Illustratie van Dante's Paradiso, canto X, eerste kring van de 12 leraren van wijsheid onder leiding van Thomas van Aquino. Manuscript: British Library, Yates Thompson 36, fol. 147 (tussen 1442 en ca.1450). Dante en Beatrice ontmoeten twaalf wijze mannen in de Bol van de Zon (miniatuur van Giovanni di Paolo),
Paradiso 10, 133–138
Questi onde a me ritorna il tuo riguardo,
è ’l lume d’uno spirto che ’n pensieri
gravi a morir li parve venir tardo:
essa è la luce etterna di Sigieri,
che, leggendo nel Vico de li Strami,
silogizzò invidiosi veri.
Averroës zegt in zijn commentaren op Aristoteles, dat de aarde niet is geschapen, maar altijd al heeft bestaan.
Alles heeft een oorzaak. Als alles een oorzaak heeft, dan is er geen eerste oorzaak, geen eerste gebeurtenis zonder oorzaak. De veronderstelde eerste oorzaak moet ook een oorzaak hebben. Er is geen eerste oorzaak. Er is evenmin een laatste gevolg.
Een logische gedachte, in mijn ogen, en daarom verwondert het me, dat zovelen juist het omgekeerde denken, niet alleen de theologen, wanneer ze aannemen dat er een scheppingsmoment moet zijn geweest en dat de wereld ooit zal eindigen, maar ook de fysici, wanneer ze het heelal laten beginnen met een oerknal en eindigen met een eindkrak.
Natuurlijk weet niemand uit ervaring, hoe het is geweest, hoewel, als er een begin is geweest moet dat te merken zijn aan de huidige toestand van het heelal. De huidige toestand is te zien als een teken of een spoor van de oorspronkelijke toestand. Als dit spoor aan een kant gesloten is of eindigt, kan dit een teken zijn dat er werkelijk ooit een begin is geweest. Het moet te merken zijn of de dingen die er nu zijn ooit wel of niet een eerste oorzaak hebben gehad. Ieder ding draagt sporen van zijn voorgeschiedenis. Een tijdsbalk van die sporen zou ook een spoor van het allereerste begin van die voorgeschiedenis moeten bevatten, als die er is.
Als er geen eerste oorzaak is, is het heelal een lange keten met veel schakels. Iedere schakel wordt in stand gehouden door de schakel die eraan voorafgaat, maar de hele keten wordt door niets in stand gehouden. Heeft de wereld een begin in de tijd, of is de wereld eeuwig, dat is het probleem. Het probleem wordt het middelpunt van een debat, wanneer sommige werken van Aristoteles in het Latijnse westen worden herontdekt. De aristotelische theorie over de eeuwigheid van de wereld wordt verboden in de Veroordelingen van 1210–1277. In boek VII van zijn Physica schrijft Aristoteles over de vraag of de tijd een begin kan hebben. Zijn antwoord is: nee. Zijn redenering is tweeledig. In de eerste plaats verdedigt hij de opvatting dat de tijd niet los van veranderingen kan bestaan. Als er niets, helemaal niets gebeurt, kan er geen tijd zijn, maar zodra er verandering is, is er natuurlijk tijd. Aristoteles is een aanhanger van een relatief, niet absoluut tijdsbegrip. En, zo redeneert hij verder: veranderingen kunnen nooit op enig ogenblik begonnen zijn; noch kunnen zij op enig ogenblik eindigen. En de tijd dus ook niet. Het is algemeen bekend, dat ik deze theorie over de eeuwigheid van de wereld verdedig, en dat brengt me in conflict met Thomas van Aquino.
Uit de zogenaamde godsbewijzen van Thomas blijkt, dat hij God als allereerste oorzaak interpreteert. Het uniek zijn van deze oorzaak neemt hij als vanzelfsprekend aan.
De bewijsvoering is gericht tegen de stelling van Aristoteles betreffende de eeuwigheid van de wereld. De theorie van Aristoteles is in strijd met de op de bijbel gebaseerde opvatting van de katholieke kerk, dat de wereld een begin heeft in de tijd.
Dit brengt me op het idee, om de bewijzen voor het bestaan van God om te zetten in bewijzen voor het bestaan van de eeuwigheid van de wereld.
De eerste en meer manifeste manier is het bewijs uit beweging. Het is zeker, en waarneembaar met onze zintuigen, dat in de wereld alle dingen in beweging zijn. Welnu wat in beweging is wordt in beweging gebracht door iets anders, want, een object blijft ofwel in rust of blijft bewegen met een constante snelheid, tenzij er een externe kracht op werkt. Niets kan van rust naar beweging gaan, behalve door iets anders dat in beweging is.
Op dezelfde manier kan energie worden getranformeerd van de ene vorm in een andere, maar niet worden gecreëerd of vernietigd. Zo wordt hout getransformeerd in as, roet en licht, als het verbrandt. De totale hoeveelheid energie in het hout voordat het brandt is gelijk aan de energie van as, roet en licht na het branden.
Daarom moet alles wat in beweging is in beweging worden gebracht door iets anders. Als datgene waardoor het in beweging wordt gebracht zelf in beweging is gebracht, dan moet dit ook door iets anders in beweging zijn gebracht, en dat weer door iets anders. Dit kan tot in het oneindige doorgaan, want er is geen eerste beweger, en bijgevolg bewegen volgende bewegers alleen voorzover ze in beweging worden gebracht door voorafgaande bewegers; zoals de stok beweegt alleen omdat hij in beweging wordt gebracht door de hand en de hand in beweging wordt gebracht door de man enzovoort. Daarom is het niet noodzakelijk om uit te komen bij een eerste beweger, die niet door iets anders in beweging wordt gebracht; en deze altijd durende reeks van bewegingen begrijpt iedereen als de eeuwigheid van de wereld.
De tweede manier is uit de aard van de werkende oorzaak. In de wereld van de waarneming vinden we dat er een orde van werkende oorzaken is. Er is geen geval bekend en evenmin is het mogelijk dat een ding de werkende oorzaak is van zichzelf; want dan zou het aan zichzelf voorafgaan, wat onmogelijk is. Welnu in werkende oorzaken is het mogelijk tot in het oneindige te gaan, omdat in alle werkende oorzaken die op elkaar volgen, de eerdere de oorzaak is van de intermediaire oorzaak, en de intermediaire oorzaak de oorzaak is van de latere oorzaak, het maakt niet uit of er verschillende intermediaire oorzaken zijn of maar een. Als het in werkende oorzaken mogelijk is tot in het oneindige te gaan, dan zal er geen eerste werkende oorzaak zijn en evenmin zal er een laatste gevolg zijn, er zullen alleen eerdere, intermediaire en latere werkende oorzaken zijn. Dat is zonder meer juist. Daarom is het niet noodzakelijk om een eerste werkende oorzaak aan te nemen, er is alleen een oneindige reeks oorzaken waaraan iedereen de naam de eeuwigheid van de wereld geeft.
De derde manier is genomen van mogelijkheid en noodzakelijkheid, en gaat als volgt. We vinden in de natuur dingen die er kunnen zijn en niet zijn, aangezien men vaststelt dat ze ontstaan en vergaan, en bijgevolg kunnen ze er zijn en er niet zijn. Ze kunnen niet altijd bestaan, want datgene wat er niet kan zijn is er op zeker moment niet. Daarom, als alles er niet kan zijn, dan brengt dit niet met zich mee dat er ooit niets kan hebben bestaan, omdat tegelijkertijd dingen ophouden met bestaan en tot bestaan komen, wat impliceert dat er altijd iets bestaat. Dat is logisch. Daarom zijn alle dingen louter contingent, er bestaat niet iets waarvan het bestaan noodzakelijk is. Welnu het is mogelijk door te gaan tot in het oneindige met contingente dingen, zoals al is bewezen met betrekking tot werkende oorzaken. Daarom kunnen we niet anders dan het bestaan van een oneindigheid van contingente dingen postuleren. Hierover spreken alle mensen als over de eeuwigheid van de wereld.
De vierde manier is genomen van de gradatie die in dingen is te vinden. Onder de zijnden zijn sommige meer en sommige minder goed, waar, edel en dergelijke. Maar de woorden meer en minder worden gezegd van verschillende dingen, al naar gelang ze op verschillende manieren lijken op iets dat het maximum is, zoals een ding heter wordt genoemd wanneer het meer lijkt op datgene wat het heetst is. Maar er is niet iets dat het meest waar, het best of het edelst is. Er is noch een maximum noch een minimum van waar, goed of edel zijn, er is alleen maar een oneindigheid van graden van perfectie; en dit noemen we de eeuwigheid van de wereld.
De vijfde manier is genomen van de inrichting van de wereld. We zien dat zowel dingen die intelligentie missen, zoals natuurlijke lichamen, als intelligente wezens, zoals planten, dieren en mensen, niet doelgericht handelen, en dit wordt altijd of bijna altijd op dezelfde manier duidelijk uit hun handelen, om het beste resultaat te verkrijgen. Vandaar is het duidelijk dat ze niet opzettelijk, maar toevallig, vooruitgaan. Welnu, wat intelligentie heeft of mist kan niet vooruitgaan, tenzij het zich aanpast aan nieuwe omstandigheden; zoals veren van vogels kunnen zijn ontstaan in verband met aanpassing aan het vliegen. Daarom bestaat er een lange lijn van aanpassingen waardoor alle natuurlijke dingen vooruitgaan; en dit voortdurende proces van aanpassing noemen we de eeuwigheid van de wereld.