Sheyla vertelt, dat ze geen kinderen kan krijgen. Een medisch onderzoek heeft dat uitgewezen. Ze vindt het geen probleem. Ik wil geen kinderen, zegt ze. Op een dag belt ze me laat in de avond op.
Ga je naar de Elfstedentocht kijken?
Ja, zeg ik, maar niet zo vroeg. ik kijk later wel.
Heb je zin om naar Puth te komen?
Ik aarzel even. Nu naar Puth gaan betekent: daar de nacht doorbrengen.
ik kom, zeg ik.
Het is buiten op de fiets ijskoud. Ik neem de weg over Windraak. Ik kom met half bevroren handen aan. Ik ga in de vroege nacht in bed liggen. Sheyla komt een tijdje later ook. Het is alsof het zo wil zijn, maar toch onverwacht, beginnen we te vrijen.
Vroeg in de morgen staat Sheyla op, om naar de wedstrijd te gaan kijken. Ik blijf liggen.
Evert van Benthem wint voor de tweede keer.
Ik vraag me in haar badkamer, omdat ik mijn tanden borstel mis, af of ik het me kan veroorloven de hare te gebruiken. Ik doe het niet. Ik poets wel mijn tanden, maar met een vinger.
Door het Stammender veld wordt een nieuwe weg aangelegd, een tweebaans autoweg, langs de linde, de plaats van het ongeluk. We moeten nog dingen opgraven die in een silo heuvel voor bieten bladeren zijn ingegraven.
Er is iets met Louis. Ik weet niet wat het is. Ik zie ook Sheyla. Maar is Louis in Sheyla getransformeerd? Ik ben bij de linde bezig zijn of haar lichaam op te graven of liever gezegd te transformeren. Ik haal er ledematen van af. Haar handen en een borststuk. Het schijnt haar geen kwaad te doen. Ik bewaar de handen zorgvuldig. Zij zien er uit als zwarte handschoenen, die hard geworden zijn, als crêpe papier. Ook het borststuk. Het is eigenlijk de hele buikzijde als een soort plaat of stijf kleding stuk. Het is vreemd, zeg ik, dat ik vandaag de handen hier, boven de wastafel, neerleg, die ik gisteren nog vastgehouden heb. Ik heb niet het gevoel, dat er iets ernstigs is gebeurd.
Iemand komt binnen, een medicus, geloof ik, ziet Elyshs en zegt: De man van Leeuwarden. Hij bedoelt dat ze in een vrouw getransformeerd is.
Er is een hond. Het is een keeshond. Wit met zwarte vlekken. Het is de hond van de kapper (Puth). Het speelt zich af in Sittard. Ik heb twee appels. Ik gooi twee appels zo ver mogelijk weg. Ze rollen tot aan het huis waar de kapper woont (althans volgens wat ik in de droom dacht, woonde hij daar. Hij woonde in werkelijkheid op de hoek. Hier is het in het midden van de straat). De hond rent de appels achterna. Hij komt een van de appels terugbrengen. (Ik had verwacht dat hij dit zou doen. Hij kreeg de indruk dat ik zijn baasje was, omdat ik precies wist waar de kapper woonde). (Het heeft iets met Sheyla te maken).
Ik ben in Oirsbeek en Sheyla met anderen. Ze komt me roepen, omdat ze met iemand heeft gepraat die een huis weet. We zijn bij een man, die het huis laat zien. Hij woont zelf in het huis, want in een kamertje ligt een kind te slapen op een matras die op de vloer ligt. Er zijn veel kamers. Het huis kost ƒ79. Ik kan het niet geloven. Sheyla had me dat al gezegd. Ik zei toen, dat er een voorwaarde aan vast kan zitten, dat we het huis moeten onderhouden. Maar zo zit het niet in elkaar. Het huis is te huur. Dat bedrag zijn overnamekosten. De huur is ƒ160 (als ik me niet vergis). Ik heb er zin in. Sheyla zegt dat ze er nog over wil nadenken. Ze heeft 3 aanbiedingen, zegt ze. Ik zeg, dat de man morgen wel antwoord zal willen hebben. Hij bevestigt dat. Mij lijkt het huis geschikt, omdat ik erin kan schilderen, zeg ik. In Sittard heb ik daarvoor te weinig ruimte. Shreyls is verbaasd over mijn redenering. Ze vraagt me, of het mogelijk is met twee aparte huishoudens daar te wonen. Het is geen probleem.
Er is een wielerwedstrijd. Het gaat heel erg hard Er dreigen ongelukken te gebeuren. Ik krijg een bericht toegestopt. Er staat een mededeling op in telegramstijl: ‘Eigenaar overleden. Kom vóór 12.00 (nee, er staat: 12.00-22.00) kijken.’ Ik besef dat ik Sheyla niet bij me heb. Die man wil me het huis graag geven Ik wil eigenlijk niet meer aan de wielerwedstrijd meedoen, maar ik word door een agent op de hielen gezeten. Er
liggen mensen langs de weg, naar het schijnt, op brancards. Iemand vraagt of het gewonden zijn. Het zijn revalidatiepatiënten. Ik begin op een gegeven moment als een wilde te rijden. Ik rijd degene die vóór me is bijna uit de wielen. Dan buig ik plotseling van de weg af. Ik rijd overal tussen en onder door. Ik ben de agent kwijt.
Ik heb eerst Sheyla aan de lijn, later is het Melito Hamel. Ik kan niet goed met hem praten. Er wordt ergens in de open lucht een toneelvoorstelling gegeven. Ik heb een gevoel, dat er kinderen bij me in de buurt zijn. Het zijn mannenhanden die uit het donker tevoorschijn komen en me vastgrijpen. Nachtmerrie.
Sheyla is teruggekeerd naar de DDR. Ze heeft eerst nog een laatste poging gedaan, om mij over te halen met haar mee te gaan. Ze verschijnt op tv en legt haar stap uit. Gott sei Dank (uit wat volgt blijkt, dat ze blij is Holland te hebben verlaten). Ze is nogal fel, hé, zeg ik tegen iemand.
Ik logeer met Sheyla op Stammenhof op opa’s kamer. Miep is er ook en mijn tante. We zijn op een gegeven moment aan het vrijen. Maar er komt niet veel van, want ik moet naar de wc. Die is op het gangetje ernaast, bij het kamertje van Zef. Ik heb lichte diarrhee, merk ik. Er zit wat poep op de rand van mijn onderbroek (nieuw model blauw). Frans komt voorbij. Hij trapt zogenaamd per ongeluk mijn kleren naar beneden, de trap af.
De rug van een schrift is beschadigd. Ik ben bezig het te herstellen door er met een naald de draad doorheen te trekken. Frans levert kritiek. Ik word kwaad. Ach, jong zeg ik. De ganse daag zits te te kankere, godverdomme nog an toe.
[Ik kom de heer en mevrouw Bohl tegen in Heerlen. Ik zeg: ‘Ze is ziek.’ (Ik bedoel: Sheyla, niet: Monique). Ze gaan een flatgebouw binnen. Ze maken ruzie. Mevrouw wil haar gaan bellen. Had ik het nu maar niet gezegd, denk ik.
Ik hoor: Ik heb de brief gekregen, Sheyla.
Ik zie Sheyla in een schoolgebouw, maar ze komt niet naar me toe.
Ik ben in Kerkrade op school, maar ik kan de school niet vinden. Josef heeft me de weg gewezen. Hij wijst me vanuit de verte Sheyla aan, die staat te wachten. Ze moet ook naar de school. ‘Heb je een buitenlandse vrouw?’ De manier waarop hij het zegt is nogal bezitterig en bemoeizuchtig. ‘Ik heb niks,’ zeg ik nogal nors. Ik weet niks beters te zeggen. Ik ben de weg kwijt. Ik vraag aan een voorbijganger: Waar is het Sint Michiel-lyceum? Hij weet het niet. Hij kijkt alsof hij wil zeggen, dat ik hem iets te veel gevraagd heb. Hij maakt zich uit de voeten. Het is een rotwereld, zeg ik tegen me zelf. Ik ben bang dat ik te laat op school kom, als het zo doorgaat.
Ik kom in Boxtel. Ook Sheyla is daar. Ze gaat al naar mijn tante toe. Ik ben eerst ergens anders. Als ik later binnenkom, zie ik dat mijn tante Sheyla omhelst. Ze trekt een ernstig gezicht. Als ik binnengekomen ben, zegt ze: Ich verwach, Albaer, dat ich..... Hier stopt ze. Ik schrik heel erg.
Ora mi bai.....
Ik ben in Boxtel.
Mijn tante praat heel negatief over Sheyla. Ik verdedig haar. Ik begrijp niet, dat mijn tante zo kan praten. Ik ben het niet met haar eens.
In de Schluntjeswei is een paard wild geworden. Louis probeert het te bedwingen, maar het lukt niet. Het paard wil door de heg springen. Ik leid het af. Het komt me achterna. Later vertel ik het mijn vader. Hij zegyt dat een paard zich zulke dingen herinnert. Ik kan nu niet buiten komen. Die nacht is er op school iets bijzonders te doen. Het is de lagere school, maar de mensen, die aan de gebeurtenis deelnemen, zijn volwassen. Er heerst een stemming als in een euforie. Sheyla bevindt zich ergens in die groep. Het is een grote menigte. Ik weet niet precies wat er gebeurt. Er zijn vrijende paartjes. Iedereen loopt door elkaar heen. Op de achtergrond voel ik de aanwezigheid van het paard. Er wordt ook gezongen. Opera, geloof ik. Ik ben niet bij de stemmen. Er worden wel filmopnamen van mij gemaakt. Later is het rustiger geworden. De dag is al aangebroken. Ik zoek Sheyla. Ik zie haar niet in de menigte.
Ik lees in een kerk in Kaapstad uit een missaal. Ik zit in de derde bank, ongeveer het midden. Ik zoek als het ware op de tast naar het missaal. Ik weet dat het daar moet liggen. Er staat een eigenaardige tekst in. Ik heb het gevoel dat ik in Californië ben, rond het begin van de eeuw. De briefschrijver maakt grappen met de naam Riga. Het is geschreven alsof het een brief [is], het is in werkelijkheid gedrukt in antieke letters van rond 1900. Ook staan er afbeeldingen in van vrouwen. Reclame voor ondergoed, die de schrijver in Rome heeft gezien. De naam Riga staat erbij, alsof het de merknaam is. De briefschrijver moedigt zijn vriend voortdurend aan naar Californië te komen. Hij schrijft steeds: Come on, come on. Zo begint bijna iedere zin. En verder: Je moet zorgen voor 1515 hier te zijn.
Een orkest op Stammenhof bij het eten. Ze zingen: Everybody. Mijn moeder biedt hen te eten aan, terwijl ze zegt: Eaten, hè. Dan: Weet je wat Sheyla zei? Eat on.
Later lopen meisjes achter me aan. Ik hoor één meisje zeggen, dat ze vindt dat ik niet meedoe. ‘Kun je dat niet zeggen, als ik er niet bij ben?’ zeg ik. Tenslotte komt Sheyla voorbij met een vriendin. Ik ga naar haar toe. We lopen gearmd verder.
Ik kom bij een sportveld waar Sheyla is en een beetje van haar verwijderd een Indische vrouw (Hindoe), die haar vriendin is. ‘Ik wil niet te veel om je heen draaien,’ zeg ik tegen Sheyla, ‘zolang je met haar samen bent.’ Ze hebben duidelijk een relatie. Ze kijkt me aan alsof ze wil zeggen dat ik dat niet hoef te zeggen. Hoe noem je haar eigenlijk? vraag ik. Gammi, zegt ze. Ze legt uit dat ze haar niet bij haar eigen naam noemt.
Ik word geroepen om op Stammenhof te komen. We wonen in het huis van Van de Vedder. Ik heb het met Miep weer goedgemaakt. Maar onderweg krijgen we ruzie. We moeten de grens over. Er is een ingewikkelde procedure met het paspoort, waardoor het veel tijd gaat kosten. Ik wil terug naar huis, en een andere keer gaan, als er geen pascontrole is. Miep wordt kwaad. Ik begin te beseffen, dat ik er verkeerd aan heb gedaan, om het met haar opnieuw te proberen. Ik zie Bert, conciërge van de Leergangen. Ik vraag hem, hoe dat met de passen zit. Dat heb ik je al eens gezegd, zegt hij. Hij wil het niet nog eens zeggen. Hij lacht. Dit speelt zich af bij Luik. We komen op Stammenhof. Er is een familiekwestie. Mijn vader laat me een brief lezen, die in het handschrift van Miep is geschreven. Het gaat over afstand doen van zijn onroerend goed. Ik zeg, dat ik de brief niet goed vind. Er staan feiten in, die niet ter zake zijn, zeg ik. Het zijn onbenullige daden, door mijn vader onlangs verricht, waarvoor hij in de brief geprezen wordt. Het is vleierij. Na een tijd vraag ik me af, of mijn vader wel mijn vader is. Is dit zijn broer? Hij heeft een donkere huid. Zo donker kan mijn vader niet zijn. Ik zie ook een andere man, maar ook dat is mijn vader niet. Dat is Zef, de knecht. [vader van Sheyla Martis]
Sheyla weet een huis voor ons. We reizen van Heerlen naar Heerlerheide met een trein. Het is een overdekte spoorlijn. We komen aan bij het huis. Als we binnengekomen zijn, herken ik de vrouw des huizes. Het is Bertie Bemelmans. Ze begroet me met een tongkus. Het is een groot huis en het is een drukke bende. Er zijn veel mensen op bezoek, en veel kinderen, die zich goed kunnen bezighouden. Ze werken aan allerlei projekten. Later ben ik weer buiten. Ik kom via hetzelfde treintje weer terug. Ik word nu ontvangen door een man, van wie ik niet weet of hij me kent. Ik stel me voor. Dat weet ik, zegt hij. Hij wil zeggen, dat hij me zojuist al gezien heeft. Hij noteert me in het gastenboek.
Sheyla mag meedoen in een film, maar zegt ze: Ik kan schieten en die anderen raken elkaar gelijk, hè.
De complete familie van Sheyla is op bezoek. Ze nemen plaats in de goeie kamer op Stammenhof. Het valt me op, dat de meerderheid uit blanke mensen bestaat. Verder allerlei mengvormen van blank en gekleurd. De kamer ziet er anders uit dan normaal. Er zijn zuilen en kostbare wandkasten als in een vorstelijke zaal. Er wordt Antilliaans gesproken en een variant van het Nederlands., een herinnering aan vroegere dialecten. Iedereen kijkt me nieuwsgierig aan. Iemand, kennelijk het hoofd van de familie, houdt een korte toespraak. Ik word kennelijk in de familie aanvaard. Ik ben, om me een houding te geven, een beetje aan het spelen met Caspar.
En dat is Lord Ashley. Ik zit hier nu bij ons familielid de grossier.
As Tom says, Sheyla says.
(Sheyla lachend) Jij! Je bent je naaimachine kwijt!
[Een jongen in Landgraaf] Je werd aangerand om vroegere notitiespogingen. Alleen maar notities. Die zijn niet gekend. Goed. Ik blijf nou toch de hele dag door in bed liggen.
(werkstuk) Ik zou d’r een 7 voor geven. Leuk voor te oreren. Kwartjes! Kijk eens, wat Sheyla had (in de schrijfmachine). Dus, fraude wil zeggen. Ik heb d’r één. Daar moet straf op zijn.
(De Ruyterweg). De weg voor niks (van Puth naar Beek). Dat hoefde toch niks te kosten. Je ziet me in Quito. Dat was op zich een goed idee. Niet te ver (ver)pakken, Sheyla. Dat ze gewoon in Nederland
(Ik heb Alshey niet gezien). Maar dat vind ik juist de moeilijkheid!
Te Marx. Je hebt veel te veel van mij geprofiteerd. (Te is nooit goed, behalve tevreden). Sheyla, ik wil zo niet leven. (latex) Wat staat hier? Te laks.
Sheyla, ben je al wakker?
(agent, homofiel) Hij verkoopt iemand. In dat holletje bij elkaar, omdat ze geen geld hebben. (maat schoenen, Sheyla) 46, Mat! Flink geld, goed jong. Wat is het voordeel voor dames? U denkt dat hier alleen dames komen, hè.
Sheyla (berkebomen) Wilhelmus van Nassouwe ben ik vrij onverveerd. De Prins Omnibus. Het kan zijn dat je geweldig goed zingt. Het kan ook zijn dat je vals zingt.
Wat zouden ze daar voor een taal spreken?
De meesten zeggen dat een kleinkind is gekomen van het oudste paar. Dat kun jij berekenen en ikke niet. We laten het even liggen, dat huis, bovenkamers afgesloten. Was het constant, Sheyla?
Als dat samengaat, Sheyla.
(Sheyla) Ik zeg niks. Je moet het gewoon bekijken, zoals het is. Ten goede en ten kwade, dat zul je allebei hebben. De Heilige Geest, de Vader van Abraham, Izaäk en Jakob. En een andere geest, een slechte geest. (Een kwalijke geest), die iedereen vergiftigt.
Hoezo? Je kunt even misschien wat duidelijker zijn. Wel de eis stellen, maar het niet doen. (Sheyla) Ja! Inderdaad!
Toen dacht ik: ik ben me relatie aan het vragen. Ik moet me dat eerst even bekijken, wat de anderen ook betreft, Sheyla.
(ober van Limbourg tegen Joris): Ken jij Sheyla?
In het begin, hè. Dan zal je ook in het einde moeten hebben. Leena komt voor Sheyla te staan. Net alsof iedereen wil zeggen: Ja, maar...O ja, omdat niks gebeurt.
Sheyla, wie is dat eigenlijk? [Misschool]. (Sheyla, ik ben eenzaam).
Twee jongetjes, waarvan een iets ouder dan het andere, een × [kruising] van Sheyla en mij, kruipen door een draad.
Een modieuze vorm als je Sheyla naar het station zou brengen op vacantie.
[Fifi (veters in de vorm van Sheyla’s haren)] Zal ik je naar het station brengen? Op zich is dat fout. Inens begint het toch werm te wière dat kechelke. En daar ben je zelf mee bezig geweest. Maar het is anders. Dat is gewoon in een situatie die d’r op lijkt. Fifita Janus.
Weet je wie ook hier is? zeg ik tegen Joris. Sheyla. Ik zwem met hem en nog wat kinderen (ze zitten op mijn rug) in het zwembad. Sheyla bevindt zich in een hoek van het zwembad. Fifi is er ook. Ik heb Fifi lang niet meer gezien, hé. Ja, heel lang. Ze werkt hier als een kenner, hè. Ik heb niks over kennen gehoord.
[Jan Boyens × Sheyla (broer en zus)
Lo Schooier, die moest als soldaat bij Hitler dienst doen. (tegen Sheyla) Nee, ik zorg dat jij een hoedje krijgt.
Sheyla Karstmis.
(Sheyla heeft idee voor vliegreis) Sheyla is Marie van Stein. Edith Stein, zeg maar.
Vrijage eerst met Paula? Daarna haar vriendin Lisette? Het gaat niet zo goed. Het gaat om de verwekking van een kind. Eigenaardigerwijs tegen de verwachting in loopt het wonderwel met Lisette? Komt niet tot voltooiing.
Dan ben je wel gek, als je niet een waarschuwing uitdeelt. Als je niet precies weet, wat de inhoud moet zijn. En dergelijke.
Ga niet naar Lisette. Ik wil je een kleine waarschuwing uitdelen.
Heb je hier gelogeerd? (In het huis van Lisette). Ik heb hier een paar dagen gelogeerd, maar ik ga nu weer weg.
Lisette bij Paula, dat is lila. En dat is eigenlijk ook Sheyla, wat je in Sheyla hebt gezien.
[Ik zag Sheyla in een droom, tenminste als ik moet oordelen naar haar huidskleur, want gestalte en gezicht waren die van Louisa. Er gebeurde verder niet veel in die droom. Ik zie helder de zwarte huid van de een, maar de slanke gestalte en de amandelvormige ogen van de ander.]
Je hebt me twee keer opgebeld. Wat heeft dat te betekenen? () Jij hebt niet opgebeld. Sheyla! Nou, hou dan maar op. Dan ben je nog dom.
Ik zou ook zelf willen leven zo. (Wat is er met Sheyla aan de hand?) Misdaad aanknopingspunt.
[3.20 beving] Hebben jullie vannacht geen beving gevoeld? (Thomas en Caspar knikken met de ogen) (Ja.) Jij ook? (Ja.) En jij ook?
In verband met het feit dat(Sheyla en) ik voor de kinderen zou gaan zorgen. [tegen Leny, telefoon Elisabeth] Je kunt het beter meteen horen, want anders krijgt het teveel aandacht. Heb jij gisteren de aardbeving gevoeld? (Miep) Ja. Hier ging het zo. Het ging echt op een neer. Waarom sta ik zo druk te sjezen? Dat is vanwege mijn moeder. Wat is dit? Gewoon ik, schrijf ik. (Thomas) Kom, licht vertrapt. Ze is uit. Scherven. Spelenderwijs heb ik het gehoord bij de Kerkraadse dokter. Je brengt me naar de rotstuin.
Sheyla diva.
(Een man trekt met een grote groep kinderen door Afrika. Wij ondervragen hem. Hij vertelt een overtuigend verhaal). Ik vind het geen onzin wat U zegt, (zeg ik. We zijn op een tafel bezig een mens te boetseren. Als het beeld klaar is, staat zij op. Ik herken haar).
Zal ik je zeggen, hoe zij heet? (zeg ik. De ander begrijpt het.) Zij is Sheyla. (Zij heeft aan de linkerkant van haar gezicht een baardje. Ze kijkt ernstig en streng, een beetje plechtig). Je moet me zeggen, wanneer het pijn doet. Ik heb Sheyla opzettelijk verzwegen.
(Auto van Sheyla) Luister ‘s even. Moet ie niet een beurt krijgen?
Wie ben jij? Dat weet iedereen: Sheyla Au! Au! Au! Het doet pijn. Aan één voet.
Een mis dienen is in een heleboel gevallen helemaal verkeerd geweest.
Maar ik bedoelde niet de allochtonen. Dat is heel makkelijk om meteen de allochtonen bij de horens te pakken.
in het spoor van God. Je kunt kiezen tussen een niet godsdienstige en een godsdienstige richting. Sheyla, je hebt een 8. Goooh
Scheldpartij tussen de deken van Sittard en Sheyla. Daarbij noemt hij haar ‘bruine’ en zij noemt hem ‘aap’.
Ik laat mijn moeder een boek zien met portretten die ik heb geborduurd in de pagina’s, links van Sheyla en rechts van Leny. Er staan nog meer portretten in die niet afgemaakt zijn. Is ‘t neet van Hélène Sink? vraagt ze. Zo’n afspraak ().’ Ze voelt eraan en ze lacht een beetje. Ze wil weer gauw verder met het werk. Er zijn veel logés geweest. Die in mijn beddegoed hebben geslapen. Ik heb haar gevraagd dit apart te houden voor mij als het gewassen wordt. Er is sprake van geweest dat dit (de ouderskamer) nu mijn kamer wordt. Ik ga nu weer terug naar mijn eigen kamer in () (Amsterdam?). Ik heb niet veel van het feest meegemaakt, doordat ik te laat was.
Ik woon met Elysh in de Landweringstraat. Ze bemoeit zich met mijn doen en laten (wat ik doe in het huishouden).
Stammenhof. Ik loop met een baby op mijn arm op het erf, van onder de poort naar het raam van de keuken, waarachter mijn moeder staat te strijken.
Ik: Wie is mijn schatteboutje?Baby: Sheyla 1, Sheyla 2.
We zitten aan het ontbijt. Links mijn moeder, tegenover mij mijn tante. Rechts van mij mijn vader. Ik ben te laat voor school. Ik vraag de tijd. Het is al tegen tienen. Het kan me niet schelen. (Ik hoef eigenlijk niet naar school). Mijn moeder begint te praten. ‘t Thema is een toekomstige vrouw. Ze zegt: ‘En als de Heilige Geest je nou eens een naam noemt?’ Ik zeg: En als de Heilige Geest nou eens zwijgt, zit ik helemaal met de gebakken peren. (Ik kijk mijn tante veelbetekenend aan).
(Met Jos Janssen en vriendin in één bed in de keuken van Stammenhof. Mijn vader, mijn grootvader en pastoor komen kijken. “Liggen jullie hier met drie mensen in één bed?”)
(verliefd zijn) Maar als je d’r niet van af kunt, dan zit je zelf mooi met de gebakken peren, vind je niet?
Welk idee bijvoorbeeld? Het idee bijvoorbeeld: Curaçao (Kerasao).
Vrijdag is ze tot kwart voor tien hier in het café geweest.
Daar komt ze weer met de gebakken peren. Ze heeft zo lang niet geslapen vanmorgen.
Kun je mij een sla geven die ik kan bakken?
Denk je je ook eens, zo eens, zodra (). Pech is alles. Negatieve gedachten. Toen Islaag. Alweer Antilliaanse televisiegedachten.
[voornaam] (.......) Sat Nassad na Leba. Een Antilliaanse naam. Sheba, dat wil zeggen: goud. Een Antilliaanse, ze zei nu.
De koningin van Sjeba. Asjeblieft.
Chinees-Nederlandse Antillen.
Je moet het bekijken met die stugge onderbroek van U, Albert, in de orde van de menstru(w)acht(?) Dat er in de baarmoeder ook iets (wat) onverwacht(s) gebeurt, ook iets wat goed is (slijm uit de mond). Alleen een ei kan ik je niet geven . Eiwater. Twee weken, zegt ze, iets anders is het niet. Eczeem. Het Engelse slag mensen. De kleur die het moot kriege. Watercolour. Geen water. Gewoon veertien.
Je zag geen ei. Je zag alleen (de letters van) het woord ei. O zo... Ik rook een geldei. Ik had er eigenlijk geen woorden voor. (Ei betekent in het Grieks: als, indien)
Eten ze ‘m alweer uit? Wanneer heb ik nu voor het laatst een ei gekregen? (Joris, zijn hoofd)
Het ei op de foto is nooit een ei geworden.
Indien ik naar de Lage Landen kom, dan neem ik een eiland.
In het patronaat is een actie op touw gezet voor een kindervereniging. ‘t Is een toneelspel. Er wordt telkens tussen de bedrijven door gecollecteerd. Ik zit naaskt Nelly [Timp] en Paula [Crijns]. Van de voorstelling komt niet veel terecht. Op het laatst zeg ik: ‘Nu moeten ze er maar eens mee ophouden.’ Protest alom. Ik krijg zelf een collectezakje toegestopt. ‘Ik houd niet van dat werk,’ zeg ik. Gehoon. Maar ik houd voet bij stuk. Louis Berkhout is de organisator èn regisseur. Hij doet zelf ook mee aan het toneel. Hij houdt een conférence. Dan komt een bericht binnen. ‘De Antilliaanse eilanden,’ zo wordt plechtig voorgelezen, ‘zijn geen onderdeel meer van het koninkrijk. Ze horen nu bij Brazilië.’ Een eigenaardig detail: de spreker beweert, dat koningin Wilhelmina die verklaring al lang geleden informeel heeft bekrachtigd met haar handtekening. Er zijn Belgen, Walen, die gedeeltelijk Frans spreken, in de zaal. Ik weet niet meer wat ze zeiden. In ieder geval ondersteunden ze de overdracht. ‘Vous avez raison,’ roep ik hen toe. En ik hoor Paula zeggen: ‘Hij gaat onmiddellijk op Frans over. Meestal moeten ze het eerst in dialekt zeggen.’ Tenslotte ben ik zelf op het toneel. Ik geef een staaltje van acrobatiek weg, met een wilde rondedans.
Toen wou ik jou hebben. (Ik heb al dagenlang het gevoel dat er een eind aan komt.) Maar dat is nou niet zo erg belangrijk. Ik heb je nodig om terug te keren (naar mijn land). Ja, mijn land. Mijn eiland. Mijn eiland, nee. Ik ben niet op een eiland.
Het krijgen of verliezen van deze (culturele identiteit). Alleen priesters. Het is vanzelf iets nieuws. Wat is er met de identiteit? Die is ‘t er niet, hè. Wat is de juiste definitie? Identiteit is verkeerd. (Als je de opdracht krijgt om Nederlands te studeren). Iedereen doet Nederlands. Abortus na en van tevoren.
Anomie tussen twee culturen.
Als engel naar Bonortus. Het oorspronkelijke eiland.
(auto) Die hoort er niet bij, kennelijk niet. De wereld is vol gekken met letters.
Ik heb in een gezelschap gezegd: Waarom kunnen man en vrouw niet zelfstandig zijn en voor zichzelf verantwoordelijk zijn? Een van de vrouwen wil iets zeggen, maar krijgt een flauwte. Later ziet ze mij in Amsterdam en zegt: ‘Ik houd me bij abortus
Op 32 maart zou die dat krijgen. Dat is net zoiets als geen ziekte hebben en toch een buik.
Dat is waar! Niet exact.
Daar moet je rekening houden met februari, april. Geen maart ongeveer dus.
1 april 1986. Kon U het terugvinden?
Ik weet het niet meer exact. Het was iets van 1 april of zo.
Het is een belachelijke stelling. 1 April! Dat is, zoals je weet, als grap bedoeld.
D’r zaten Antillianen in
Uit het eiland. Verdwijn!
Robbeneiland.
Een kopje koffie mag best, hè. De zonde van Spaans.
(Frans) Professor Robben en () billekoek.
(Zuivere koffie). Nou ik denk dat er nog wel een kopje in zit. Tegen samsam (). Tegen () heb ik de zuiverste verklaring: No.
Ook professor Robben schrijft(:) van binnenuit. Ze liggen te oud, snap je? Spanje, in een waterbak.
Madre bunita moet je daarvan maken en ik lieve Lita.
Langzaam een soort eiland waar ik gekomen ben.
(Curaçao) Dat eiland heeft wat te doorstaan volgens mij. Ze doen allemaal van dat soort dingen, rare dingen.
Je moet je niet bezighouden met ludieke dingen van een heleboel mooie mensen.
Heb je de halve prijs gekregen?
La isla bunita. Le lys de France. De helft van Sint Maarten. Dat is dus waar U vandaan komt. Saint Martin. Is het oorspronkelijke eiland.
Die Malediven, dat zijn makkelijke eilanden. Ik ga pissen op de eilanden.
Daar ligt een eiland. Denk je niet, dat Columbus wist dat het een ei was?
Daar zie je echt toekomst in, hè, het eiland. Er sterft weer veel. Vier liggen er op sterven. Die vier, dat is het land. Het land ligt te sterven.j
Een wellustig eiland.
Een kaart van Sheyla. Hotel Danny, 2587 GJ Scheveningen.
Sheyla leest Lesbische nonnen: De stilte verbroken. Over seksualiteit binnen get klooster.
Despues di a lesa e mensahe na e sitio ib, mi ta guitara transmití mi condominius di konosínan i amigunan riba e morto di Sheyla Martis. Konosé a Sheyla den e periodo 1985-89, promé komo instruktor di Skol Sekundario di Trabou Sosial i otro biaha na amistat