er was eens een sprookje der lage landen
maar wie sprokkelt er
waar bomen in de weg staan
dan lees je sprookjes van een vreemde taal
tsjecho echo slowaakse vrouwtjes
heb ik zien gaan
in vergroeide sprokkelstand
gebogen met een bos hout op de rug
grijpend de arremoedige rijkdom
zo laag bij de grond
grofhout met dunne handen knappend
’t klonk als voorzang van hun vuur
gloeiende kooltjes van verlangen
in hun ogen een dankbaar uur
om de oogst aan gestorven hout
de mens heeft vele gaven
de mooiste zijn zijn overgaven
rechter
beëdigt u mij
beledigt u mij
weet je
de voormiddag is een mooie reiziger
die vaak te snel wandelt
tot aan het knipoogje
van de halve zon
die ons weer verlaten gaat
weet je je zult weer
alleen zijn in de nacht
en het bleke licht
van de sikkelmaan
is je roeibootje
op weg naar de volgende dag
straks als ik oud ben
en de laatste jaren mij achtervolgen
zal ik bij u komen
arm als een clochard
als een minnestreel
zal ik de huizen af gaan
een voor een
verraden van afkomst
met het botter wordend mes
van mijn belevenissen
zal ik herinneringen los tornen
schatten van deze aarde
door mijn ogen verzwolgen
zullen uit mijn keel loslaten
de wereld zal luisteren
naar de windwijzer
van mijn vroegere bestaan
en de mensen zullen zich afvragen
waar heeft van die vogel
het wiegje gestaan
vondelpark bij nacht
mijn ogen wennen aan schaduwen
tussen de bomen van duisternis
daar zie ik een gestalte
van mijn gehalte
in het fluisterbos
laat ik mijn honger op u los
van een vinger krijg ik de hele hand
twee handen
het lichaam
voel maar
zachtjes strelen
strijk met het donker
van deze nacht
in mij woont iets vreemds
dat nog goed is voor deze nacht
daarmee wandel ik in jouw wereld
mijn gezicht nee niet mijn gezicht
je mag mijn leeftijd niet lezen
straks straks zul je iemand ontmoeten
die jou echt hebben wil
leren kennen aftasten ook overdag
in het zonlicht zal hij komen
onberispelijk en vast
omdat de sterren met jou
iets van doen hebben
toen kon ik vrienden gebruiken
nu is mijn boterham dik belegen
het is of de ratten het ruiken
nu kom ik al mijn vrienden tegen
la duin’s maspalmlomas
naakt door het uitgeklede duin
mijn goudgele brandende zonnetuin
oog aan gindse heuvelborst
pilaar van mijn liefdesdorst
o eilander bruinbrandknaap
deel met mij een middagslaap
in dit paradijs het eerste land
onze figuren terug aan het zand
wanneer het vuur zich in mij dooft
en in de weerspiegeling van aardse dingen
kan het mij niet schelen wat ik heb geloofd
het waren toch allemaal herinneringen
een geluk dat de wereld rond is
anders zou alle ellende
in een hoek terecht komen
bloesem valt als een kleed
van al het nieuw geborene
alles gaat op weg naar rijp
de oogst zal toebehoren
aan al die grote mensengrijp
zal zij daar voor danken
zij zal zich bedrinken aan de wijn
en alle vieze stanken
zal de mest voor hun akkers zijn
de natuur
ik schrijf rietstengels met mooi pluimage
wie kan zo stil zwijgend schrijven als ik
kleuren heb ik
overal zitten
doodgewoon
ik ben ik
er is geen jij
ik de natuur
bind alles vrij
en in het jaar 3000
zullen wij van 2000
geleefd hebben
in de middeleeuwen
liefde
ik heb slechts een vrouw gekend
zo goed dat ik nooit een ander wil
ik zal u vertellen hoe en waar
ik een doorneroos plukken wilde
als in den beginne
was er niets
dan zee en zand
en een plotselinge wind bracht
een stootje bloesem mee
die aan mij voorbij ging
dat was alles
koningen beheren
journalisten regeren
kort automatisch verhaal
op rupsbanden walst de massa
naar fabrieken kantoor en werk
kettingen trekken in en uit en in
vliegtuigen betreinen de bussen
keurig in liftdozen verpakt
alles komt ter bestemming
knoppen drukken vingers
niet meer dan nodige deuren open
snel sluiten weer vier muren
verdieping op verdieping
van uit de hoogte kijkt
alles op alles neer en
de eerste maandag van de maand
loeit in de steden de sirene
geen vlinder die in paniek raakt
ze zijn geoefend
als de a dag komt
zal alles stil blijven staan
alleen de wind zal van een boek
misschien deze bladzijde open slaan
de dichter werd gek
hij had geen werk
hij had geen geld
en iedereen vond
zijn woord te wit
toen liep hij de straat op
liet aan ieder zijn mes zien
en zei
ik zet een punt achter je verhaal
ik breng je naam naar een steen
ze brachten hem
naar het gekkenhuis
de psychiater vroeg
hij vertelde
dat hij nu geen honger meer
want de daden die ik doe
zijn van en voor brood
zo niet dan ga ik dood
al ontneemt ’t brood met bloed
de zoete smaak
op afstand
als jullie mij niet meer zien
zullen jullie van mij horen
de taal
of ik wel eens op de kring was
de kring van de taal
neen nog nooit
en ik zal ook niet gaan
waarom niet
omdat de taal in een kring
teveel rond gaat
taal wordt suf daar
taal wordt dol daar
taal moet sliert blijven
sluier van dauwdruppels
spraakwater voor bloemen
in egypte zag ik
een zwier trekvogels
boordevol van taal
tel je geen geld
tel je geen zorgen
wat ik niet weet dat niet deert
maar meestal wel ontzettend zweert
parijs is goedkoop
parijs is duur
voor de clochard
de druiven het minste zuur
wie zal het zijn
wie zal het worden
die ik zal liefhebben
of vermoorden
laatste vraag
hoe kan ik van heel dit aards bestaan
de diepe zin mijner gedachten raden
hoe kan ik mijn zuiver bloed verstaan
waar kan ik ooit mijn geest ontladen
is mijn geboorte dan een verder gaan
bloed in bloed van generaties baden
doch naast welk een godheid ik ook mag staan
ik zal hem vragen waarom met zoveel schade
blinden voor de ramen
ogen die zich schamen
in het kind ben ik als kind vergaan
men heeft mij leren lopen
op eigen benen moest ik staan
o was ik maar verder gekropen
lijfspreuk
wanneer zal het gebeuren
verdwijnt op aarde elke grens
alle sloten van de deuren
de mens is eindelijk mens
geslacht 2000
richt van mij een standbeeld op
met een afschuwelijk bebloede kop
zodat men alle pijn en leed
van 2000 jaren niet vergeet
vrede
is nog geen
vrijheid
voor de mens tellen alleen de jaren
hij die de eeuwen kan optellen
en vermenigvuldigen
weet de uitkomst
van deze wereld
er leeft een stukje
van de moeder in het kind
zoals je in het kind
een stukje van de moeder vindt
atoombom
ik ben bang dat het gebeurt
niet bang als het gebeurt
dan zullen alle mensen
eindelijk gelijk zijn
en flink door elkaar
leeg zijn de straten van de nacht
stoplichten knipperen op onzekerheid
het onverwachte wordt verwacht
o toen ik nog een kleine jongen was
en sliep op zalen vol met jongens
o hoe wreed het besef van dons
dat naar een verschrikkelijk weten
van baarden groeit
zoveel daken
doch niet boven hoofden
zoveel voedsel
doch niet op de tafels
zoveel geld
doch niet in omloop
van alles te veel
waar liefde te weinig is
het strand heeft zo’n blanke tint
omdat daar het nieuwe land begint
hollands
er is meer theorie dan praktijk
daarom komt er ook geen dijk
losse teugels van mijn gedachten
totdat plotseling mijn fantasie
weer zweepslagen krijgt
wat een inboorling wel denkt
plotseling uit de wildernis weggerukt
en in een stad als new york neergedrukt
afgeplukt
weggerukt
neergedrukt
wij kennen de langste dag
maar wie kent de langste nacht?
wil je met de lamp der waarheid komen
schijn je daarbij te fel in ’t gezicht
dan verstoor je meestal mooie dromen
onverdraagzaam gaan de ogen dicht
in het zuiden van augustus
zij die nachtleven beheersen
wensen mij een gegoede dag
een lichtblauwe ochtendstem
parelt zilver dauwdruppels
tegen het groene leven aan
voor taal wilde ik kristal verzamelen
maar toen de zon goed wakker was
waren mijn handen leeg
een poosje was leven beteuterd
doch het lichtblonde korenveld
schonk mij een diepblauwe bloem
in het haar
troost was weer geweldig
nu weet ik waarom ik zo
op blond en blauw val
als een tuin
in de avond
slaap ik
als de stilte
na een schreeuw
slaap ik
als een archeoloog
in een stukje tempel
slaap ik
als bang hout
vol wormen
slaap ik
als alles van alles
slaap ik
als ik niet droom
after party
ik huurde mij
een witte avond af
de zon kwam in de glazen
het genot dat ik voor mij bezat
verdeelde ik van uit mijn middelpunt
als bloemen in de vazen
de wereld om mij heen
werd lekker los van het lachen
er ging een passaat van mond tot mond
en vulde rivieren met korenblond
en nog iets dat eigenlijk niet bestond
toen de laatste gast naar huis toe ging
sprongen met hem de groene lichten
het niets ontzeggend duister in
en een lege droom naar binnen glipte
hij ruimde de herinneringen aan de kant
en om alles grondig te doen
deed hij met mij de afwas
als kind heb ik kevers verzameld
als kind heb ik de wereld
vanuit een draaimolen verkend
als kind heb ik letters
in regen doen verwateren
als kind heb ik heel veel
raadsels opgelost
als kind danste ik met woorden
over springende touwtjes koorden
en verstonden wij alle dingen
enkel door er liedjes van te zingen
liften
mijn duim is mijn lot
en auto’s verplaatsen
de wind op goed geluk
ik ben een stille vraag
geplant in de berm van de weg
pluk mij pluk mij dan
nu bloei ik open
straks als de zon onder is
sluit ik voor het zwarte
onbekende dier van de nacht
neemt u mij mee
dan geneest u misschien
van een open wond in uw hart
geef mij een hand
ja ik ben het
een broertje van u
hymne eros fantasia
besneeuw beschaduw mijn ontblote
compres met mijn adem onder de wit
gekreukte lakenbogen
zie alles wordt hoog wit en rustig van kleur
tot in de puntjes van je droomsterrenoog
kijk mijn hand past precies in je heup
besnaren mijn vingers zacht de gitaar
in elke opening van je huid
in jouw ogen wil ik slapen
opnieuw aan het licht worden gebracht
glad vocht vloeit in elkaar
en aan elkaar komen verdampt
tot een circulerende krans boven het hoofd
niets ontsnapt of door onze adem
mijn oog knielt op jouw kleine oor
het schelpje tussen de haren van je strand
je diamanten lippen houd ik nat
van die glans straal ik als een zon
ik verken jouw land en jij ontdekt
je levende zachte wond balsemt
het fluwelen deksel
van mijn honingpotje
beheerst geduld van honger
in afwachting van aan tafel gaan
vraagtekens van jouw ogen
de uitroeptekens van mijn tong
liggen in je zwakke zwanenhals
hier liggen wij stil verscholen
achter de tranen van ons bloed
zuurstof de regelrechte overwinning
gered van de dood in mond op mond beademing
mooi is het leven van neerliggen
kijken naar de geringste bewegingen
aan de oppervlakte van kleine bloedriviertjes
die over het lichaam kloppen en stuiten
in het afluisteren van de wind
deze zee kent geen haven
twee scheepjes zeilen anker in anker
in diep blauw slapende golven
kijk daar gaat de laatste helft van de zon
en kijk daar wordt het feest opgedragen
op het tafellaken van een witte maan
blind wind ik de borsten van de melkweg
in ons klein heelal
dat zo nu en dan fonkelt
voor mensenkinderen
eindelijk eindelijk uit het langzame
geschonken heelal dat het menselijk oog
binnenstroomt wordt ook de wijnweg ontdekt
hoor je het lachen dan niet
van de goden der mystiek
om twee kinderen die uitvinden
onbewust de lijkwade verder trekken
over het wassen beeld romantiek
vaderlijk plezier van hen die met bestaande objekten
verstoppertje spelen voor mensenkinderen
die niet merken dat zij de grenzen van hun eigen
belachelijkheid steeds verder overschrijden
o jij aarde
kleine blauwe zandloper van de wind
in de tijd van het heelal
hier liggen wij in de stukken
van onze ontdekking
beseffen sporadisch onze nietigheid
reeds dom naakt dansende voeten
over de wijnpers van ons armzalig hout
wij vullen de glazen met donkere beloften
van niet te veel
bijna niet te onderscheiden van ons bloed
zachte huid wordt harde rots
slaan wij spelonken waar in nog meer bronnen
zich vullen in bedrinken
liefde wordt een dweil
die het lichaam maar half reinigt
adem wordt hijgen
zonder de koele hand van de wind
harder harder gaan wij
hijsen het nachthemd als bijzeil
in de masten van ons ongeluk
de leugen wordt opnieuw geboren
het dier kruipt uit de mens
daar scheurt het gulden vlies
het zegel van virginia druipt
hoger hoger de schommel der golven
duizel in schuimende koppen
wolven kelen ontkroppen grommend
niets verdommend bij zo’n zaligheid
die daalt en stijgt
zweepslagen beboeten de wegen
die wij vals hebben begaan
ogen wazen een wereld binnen
die van zoet naar zuur verdraait
tanden slaan op tanden
steeds meer klauwende handen
gezichten stuiven in honderd maskers
die niemand ooit heeft gekend
nu uit zich de voorspelling
door talloze idioten steeds weer gedaan
in alle kleuren door elkaar
de wereld vergaat
in hevige schokken schuiven twee lichamen
in een bodemloze spleet waar in eeuwen
niets weten van wakker worden
och och och
nu nu nu
daar daar
ja ja ja
brr mrt zovr
brr hu hu
lieve kinderen
bewaar gedroogde bloemen
bewaar ze in het dikke boek
van jullie afkomst
bewaar er veel
bewaar ze goed
als groot mens
word je kweker
van bloemen
die gelogen zijn
pas de deux
ik weet precies wat jij doet
als jij alleen bent met hem
het behang dubbel beschaduwd
gevoel met gevoel aan hardheid verliest
een ademhaling
een lichaam
een huid
je behaarde mantel
groeit in elke maat
ik weet wat je doet
omdat ik die mantel ook aan had
dancing
nachten braken witte tongen uit
en dancings van deze wereldbol
van boeroeboedoer tot avignon
schuiven steden pasklaar in elkaar
rocking soul swinging dwingt
’t ritme en de banen van hun bloed
zo zweet de laatste generatie
viert de jeugd volle maan
van calcutta tot hammerfest
afstanden houden hen niet uit elkaar
zij bouwen het frame der toekomst
dit geraamte drinkt na melk alkohol
onbezorgd leven tot in de puistjes verzorgd
hun vaders het verre geluk van de toverstaf
de minste pijn verdoofd door de middelen
trekt een sluier van ijle mist om de werkelijkheid
doch hun visioenen zijn slechts zichtbaar
door de glazen deur die nimmer open gaat
en komt eens de dageraad der realiteit
een tanker is dan zijn brandstof kwijt
’t leven was een schitterend kado
doch al het goede voor niets geweest
dood is dan het meest welkome geschenk
ja ik doe het ok ik heb toch geen naam
met deze gedachten springt hij uit het raam
tragedie
molenstenen zijn niet zwaar
als ze zo maar liggen daar
alleen voor wie ze heeft gehouwen
en voor wie heeft helpen sjouwen
zij bouwden voor hun meester de korenwals
en als dank kregen zij de stenen om hun hals
liefde is een zaadje
de lieveling van de wind
zorgt overal voor een groene spriet
zelfs op de binnenplaats van het
huis van bewaring heb ik groen zien staan
zaad is zo teer en zwak en ligt niet
zo gauw zo maar ergens vast
liefde is niet zomaar iets voor drie
kringloze zondagen of twee
broeiende nachten
liefde is voor een leven lang
van twee mensen
ik kan niet huilen als je van me gaat
wel zal ik huilen als je terug komt
maar doe nu wat je wilt dat is ook
mijn wil doe altijd wat je wilt
verbrijzel de spiegel waarin jouw
gezicht zich heeft gehuild
zelf trek ik mijn doodskleed aan
verwarrend mijn dromen over de dood
redeloos radeloos schuiven dagen
in nachten tekens die ik niet ontcijferen kan
zo doodt leven het leven en wordt
uit zekerheid onzekerheid geboren
mijn klieren smeken om vocht
de zee heb je nooit gewild
nee je krijgt geen water
mijn angsten drogen uit
nu sidderen mijn zintuigen en lucht
lucht ik krijg geen lucht meer
dan geef ik alles aan de wereld terug
in een mijn laatste mijn langste zucht
nog hoor ik het krijten van een kind
nog zie ik mezelf als een kind en die hoepel
in mijn hand een gouden ring
de ring van jou
alles is rond alles draait
nu ga ik voorbij
voorbij aan zon en maan
zeg jij jij jij
jij zegt
nu is niet meer
schuld & boete
ik ben de schaduw
die de lantaarn draagt
zo bang ben ik
mijn eigen voetstap
over het grind
ik akelig vind
bloed kleeft mij aan
o wat heb ik begaan
schaduw houdt mij vast
dan gaan wij saam
ik was was nog nooit alleen
o dolk diep mijn sporen uit
doof in mijn hart het slechte
dat waanzinnige klopgeluid
zondagmorgen
de poort naar het rumoer
is vandaag gesloten
alleen de deuren naar eerbied
zullen open slaan
melange van stilte
de mens kent
herkent
zijn voetstappen weer
en ook de stilte
tussen jou en mij
is heerlijk
als een heerlijk gesprek
de wilde roos
in de braamstruik
fris en strak
hoog haar witte kraag
oh koele zachte wind
leer mij het liplezen
van de wilde roos
crucifix
in dit leven van geloven
wilde ik een heilige worden
ik kon de volle schalen zilver
van de kerken niet vergeten
toen werd ik een slechterik
ook zag ik des zondags morgens
dikwijls wolven in schaapskleding
onder de ogen van de goede herder
ik dacht dat hij misschien blind was
maar neen hij at dronk en sprak
zelfs met de slimste der vogels
nu ben ik wel zo slecht
dat ik geen schaapsvacht kan dragen
daarom is mijn leven zo moeilijk
zo open en bloot
daarom kies ik voor het goud
in de kleur van de nacht
en steel de schaapskleden
van de wolven
nu zit ik dus gevangen
achter ijzer stangen
omdat ik niet mag komen
aan mijn wolvenbroeders belangen
voorbeeld
de wijn is wit de wijn is rood
wij kunnen in het drinken verdrinken
de aarde heeft z’n juiste draai
de eeuwen hebben het bewezen
de mens die daarop leeft te graai
nog niet genoeg lessen gelezen
het doek is wit het doek wordt rood
wij kunnen in het zinken verzinken
ik droomde dat
ik van de beslissing was
en er kwam een laatste vogel
legde het laatste zaad
in mijn hand
zou ik mijn hand sluiten
of zou ik wachten op de wind
doch toen de wind kwam
sloot ik mijn hand
en zo ging ik dood
mijn graf was te diep
voor zon en water
en de aarde ging
voorgoed in de rui
goede nacht
de radio halveert z’n stemmen
zacht verbreekt de tijd de nacht
muziek en woorden een stroom
broos transparant drukt geluid
zich vloeiend in beelden uit
naar de blauwe reigerdans
van mijn ogen dof en glans
prikt het stof tot elementen
mijn hart sneeuwt sentimenten
onwetend als ik mijn ogen sluit
smelten alle kaarsen uit
als geen enkele kleur meer brandt
slaap ik in ’t zwart van niemandsland
vreemd
ik ben het grote lieve monster
ik slurp het laatste rood
van elke dag in het westen
in de donkere holte van mijn maag
en jullie noemen mij de bange nacht
en braak ik rode vlekken
tot een vurige bal in het oosten
dan noemen jullie mij
de zuivere morgen
jeugdig
een van mijn herinneringen
uit de zilveren klem van mijn vingers
de witte tennisbal
het racket
de slagen sprekende spieren
zoef streept
alles ging met
winden mee
zo heb ik zeer veel gekaatst
en mag dus terug verwachten
maar hoe ik de ballen zal opvangen
ligt aan mijn nieuwe tegenstander
de volwassenheid
wat is een dichter
buigt hij de leugen om
tot waarheid
paarse gummiknuppels slaan de maat
in de symphonie van orde en gezag
de gevangenis een hotel is
en de vloer waarop hij slaapt
de zachte borst van moeder aarde
hij zegt er zit een stukje brood
in het kiezelsteentje
een dichter is een gelukkig mens
maakt wat er niet is
en wat teveel is verdeelt hij
onder het gruis
hij rijmt moord aan woord
bloed aan moed
dood aan brood en leven aan geven
landloper was ik
bij elke voetafdruk in de aarde
verliet ik mijn woning
mijn hand vroeg brood
mijn mond at het
en mijn ogen spraken dank
altijd was ik schoon en fris
door lucht en ruimte
en het washandje van de regen
overdag was de zon mijn grote gids
en ’s nachts vertelden de sterren
mij van andere ongewone dingen
ik ben nog te jong
om herinneringen aan de echoput op te halen
ik sla nog met vleugels
van het lichte leven
boven mijn altaar uit
de gouden kroes
in die wilde roes
vanuit het hemelblauw
als een adelaar
die elk gewenst ogenblik
op een prooi naar keuze valt
uitroeiing
en het laatste dier
zal dan het gouden kalf zijn
ha ha ha ha
de echte honger lacht
met de vissers trok ik
de lege netten binnen
om het weer een dag van de
honger te kunnen winnen
ja een klein visje vangen
in de grote zee
dat valt soms echt niet mee
en ligt daar dan weer een visje
met een afgekloven graat
dan is het net of de honger
daar opnieuw te lachen staat
bijbel
verhaal van miljoenen ogen
diep spoor van in de tijd
mij heb je nooit bedrogen
ik raak je spoor niet kwijt
ik prijs je dichterswoorden
de schoonheid van je verlokkend lied
maar ook zag ik al je moorden
daarom geloof ik je niet
je bent een mars van eeuwen
van liefde en geweld
van huilen lachen schreeuwen
wijl alleen de liefde telt
boek van miljoenen doden
van massa tot massagraf
waarom had je dit van node
mozes begon toch met een toverstaf
lieve meester massa
het heelal is zo wijd
zo groot en zo veel
dat het eigenlijk onrechtvaardig is
ons mensen
zo’n korte tijd hier op aarde
die soms ook nog ellendig is
te laten leven
een gong sloeg
niemand telde de slagen
toen werd het stil
geluidloos de plek
in het midden van het bos
onheilspellend was het licht
waaraan zullen wij wennen
eerst nu kon men onderscheiden
roerloos 18 wezens stonden daar
in de stilstand van een eeuwige slaap
in hun midden een zuil
plotseling
de zuil sprak
versteend zijn jullie
de smeltende zon
leeg zijn jullie
en ik gaf jullie
het zaad en de wind
blind zijn jullie
en ik gaf jullie
de grote kleur van lucht en water
doof zijn jullie
en ik gaf jullie
het lied van de natuur
stom zijn jullie
en ik leerde jullie zingen
o donker en eeuwige sagen
je verhalen zijn blijvende vragen
je bevestigt niets
omdat je wind altijd waait
je verduistert niets
omdat je vuur altijd laait
als niemand het ziet
lust de koning
best pindakaas
mysterie de koningin der fantasie
uitvinding doodskleed der romantiek
en de wetenschap als wapen
maar al te dikwijls misbruikt
dinsdag
zomaar een dag
weer een gewone dag
en toch anders voor iedereen
voor mij een dag die iets vol maakt
vandaag ben ik 33 jaar geworden
al zoveel jaren mijn licht in de dood
hoe jong was ik
hoe oud zal ik worden
leven is een gang van dood naar dood
die ene streep van elk mens
van punt naar punt heet leven
en op die lijn ben ik u en alles tegengekomen
en op die lijn kunt u steeds mij tegenkomen
want ik schrijf
en u moet luisteren
want alleen dan
zal de grote frustratie
dat is alles wat liegt
in een waarheid veranderen
bedenk dat
ik wilde de lange nacht afdalen
toen schitterde de opening van de dag
ik dacht helemaal niet aan verdwalen
omdat ik alles helder en scherp zag
toch stond ik nog even te luisteren
wat de nacht mij zeggen zou
ik hoorde haar stervend fluisteren
tussen het eerste licht en de dauw
bedenk er is veel meer donker
tussen al die bundels licht
van al dat sterrengeflonker
bepaal ik in z’n geheel het gezicht
als ogen aan mijn duister wennen
ben je alleen met je verdriet
er zijn er ook die dat niet kennen
de nachtegaal bijvoorbeeld zingt zijn lied
finito
als de dubbele streep
onder mijn leven staat
versplintert mijn naam
in jullie handen
mijn figurenzagen
zal uitkomen
in het open reliëf
van licht en luchten
waarin mijn adem brieste
uit het elastiek der jaren
zal ’t gelukte werkstuk
van mijn jeugd
onverbloemd zichtbaar zijn
wie jaagt wat
niet is te vangen
zal sterven
van verlangen
hans lodeizen
in aantekeningen
heb jij mijn hart bewoond
ik steel van jou
met zachte onweerstaanbare drang
scheur stukken
van jouw innerlijk behang
waarvan vele motieven nu
gekleurd in mijn ogen staan
want jij leerde mij
de witte angst
van het verloren gaan
ik wilde dat ik
je tweelingbroer was
tegelijk met jou geboren
applaus voor ons zelf
achter de coulissen
blinkt de waarheid in het stof
stemmen draaien met de wind
toneel
herhalingen bekijken
in de zuivere spiegel
van het leven
zeshonderd en zestien mensen in de zaal
een adem een oor
daarna weer
in het gevecht om ons bestaan
ieder voor zich de hoofdrol
we applaudisseren voor ons zelf
toekomst
je hebt geen toekomst
het verleden zal je altijd
altijd
blijven achtervolgen
een trein fluit
uit de kern van de nacht
angstig precies drie schrille tonen
om 23.59 om 24.00 uur om 00.01
dus tussen gisteren en vandaag
dag en nacht op de wip
de dag van de grote glijbaan
schommelt verder in de nacht
de aarde in de draaimolen
van het heelal
onze tijd is een speeltuin
onbegrijpelijk
oorlog kost geld
vrede kost niets
duinen zand zand zand
daaronder voelt mijn hand
mijn kleine duim en pink
besef ik nu hoe ik in al
het geschapene verdrink
uitnodiging
op de blauwe drempel
van mijn stem
bent u uitgenodigd
voor een witte avond
voor het eerste avondmaal
jongens jongens 8 gangen
en de laatste gang
onze gang gaan
proeven van wit levend
honger sneeuwende honger
en toch niets te eten
aan liefde die zich niet verzadigen laat
maar er is nog wijn
wij worden dronken
anton bruckner negende symphonie
wie weet welk feest begint
door loofhout gaat een ruis
bladeren vlaggen in de wind
de bosbeek een champagnebruis
vogels verkondigen zonsopgang
in hun vragen en antwoordspel
wakkeren de wereld met gezang
de vlinder de bijen de libelle
een wolk reeds verlegen bloost
een lichtstraal als een speer
de mist z’n zwaartekracht loost
slaat duizenden dauwdruppels neer
en dan langzaam en statig rijst
zwelt eerst aan als rode bol
tot oranje en spat dan uit z’n lijst
een ster zo vurig en overvol
’t hert een jong ter wereld brengt
zo’n lieve liefdesverrassing krijgt
levensvreugde zo eenvoudig verlengt
daar waar de natuur het meeste zwijgt
onze zon verbleekt elke andere ster
de nacht van z’n schijndood bevrijd
o kinderen een hele nieuwe dag is er
open droom ogen voor de werkelijkheid
voorjaar
uit het niets is mij een verrassing
in het glinster van de douwbewassing
staat daar in haar ontzettend prille
een eerste sneeuwklokje te trillen
in een schok van verrukte overtuiging
maakt de natuur haar diepste buiging
zo zeker dat alles weer opnieuw ontstaat
dat het woordje lente zich uitroepen laat
montblanc
de col
haar eeuwige
witte trui aan
van zulk een maagdelijkheid
begeer ik snakkend te dorsten
de ritssluiting van een gletscher
zie ik in een bergbeek open gaan
o mijn lippen
aan ’s werelds zuiverste borsten
gelukkig dat er nog van die dorpjes zijn
met enkele huisjes
zeer verstandige zetten
van niet lang nadenken
de mensen zijn er
van veel zon en maan
het zijn de achterbuurten
van de vier seizoenen
en er is water
en veel veel land
ruimte om na te denken
dat steden niet bestaan
en de wind vraagt niet om beleefdheid
ook de regen vraagt je geen hand
ha ha ha ha ha
visitekaartjes?
laat me niet lachen
die bestaan er niet
elke schaduw is hier welkom
pierrot
wuivend regelen zijn handen
de glimlach van het dorp
in de kleur van de straat
steken zijn blote voeten
de simpele heeft nog nimmer
een dubbelganger in de spiegel gezien
want hij weet dat hij lacht
als hij in de nacht langs het strand gaat
daagt hij alleen hij daagt
de donkere woeste zee uit
met de kleine plezierige
weerschijn van zijn ogen
tegen de schijngestalten van de maan
nooit heeft hij het koud
want vuur is in hem
nooit heeft hij het warm
want koel en berekend
is zijn schaterlach
gedragen op de wind
zijn lachen dendert mede
als de ramen en deuren
van onrust spreken
en het dorp zich angstig sluit
zíjn leven één ontmoeting
van louter kinderen
en in de winter
vertelt zijn stotende
witte adem verwarrend
maar graag hoe mooi de zomer wel was
dan vertelt hij weer voor de zoveelste keer
dat hij eens in een zwart bootje weg varen zal
eigenlijk zou deze bladzijde
leeg moeten blijven
dan kon u zelf misschien
ook eens wat schrijven
want al wat u aan woorden weet
is zoveel dat u het vergeet
voor je verjaardag
dat jij mij alleen liet
ik zal je daar niet kwaad op aankijken
als ik maar weet
dat je ergens bent
vandaag nog toen ik door de stad zwierf
zag ik jou in de weerspiegeling
van een der grachten
en gisteren hoorde ik je lachen in de ll
zo weet ik dat je ergens bent
laatst liep je me voorbij met vier anderen
en ging de milky way binnen terwijl jij als
enigste niet om keek
toch wist ik dat jij mij had herkend omdat
jij de enigste bent die met mij leven kan
toen heeft een glimlach in twee talen
heel diep in mijn binnenste nagedacht
ik ben zeker dat je me niet verlaten zult
morgen misschien zal jij terug komen
overmorgen misschien zal ik terugkomen
of wie weet zien we elkaar wel nooit weer
maar verlaten kun je me niet
de zomermiddag vleit zich
neer in het lange gras
waarvan de schaduw in duizend
streepjes mijn huid overtrekt
hoog keelt de leeuwerik
haar lied dat jij afleest
boven de volle korenaren
van haar stem trilt ieder woord
door mijn blozend bloed
dit
dit is het
deze taal
vogels brachten haar mede
heel lang geleden
zijn ons in zoverre voorgegaan
dat we hun woorden niet verstaan
vorst
buiten vriest
alles vast
tot werkelijkheid
de mens onttrekt
zich daaraan
zit bij haardvuur
ontdooid tot
diep in het leven
van vroeger
de nacht dikwijls
een goede vriend
mijn zachte lieveling
’t kussen onder mijn hoofd
alleen zijn met het ongeschreven
boek van mijn gedachten
lig ik reeds tegen een droomwereld aan
in het fijne donker laat ik opdraven wat ik wil
allerlei figuren van onwaarachtig bestaan
lossen zich op in een witte bestemming
in een wereld waarin ik langzaam sterf
waarin ik mijzelf ben
meer als ik hier ooit op aarde kan zijn
troost
en mocht mijn schip niet wederkeren
denk dan aan een prachtig eiland
als ik alleen ben met de dagen
een lange wandeling verkort mijn dag
en de dag mijn leven
ik ga naar huis en ben alleen
mijn avondmaal strooi ik uit op een oude houten tafel
ergens onder mijn huis vind ik een stoffige wijn
en laat die met mijn maaltijd samen zijn
mijn honger neemt zoveel als zij wil
en mijn dorst zegent de spijs
na het eten lees ik een courant
daarna val ik in een luie stoel
de advertenties en berichten werken na
ja ja de wereld is als schuurpapier grof of fijn
daarbij valt mijn oog op de onafgeruimde tafel
onder het scherpe licht van de lamp die boven tafel hangt
zie ik nog de kruimels liggen en ze worden zo groot
als de krantekoppen die honger schreeuwen
en er is nog een halve fles wijn
die voor elke bloedgroep goed kan zijn
wat kan ik doen
alle ramen en deuren zet ik open
iedereen is welkom en kan naar binnen lopen
maar er komt niemand en zelfs de wind speelt niet mee
ik schreeuw naar buiten tegen de eenzaamheid
ik krijg mijn eigen echo terug
zal ik mij dan maar weer reisvaardig maken
neen ik wacht op de post van morgen
misschien is er een bericht
dat iemand mij nodig heeft of wil gebruiken
dan zal ik weer de trein nemen die vol van mensen is
met mijn witte zakdoek zal ik steden en dorpen passeren
en ik zal wuiven en wenken
jullie kunt dus bij mij komen
jullie kunt dus van mij gaan
en als je klaar bent met dromen
zal ik blijven staan
zoeken
al zo lang kijk ik uit naar jou
jij de enige
ook ver op reis
blijf je mij een vreemde wereld
kopenhagen witte slanke jongen
je was ’t niet
karachi kastanje bruine kijker
je was ’t niet
kaapstad zwierig zwartje
je was ’t niet
korea gele boterbloem
je was ’t niet
kansas rode bloedkoraal
je was ’t niet
dan zoek ik weer in mijn eigen stad
kalverstraat sleeptouw van mijn verlangen
ik was was ’t niet
ontmoeting
de middag lag onverankerd
dus zonder boodschap
aan het verleden
straatlengte nog
scheen je te moeten gaan
zwervende tussen het weeftuig
van je geheugen
wie zal ik gaan bezoeken
wie weet mij welkom
dit vraagteken uitte zich
in onze ontmoeting
hé jij daar!
hé jij daar!
zo lag de middag dan toch
nog verankerd en meer
dan het zijn kon
ja zelf nog net niet
l o s g e s l a g e n
begrafenis
aan het einde van een glijbaan
schuift een lijkbaar
keert schaduw in schaduw weer
de definitie van het zwart
en z’n stille naam heet dood
deze dag is als een lege schotel
weg wil ik
naar een verblijf
onbekend van mijn bestaan
en in de nacht liep ik over het vrijthof
over de duizenden voetstappen door de sneeuw
en toch ging mijn spoor helemaal alleen
tot aan de horizon van een nieuwe morgen
milieuverontreiniging
de lucht zal lachen niet verbieden
onuitspreekbaar blauw in jij en jou
natuur hoeft onkruid niet te wieden
besprenkelt zichzelf wel onder dauw
doch enkele sinistere lieden
met ongewassen klauw
’t leven in den dood bespieden
zoals de doodgraver leeft van rouw
dat maakt mijn leven soms timide
dieper zakt dit droeve touw
op den duur voorgoed frigide
de aarde slechts een leeg gebouw
neutraal
sneeuw sneeuwt
over velden en bergen
over straten en pleinen
sneeuwt sneeuw
onzichtbaar door de nacht
sneeuwt sneeuw
sneeuw sneeuwt
geluidloos en zacht
sneeuw sneeuwt
over ijs en huizen
over auto’s en fietsen
sneeuwt sneeuw
over paaltjes en stenen
sneeuwt sneeuw
sneeuw sneeuwt
over struiken en bomen
sneeuw sneeuwt
over de wereld
en als ik wakker word
is alles neutraal
alle dingen in evenwicht
het leven zo stil en gedempt
ik kan zien dat ik ademhaal
jan arends
zoals de slinger van een uurwerk
ben ik bewogen
tikt mijn hart
tussen doen en niet doen
het opdraaien der nachten
op volle uren door blijven slaan
tegen de angst van straks niet meer te zijn
nog verder van mijn huid
verwijderd dan een luis
nog minder houvast dan een mol
die tussen aarde en kosmos graaft
van door denken
het besef is alleen leegte
het rotten van bladeren aan de grond
in eeuwig proces van levend dood
op elkaar gestapeld met dingen
waarin ik één zal zijn
ouverture onbestemd voor woorden
zie hier van schamel mijn gedicht
in een zwak straaltje tegenlicht
gevonden in je slotaccoorden
jeugd bekrast de kristallen
in ’t zenith pinkelt de ster
doch nog onaantastbaar zo ver
reeds muziek ruist door getallen
slingert omhoog in wilde zeeën
strijkers neer in het stille dal
geen besef van wat nog gebeuren zal
rondom een lucht boordevol weeën
dan scheuren de pauken bloesems open
vergeet de vijandschap van water en vuur
ontrukt het diepste geheim der natuur
je ware gedaante uit ’t kristal gekropen
klokken en conserten die klinken
door de klanken die jij eraan gaf
noch nimmer lag jij in een graf
het zwaarste kan jou niet zinken
lijden niet voor niets gedragen
spreekt de wereld in alle talen uit
violen trompetten en de fluit
jouw droomland tot in lengte van dagen
je gaat reizen leven wordt beleven
in alles schildert zich een verschil
er slaat iets in je los dat wil
zelf de dingen hun namen te geven
duizend dingen gaan spreken
van composities en piano vervuld
toekomst schikt zich naar eigen geduld
het minste wordt een uitroepteken
daar lig je voor eeuwig geboren
schalmijert alle tonen door het land
kristal verdraait tot duurzaam diamant
van het leven nog geen seconde verloren
vrienden die je toen niet kon vinden
luisteren nu woordloos naar je verhaal
hun kelen hun handen zijn er allemaal
weten eindelijk wat jij zo beminde
zoals heuvels bergen en dalen
ebben vloeden ’t heen en weer
honderd maatstokken op en neer
je werk nimmer naar een finale
peter tsjaikofski’s droomland
er is terreur in de nacht
op de straat in het park
als drank op is en alles gesloten
een wet blijft van kracht
en dorst wordt dan bloed
een wond moet open
maar het is geen drank
het vloeit voor niets
pijn onzichtbaar in de nacht
want donker en dood
liggen zo dicht bij elkaar
lente
zacht diepblauwe koepel
van hare majesteit de hemel
het moment dat het goede uur gekomen is
als ik dood ben
pluk gerust het geel
dat zo heerlijk opvalt
de bloemen van mijn graf
en stal ze in het licht
van de ramen zonder namen
alleen zo wint de wereld
aan vrolijkheid terug
die zij telkens even verliest
ter herinnering aan hans lodeizen 1924-1950
ergens op een kruispunt van wereldwegen
heb ik mijn wil getost
van toen af heeft iedere dag
mij iets anders uitgedost
mijn speelplaats door de zon
flink afgerost
wij speelden diefje nog steeds
ben ik niet verlost
zeker hans deze wereld is niet de echte
ik neem ook de mieren waar
kon ik maar heel even regeren
wat zou alles anders zijn
jouw lichaam was nog te jong
daarvoor kan ik geen balsem vinden
maar met het verstand
van mieren generaties
heb jij hier gezien en begrepen
de wind heb jij verstaan
bergen toegesproken
met de zee heb jij zoveel
fijne dingen gedaan
de zon heb jij aangeraakt
en geknikkerd met de maan
de sterren moeten zo langzamerhand
wel alles van jou weten
jij kende dit leven
ja zachtjes als een kind
ben jij uit de zandbak
van ons weggegaan
het balle ballet
de witte schim
van een mens stuit
rollend over de kim
elastisch het leven uit
de spieren beluisteren
het ruisen van het bloed
bewegingen fluisteren
van het hoofd naar de voet
dansende passen
figuren in glassen
als witte bolle zeilen
met schaduw gelijk
in flessen te kijk
stuivend door zwart
wervelt de witte veeg
geen pijn in mijn hart
de ballon loopt leeg
dood maar niet ontbonden
het veranderde leven leeft
de gouden poort gevonden
en daar naar binnen zweeft
de wil overwonnen
bloed in hun macht
zeer moede verzonnen
zo eindigt de nacht
mijnwerker
glimmend zwart
vond een roos
sinds 30.000 jaren
niet meer bloeit
voor de zon een herinnering
aan het paradijs van toen
zonder mensen
het versteende wonder
bloeit nog eenmaal
verwarmt hem die het laatst kwam
die alles alles nam
rakelings
in het wonder van tegenkomen
hoorde ik het zingen van mijn bloed
niets heb ik van je weggenomen
de eieren liggen nog ten broed
wie de grote truc der liefde
vriend der vrienden weet te zijn
wie een schone trouw beliefde
mengt zich in dit vreugdfestijn
ja wie slechts ook een gedachte
de zijne noemt op deze wereldrond
en wie straks niet bij machte
stoot zich jammer uit den bond
niet onbemind zijt gij onbekend
wat maakt uit wie aan wie behoort
aanraken is alleen voor de verwende
rakelings passeren niemand stoort
wachtkamer van dromen
weer graaft de donkere nacht
dieper door in mijn denken
en lig ik in mijzelf open
de stille witte
gesticulerende dirigent
van mijn langzaam
roeiende geest
mijn oren hurken
op zachte bodem
over mijn ogen schelpen
waar in leven
zich geborgen waant
de wachtkamer der dromen
eindelijk kan ik binnenkomen
eindelijk kan ik met mij zelve spreken
rood met een zwart randje
de nacht en het spelen
met lucifers
terwijl open vuur
is verboden
wie
o ik weet het niet
maar het zijn mijn kinderen
ieder leeft in z’n eigen wereld
dus
deze wereld zovele andere
eigen haard is goud waard
andermans haard is openbaard
hele volkeren
achter de dranghekken
van hun geloof
onmerkbare beweging der gordijnen
de mooie jongens van het dorp
snoekbaars laat zich niet zomaar lijnen
de vangbal wordt weer een worp
het grote verlangen op sleeptouw
zal in hun voetstappen sterven
of laat het cliché van hou en trouw
zich toch in een boomstam kerven
dan wordt een wens opgelegd dwingen
de kiemkracht van menige frustratie
de sleur van treurig dagelijks zingen
’t werktuig van een schroefvaste relatie
het echtpaar zal eenmaal echt paren
daarvoor wordt de rode loper uitgelegd
doch de storm zal bedaren in het baren
daarna geniet de echtgenoot niet meer zo echt
mannen moeten blijven ontmoeten
in hun primitiefste dadendrang
schijnt ’t leven te moeten boeten
zwelt aan tot massaal doden gezang
er is liefde
op elk moment
daarom haat
geen grenzen
kent
honger is
schedels van de lente leeg halen
de zomer rood maken
de herfst diep uitgraven
en in de winter zwarte kleuren voelen
honger is
lachend glanzend brood verdienen
een hapje nemen
de resten aan de straatstenen voeren
en elke dag van ver weg
televisie beelden tellende ribben
steeds duidelijker hoe het zwart vlees
was omringd
honger is
geschapen om te schrapen
eerst planten de planten
daarna de dieren de planten
dan de mensen planten en dieren
honger is
schrapen uitgeschapen
planten zonder planten
dieren zonder planten en dieren
de mens zonder de mens
honger is
wil je het werkelijk weten
niets meer
de mensen gaan mensen eten
je mond spreekt
als een doorne van
de wilde roos
zo in zwijgen heb jij
je lippen stuk gebeten
mens
uit de zee je naam geboren
die zo luid gesproken heeft
’t zoet ’t zout elkaar verloren
zó langs elkaar heen geleefd
liep ik over dat water
van mijn gedachten heen
en ontdekte toen het later
door ’t vroegere zo een
vroeg en later alles water
zelfs de grootste dikste steen
alles staat er en vergaat er
door mijn tranen schrijf ik heen
onder de poort
zal ik ogen binnentreden
of in blinde buitenstaan
toch van heden naar heden
onverstoorbaar verder gaan
ego
ik de eerste
ik het hele bestaan
ik die leef ik die neem
wat ik kwijt wil geef ik
zoals jullie zijn
ik duizenddenker graaf diep
in het onmenselijke
van mijn gedachtengang
etcetera
zo draait alles om alles
het latijn om ’t grieks
en verliest ieder begin zich
aan de horizon van het einde
ik dictator
wat anderen vertellen
vertellen zij maar
mijn woorden gaan op de
weegschaal van het water
ja ik probeer mijn pen
daar waar anderen krassen
’t zijn net kinderen
van hun kinderen
in het ongeremde rennen
rennen zij
achter de lege hoepels
van hun verlangen
etc.
uitlokking
er was eens een vrouw
die wilde moeder worden van de wind
zij werd aangerand
en kreeg een heel mooi kind
haiku
getekende lach
gezicht van stralende ogen
jullie japanners
oorzaak & gevolg
buitenmenselijke reden deze aarde
omdat er nog zoveel zonnen zijn
een mensenleven zo weinig waarde
doet het forceren van de evolutie pijn
slaven wij met onze eigen slaven
vergelijkbaar met een mierenhoop
graven wij zelf onze eigen graven
want ergens is er goud te koop
hebzucht drijfveer van deze ellende
die het bezit tot diefstal maakt
zodat de misdeelde en de miskende
daardoor steeds weer in opstand raakt
zoveel gestudeerd
zoveel gestudeerd
zoveel gestudeerd
zichzelf zijn
zichzelf zijn
zichzelf zijn
verleerd
verleerd
verleerd
besluit
weg van hier
dit land
deze mensen
het pek waarmee ik omga
het pek dat mij besmet
het koord van verdriet
staat mij te strak
mijn hoofd zeer gebogen
het gras vertrapt
de veerkracht
van het leven kwijt
’t kevertje van ’t groenoord
dekschildje is nu zeer gezocht
ja de wereld wordt schaars aan sieraad
geen duifje vindt hier nog een tak
de sterren alleen de sterren nog
doch hoe ver dit licht
en alleen met een zon
ontsteek je een zon
daarom wil ik weg van hier
naar een ander land
waar de zon met stellige zekerheid
over het grasveld rolt
daar wil ik opnieuw geboren worden
met eigen kleren aan
met de naam die bij mij past
oosterparkstraat 144
er wonen woorden in ons huis
als broden worden zij gegeten
bezoek vervliegt als parfum
wij willen het allemaal
van elkander weten
en niets is hier zo echt
als de slaap
de rust om te rusten
totdat de volgende
en de volgende knaap
de een de andere
weer wakker kuste
dag dag
dag crister
dag deze dag
deze morgen
deze ontmoeting maakt
gisteren nog meer zeker
en vandaag …
een mooi en goed stuk
gereedschap voor morgen
daar werken wij mee
ongedwongen is het fundament
van dit bouwsel
fantaseerde de bouwmeester
en eeuwen droegen zijn naam
als in een gotisch monument
als ik nadenk
over de heuvels
van de granen
ontdek ik
’t geschenk van het verleden
de verflagen over de fresco’s
onder ’t gewelf in ’t kleurenblind
blind blind
van toen …
nu als een enorme
verrassing dat jij reeds bestond
in het heden
harrie habets
als vlinders zijn handschrift
als bloemen aan gepaard
letterde hij letter voor letter
ontworstelde hij mijn eenzaamheid
werd niet dronken aan mijn woordenbokaal
die zich in een teug der zinnen
niet legen laat
zijn naam is in mijn huid
een onzichtbare tatuage
de straat
geloof je in het wonder van de straat
ontelbaar als de bladeren van de bomen
en de weg die telkens weer anders gaat
onpeilbaar als een dieplood in dromen
want uit het oogpunt van eenzaamheid speurt
en duizenden zielen die zogenaamd slenteren
omdat in de haven van mijn hart niets gebeurt
totdat er een zwalkend scheepje komt enteren
aangemeerd op het duizenddichtersstrand
mogen de matrozen voor altijd pierewaaien
de echte vrijheid is een losse vaste band
zoals welkom zullen wij afscheid zwaaien
wij lopen in de schoenen van de straat
onverstelbaar in mee en tegenstromen
meester toeval slaat scherzo de maat
onvoorspelbaar tegenkomen meegenomen
conducteur
hoe laat heeft deze trein
aansluiting op de volgende
dat heb jij niet geschreven!
omdat zo dikwijls deze uitroep van ongeloof in mijn oren klonk
doch ook weer in mijn hart stiekum
als een compliment werd ontvangen.
ja dat heb ik dus geschreven.
reeds twintig jaren schrijf ik
en ik vind het belachelijk dat
als je niet echt iets hebt uitgegeven,
je als dichter niet meetelt in deze wereld
van je perse moeten bewijzen.
een gedicht is iets van jezelf.
mijn diepste gedachten komen onder willekeurige ogen.
weet ik dat ik mezelf wegschenk in verlegenheid.
ontleedt het scherpste mes de zieleroerselen van een mens.
echter mijn voldoening
wanneer u uit mijn werk
iets van uzelf herkent.
want tenslotte horen wij allen
thuis op diezelfde golflengte,
waardoor wij door meer begrip voor elkaar
eenvoudig beter op elkaar worden afgestemd.
tergend langzaam was
de waanzin der middeleeuwen.
zij maakte plaats voor de dolle driestheid
waarin wij nu voortrazen.
geen tijd meer voor iets,
voor iemand anders dan.
ik heb haast. nee toch.
de stofzuiger stond zeker aan.
dan hoor ik de bel niet.
o ja, hoe laat was je dan al aan de deur?
och toen was ik zeker net boodschappen doen.
weet ik wel, weet ik wel.
moet ook gebeuren.
ja en de kinderen
moeten nog van school gehaald.
kom straks maar terug.
o nee, als mijn man er is
moeten we direkt weer weg.
we gaan naar een receptie.
goed dat ik er nog aan denk
ik moet nog bloemen halen.
ja kom morgen dan maar of zo
of anders bel eerst eens even.
dag. daaaaaaaaaag.
zo ga ik huis aan huis voorbij jullie.
zo dwingen jullie mij
dat ik alleen bij mezelf stil moet staan.
het koord van verdriet staat mij te strak mijn hoofd zeer gebogen
het gras vertrapt de veerkracht van het leven kwijt
’t kevertje van ’t groenoord dekschildje is nu zeer gezocht ja de wereld wordt schaars aan sieraad
geen duifje vindt hier nog een tak
de sterren alleen de sterren nog doch hoe ver dit licht en alleen met een zon ontsteek je een zon
daarom wil ik weg van hier naar een ander land waar de zon met stellige zekerheid over het grasveld rolt
daar wil ik opnieuw geboren worden met eigen kleren aan met de naam die bij mij past
oosterparkstraat 144 er wonen woorden in ons huis als broden worden zij gegeten bezoek vervliegt als parfum wij willen het allemaal van elkander weten
en niets is hier zo echt als de slaap de rust om te rusten totdat de volgende en de volgende knaap de een de andere weer wakker kuste
dag dag dag crister dag deze dag deze morgen deze ontmoeting maakt gisteren nog meer zeker en vandaag een mooi en goed stuk gereedschap voor morgen daar werken wij mee
ongedwongen is het fundament van dit bouwsel fantaseerde de bouwmeester en eeuwen droegen zijn naam als in een gotisch monument
als ik nadenk over de heuvels van de granen ontdek ik ’t geschenk van het verleden
de verflagen over de fresco’s onder ’t gewelf in ’t kleurenblind blind blind van toen. nu als een enorme verrassing dat jij reeds bestond in het heden
harrie habets als vlinders zijn handschrift als bloemen aan gepaard letterde hij letter voor letter ontworstelde hij mijn eenzaamheid werd niet dronken aan mijn woordenbokaal die zich in een teug der zinnen niet legen laat zijn naam is in mijn huid een onzichtbare tatuage
de straat geloof je in het wonder van de straat ontelbaar als de bladeren van de bomen en de weg die telkens weer anders gaat onpeilbaar als een dieplood in dromen
want uit het oogpunt van eenzaamheid speurt en duizenden zielen die zogenaamd slenteren omdat in de haven van mijn hart niets gebeurt totdat er een zwalkend scheepje komt enteren
aangemeerd op het duizenddichtersstrand mogen de matrozen voor altijd pierewaaien de echte vrijheid is een losse vaste band zoals welkom zullen wij afscheid zwaaien
wij lopen in de schoenen van de straat onverstelbaar in mee en tegenstromen meester toeval slaat scherzo de maat onvoorspelbaar tegenkomen meegenomen
conducteur hoe laat heeft deze trein aansluiting op de volgende
kom! kom in mijn rithme
en ik verklaar je het noorderlicht
oogverblindend geld verslindend
er is geen dag en nacht verschil
de grote truc heet schaduw
als een simpel handgebaar
’t oneindelijke
omdat dit is moet het bestaan
omdat ’t was zoals ’t worden zal
om niet te blijven en anders te zijn
zo herhaalt zich geen enkele herhaling
en leidt niets tot een juiste vertaling
rood roeit de zon tegen de avond
over een korenveld van toekomstig brood
aan ’t leven lavend reeds verslavend
staan wij slechts in dienst van de dood
het besef dat de tijd ons zo snel berijdt
in de ban van de razende ringen
en dat ik onder ieder leiden lijd
ondanks toch nog liederen blijf zingen
want alleen werkelijkheid raakt een schietschijf
in feite steeds weer achilleshiel
wéét dat ik voor iemand anders hier verblijf
in naam van het diepste wezen uit mijn ziel
ik schrijf de waarheid als pijn
als fel brandend licht aan de ogen
ik schrijf opdat er klaarheid zal zijn
zó vanzelfsprekend elk bewogen
de leugen op zichzelf maakt klein
grootheid van anderen moeilijk te gedogen
schrijvend deze regels tussen lijn
heb ik voor u mijn hoofd gebogen
zo snel gaat de tijd
dat ’t gewoon z’n neus snuit
en eenmaal om het middelpunt vliedend
volgt de machteloze macht
de tijd draait ziedend
en is er niet een kus in de nacht
die eenzaamheid uit ’t water tovert
dan verliezen mijn dromen niets aan kracht
neem ik wéér wat ik reeds had veroverd
en zoek een slaaphuis in ’t zacht