Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/memealog 

Jo Ploum en Patrick Leukel

Oorlogsziekenzorg

In het midden van de 19e eeuw verplaatste het middelpunt van de Europese politiek zich van Wenen naar Berlijn en Parijs. Onder leiding van kanselier Otto van Bismarck ging Pruisen een steeds belangrijkere rol spelen en dit leidde tot de Duitse eenheid in 1871.

In 1870 verzocht de Aartsbisschop van Keulen, Paulus Melchers, bekend als Armenbisschop, de religieuze orden, die zich aan de ziekenverpleging gewijd hadden, om zusters beschikbaar te stellen voor de verzorging van gewonde soldaten. In de maand augustus, toen de oorlog tegen Frankrijk was begonnen, vertrokken enkelen van ons, zusters Elisabethinnen, naar Saarbrücken om gewonde soldaten te verplegen. Wij ontvingen na het bereiken van de vrede als teken van dank en erkenning van zijne Majesteit de Koning van Pruisen Wilhelm I het IJzeren Kruis.

Nadat Napoleon III van Frankrijk in 1871 was verslagen, was er weer vrede in het land. Op 18 januari 1871 werd in de Spiegelzaal van het Paleis van Versailles Wilhelm I van Pruisen door de Duitse vorsten tot Duits Keizer uitgeroepen. Jammer genoeg had deze grote overwinning en de benoeming tot keizer treurige gevolgen voor ons, katholieke onderdanen.

In 1872 brak de zogenaamde Kulturkampf uit. Dit was de strijd die de overheid van het pas opgerichte Duitse Rijk onder Otto von Bismarck van 1872 tot 1879 voerde tegen de Katholieke Kerk. Bismarck, die zelf protestant was, wantrouwde de katholieke Centrumpartij en vond deze partij een niet-nationale partij. Hij zag deze partij als een obstakel op de weg naar Duitse unificatie zoals hij zich die voorstelde: een hoofdzakelijk protestants Duitsland, zonder het katholieke Oostenrijk. Om deze redenen wilde hij de invloed van de Katholieke Kerk verminderen en startte hij een reeks antiklerikale maatregelen. De Kulturkampf was in Bismarcks ogen een preventieve oorlog tegen een interne vijand.

Er kwamen wetten tot stand waardoor harde en zware straffen op de geestelijkheid afkwamen. Ook een wet waarin beslist werd, dat alle religieuze ordes en congregaties uit het gebied van Pruisen moesten verdwijnen, uitgezonderd diegenen die zich bezig hielden met de ziekenverpleging. Er werd echter bij vermeld dat deze uitzondering altijd door een keizerlijke verordening opgeheven kon worden.

Deze onzekerheid maakte het voor ons, zusters Elisabethinnen, raadzaam of beter noodzakelijk om te zorgen dat er in het buitenland een huis werd gekocht om in geval van nood een onderdak te hebben. Bovendien was dit ook noodzakelijk omdat zonder toestemming van de regering geen nieuwe leden in de ordes opgenomen mochten worden. 

Omdat dit zoveel problemen opleverde, was het zaak om er de voorkeur aan te geven om postulanten in het buitenland in te kleden, hetgeen reeds vaker in een Ursulinenklooster in België gebeurd was.

Heerenanstel, Kaart van Ferraris, 1777

Vlak tegen de grens met Pruisen lag Kerkrade, een behoorlijk grote plaats die tot het diocees Roermond behoorde. De burgemeester van Kerkrade, Winand Franssen, was een zeer religieus man en hij koesterde al lange tijd de wens om in zijn gemeente een ziekenhuis te stichten.

In onze orde waren meerdere zusters die in deze omgeving geboren waren en die de heer Franssen kenden. Daarom richtten we ons tot hem om bemiddeling. Ons verzoek om ons in zijn gemeente te mogen vestigen en een huis te mogen kopen vervulde onverwacht zijn innigste wens. Fransen gaf niet alleen zijn toestemming tot vestiging, maar hij bood vanaf dit moment tot aan zijn dood altijd zijn helpende hand en zijn goede raad en bijstand. Ja, hij beschermde ons als een liefhebbende vader.

Nadat de toestemming van de geestelijke en wereldlijke autoriteiten verkregen was, had de generaal overste van Aken, moeder Agnes, in tegenwoordigheid van enkele zusters, nog in het jaar 1875 een huis genaamd Heerenanstel, een oud kasteel, gekocht van de heer Johan Houben in Kerkrade.

Ofschoon het huis groot en ruim was, waren de inrichting en de lokalen toch niet geschikt voor het vestigen van een ziekenhuis en kon het alleen met heel veel aanpassingen voor dit doel gebruikt worden. Omdat hiermee heel veel kosten gemoeid waren en het huis in een zeer bouwvallige toestand verkeerde, werd na ruggenspraak met deskundige personen, door moeder Agnes en haar raadszusters besloten om het oude huis af te breken en op dezelfde plaats een klein ziekenhuis te bouwen.

Gelukkig waren de geestelijkheid, de wereldlijke overheid en ook de inwoners van Kerkrade niet alleen geneigd ons, leden van de congregatie, op te nemen, maar beschouwden zij het als een grote weldaad nu een goed ingericht huis met liefdevolle verpleging in hun midden te hebben. Burgemeester Franssen stelde zich zeer welwillend op en zag graag dat wij in maart al zouden beginnen. Hoewel het kloostertje nog niet zover klaar was en de inrichting slechts langzaam vooruit ging, verzocht hij generaal overste Agnes Lambert om toch nu al enkelen van ons te sturen. Hij bood aan ons in zijn woning te huisvesten totdat de inrichting van het klooster klaar zou zijn.

Er was aanvankelijk ruimte voor achttien personen, twaalf zieken en zes zusters.

Twee van onze zusters waren pas enkele dagen in Kerkrade toen al meerdere zieken door haar verpleegd wilden worden. Daarom bezocht een van beide zusters deze mensen thuis en verzorgde hen zo goed als het kon in hun armoedige woningen. In het ziekenhuis zelf wilden we geen zieken opnemen zolang als dit nog niet gewijd was, maar toen er een zwaar ongeluk gebeurde durfden we de opname van de gewonde niet uit te stellen. De arme verongelukte had een schotwond aan een been en dit been moest geamputeerd worden. De gewonde kon reeds na vijf weken met behulp van krukken in de kapel het misoffer bijwonen.

Direct na de inwijding van het huis kwamen meerdere patiënten. Zo bijvoorbeeld een man van in de 60, met zijn vrouw die ziekelijk was. Zij hadden de wens om in het kloostertje een stil en teruggetrokken leven te mogen leiden tot hun levenseinde. Zij werden liefdevol opgenomen en schonken bij aankomst een klein vermogen. Dit geld werd dankbaar in ontvangst genomen voor bouw en inrichting van het huis. Mevrouw overleed reeds na enkele maanden. Haar man daarentegen verbleef nog zeven jaren bij ons, zeer gelukkig en tevreden.

Tot half juli hadden al zes zieken opvang gevonden. Zo waren drie zusters druk aan het werk en omdat er steeds meer werk bij kwam, werd hun taak al gauw verlicht door de komst van nog twee zusters. De kleine congregatie bestond nu uit vijf leden.

Wij vonden dat God voor alles rijkelijk gezorgd had, wat nodig was om hun beroep te kunnen uitoefenen en nu had de congregatie en het moederhuis in Aken, evenals de in Pruisen liggende filialen, een asiel in het buitenland voor het geval van opheffing.

Wat de verpleging van de zieken betrof, waren wij onafhankelijk van de gemeente, omdat het huis eigendom was van het moederhuis in Aken en wij niet afhankelijk waren van vreemde ondersteuning.

De opname van patiënten hing alleen af van de beslissing van de overste. Zij kon inwoners evenals vreemden opnemen, uitgezonderd diegenen met besmettelijke ziektes, omdat de opname en verpleging van dergelijke patiënten naar voorschrift van de wet in speciaal daarvoor ingerichte ziekenhuizen moest gebeuren. Als de gemeente enkele arme zieken of ouderdomszwakken in de inrichting wilde plaatsen, dan was dit mogelijk. Er waren voor deze zieken zalen met vijf bedden ingericht.

Toen het klooster bekendheid begon te krijgen, meldden zich van alle kanten zieken en zwakken ter verpleging evenals ouderen die een stil en teruggetrokken leven wensten te leiden.

De naam van het klooster verspreidde zich snel, omdat onze orde wijd en zijd bekend was door zijn grote werkingsveld en zijn lange bestaan. Echter ook omdat men van de frisse lucht hier in het dal van de Anstel genoot, die men in de steden moest ontberen. Tegen het einde van het eerste jaar hadden wij gedurende de zeven maanden van het bestaan van het kleine ziekenhuis in totaal negentien patiënten verpleegd, hetgeen in totaal 986 verpleegdagen betekende.

We wisten ons in de loop der tijd altijd aan te passen aan de veranderingen die vanwege de tijdgeest noodzakelijk waren. Zo was het Stift in de loop der tijd in gebruik als ziekenhuis, bejaardenhuis, herstellingsoord, vakantieoord, opvang voor mijnscholieren en gemeenteambtenaren, kleuterschool en als dependance van de Hamboskliniek.

Bron:  Jo Ploum en Patrick Leukel, Kroniek van het Sint Elisabeth Stift 

Moederhuis Aken

Het moederhuis van het Kerkraadse Sint Elisabeth Stift is gevestigd te Aken. In de Tweede Wereldoorlog en werd dit huis zeer zwaar getroffen door de machtsovername van het Nationaal Socialistische Regime. Wij werden uit onze kloosters of de ziekenhuizen waar wij werkten verdreven, onze bezittingen werden onteigend of door de aanhoudende bombardementen vernield. Hierdoor bleef ons vaak niets anders over dan bij andere orden of familie een veilig onderkomen te zoeken en raakten wij verspreid door geheel Duitsland. Overal waar wij een onderkomen vonden zetten wij ons in voor de ouderen, zieken en gewonden.

In de nacht van 11 april 1944 begon het tot dan toe ergste bombardement op Aken. Ook in de omgeving van Aken werd groot alarm gegeven. Onze zusters van het ziekenhuis in Düren zaten met hun patiënten in de kelder en hoorden via de radio dat Aken werd gebombardeerd. Ook onze zusters van Kerkrade, Bloemendal en Eupen zaten in de kelder. Ook in deze plaatsen loeiden de sirenes. Wij zagen de reusachtige vuurgloed aan de hemel. Velen hoorden ook de ontploffingen. Wij baden voor allen, die bij dit bombardement hun leven verloren.

Om 08.00 uur ’s morgens kwam er een telefoongesprek aan in het ziekenhuis in Düren voor overste Klothilde. De leider van een bergings- en reddingsgroep deed haar de mededeling dat het moederhuis aan de Pontstrasse 49 zwaar getroffen was en dat er meerdere doden waren gevallen, waaronder onze overste en een aantal zusters. Hij vroeg zuster Klothilde zo snel mogelijk naar Aken te komen. Dit vreselijke bericht ging als een lopend vuurtje door het gehele huis en bereikte ook snel via telefoongesprekken de zusters van de overige huizen.

Zuster Klothilde ging met een zuster naar Aken, maar ze kwamen slechts tot Eilendorf, omdat vanaf hier de spoorrails vernield waren. Hun bleef niets anders over dan met de eerstvolgende trein naar Düren terug te reizen. De volgende dag hoorde zuster Klothilde dat men vanaf Eilendorf met een bus verder kon rijden naar Aken. Onmiddellijk vertrokken zij weer richting Aken en kwamen hier nu goed aan. Zij kregen een treurig beeld van de stad. Net zo pijnlijk was de aanblik van het vernielde moederhuis met de voor de puinhopen staande doodskisten van de slachtoffers. Vanuit de diverse filialen waren zusters gekomen en de overlevende zusters van het moederhuis waren bezig met opruimen.

Bron: Jo Ploum en Patrick Leukel, Aken Herfst 1944

Bloemendal

Door het leger, onder leiding van Oberfeldarzt Capellmann, chefarts van het reserve veldlazaret Aken, waren in Eupen en Vaals, Bloemendal, deellazaretten ingericht. 

Het deellazaret Bloemendal in Vaals, waar de meeste zusters uit het lazaret Aken terecht kwamen, was een klooster van de Sacré Coeur zusters, een onderwijsinstelling en internaat. 

Door het niet erkennen van het eindexamen gymnasium in het Derde Rijk, was het aantal aanmeldingen teruggelopen en door de Duitse bezetting van Nederland volledig lamgelegd. 

Op initiatief van Oberfeldartz Capellmann kon Bloemendal als lazaret ingericht worden en bleef op deze manier behouden voor de zusters. In de jaren 1941 tot 1944 groeide het lazaret uit tot meer dan 500 bedden. Het was het enige lazaret in Nederland dat direct van het front komende gewonden opnam.

Er heerste in het lazaret ondanks veel werk een zeer goede atmosfeer, die ten dele ook te danken was aan de chefarts van het hele lazaret in Aken, de heer Capellmann. 

Wij werden bestuurd door de Partij en omdat het huis later geheel eigendom zou worden van het Derde Rijk, werd er veel geïnvesteerd bijvoorbeeld in een luidsprekerinstallatie in het gehele huis. Zo konden door de microfoons alle bevelen en dergelijke – zoals bij luchtalarm – direct doorgegeven worden. Bij luchtalarm, dat op de meeste soldaten niet die uitwerking had als op ons, moesten vaak energieke bevelen gegeven worden, omdat iedereen zich naar de eigenlijk niet toereikende schuilkelder moest begeven. Enkele keren vielen bommen op het huis en het terrein. Er was ook brand, maar grote schade werd niet aangericht. 

De religieuze atmosfeer van het klooster, alleen al in uiterlijk, dank zij grote schilderijen en meer dan levensgrote marmeren beelden van heiligen en kruisen, had ook invloed op allen die in dit huis werkten of verpleegd werden, zoals gewonden en zieken. Als ziekenzaal dienden meestal de grote klaslokalen en eetzalen, die met zulke beelden uitgerust waren. Behalve dat veel ruimtes, bijvoorbeeld de toiletten, omgebouwd en uitgebreid werden, waren er ook veel reparaties noodzakelijk vanwege het jarenlange leegstaan en het geldgebrek van de zusters. Er waren ook ruimtes, die voldeden aan de eisen van het lazaret, bijvoorbeeld de genoemde klaslokalen, eetzalen, de keukeninstallaties, de wasserij en de grote badinrichting. Deze laatste was bijzonder waardevol als er een lazarettrein aankwam, omdat alle gewonden, als hun toestand het toeliet, allereerst ontluisd moesten worden. Omdat onze zusters de hele huishouding in handen hadden, moesten zij er ook voor zorgen dat de hoeveelheid wasgoed en dergelijke in stand gehouden werd. Dit werd door regelmatige controle vastgesteld. 

Als we over Bloemendal spreken, mogen we ook de prachtige tuin en het park, Bethanië, het Zwarte Woud en vooral de zwanenvijver niet vergeten. Alles konden we benutten. We hebben voor veel vreugde gezorgd, vooral als we een feest hadden, b.v. St. Elisabeth. Dan waren de tafels in ons kleine refectorium bijzonder mooi gedekt en met bloemen versierd. Het was mooi samenwerken. We moesten ons toch ook veel aanpassen, maar men merkte niet, hoeveel offers wij werkelijk brachten. Ook de soldaten voelden zich thuis in Bloemendal. En als iemand ies misdaan had, dan was hij blij, als hij zijn straf in Bloemendal mocht uitzitten, want daar zorgden wij ervoor, dat zijn straf hem niet te zwaar viel. 

Zo naderde het jaar 1944. Altijd donkerder wolken pakten zich samen boven de Duitse oorlogsfronten. Na de invasie van de Amerikaanse troepen in Frankrijk werden de bange verwachtingen steeds groter. Reeds in juli en augustus werd bekend dat de Amerikanen via België en Nederland optrokken naar de Duitse grenzen. Steeds vaker konden we Duitse soldaten zien, die individueel op fietsen en zelfs met pantservoertuigen op de vlucht waren, maar ook in karavanen. 

Er werd overlegd om het lazaret naar Aken te verplaatsen. De gewonden en zieken werden geleidelijk afgevoerd. Een bunker in Aken, de Saarbunker bij Ponttor, zou als lazaret ingericht en als opnamebunker gereed gemaakt worden. Daartoe werden vanuit Bloemendal zusters en personeel gestuurd voor het reinigen en desinfecteren van deze bunker, die evenals alle andere bunkers in Aken, tot nu toe door de bevolking gebruikt werd.

Bron: Jo Ploum en Patrick Leukel, Elisabethinnen in de Tweede Wereldoorlog

Eupen

Op 24 september ging een aantal zusters al naar Eupen, enkelen zouden 1 oktober naar Bloemendal gaan. Omdat er nog geen vervanging beschikbaar was voor de naar Bloemendal vertrekkende zusters, moesten dezen nog tot 15 oktober blijven. Een in het hoofdziekenhuis werkzame zuster moest nog tot 18 november blijven omdat er nog geen aflossing voor haar opgeleid was. Twee zusters uit het infectiepaviljoen bleven nog tot 8 december, omdat het moeilijk was om voor deze afdeling nationaalsocialistische zusters te krijgen.

Wij waren al enkele jaren pesterijen en dergelijke van de kant van het nationaalsocialistisch ingesteld personeel gewend, maar deze werden steeds onaangenamer. Er waren telkens controles en verdachtmakingen. Men controleerde ons bij het verlaten van het huis, bijvoorbeeld om naar het moederhuis te gaan. Men controleerde auto’s waarin wij zaten, totdat chefarts Capellmann de controle van de auto’s, die ons naar het deellazaret Eupen brachten verbood. Ook werd bijvoorbeeld de afdelingszusters verboden om bij hun vertrek dingen mee te nemen, die hun persoonlijk geschonken waren en die zij ter verfraaiing van hun afdeling gebruiken wilden.

Bron: ►Jo Ploum en Patrick Leukel, Elisabethinnen in de Tweede Wereldoorlog

Jo Ploum en Patrick Leukel

Kriegskrankenpflege

Im Jahre 1875 ließen die Schwestern Elisabethinnen sich nieder in Kerkrade, da sie wegen des Kulturkampfes, der sich zu dieser Zeit in Deutschland vollzog, nach einem sicheren Hafen auf der Suche waren. Auf Antrag des Bürgermeisters Franssen, gründeten sie das erste Krankenhaus von Kerkrade und machten sie einen Anfang mit der ambulanten Pflege zu Hause. Die Schwestern passten sich im Laufe der Zeit an den Änderungen, die aufgrund der Zeitgeist notwendig waren, an. So wurde der Stift unter anderem als Krankenhaus, Pflegeheim, Erholungsheim, Kindergarten und Klinik genutzt. Alle wichtigen Veranstaltungen in und um das Kloster wurden von Anfang an von den Schwestern in einem Chronik dokumentiert.

Ein Auszug aus der Chronik:

1875 Die Zeitverhältnisse und Ursache im Auslande ein Haus zu kaufen.

Es war im Jahre 1870 als Preußen mit Frankrecih ganz unerwartet in einen Krieg verwickelt wurde. Der hochwürdigste Herr Erzbischoff von Köln Paulus Melchers welcher Armen-Bischof war, ersuchte die Ordensgenossenschaften, welche sich der Krankenpflege widmeten, um Schwestern zur Pflege der verwundeten Soldaten.

Im Laufe des Monats August, in welchem der Krieg gegen Frankreich begonnen, reisten auch einige von unseren Schwestern nach Saarbrücken ab. Es waren die Schwestern Antonia Jacobs, Dominica Lièvre, Michaela Reul, Anastasia Pick, Margaretha (...), Mechtildis Vreusgens und später auch noch die Schw(ester) Thekla Immelen. Alle waren dort mit der Pflege der verwundeten Krieger tätig und erhielten nach dem Frieden als Zeichen des Dankes und der Anerkenung von seiner Majestät dem König von Preussen, Wilhelm I, das eiserne Kreuz.

Als nun im Jahre 1871 König Wilhelm van Preussen über Kaiser Napoleon III von Frankreich den Sieg errungen, ward wieder Frieden im Lande.

In Folge dieses ruhmvollen Sieges, wurde König Wilhelm von den Deutschen Monarchen zum Deutschen Kaiser ernannt.

Leider hatten dieser große Sieg und die Ernennung als Kaiser traurige Folgen fur die katholischen Unterthanen, denn er selbst war Protestant. Es entbrannte nun ein neuer Krieg im Lande selbst, zwar nicht mit Waffen, aber tief verwundent für die Katholiken des preußischen Staates. Ein heftiger Kulturkampf trat ein, Gesetze kamen in Kraft wodurch harte und schwere Strafen auf die hochwürdige Geistlichtkeit kamen. Da die neuen Gesetze fast gänzlich die Freiheit der kirchlichen Funktionen benahmen, konnte der Klerus nicht nach den selben handeln ohne den Glauben zu verleugnen. Die hochwürdigste Geistlichkeit, treu und fest im katholischen Glauben, wollte lieber jede Strafe erdulden als im geringsten von den kirchlichen Vorschriften abzuweichen.

Sie bezahlten schwere Geldbüssen so lange sie konnten, ließen sich alle pfänden und fortnehmen. Wenn dann die Regierung noch nicht befriedigt war, wurden die andere Strafen in Gefängnissen abgebüßt.

So wanderten viele der hochw(ürdigen) Herren in die Gefängnisse und rechneten es sich zur Ehren um des Namens Jesu willen Schmach zu leiden.

Selbst die hochwürdigsten Herrn Bischöfe blieben nicht verschont. Zwei Jahre Gefängnisstrafe erhielt der Bischoff van Posen, Genessen, ihm folgte der Bischoff von Paderborn und Münster. Auch unser hochwürdigste Herr Erzbischoff von Köln, Paulus Melchers, mußte sechs Monate im Gefängnisse zubringen. Um einer zweiten Haft zu entgehen und nicht des landes verwiesen zu werden, suchten die so hart bedrangten Oberhirten Sicherkeit im Auslande. Mehrere weilten längere Zeit ungekannt in Zivil gekleidet in Holland.

Die religiösen katholischen Orden und Genossenschaften wurden ebenfals schwer getroffen. Sie mußten nach und nach das Land verlassen und sich eine neue Heimat suchen. Mit den hochwürdigen Herrn Patres Jesuiten wurde der Anfang gemacht. In den folgenden Jahren ging man weiter: Redemptoristen, Lazaristen, Franziskaner, Kapuziner, u.s.w., bis alle männliche Orden aus Preußen fort waren. Dann ging die Regierung zu den Frauenklöster über. Wieder ein neues Gesetz wurden den anderen beigefügt, welches bestimmte daß alle religiösen Orden und Genossenschaften von dem Preußischen Gebiete zu entfernen seien, ausgenomen die welche sich mit der Krankenpflege befaßten. Letztere - so hieß es in diesem Gesetze - können jedoch durch Kaiserliche Verordnung zu jederzeit aufgehoben werden.

Diese Unsicherheit machte es ratsam oder vielmehr notwendig für den Fall daß eine solche Verordnung erlassen werde, ein Haus im Ausland zu kaufen, damit für die Mitglieder unsere Genossenschaft doch im Notfalle ein Obdach vorhanden sei.

Außerdem war es auch noch notwendig, weil ohne Erlaubnis der Regiering keine neue Mitglieder im Orden aufgenommen werden durften.

Da jedoch in gegenwartiger Zeit diese Erlaubnis viele Schwierigkeiten mit sich brachte, so war es vorzuziehen die Postulantinnen im Auslande einzukleiden, welches wir schon einmal in einem Ursulinenkloster in Belgien getan hatten.



https://sites.google.com/view/memealog 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse