Semiotisch vierkant
De Amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce onderscheidde drie soorten tekens. Icoon: de stier op het doek lijkt op de stier in de wei.
Index: het verkeersbord waarschuwt voor een gevaarlijke stier in een aangrenzende wei. Symbool: men heeft afgesproken dat dit teken het sterrenbeeld stier voorstelt.
Een vierde soort teken is de metafoor: in zadel en stuur van een fiets ziet men onmiddellijk de kop van een stier.
De belangrijkste verandering in de evolutie van de taal is de stap van een indexicaal en iconisch naar een metaforisch en symbolisch taalgebruik (gebruik van tekens)
In een eerder stadium was onze taal iconisch en indexicaal.
In een volgend stadium ontwikkelde zich het denken in metaforen en symbolen.
Fischer, O. 2004. “Evidence for iconicity in language.” Logos and Language, vol. V no. 1, p.1–20
Voordat een mens kon beeldhouwen, schilderen of schrijven, spraken de mensen al een taal, maar deze taal was zuiver indexicaal en week niet sterk af van de taal van dieren.
Spreken dieren ook een taal?
Jazeker. En dat was net zoals de taal van de eerste mensen een indexicale taal.
Kun je daar een voorbeeld van geven?
Een aap plukte een appel, liet 'm aan een andere aap zien, maar de andere aap trok een vies gezicht. Toen zag de eerste aap een luipaard komen en gooide de appel naar het luipaard. Het luipaard liep weg.
En wat betekent dat?
De andere aap trok een vies gezicht, dat wil zeggen de appel was niet vers. Het luipaard liep weg, want hij dacht: o, dat is zijn territorium.
Dat is jouw interpretatie.
Dat is waar. Ik heb ook niet echt verstand van dierentaal, maar je kunt je voorstellen dat in die taal zulke mededelingen mogelijk zijn. Dat ging bij de eerste mensen net zo.
Heb je daar ook een voorbeeld van?
Een mens, voordat hij in staat was woorden uit te spreken of beelden te maken, wees naar een huis en daarna met een groot gebaar naar de hemel. Betekenis: dat is een groot huis.
Dat is geen goed voorbeeld. Het grote gebaar is niet indexicaal. Het verwijst niet naar het huis, maar naar de hemel of liever gezegd de grootte daarvan, en die dient als beeld van de grootte van het huis.
Je hebt helemaal gelijk. Het gebaar in dit voorbeeld is iconisch. Maar laten we eens aannemen dat het in het voorbeeld van de aap en het luipaard om twee mensen ging. Je zou dan kunnen
zeggen: Adam plukte een appel, liet 'm aan Eva zien, maar Eva trok een vies gezicht. Toen zag Adam een andere man komen en gooide de appel naar die man. De man liep weg.
Dit voorbeeld is wel goed, maar er wordt geen menselijk geluid in gebruikt, en dat zou je wel mogen verwachten.
Misschien zei Eva, toen Adam haar de rotte appel liet zien, bah.
Bah is een woord en niet alleen maar een geluid.
Jij maakt het me knap lastig, maar goed, je hebt gelijk. In een indexicale taal bestaan geen woorden, alleen maar geluiden, maar misschien, zou je kunnen zeggen, was bah in die tijd geen woord, maar een geluid en niet meer dan dat. Vergelijk dit met een kind dat op het potje heeft gepoept en blij naar zijn moeder roept: Mama, ik heb bah gedaan! Bah is dan een geluid met een indexicale betekenis.
We moeten twee dingen niet door elkaar halen, religieuze iconen, en iconen, in semiotische zin. Wat zijn iconen, in semiotische zin?
Een icoon is een teken dat in zijn vorm overeenkomt met zijn betekenis, het ding of de gebeurtenis waar het naar verwijst. Het betekende hoeft niet hier en nu aanwezig te zijn en er is een relatie van gelijkenis, zoals een foto lijkt op de daarop afgebeelde persoon.
Wat bedoel je met gelijkenis?
Iets is naar de natuur gemaakt. De eerste beeldjes die van de menselijke figuur werden gemaakt, zagen er wanstaltig uit, en daarom werd vroeger gedacht dat deze beeldjes niet naar de natuur waren gemaakt. Men dacht dat de vorm van deze beeldjes opzettelijk zo was gemaakt, omdat ze de vruchtbaarheid moesten symboliseren. Ze worden daarom vruchtbaarheidsbeeldjes genoemd. Echter, LeRoy McDermott onderzocht de mogelijkheid dat de eerste beelden van de menselijke figuur werden gemaakt vanuit het perspectief van het zelf en niet dat van anderen. Beeldjes, zoals de Venus van Willendorf, lijken te zijn gemaakt vanuit het perspectief van een vrouw, die omlaag keek naar haar eigen lichaam. Dankzij de schuine hoek van zelfobservatie, werd het beeld verkort, lichaamsdelen die dichtbij de ogen lagen projecteerden een naar verhouding groter beeld op het oog dan die zich verder af bevonden. Als je het zo bekijkt, dan was dat beeldje wel degelijk een poging tot natuurgetrouwe weergave.
Was de Venus van Willendorf geen vruchtbaarheidsbeeldje?
Jawel, toch wel. Dat was zeer waarschijnlijk wel een betekenis die het kon hebben, maar dat hoeft niet te betekenen, dat de vrouw die het maakte, het zo heeft bedoeld. Het is denkbaar dat, als ze zichzelf als model gebruikte, ze geen andere bedoeling had dan een portret van zichzelf als zwangere vrouw te maken. Later kan door anderen aan het beeld van de zwangere vrouw de overdrachtelijke betekenis zijn gegeven van vruchtbaarheid, toepasbaar op allerlei andere dingen die vruchtbaar kunnen zijn, zoals de akker die het koren voortbrengt.
De betekenismachine
Aan het verbod op de verering van beelden is tot de dag van vandaag vastgehouden door Joden en moslims, maar niet door de christenen.
Dat is waar, maar ook de christenen voerden een beeldenstrijd. Onder de oosterse christenen ontstond een strijd tussen iconoclasten en iconodoulen. Deze strijd speelde zich in het Byzantijnse Rijk af gedurende de 8ste en de eerste helft van de 9de eeuw. De strijd werd uiteindelijk door de iconodoulen gewonnen, maar onder voorwaarden. Keizerin Irene liet de beeldenverering als rechtgelovig erkennen met de uitspraak: de verering geldt niet het beeld, maar degene die door het beeld wordt voorgesteld.
Is deze ontwikkeling van de christelijke kunst een stap terug?
Ja, dat zou je kunnen zeggen. Je moet dan wel verschil maken tussen de ontwikkeling van de religieuze kunst in Oost-Europa en die in West-Europa. In Oost-Europa waren de religieuze voorstellingen niet-naturalistisch. In West-Europa daarentegen was er een sterke tendens in de richting van naturalistische voorstellingen. Dat dit als een probleem werd gevoeld, is gebleken uit de Beeldenstorm die in 1566 plaatsvond. De Reformatie verwierp de beeldenverering. Het aanbrengen van beelden tot instructie der gelovigen werd door de Heidelbergse catechismus voor ongeoorloofd gehouden, daar de god volgens de hervormers de christenen niet door stomme beelden maar door de levende verkondiging van zijn woord onderwezen wilde hebben.
Semiotic Square
Lucas Cranach the Elder, Adam and Eve, 1526, The Courtauld Gallery, London
"I really wanted to talk to you about semiotics."
“What do I know about semiotics?”
“Semiotics is about signs and symbols, I think, that you as a theologian are an expert on that.”
“If you look at it that way, yes.”
“Before man could sculpt, paint, or write, people already spoke a language, but this language was purely indexical and did not differ much from the language of animals.” “Do animals also speak a language?”
“Sure. And just like the language of the first people it was an indexical language.”
“Can you give an example?”
“A monkey plucked an apple and showed it to another monkey, but the other monkey turned up its nose. Then the first monkey saw a leopard coming and threw the apple at the leopard. The leopard walked away.”
“And what does that mean?”
“The other monkey turned up its nose, that means the apple wasn’t fresh. The leopard walked away, because it thought: oh, that is his territory.”
“That is your interpretation.”
“That is true. And I don’t really know the language of animals, but you can imagine that such statements are possible in that language too. It was the same for the first people.” “Do you have an example of that?”
“A man, before he was able to pronounce words or make images, pointed at a house, and then, with a great gesture, at heaven. Meaning: that is a big house.”
“That’s a bad example. The great gesture isn’t indexical. It does not refer to the house, but to heaven or rather the greatness thereof, and that serves as the image of the greatness of the house.”
“You’re completely right. The gesture in this example is iconic. But let’s assume that the example of the monkey and the leopard was about two people. Then you could say: Adam plucked an apple and showed it to Eve, but Eve turned up her nose. Then Adam saw another man coming and threw the apple at the man. The man walked away.”
“This example is good enough, but no human sound is used in it, and that is what you may expect.”
“Perhaps, when Adam showed her the rotten apple, Eve said ’ba’.”
“’Ba’ is a word and not just a sound.”
“You are making it hard on me, but okay, you’re right. In an indexical language there are no words, just sounds, but maybe, you could say, ’ba’ wasn’t a word back then, but a sound and no more than that. Compare this to the child that has pooped on the potty and happily calls after his mum: Mummy, I’ve done ’ba’! Then ’ba’ is a sound with an indexical meaning.”
“What exactly do you mean by ’indexical’?”
“A sign is indexical if it only refers to things present in the here and now, and only uses things that are present here and now. A sign only has meaning in the presence of what is
designated. There are no words or images available that can represent things that are absent.”
“What do you mean by ’present here and now'?”
“That can’t be determined precisely. ’Here’, so I say, means the position of the observer, as far as his eyes can see. ’Now’ is the time of the observer, as far as as his recollection or working memory reaches.”
“Are you so sure then, that the primitives had a here-and-now-awareness? They believed in the existence of a spirit world, which was not present here and now, at least I presume. How can I reconcile these two things? Could they, if they only had knowledge of what was actually present, have knowledge of spirits?”
“For the primitives, spirits were actually present, and not in another reality outside theirs, or, if you will, above theirs. In short, the so-called spirit world, that the primitives believed in, was a here-and- now-awareness.”
“Then what are ’primitives’?”
“We can imagine the primitives as people who lacked the possibility to use icons and symbols. In a semiotic sense this language was not different from the language of the animals, among which humans lived. In a physiological sense, however, the way humans used the language differed from that of animals.”
“What was the physiological difference?”
“Most animals used their mouth to grab and bite. It was a weapon. Only humans, or some homonoids, used their mouth, or more precisely, their larynx, to speak as well. Their mouth was not a snout, because it talked. But maybe there first was, in the far past of our species, a period in which that, which they later called their mouth, was half snout and half mouth. That was a transition period. The hands had not taken over the grab function of the mouth yet. The mouth was not able to talk yet. Perhaps the large brain, in which the speech and auditory organs, the so-called Broca and Wernicke areas, were developing, had not matured yet. After this their mouth began to relinquish the tendency to grab to the hands. Usually this was the right hand. At the start this will have caused confusion. Perhaps only a few people, or anthropoids, were developed in this way, and they may have been considered deviates among their own sort and shunned like the plague.”
“How did the first man learn to speak in those bygone days?”
“Perhaps, like a child learns it today, but the time he needed was, in comparison to the time a child needs to acquire language, immeasurable.”
Photographs in LeRoy McDermott, Self-Representation in Upper Paleolithic Female Figurines. Photographic simulation of what a six-months-pregnant 26-year-old Caucasian female of average weight sees when looking down while standing erect. View of Venus of Willendorf. Venus of Willendorf, Naturhistorisches Museum Wien.
“We should not confuse two things, icons as you see them here, and icons in the semiotic sense.”
“What are icons, in the semiotic sense?”
“An icon is a sign that corresponds in shape with its meaning, the thing or event that it refers to. What is designated does not have to be present here and now and there is a relation of resemblance, like a picture looks like the depicted person or an onomatope like the mimicked sound.”
“What do you mean by ’resemblance’?”
“Something made after nature. The first statuettes made of the human figure, looked misshapen, and therefore it used to be thought that these statuettes were not made after nature. It was thought the shape of these statuettes was made so on purpose, because they had to symbolise fertility. Therefore they are called fertility figurines. However, LeRoy McDermott, writer of the book Self- Representation in Upper Paleolithic Female Figurines, researched the possibility that the first images of the human figure were made from the perspective of the self and not that of others. Statuettes, like the Venus of Willendorf, seem to be made from the perspective of someone, a woman, who looked down at her own body. Thanks to the skew angle of self observation the image was shortened, body parts that were close to the eyes projected a proportionally bigger image on the eye than those parts further removed. If you look at it like this, then that statuette was indeed an attempt at a true-to-nature representation.”
“Wasn’t the Venus of Willendorf a fertility figurine?”
“Oh yes, it’s true all the same. Very probably that was a meaning it could have, but that does not mean, that the woman who made it, intended it to be like this. It is thinkable that, if she used herself as a model, she had no other intention than making a portrait of herself as a pregnant woman. Later the metaphorical meaning of fertility could be given to the image of the pregnant woman, applicable to all sorts of other things that can be fertile, like the land that brings forth the corn.