Samenspraak zit natuurlijk ook in 't Bijltje.
16 juni 1999. Vught. Bank, vijver, fontein. Zonder groet. Grijs haar, twee zweren op de bovenlip, vel over been, zo plat als een cent. Broek over een badpak met laag uitgesneden rug. Bruin met witte strepen.
Ik ben een eenling, misschien bent u er ook een. Ik hoef niet met iemand te praten.
U begint toch met mij te praten.
Maar soms wil ik toch met iemand praten. Stilte. Eerst dacht ik dat u een vrouw was. Als u een vrouw was geweest was ik erbij komen zitten. Men zegt wel: Don’t trust a stranger. Gaat u maar zitten.
Nee. Stilte. U draagt geen sokken. Dat is niet goed.
Meestal draag ik wel sokken maar vandaag toevallig niet. Ik was mijn sokken iedere dag telkens als ik ze gebruikt heb. Ik draag ze maar één keer.
Die schoenen lopen ook op hun laatste benen. Toen ik daarnet voorbij liep zag ik in de gauwigheid dat uw teennagels bijgeknipt moeten worden, klopt dat?
Ik weet het niet.
Dat shirt is mooi wit. Stilte. Ik hou niet van een baard.
Een paar dagen niet geschoren vind ik niet erg.
Ik zie dat u een Peugeotfiets heeft. Heeft die een bel?
Die fiets van u heeft een betere bel dan die van mij. Moet u maar eens luisteren.
O nee, dat is een goed geluid. Dat de mensen schrikken, dat ligt niet aan de bel, dat ligt aan u.
O, dat is eigenlijk nog erger. Stilte. Ik moet eigenlijk ook bang zijn voor u. U praat als een vrouw. U begint meteen over mijn kleding. Zo praat een vrouw.
Nou, niet alleen de kleding. Ik heb wel meer gezien.
U praat alsof u met me getrouwd bent.
Die benen van u willen ook niet bruin worden net als die van mij.
Ik streef er niet naar.
Profiteert u maar lekker van de zon. Dat is gezond.