https://sites.google.com/view/linguarium
Michael
291086
Ik ben iemand een geheim aan het uitleggen. Ik ben er al lang mee bezig geweest en ik heb degene die ik het wil vragen gevraagd om het me zelf te vertellen. Tenslotte heb ik het gevoel dat er ‘iets doorbreekt’. Ik heb een gevoel dat er een huis is in de buurt van de kruising Rijksweg/ Wilhelminastraat waar ik terecht zal komen (of
het antwoord te vinden is). Ik hoor zeggen: ‘Crutz mi cha,’ en ik roep: ‘Mama.’ (Ik zie ook: Cr1, Cr2 Cr3).
160287 We rijden in een Citroën van Rolduc naar huis. Frans heeft een oude dame bij zich. Ik mag meerijden. Maar onderweg ontstaan problemen. In Hoensbroek heeft de dame een schrift van mij te pakken gekregen. Ze zit erin te lezen. ‘Er staat van verschillende vakken iets in,’ zeg ik. Ik wil zeggen, dat alles door elkaar staat. (Het is een schrift, zoals ik bij de lessen gebruik). Zij doet me denken aan mevrouw Riedel (uit Nieuwstadt). We lopen door Hoensbroek. Frans heeft de auto ergens geparkeerd. Uit een gebouw komt een groep muzikanten, negers, naar buiten. Afrikanen. Ze beginnen meteen te spelen. Ze verwachten duidelijk geld. Ik doe mijn ogen dicht. Ik heb geen geld. Even later zijn ze verdwenen, mèt Frans en de oude dame. Hoe moet ik nu thuis komen? Ik ga de auto zoeken. Ik kan hem niet vinden. Ik durf ook niet op te bellen. Hoewel......... ik zou wel eens willen dat ze wisten hoe Frans is. Ik ga tegen een muur staan huilen. ‘Mama,’ zeg ik. Tegelijk denk ik: ‘Ik moet niet ‘mama’ zeggen. Ik zou tot God moeten bidden.’ Maar dat is ook niet helemaal juist.
030387
Ik word op Serviam door Van Bommel uitgenodigd om les te komen geven. Maar ik verslaap me die dag in de Schluntjesweide (met Louis). De lessen zijn in de namiddag. Het zijn geen lessen die dag, maar een feestelijke dag. Ik besluit het aanbod maar niet te aanvaarden. Mijn vader is er ook niet voor. Hij laat zich nogal laatdunkend erover uit. (‘De Achterkant’). Ik wil toch naar Serviam gaan, om af te zeggen. Maar ik kan mijn jas
niet vinden. Boven ligt een mooi jasje. Ik weet niet of het van mij is. Het is een colbert. Ik mis mijn handschoenen nog. Ik vind ze op het dak, waar mijn vader bezig is iets te repareren. Ik kan beter wiskunde gaan studeren, vind ik. Ik hoor kinderen zingen: ‘Hooooooohò! Lechàjem!
080387
Ik ben op een papier letters aan het tekenen. Het lukt niet goed en de woorden passen niet goed. ‘Apostel Jezus.’ En daaronder: ....... (ben ik vergeten).
Ik lees ergens de woorden: ‘Sancta Michaël’
191087 Ik heb een vel papier nodig om een dictaat op te nemen van een docent over ‘jeugd en jeugdigen’. Het mag beschreven zijn, zeg ik. Ik kan het op de achterkant noteren.
252387
64 A 79 (zes vier A zeven negen).
D.G. Het is Eduard. Het is een meneer. Twee meneren. Gerard. (Lemmens). Eduard Gerard. Op de sper[ma]ruimte 69 [negenenzestig] werd de naam genoteerd. De achterkant van dat papier. Maar daar heb ik al veel over verteld. Wie heeft de map met namen?
282287 Toscane, dat is de achterkant van een familienaam. Tosca.
240988 Het nieuws voor doven en slechthorenden. Wies is in mich. In feite een openbaring. De openbaring van de achterkant.
220792 Op zichzelf is het een achterkant van een bok.
2207
Bart, waar is El? Kijk eens, een L, wat (of) het is!
090494 God, wat ben jij een vrouw! Wie is gelijk aan El?
Je moet de achterkant van mijn woorden maar eens lezen.
28.3
Dat is Sancta Maarts.
Ik geef een vrouw een bloem. Van de als God beschouwde vrouwen een apostel verwacht.