Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

Stammenhof


Hofstelsel

Het hofstelsel, kenmerkend voor de feodale staat, heeft al antecedenten in de plattelandseconomie van de Romeinse tijd. Als gevolg van bevolkingskrimp in de Late Oudheid ontstaat er een tekort aan arbeidskrachten. Het bestuur probeert de economie op gang te houden door de vrije boeren te verbieden het land waar ze aan zijn verbonden te verlaten. Daarbij worden ze met vroegere slaven samengevoegd en zo ontstaat een nieuwe klasse van lijfeigenen.

In de vijfde eeuw volgen de Germaanse koninkrijken het Romeinse gezag in het Westen op. Romeinse landheren worden vaak gewoon vervangen door Germaanse, met weinig verandering in de situatie of verplaatsing van bevolkingsgroepen.

Na het vertrek van de Romeinen is er een periode van chaos, maar daarna beginnen de nieuwe bewoners, Franken, vanuit het dal activiteiten te ontplooien op het plateau. Daar wordt voor het vee een langgerekte driehoekige open ruimte of Dreesch aangelegd, met een poel of misschien waren het meer poelen. Deze Dreesch is een gezamenlijke veeweide. Dichtbij de nederzetting en goed te bewaken. De dorpskudden worden er ’s avonds verzameld en via kleine verbindingsweggetjes ’s morgens naar de weiden gebracht. De driehoekige vorm van de Dreesch herinnert aan de gewoonte van de Franken om hun wagenkampen in een driehoekige vorm op te stellen. Daardoor creëren ze in het midden een veilige afgeschermde plaats waar dan de sociale activiteiten zoals kermissen en jaarmarkten plaatsvinden.

Het hofstelsel is een exploitatie van landgoederen op basis van het tweeledige domein. Een domein bestaat uit vroonland en hoevenland.

Het vroonland bestaat uit de hof van kasteel Terborg met stallen, schuren, werkplaatsen een tuin, boomgaarden, wijngaarden en een woonplaats, Neer-Spaubeek (nu Oude Kerk), en akkers op de Kasteeldergewande die later worden uitgebreid met de Stammendergewande.

Rondom het vroonland ligt het hoevenland met de boerderijen die in leen werden gegeven aan horige boeren. Aan de westkant Sweikhuizen, aan de noordkant Puth, aan de oostkant Schinnen en aan de zuidkant Hegge en Nagelbeek.

De heer van Terborg of diens meier geeft vanuit de hof leiding aan de horigen die het land bewerken. De horige boeren moeten naast hun eigen grond als herendienst ook het aan de centrale hof toebehorende land bewerken. Verder moeten ze werkzaamheden uitvoeren, zoals reparaties aan wegen, gebouwen en hekwerken. Ook moeten ze op gezette tijden bepaalde goederen uit de productie van het eigen land leveren, de zogenaamde cijns. De horigen vallen onder de jurisdictie van een eigen rechtbank van de hof, het hofgericht. De horigen zijn tevens verplicht om hun koren op de banmolen van het kasteel te laten malen.

Hendrik, Heer van Schinnen, neemt op 5 Juni 1288 deel aan de slag bij Woeringen, In 1288 in hetzelfde jaar verkoopt ridder Hendrik van Schinnen zijn pachthoeve te Sweikhuizen groot 66 bunder akkerland en zijn bos gelegen omtrent Daneken aan ridder Renier Hun.

In de 13de of 14de eeuw vindt een transitie plaats van het hofstelsel naar het pachtsysteem. Deze transitie vindt plaats in de tijd dat Stammen werd verkocht (einde 13de eeuw). Stammen wordt een hoeve. De Heer van Terborg geeft het zelfmanagement van zijn binnenplaatsen op.

De oorspronkelijke vorm van verhuur van landgoederen is halve pacht. De pachter geeft de helft van zijn landbouwinkomen aan de verpachter. Om deze reden wordt de pachter van een vroenhof ook halfe, halfwinnaar of halfman genoemd. Later wordt de pacht niet meer gehalveerd afhankelijk van het inkomen, maar verpachter en pachter komen een vaste pachtsom overeen. De naam halfe blijft desondanks tot in de twintigste eeuw bestaan.

Halfwinnerschap brengt niet alleen de verpachter, maar ook de pachter grote economische voordelen: Omdat de goederen na de dood van een pachter niet aan deling onderhevig zijn, blijft het areaal hetzelfde of wordt zelfs groter door aankoop. Zo zijn de halfen superieur aan de boeren met hun eigen bezittingen, omdat die bij elke opvolging moeten vechten met het probleem van de erfdeling. Zo ontwikkelde zich in de vroegmoderne tijd een nieuwe, landelijke bovenklasse, die persoonlijk volledig vrij en economisch zeer welvarend is.

Voorwaarden voor de halfwinnaren van Stammen:

De vruchten op den dorschvloer te deelen. Als voordeelland kreeg de halfwinner 3 bunder. Voor de 3 boomgaarden, den koppelbempt, den speckbempt, den bempt on de Molencoten, den ronden bempt en den verkensbempt moest hij jaarlijks betalen f 200. De pachter moest eenen stier ende beer houden ten gerieve der gemeente waarvoor hij jaarlijks 100 rogge bouschen kreeg uit de tiend. Hij moest jaarlijks de helft van den schat betalen, eene Koelvrachte doen en om de 2 jaren eene wijnvracht naar de Aere of naar de Mosel. Voor nieuwjaar moest hij telkens leveren 4 pond canarie-suiker, een half vierdel ponts beschaeten bloem, een 1/2 vierdel ponds kaneel, een half pond gember, een 1/2 pond peper, 4 strenen vlas, het beste varken uit de stoppelen, een hamel en een kalf.

Op pene van afgebrant te worden

Brandschatting


Ervaring met vreemde legers (oorlogsbeden). De oorlogsschulden. 

Pijls schrijft: 

Nadat toch de ingezetenen alle geld is afgeperst om de aanhoudende krijgslasten, beden en brandschattingen te kunnen betalen, moet bij elders wonende, gegoede en welwillende mensen, vaak onder zeer bezwarende omstandigheden, geld worden geleend meestal om te voorkomen, dat het dorp wordt uitgeplunderd en de huizen worden afgebrand. Dit is een bewijs, dat de inwoners van Schinnen door al de oorlogsbelastingen en geldafpersingen zodanig verarmd zijn, dat zij niets meer te missen hebben.

Bijdrage tot de geschiedenis van de Voormalige heerlijkheid Schinnen, H. Pijls, 1928


Stammen brandt in 1686 af volgens Henri Pijls.

Blijkens het jaartal boven de deur van de ingang van de woning is deze herbouwd in 1696. Sporen van afbranding zijn voor de laatste verbouwing (1910) nog te zien.

Pijls vermoedt dat er een ondergrondse geheime toevluchtsplaats is geweest bij Stammen

Op 2 augustus 1685 wordt Mehove aangekocht door Johan Willem van Schellaert. In verband met de brand van Stammen?


Je weet niet wat er is gebeurd, maar misschien kun je bedenken hoe het gebeurd kan zijn.

Onder voorwendsel dat Spanje het traktaat van Nijmegen (1678) niet naleeft, zendt Lodewijk XIV in augustus 1683 een leger, onder maarschalk d’ Humières, naar de Zuidelijke Nederlanden. Omdat de Spaanse gouverneur, markies de Grana, daar niets tegenover kan stellen, wordt het grootste gedeelte van de Zuidelijke Nederlanden in weinige dagen door de Fransen bezet.

Reeds op 30 augustus legt Lodewijk XIV het land een zware krijgsbelasting op, die over alle steden, dorpen en kloosters wordt verdeeld. Deze sommen moeten zonder uitstel betaald worden, zo niet stelt het in gebreke gebleven dorp zich bloot aan militaire executie.

Vermits het geld nog net op tijd betaald wordt, blijftf het dorp voorlopig gespaard van branden, plunderingen en alle gewone militaire uitspattingen.

Eind december 1683 besluit Spanje eindelijk om op te treden en verklaart het de oorlog aan Frankrijk dat, begin januari 1684, met een nog veel zwaardere oorlogsbelasting reageert. 

Op 4 juni 1684 moet de stad Luxemburg zich na een beleg van 26 dagen aan de Fransen overgeven. Op 15 augustus wordt, door tussenkomst van Holland te Regensburg tussen Spanje, Frankrijk en Duitsland een wapenstilstand van 20 jaren gesloten. De Fransen trekken zich terug, maar mogen voor hun moeite Luxemburg, Beaumont en Chimay behouden (evenals Straatsburg trouwens).


In 1687 wordt Mertin Kisters pachter van Stammen.

Hij is getrouwd met Paschasia (Peusken) Demacker (Groetenraedt), vroedvrouw,

Op l Mei 1698 verpandt Walraaf Theodoor van Schellardt van Obbendorf het land bij de Swarbele Coul aan Merten Kisters voor 200 pattacons.

Op 14 mei 1698 leent Marten Kisters, gehuwd met Paschen de Macker, 800 gulden van Maria Moors van Maastricht. Bij de realisatie op 14 juni 1698 worden als onderpanden gespecificeerd een huis, hof en weide te Sweijkhuizen aan de Dorpstraat tussen Jacob Fransen en Dirck Vroemen, alsmede een huis met hof en weide, eveneens aan de Dorpstraat, tussen Peter Gielen en Fred. Hagens.

Kisters is overleden op 27 april 1702 in Sweikhuizen, hij is dan 60 jaar oud.

Van Pieter Ecrevisse is een verhaal (uit een latere tijd) bekend dat wellicht van toepassing is op wat er zich op Stammen kan hebben afgespeeld. Hier volgt het met de nodige aanpassingen gereproduceerde verhaal van Pieter Ecrevisse.

's Morgens vroeg begeven Jan Hermans en Ageeth Gielen zich op weg, en komen om negen uur al te Schinnen aan, waar het bedrijf van Ageeths vader tien jaar eerder lag. Weldra komen bij hen de jeugdherinneringen naar boven; de bomen, waaronder ze vroeger hebben gespeeld, herkennen ze, maar de woning kunnen ze niet meer herkennen. Jan besluit naar binnen te gaan; maar nauwelijks heeft Jan de klink uit haar groef doen springen en de deur geopend, of een vrouw staat op om hem een stoel aan te bieden. Maar dan vallen haar ogen op Ageeth, die achter haar man naar binnen komt, en Paschen, zo heet de vrouw, verbleekt en stoot een luide gil uit.

Jan en Ageeth staan hevig ontsteld wegens het voorval, ze weten niet waaraan het toe te schrijven; toch duurt hun onwetendheid niet lang; want nauwelijks heeft Mertin tot zijn vrouw met een soort van liefderijke berisping gezegd: Nou, Paschen, je zou ons toch doen schrikken, en dat juist op het ogenblik dat twee vreemde personen ons komen bezoeken! Paschen kijkt nog eens naar Ageeth en zegt: Nee, ik vergis me toch niet, het is Ageeth levend en wel. Mertin, komen dan de doden terug?

Wat spreek je van doden, vrouw, het zijn levende personen die voor je staan. Wat wil je zeggen met je doden?

Maar manlief, herken je dan mijn speelmakkers niet: je weet wel de kleine Ageeth van Stammen, welke wij omgekomen geloven te zijn in het huis, toen de Fransen het in brand staken, tien jaar geleden?

By deze woorden werpt ook Mertin een onderzoekende blik op de vreemdelingen!

Jan en Ageeth maken zich bekend. Ageeth vertelt in weinige woorden, hoe zij aan de brand en aan het levensgevaar ontsnapt is; voegt eraan toe, dat wijlen haar vader enige zogenaamde Fransen heeft herkend onder hun vermommingen; dat dit ruchtbaar is geworden en men daarom besloten heeft, met de dood van Gerard Gielen en zijn vrouw Marie Rameckers, het geheim te begraven.

Op die wijze verklaart zij de wraakzucht van de bende en het schrift op de deur: Zo behandelen de Fransen de verraders en lafaards!


Gebroken Schinnen

Waarschijnlijk maakt Schinnen al begin dertiende eeuw deel uit van het Land van Valkenburg. Uit huwelijksvoorwaarden die in 1285 voor Hendrick Scinne worden opgemaakt, blijkt dat de heer van Schinnen de heerlijkheid in leen heeft van de heer van Valkenburg en het kasteel en de hoeve Luiks leengoed zijn.

Eind dertiende eeuw krijgt Floris van Berthout Schinnen in leen. Hij zegt de leenhulde aan de prins-bisschop van Luik op en erkent de hertog van Brabant als leenheer. Vanaf 1339 krijgt het Gelders hertogenhuis Schinnen in leen van Valkenburg.

In 1378 komt het graafschap Valkenburg in Brabantse handen. Het werd naast het graafschap Dalhem en het Land van ’s Hertogenrade een van de Landen van Overmaas. Hertogin Johanna van Brabant draagt haar soevereiniteitsrechten over de Landen van Overmaas in 1387-1396 over aan Filips de Stoute van Bourgondië.

Op  22 februari 1381, de feestdag van St. Pietersstoel wordt Lambert van Ghoere met de halve heerlijkheid Gebroken Schinnen beleend. 

Sedert het jaar 1403 blijft de heerlijkheid in het bezit van de familie Schellart van Obbendorf. 

In november 1557 wordt de andere helft van de heerlijkheid door de koning van Spanje als hertog van Brabant, verpand aan Jonker Jan Schellart, 

In 1477 nemen vorsten uit het Huis Habsburg het gezag over. De Habsburgse koning Filips II van Spanje verpandt, als hertog van Brabant, zijn Valkenburgse rechten in de heerlijkheid Schinnen aan Jan Schellart van Obbendorf, die daarmee de absolute macht over en alle inkomsten uit de heerlijkheid verwierf.

Jan Schellart wordt op 12 november 1559 beleend met de andere helft van de heerlijkheid. De beide helften zijn nu verenigd in handen van een enkele bezitter. In 1609 wordt de verpande som door de koning terugbetaald en geeft deze dit deel van de heerlijkheid aan Arnold Huyn, graaf van Geleen en Amstenrade in ruil tegen het bos van Oud Hulst in Vlaanderen. Deze helft van de heerlijkheid wordt successievelijk verheven door Maria Dorothea van Dietrichsteyn, prinses van Salm, prins Charles de Ligne en Jan Baptist graaf d’Ansembourg. De heerlijkheid is sedert 1609 weer gedeeld of gebroken.

Het Partagetraktaat (1661), dat in de Landen van Overmaas zorgt voor de afwkkeling van Vrede van Münster (1648), bepaalt dat de heerlijkheid Schinnen onder Spaans-Habsburgs gezag blijft. In 1713 komen de Spaanse Landen van Overmaas in Oostenrijks-Habsburgse handen.

Jan Adam Schellart verklaart op 13 december 1680: Verwacht hebbende een kind bij Sophia, dochter van Paes, buiten Heiliken ehestandt maer van goede intentie sijnde om selve te trouwen. Hij schenkt Sophia het panhuis te Oirsbeek met huis en land.

De 2de augustus 1685 koopt Baron Johan Willem van Schellaert heer tot Reulsdorf van de Eerwaarde heer Johan van de Heijden, Duits ordepriester en sacrist van de balie Biessen een huis te Puth.

Maria Ernestina de Schellardt van Obbendorf van Reulsdorf.

Geboren te Mehove-Schinnen 12 mei 1689, dochter van Jan Adam de Schellardt en Sophia Pijls. Zij is Vrouwe van Schinnen, Leeuwen, Broich en Reuschenberg.

Bij akte van donatie verleden voor de schepenbank te Schinnen op 2 December 1734 staat zij aan haar neef Walram Winand Adam, heer van Schinnen, af al haar goederen bestaande in de hof Mehove, met de last dat zij gedurende haar leven bij hem op ’t kasteel te Schinnen zal inwonen.

Op de buitengewone vergadering der schepenen op ter Borgh, op 3 juli 1742, drie dagen na de begrafenis van de gebiedende heer, wordt diens testament geopend en voorgelezen. Luidens de inhoud wordt Maria Ernestina de Schellardt tot erfgename aangesteld van de roerende en onroerende goederen, alsmede de jurisdictionele goederen.

Inventaris van de heerlijkheid Gebroken Schinnen, op 4 februari 1768 opgemaakt door de heer Philip Thomas Fabritius schout te Schinnen uit naam van graaf Adam Alexander van Schellart heer van Schinnen, Geijsteren, Haen, Crapoul, etc. de heerlijkheid en adellijk huis van Schinnen. Hij verklaart dat de graaf die bezit op grond van testamentaire beschikking.

De heerlijkheid Schinnen bezit hoge, lage en middelbare jurisdictie, zoals in de heerlijkheden van deze landen gewoon is, met recht van jacht, en visserij op de rivier genaamd de Geleen die door genoemde heerlijkheid loopt. De limieten zijn in het oosten het graafschap Amstenrade of bank van Oirsbeek, in het zuiden de heerlijkheden Hoensbroek, Vaesrade en Nuth, in het westen het graafschap Geleen met de heerlijkheid Spaubeek en verder in het noorden het ambt Sittard in Guliks gebied.

In deze heerlijkheid ligt het adellijk huis genaamd Ter Borgh met de daarbij horende velden, beemden en weiden, ongeveer 50 bunder groot, aan de ene kant grenzend aan de hof Stammen en aan de andere kant aan Heisterbrug, Nagelbeek, Hegge en Spaubeek. Daaraan is verbonden een laatkaart of achterleen van ongeveer 80 lenen.
 

https://sites.google.com/view/linguarium 


Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse