In 335 ben ik toevallig getuige van een twistgesprek, dat zich afspeelt in de stad Tyrus, niet ver van mijn woonplaats, Sarfat. Daar staat een kleine donkere man met een lange zwarte baard, Athanasius, omringd door enkele Egyptische broeders. Hij heeft als bijnaam de zwarte dwerg.
Wat is de kwestie? Rond het jaar 319 probeert een bisschop van Alexandrië, omdat hij, sinds het Edict jijvan Milaan, denkt in het openbaar hierover te kunnen spreken, aan zijn geestelijken de eenheid in de triade uit te leggen. Een van zijn priesters, Arius, begrijpt, dat wat Alexander zegt, een paradox is, en zegt dan het volgende: Als de vader de zoon voortbrengt, heeft de zoon een begin en daaruit blijkt dat de zoon er ooit niet was. Daaruit volgt noodzakelijkerwijs dat hij uit niets voortkomt.
Dit voorval veroorzaakt zo’n groot conflict, dat keizer Constantijn in 325 een concilie over het thema organiseert in Nicea. De conclusie van het concilie is: de zoon is identiek met de vader. Maar daarmee is de kwestie niet de wereld uit.
Zijn de vader en de zoon aan elkaar gelijk of lijken ze alleen maar op elkaar? in het Grieks: homoousios (gelijk), homoiousios (gelijkend). Het scheelt maar een letter: de i of de iota in het Grieks. De ene partij, onder aanvoering van Athanasius, beweert dat de zoon gelijk is aan de vader, de partij van Arius vindt dat de zoon slechts lijkt op de vader. Mensen, zoals Athanasius, zijn zo fanatiek tegen de toevoeging van die ene iota, die door de aanhangers van Arius wordt verdedigd, dat het hele Romeinse Rijk erdoor op zijn kop wordt gezet.
In 335 reist keizer Constantijn naar Jeruzalem om op 13 september de inwijding van de kerk, die is gebouwd boven het graf van Jezus, bij te wonen. De keizer heeft bevolen om een bisschoppensynode te houden ter gelegenheid van de inwijding van de kerk. Verder geeft hij de richtlijn dat ze onderweg in Tyrus moeten bijeenkomen, om enkele aanklachten tegen Athanasius te onderzoeken. Als elke reden voor onenigheid is weggenomen, kunnen ze in vrede de ceremonies bij de inwijding van de kerk uitvoeren. Dit is het dertigste jaar van Constantijns regering en zestig bisschoppen worden zo bij elkaar gebracht vanuit verschillende plaatsen, in opdracht van Dionysius de consul. De priester Macarius wordt van Alexandrië in boeien onder een militaire escorte gebracht, Athanasius wil niet komen, niet zozeer uit angst, hij is immers niet schuldig aan het hem ten laste gelegde, maar omdat hij vreest dat er veranderingen worden aangebracht in de beslissingen van het concilie van Nicea, Hij wordt echter gedwongen aanwezig te zijn door dreigende brieven van de keizer. want er wordt hem geschreven, dat als hij niet vrijwillig komt hij met geweld wordt gebracht.
Athanasius wordt ervan beschuldigd dat hij Arsenius, de bisschop van Hypsele, heeft laten vermoorden en een van diens handen heeft gebruikt voor magische doeleinden. Het toeval wil dat bedienden van Archelaus, de gouverneur van de provincie, in een kroeg horen zeggen, dat Arsenius zich verstopt in het huis van een van de burgers. Als ze dit horen en de namen van de personen door wie deze verklaring wordt afgelegd noteren, geven ze de informatie door aan hun meester, die onmiddellijk de man laat opsporen en in verzekerde bewaring stellen, vervolgens laat hij Athanasius weten dat hij zich geen zorgen hoeft te maken, omdat Arsenius in leven is en klaar staat. Arsenius ontkent eerst dat hij de persoon is, maar Paul, bisschop van Tyrus, die hem van vroeger kent, bevestigt zijn identiteit. Kort daarna wordt Athanasius opgeroepen door de synode, en zodra hij zich presenteert, tonen zijn verraders de hand, en leggen een belastende verklaring af. Hij behandelt de zaak met veel prudentie, want hij ondervraagt de aanwezigen evenals zijn aanklagers wie van hen Arsenius kennen en als verschillenden antwoorden dat ze hem kennen, laat hij Arsenius met zijn handen onder zijn mantel binnenkomen. Dan vraagt hij hen opnieuw: Is dit degene die een hand verloren heeft? Allen worden door deze werkwijze verrast, met uitzondering van degenen die op de hoogte zijn, want de rest denkt dat Arsenius echt een hand mist, en verwacht dat de beklaagde zich op een andere manier zal verdedigen. Maar Athanasius slaat de mantel van Arsenius aan een kant open en toont een van diens handen, opnieuw, terwijl sommigen aannemen dat de andere hand gemist wordt, houdt hij hen nog even in onzekerheid, maar dan slaat hij de mantel aan de andere kant terug en toont de andere hand. Daarna richt hij zich tot de aanwezigen en zegt: Arsenius heeft, zoals blijkt, twee handen: laat mijn aanklagers de plaats aanwijzen, waar de derde werd afgehakt.
Toch weten de aanhangers van Eusebius van Nicomedia de overhand te krijgen en Athanasius vlucht naar Constantinopel. Ik reis met hem mee, ik sluit me aan bij de kring van mensen, die Athanasius aanduidt als zijn Egyptische broeders. Bij de inwijding van de kerk van het heilige graf wordt Arius weer tot de communie toegelaten vanwege de geloofsbelijdenis die hij eerder aan Constantijn aanbiedt. Er komt bericht dat de keizer de gebeurtenissen in Tyrus wil bespreken en Eusebius van Caesarea en de Ariaanse bisschoppen nemen hun toevlucht tot een andere valse beschuldiging: ze zeggen tegen de keizer dat Athanasius dreigt de graantoevoer van Alexandrië naar Constantinopel te blokkeren en de stad te laten verhongeren. Deze aanklacht is een gevoelig punt in verband met de stedelijke bevolkingspolitiek van de keizer. Met de belofte van gratis voedseluitdelingen van het Egyptische graan probeert hij burgers te verleiden om zich in Byzantium te vestigen. De aanklacht is voor de keizer voldoende om Athanasius te verbannen naar Trier. Athanasius vertrekt met zijn gezelschap van Egyptische broeders, onder wie ik zelf, rond februari 336 naar Trier. We volgen de heerbaan langs Belgrado, Boedapest, Wenen, Augsburg, Straatsburg, tot we aankomen in Trier. Als we in februari 336 onder de poort doorgaan, krijgen we een hartelijk welkom van bisschop Maximinus. Constantinus, dan nog caesar, blijkt even vriendelijk. Hij voorziet ons van alle noodzakelijkheden, zegt Athanasius. Trier is voor Athanasius een tijd van rust.
De dom, gebouwd op de plek, waar het paleis van Helena, de moeder van Constantijn, stond, is in vlammen opgegaan. Enkele delen aan de oostelijke kant van het gebouw staan nog overeind. Maximinus is druk bezig met de herbouw. Hij wil de kerk vergroten tot een monumentaal complex, bestaande uit maar liefst vier basilieken, een baptisterium en talrijke bijgebouwen. Het moet het grootste kerkcomplex ter wereld worden.
Op 22 mei 337 overlijdt Constantijn. Op 9 september volgen zijn zonen Constantinus, Constantius en Constans hem op, maar eerst wordt het hof gezuiverd van heel wat mannelijke verwanten, die in aanmerking kunnen komen voor de troon. De broers verdelen het rijk in drie delen. Constantinus regeert vanuit Trier over het westen, Constantius over het oosten vanuit Antiochië en Constans over alles wat daartussenin ligt vanuit Niš, op de Balkan.
In Trier geeft Athanasius mij de opdracht om te gaan werken als missionaris in Gallië. Hij geeft me daarbij de naam Sarbatios, die wordt gelatiniseerd tot Servatius. De naam verwijst naar Sarfat, de stad waar ik vandaan kom.
Sarfat kan ook de betekenis hebben van een buitenlandse missie. In die zin wordt Sarfat genoemd in het vierde hoofdstuk van het evangelie van Lucas: Maar luister goed! Ik zeg jullie dat geen profeet in zijn eigen stad wordt geloofd. Wat ik nu ga zeggen is de waarheid: in de tijd van de profeet Elia waren er veel weduwen in Israël. Het had toen drie jaar en zes maanden lang niet geregend. Daardoor was er in het hele land zware hongersnood. Maar Elia werd niet naar een van de weduwen in Israël gestuurd, maar naar een weduwe in Sarfat, bij Sidon.
Ongeveer een jaar na de dood van keizer Constantijn de Grote mag Athanasius terugkeren naar Alexandrië. Op 17 juni 338 schrijft Constantius vanuit Trier aan de katholieken van Alexandrië, dat hij heeft besloten Athanasius terug te zenden. Hij neemt daarna Athanasius met zich mee naar Kostolac, op de weg naar Constantinopel. Daar hebben de drie keizers een bijeenkomst, en pleiten de een nog meer dan de ander voor eerherstel van Athanasius. Bij zijn aankomst in Alexandrië, in november 338, wordt Athanasius door het volk en de geestelijkheid toegejuicht.
in 340 begint een burgeroorlog, waarbij Constantinus het gebied van zijn broer Constans probeert te veroveren. Hij wordt echter verslagen en gedood bij Aquilea. Constans verwerft daardoor zijn gebied en regeert vanuit Trier, Milaan en Mitrovica.
De alexandrijnse school van Athanasius krijgt steun van het keizerlijke hof in Trier. Het alexandrijnse standpunt lijkt in de vierde eeuw het onderspit te gaan delven, echter dankzij de taaiheid van de Gallische bisschoppen, ik zelf voorop, blijft het overeind staan.
Als vier Ariaanse bisschoppen in 342 van Antiochië naar Trier komen met de bedoeling om keizer Constans voor hun partij te winnen, weigert Maximinus van Trier hen te ontvangen en adviseert hij de keizer om hun voorstellen te verwerpen. Samen met de bisschoppen van Rome en Cordoba overtuigt hij in 343 de keizer van de noodzaak om in Sofia een synode bijeen te roepen. Ik ben daarbij aanwezig.
De patriarch van Byzantium en de Oostromeinse keizer Constantius, sympathiserend met de Ariaanse partij, steunen Arius’ opvatting dat de zoon niet van het zelfde wezen is als de vader.
Constans, de Westromeinse keizer, sympathiserend met de Niceense partij, stelt samen met de bisschop van Rome, dat de zoon en de vader van dezelfde aard zijn.
Constans en Constantius roepen in 343 de synode van Sofia bijeen die het conflict probeert op te lossen. De synode wordt een mislukking. Als Athanasius in de vergadering verschijnt, en de westerse bisschoppen weigeren hem uit te sluiten, weigeren de oosterse bisschoppen deel te nemen en formuleren een schriftelijk protest.
De regering van Constans houdt nog tien jaar stand. Op 18 januari 350 wordt de West-Romeinse keizer Constans het slachtoffer van een samenzwering. Tijdens een etentje in Autun roept een groep hovelingen de Frank Magnentius tot keizer uit, en Constans wordt op de vlucht vermoord.
Het recht van Magnentius op de troon wordt niet erkend. Daarom probeert hij langs diplomatieke weg, door een gezantschap in het leven te roepen, zijn positie ten opzichte van de Oost-Romeinse keizer Constantius te versterken. Het gezantschap bestaat uit twee bisschoppen, Maximus en ik zelf, en een hoveling, genaamd Clementius, een man, die, door een lang verblijf in Afrika, tot de uitvoering van zo’n moeilijke onderneming bij uitstek geschikt schijnt, met een gevolg van vier of vijf bedienden, en Valens, een hoge militair, hoofd van de militaire escorte. Het gezantschap vertrekt in de lente van 350. Na een zeer zware tocht langs de kust komt de karavaan in Alexandrië aan.
Bij onze binnenkomst in de stad, worden we door een menigte van enkele honderden mensen, op luidruchtige en frivole wijze ontvangen. Al wat de Alexandrijnen doen, paren zij met dansen, waarvan de levendigheid aan uitzinnigheid grenst. Meer dan een half uur wordt het gezantschap door deze volksmenigte opgehouden, en pas daarna kunnen we onze weg door de stad in de richting van het huis van Athanasius vervolgen.
Na deze ontmoeting met Athanasius, zetten we onze reis voort om tenslotte aan te komen in Edessa. Daar worden we op de gebruikelijke manier ontvangen. Bij de plechtige auditie overhandigen we onze geloofsbrieven en tevens de brieven die Magnentius aan Constantius geschreven heeft en waarop deze zijn zegel gezet heeft. Constantius behandelt ons met uiterste beleefdheid, laat ons het fort Edessa, IIII Parthica, bezichtigen. Voorts laat hij de soldaten exercities verrichten en de ruiters een spiegelgevecht houden, dat ons veel plezier verschaft.
Het gezantschap wordt teruggestuurd zonder zijn doel te bereiken. We keren terug naar Gallië met een brief van Constantius, met een afwijzende boodschap aan Magnentius.
Constantius stuurt ook een brief naar Athanasius, waarin deze wordt beschuldigd van verraad, niet alleen omdat hij Constans toen deze nog leefde tegen zijn broer zou hebben opgezet, maar ook omdat hij een briefwisseling met Magnentius zou hebben gehad. Athanasius ontkent in zijn antwoord alles. Hij smeekt de keizer de zaak te onderzoeken en de ambassadeurs, die naar hem zijn gestuurd, evenals hun begeleiders, te vragen of ze brieven van Magnentius gericht aan hem, Athanasius, hebben meegebracht. Ook laat hij weten, dat hij zijn kleren nat heeft gemaakt met tranen, toen hij vernam wat er door de wreedheid van het beest Magnentius met Constans is gebeurd, wiens vriendelijke karakter en christelijke geest hij zich herinnert.
De volgende winter benoemt Magnentius een caesar om de Rijn te beschermen. Een echt eenvoudige taak is dit niet, omdat Magnentius troepen van de Rijnverdediging heeft weggehaald om deze tegen Constantius in te zetten. In maart van het volgende jaar benoemt Constantius op zijn beurt een caesar om de grens in het oosten te bewaken. Op 28 september 351 leveren beide keizers slag bij Mursa. De strijd eindigt onbeslist, maar levert aan beide zijden zware verliezen op. Magnentius trekt zich daarna terug naar Gallië. Tijdens de burgeroorlog steken Franken en Alemannen de Rijn over en trekken plunderend door Gallië. Magnentius wordt in de zomer van 353 bij de slag van Mons Seleucus verslagen en gedood. Hierdoor wordt Constantius de enige keizer.
In 353 wordt, mede op verzoek van paus Liberius, een concilie bijeengeroepen door keizer Constantius in Arles. De paus heeft op het oog om beschuldigingen die opnieuw tegen Athanasius in omloop worden gebracht, te laten veroordelen. Maar Constantius, die alleenheerser geworden is, heeft daarentegen het plan opgevat het homoousion weer uit de geloofsbelijdenis van Nicea te laten schrappen.
intussen, om de verwarring nog groter te maken, beweren de Arianen, dat in de tekst van Nicea niet zoals wordt aangenomen homoousion is geschreven, maar homoiousion. Zo staan ze een gelijkenis toe, maar namen de eenheid weg, want gelijkenis is anders dan eenheid, zoals bij voorbeeld een afbeelding van een menselijk lichaam lijkt op een mens, maar niets heeft van de werkelijkheid van een mens. Maar sommigen van hen gaan zelfs verder, en beweren dat er zelfs geen gelijkenis bestaat.
Constantius laat in juli 359 een nieuw concilie bijeenroepen in Rimini. Hij geeft Taurus, de prefect, opdracht, hen, zodra ze bijeengekomen zijn, niet uiteen te laten gaan, voordat ze het eens worden over het geloof, en belooft hem het consulschap, als hij de zaak tot een goed einde brengt. Keizerlijke ambtenaren worden naar Illyrië, Italië, Afrika, en Gallië gestuurd om vierhonderd en liefst meer bisschoppen te bevelen of te dwingen in Rimini bijeen te komen, en de keizer heeft gezorgd voor hotelaccommodatie voor hen allemaal. Maar dat vinden de Aquitaniërs, Galliërs en Britten ongepast, en daarom weigeren ze gebruik te maken van de overheidssubsidie, ze geven er de voorkeur aan op eigen kosten te leven.
Onder hen tonen Foegadius en ik, Servatius, bisschop van Tongeren, zich het meest standvastig in het verzet tegen de geloofsbelijdenis van de Arianen. De arianen verklaren dat de Zoon niet een schepsel is zoals de andere schepsels. Het bedrog dat schuilt in deze verklaring ontsnapt aan de aandacht van de toehoorders, want in deze woorden, waarin wordt ontkend dat de Zoon niet is zoals andere schepsels, wordt niettemin uitgesproken dat hij een schepsel is, dat alleen hoger is dan de rest. Zo kan geen enkele partij volhouden, dat ze helemaal heeft gewonnen of helemaal is overwonnen. Hoe dan ook, het concilie wordt zo beëindigd. Het heeft een goed begin, maar een slecht einde.
Augustinus van Hippo
De christenen ontwikkelen het idee van de drieeenheid van vader, zoon en heilige geest. De drieeenheid is, voorzover ik weet, het eerste filosofische idee waarmee ik geconfronteerd word. Op de lagere school, begin jaren 50, val ik tijdens de lessen de pastoor lastig met vragen over de drieeenheid. Ik weet niet meer, welke vragen, maar misschien deze vraag: God is de vader, de zoon en de heilige geest. Jezus is echter niet de vader en ook niet de heilige geest. Dit is logisch absurd. Met mijn kinderlijke verstand begrijp ik, dat als je aanneemt dat de vader, de zoon en de heilige geest God zijn, de vader, de zoon en de heilige geest identiek moeten zijn. De pastoor vertelt dan dat volgens Augustinus van Hippo het begrijpen van de drieeenheid het verstand van een mens te boven gaat.
Terwijl Augustinus langs het water loopt op het strand ziet hij een jongetje dat een kuiltje heeft gegraven en daar water in giet dat hij telkens uit de oceaan schept. Augustinus vraagt: wat ben je aan het doen? Het jongetje antwoordt: Ik ga het water van de hele oceaan in dat kuiltje gieten. Augustinus zegt lachend: Dat kan toch niet. Dan zegt het kind: Zoals het onmogelijk is om in dit kuiltje al het water van de oceaan te gieten, zo is het onmogelijk om het mysterie van de drieeenheid te doorgronden. Ineens is het jongetje verdwenen en Augustinus begrijpt dat het een engel is geweest.
Augustinus legt het uit in zijn boek De Trinitate. Hij vergelijkt de eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest met die van onze mentale vermogens. Wij hebben één geest, maar in de geest bevinden zich drie vermogens: geheugen, intelligentie en wil . Elk vermogen onderscheidt zich van het andere, maar alle drie de vermogens zijn van één geest.
Memoria, intelligentia et voluntas unum sunt essentialiter, et tria relative.
Geheugen, intelligentie en wil zijn essentieel één, en relatief drie.
Mens imago Trinitatis in sui ipsius memoria, intelligentia et voluntate.
De geest is een beeld van de Drieeenheid in zijn eigen geheugen, intelligentie en wil.
De Trinitate X!, 17