé lorsque des villes grecques ont fondé des colonies à d’autres  endroits en Méditerranée. Ainsi de Syracuse en Sicile, fondée par des Corinthiens en  734 av. JC. La métropole de Syracuse était Corinthe, en Grèce, sa « ville-mère ». En ce  premier sens, on dit encore par exemple de la France qu’elle est la métropole de ses  DOM-TOM: Djibouti, la Réunion, la Guyane ou la Martinique… Mais le terme a ensuite  été réinterprété comme venant de métron + polis : « la ville [qui est] la mesure, le critère,  la référence (des autres villes) ».  

C’est évidemment dans ce sens nouveau qu’on dit de New York qu’elle est la métropole  des Etats-Unis sinon de l’Occident: personne ne voit en York (ni d’ailleurs en  Amsterdam…), en Angleterre, la métropole de New York en Amérique!  Lorsque les responsables liégeois souhaitent que Liège revendique sa légitimité de  métropole, c’est bien sûr aussi en ce sens neuf. 

Faire correspondre limites et statuts à la réalité 

Les Liégeois ont intérêt à ce que les frontières administratives, sociales, mentales et  économiques de la ville correspondent à la taille réelle de l’agglomération — le bâti  habité continu, correspondant à un sentiment d’appartenance.  

On s’aperçoit alors que la cité ne se cantonne pas aux 200 000 résidents domiciliés dans  la commune de Liège mais aux environ 700 000 habitants qui y vivent, travaillent et s’y  récréent d’ordinaire (de Seraing à Oupeye et d’Ans à Chaudfontaine, Beyne-Heusay et  Fléron)… et se sentent Liégeois, tout simplement.  

Sans que rien certes ne change ni à la densité de la population, ni aux prix (de  l’immobilier, du logement ou des frites !), ni en aucune façon à la joie de vivre dans  notre ville à visage humain et chaleureux, chacun saura alors, à Liège et dans toute la  Belgique, que Liège est la plus grande ville de Wallonie, et à vrai dire sa seule  métropole naturelle, et sa « ville de référence » incontestable. Cela donnera aux Liégeois  plus de tonus et de force en tout. 

Faire rayonner Liège selon sa vitalité présente et historique.  

Ici encore, il convient de mieux faire prendre conscience à tous que Liège est le premier  pôle culturel de la Belgique romane. Il ne s’agit pas de dénigrer Tournai, Mons,  Charleroi, Namur, Ciney, Arlon ni Verviers ; ni d’ignorer Néau (Eupen), Hasque (Hasselt),  Mastric (Maastricht) ni Aix-la- Chapelle (Aachen) — toutes villes voisines, amies et partenaires naturelles autant qu’historiques. Tout comme Bruxelles cela va sans dire,  capitale de l’Europe et seconde ville de la Francophonie. Il s’agit simplement de  témoigner sans complexe, et de montrer à la Wallonie et à la Belgique d’une part, ainsi  qu’à l’Eurégio Charlemagne et à l’Europe d’autre part, que Liège prospère et rayonne à  nouveau en ce début du XXIe siècle comme elle l’a fait quand elle était capitale d’une  principauté (980-1793) connue et révérée universellement, et qu’elle s’apprête à jouer  pleinement son rôle de métropole, ville de référence au coeur de l’Europe, carrefour  accueillant au monde entier.

https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/107575/mmubn000001_259485071.pdf?sequence=1 

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse