Priester
Ik heb een jongen, een weesjongen, in huis. Hij is ontsnapt. Hij komt in dit bed (‘t hoge). Hij vertelt over zijn leven. Hoe slecht hij is behandeld. Dan komt zijn voogd (een soort priester, armzalig type). Hij klimt de ladder op en probeert de jongen van me af te trekken. De jongen vecht voor zijn leven. Maar de voogd smeert een soort pasta in zijn gezicht waardoor hij verdoofd raakt. Maar de voogd is ook verdoofd. Hij heeft ook op zijn eigen lichaam geknoeid. Hij gaat de ladder af en wankelt naar buiten. Ik ga met de jongen naar beneden. Ik ben hopelijk nog niet zo erg verdoofd. Later komen we in een soort keuken die bij een café hoort. Ik zie de voogd in de keuken. Hij is ineens heel klein. Ik ga naar hem toe, pak hem beet en schreeuw, dat hij niets hoeft te proberen, omdat ik alles van hem weet. Ik ken al je frustraties, zeg ik. Hij heeft me alles verteld.
Ik kom in India in een kerk. Een priester houdt een preek. Hij mengt talen door elkaar. Nederlands, Duits, Engels en Hindi. ‘t Is een onwaardig priester die zich met bijzaken bezig houdt. Hij zegt steeds sadjoe in plaats van sadhoe. Ik zit heel dicht bij hem te luisteren. Wat hij zegt richt hij als het ware speciaal tot mij.
Ik kom buiten langs een lijkverbranding. Verderop is er nog een. Ik kijk er van boven af in [vanaf een hoge rots]. Het speelt zich af achter een soort hek. Ik kan het niet goed zien. Ik schuif voorzichtig iets naar voren. Het moet voorzichtig gebeuren, want het is glad en rond. Je kunt gemakkelijk naar beneden vallen. Ik zie tussen de lijkverbranders een kat met grote lichtgevende ogen. Hij klimt omhoog om me weg te jagen. Een hemd en een trui vallen van mijn schouders naar beneden. Hoe krijg ik ze terug? Er is een Indisch meisje die het heeft gezien. Ze komt uit Nederland. Den Uyl is er ook. Zij kent hem. In een tv- interview werd Den Uyl eens gevraagd zijn levensloop te vertellen. Hij wilde dat niet doen. Het Indische meisje nam toen de vraag over. Zij deed het voor hem. Als ze mij ziet pakt ze de trui en het hemd en geeft ze mij terug.
Ik heb contact met een jongen. Hij komt ergens op bezoek waar ook een priester aanwezig [is]. De priester is een neger. Ik schat de leeftijd van de jongen op 12 jaar, maar hij is geestelijk rijper. We liggen op de vloer te vrijen. Ik vind dat het te opvallend gebeurt, en wil ermee stoppen. Hij maakt met een gebaar duidelijk dat ik door moet gaan, maar ik moet het zo doen, alsof er niets gebeurt. Ik krijg het gevoel dat hij dat ook subtieler vindt. We liggen even later naast elkaar op een bed te slapen. De priester staat op. Ik krijg de indruk, te oordelen naar zijn glimlach, en de manier waarop hij glazig in de verte staart in een andere richting, dat hij al die tijd net gedaan heeft alsof hij niets heeft gezien.
Dan zijn er twee priesters die naar me toe komen. Een wil me een spiegel verkopen. Een gebroken spiegel, zegt hij. Ik zeg dat ik dat niet kan omdat ik hem dan te ver moet meeslepen.
Henk gaat iets doen bij de Verenigde Naties, als het kindje er is.
Ik ben in het studiecentrum van pater Oomens. Het huis functioneert nauwelijks meer. Er wordt niets meer georganiseerd. Ik zie Wim. Hij heeft iets met de leiding te maken. Ik zie ook een klas met leerlingen. Maar we komen doordat niemand weet wat er moet gebeuren niet aan de slag. Het studiecentrum is veranderd in een ruimte waar mensen worden samengedreven. Het is tijdens de oorlog. De mensen worden vreselijk gemarteld. Er is ergens een vluchtweg. Ik moet langs een gevaarlijke richel, boven de zaal, waar de martelingen plaatsvinden, naar buiten zien te komen. Ik word door een Duitser gevolgd, maar het lukt me om hem voor te blijven. Ik kom in een kerk. De Duitser staat erbij. Ik ben bij een priester. Ik krijg de indruk dat de Duitser denkt: nou wil ik wel eens zien of hij zich bekeert. (Alleen als het een echte bekering is, moet hij me ongemoeid laten.) Maar ik ben zo onder de indruk van de spanningen die ik in de martelkamer heb doorstaan, dat ik in elkaar zak. Ik geef me aan de priester over: Priester! zeg ik. Hij omhelst me.
We komen halverwege een berg (als bij Sint Jans Geleen), waar een priester woont. Hij is heel vriendelijk. Gaat gemakkelijk met de kinderen om. Hij is niet bang voor aanraking. Heel menselijk. Hij geeft me 1000 gulden om een zaag te kopen. Even later zie ik een andere priester (rector Zeyen), die me zegt dat ik al heel lang buiten de hij-wereld vertoef (hij bedoelt dat ik altijd met een vrouw heb geleefd).
We zijn op een busreis. Tijdens een pauze zitten we ergens aan een maaltijd. Ik word getreiterd, met name door Frans. Ik heb geen zin meer in de reis. Ik vlucht weg. Ik kom per fiets aan op Rolduc. Daar is Rob. Men heeft me gezegd, dat op Rolduc een priester is die me kan helpen. Ik kom in onderaardse gewelven terecht via nauwe gangen. De gangen zijn zo nauw dat er bijna niet doorheen te komen is. Tenslotte bereik ik de priester. Ik zeg hem, wat er gebeurd is. O, is het dat? zegt hij. Hij neemt mijn zaak niet ernstig. Hij vindt dat ik me aanstel. Hij heeft er geen aandacht voor, zeg ik later tegen Rob. En tegen de priester zeg ik: Ik heb u niet gevraagd om me te helpen. Ik kan de zaak wel alleen klaren.
Ik lig op mijn buik te slapen ergens in de Landweringstraat. Bij een kerk. Ik word opgetild en in een wijde boog de lucht in geslingerd. Ik kom verderop tussen struikgewas. Ik heb nog steeds dezelfde houding. Ontroering. Ik ben in het brandend braambos. Ik word opnieuw opgetild en teruggeslingerd. Ik lig weer zoals ik eerst lag.
Ik ben op een plein met winkels in sluitingstijd. Er zijn mensen naar etalages aan het kijken, onder wie mijn jongens. Bij een winkel op een hoek ga ik naar binnen. Er ligt een priester, een Indisch priester, op een verhoging met een klein meisje. Ik ga bij hem liggen. Ik raak het meisje aan. Later kruipt zij boven op mij, en hij boven op haar, in vereniging.
Ik kom in een kerk, waar een mis is. Ik ga zoveel mogelijk vooraan zitten. Daar is geen bank, alleen maar een stoel, zodat er geen gelegenheid is om te knielen. Ik heb daar een hekel aan. Als de anderen knielen, blijf ik zitten. Ik weet niet of het mag. Even later zie ik de priester de kinderen vooraan een wenk geven, dat ze kunnen gaan zitten.
Frans komt naar me toe tijdens een pauze en zegt: Doe kris mesjins elf maonje priester. Wat is priester? vraag ik. Dat wits te toch! zegt hij. O, bedoel je dat zo? zeg ik. Ik vind het teveel, zegt hij. Wat is normaal? zeg ik. O, zegt hij, vijf à tien maanden. Het kan wel, vervolgt hij, mer doe wits wie dat is. Ik weet het niet precies. Ik denk, dat hij bedoelt, dat de taak te groot is in het totale vakkenpakket.
(Ik heb van een priester affiches gekregen die betrekking hebben op homofilie. Ik kom twee andere priesters tegen, die homofiel zijn, en menen, omdat ik die affiches in mijn bezit heb, dat ik ook homofiel ben).
Je kunt het inhouden in Paramariba. Symbolen en priesters, dat allemaal. Ik heb het gezellig. Je kunt me aanbidden [opbellen]. Aanbidden is vergezellen. De techniek van gesprek en vertellen. (Freud) Spreken doet ie sowieso goed. Gewoon vertellen hoe hij was.
Ik kom in een Frans dorp (Ardennen?) een priester tegen. Hij is iemand uit een vorig leven. Ik ben ten zeerste ontroerd. Ik zeg: Vous êtes moi. [Dr. Voûte] Ik stel me tijdens een les voor aan een gastdocent. Je suis Albert Riga. [In de] pater Riga Gelaen.
(Homo) Ben je priester? Of ben je het misschien geweest? Ik wil afgezien van () niets met je te maken hebben.
De ex-schilder als priester van financiën. De uit Maria geboren. Als zoon van
Kijk, hier heb ik dit boekje. Als priester heb ik dat aangereikt. Ik ben helemaal geen priester.
Ik wil helemaal geen huwelijk. Zeg hun dat. In een huwelijk is papa de baas. Wij zijn opgevoed met het idee.
'n Huwelijk is niks veur mich. D’r waren te veel vrouwen, die me daarvoor gewaarschuwd hebben
Henk betekent priester. Cahen, zeg maar. Hoef jij de baard niet te scheren? Heb jij geen baard? Albert, ik ben gewaarschuwd. Dan zie je d’r uit als die vrouwen, hè.
Daarom merk ik op dat het een dik boek is. Ik vind dat het uiteindelijk alleen maar een boek is. Dan zijn er toch wat veel daarna nu. Bladzijden.
Rolduc, dat is mijn schuld. Everybody (in the) U.S.A. Is het mijn schuld, dat ik niet priester geworden ben?
Ik tegen Henk, verkleed als vrouw): Bent U de psychiater? Echt een priester. Zet er ook maar een vraagteken bij, (want hij is als vrouw verkleed).
Priester Labre.
Priesterschors.
Ik kom op Rolduc bij een priester. Ik denk dat hij de prefect is. Hij is heel mager. Hij is gekleed als een oosters priester, met kralen om zijn lichaam (ronde kralen zo groot als zijn middel). Hij is verbaasd dat ik () ben. We praten. Hij toont eerst niet zoveel aandacht. Later wel. Ik kom in een trance. Een heel diepe trance. Ik moet huilen. Zo diep ben ik ontroerd. Ik laat me helemaal gaan. Hij omhelst en kust me.
Pierre positief over zijn priesterschap.
In een kerk draagt een priester een mis op. Het is duidelijk te zien, dat hij een erectie heeft.
Ik moet les gaan geven in Nuth. Filosofie voor gehandicapten. Ik moet om 6 uur al daar zijn. Ik kom in Nuth voor een misdienst. Ik geef iedereen een hand bij het begin van de dienst. Ik heb nog geen gewaden aan en ik vraag me af hoe het nu verder moet. Ik zie verderop een priester in een kasuifel. Ik ga naar hem toe. Hij zegt dat hij woensdagochtend met mij daarover wil praten. Ik ben inwendig kwaad. Ik heb het
gevoel dat ik voor aap heb gestaan.
Een priester doet de mis. Ik zeg: U hebt een mooi kazuifel. Ze (het is een vrouw, een zwarte vrouw) reageert verbaasd, bekijkt zichzelf van top tot teen en knikt dan bevestigend. (Het kledingstuk ziet er niet meer zo uit als een kazuifel. Het is een soort winterjas, een vacht.
Ik heb gemerkt, dat Louis een dief is. Hij werkt samen met een man, een soort ex-priester (Thissen, denk ik). Ik ben Louis gevolgd naar een oud gebouw waarin brand is uitgebroken. Ik vraag me af, of ik hem nu nog zijn gang kan laten gaan. Ik moet misschien de politie gaan inlichten. Ik geloof toch niet dat het daarom gaat. Het gaat erom weg te gaan. Wat je in feite zou kunnen doen in de supermarkt.
Het zijn Egyptische grappenpriesters.
Ik zie Anneke in de kerk van Sweikhuizen. Ze zit dicht tegen me aan in de kerkbank. Ze duwt me er bijna af. Het stoort de dienst. De pastoor komt kijken. Ze heeft op haar lichaam een pleister tegen mishandeling, zegt ze. Ik moet even voelen. Ze vertelt dat ze nog een kind heeft gekregen van een Moench of Moech. Ik versta het niet goed. Het lijkt een buitenlander. We komen in een gebouw, (een soort hotel.) Ze gaat naar de wc nadat ze de hotelkamer voor me heeft opengezet. Ik moet haar voortdurend aanraken en optillen. Ze is heel licht. Ik weet eigenlijk geen raad met de situatie. Hij gaat natuurlijk als priester tekort schieten.
Priester werden ze hier niet genoemd. Is jouw zoon nu en dan zichtbaar?
Ik ga per fiets naar Spaubeek met de bedoeling om de trein naar Heerlen te nemen. Ik moet daar ergens de mis dienen. Ik ben vroeg. Bij het station ga ik niet op de trein maar rij door naar een huis in Spaubeek. Daar binnen is Frans en een oud echtpaar. Ik word hartelijk ontvangen. Frans zegt dat hij het rijbewijs moet gaan halen. Ik ben verbaasd. Dat heb je toch al? zeg ik. Ja, zegt hij, dat heeft Miep me bezorgd. (op een toon alsof hij wil zeggen: dat rijbewijs deugt niet). Het is nu te laat om nog naar Heerlen te gaan. Het is acht uur. Om negen uur zijn de missen afgelopen, zeg ik. Daar zitten we over te praten. Zij noemt haar man Van Heugten. De vloer van de kamer is zacht als een bed en heel ongelijk. Frans studeert voor priester.
Ik: Ik wil een wens uitspreken. Priester: Dat gaat niet. Ik: Verlangen dan.
Priester: Ook niet. Ik: Of aanvaarden van verlies.
Een vrouw komt mijn kamer op en begint met me te vrijen. Later komt een priester erbij. Hij stelt me vragen in verband met haar kind uit een vorige relatie.
Een islamitische dienst in Sweikhuizen. Buiten. Na een tijdje gaat iedereen naar voren. Er staan katholieke priesters zo alsof ze de communie uitreiken, maar dat is niet zo. Ik ga ook naar voren, loop langs de priesters. Ik kom in een greppel terecht, waarlangs ik omhoog klim. Het gaat moeilijk. Ik glijd weg in het zand.
Zwart kind tegen Louis: Papa (). Louis: Ik ben je papa niet. Kind: Ik ken geen andere papa. In de kerk van Sweikhuizen. Een priester zingt Agnus Dei.
(Zegt ze) Ik ga niet met je trouwen, want dat duurt te lang.
(Miep:) Is er een priester en een boterham?
Wijshoff, wie is dat? Dat is een soort katholiek priester, hè.
En je zal uiteindelijk worden bekleed als priester.