Onderliggend mechanisme

Een kind met nefrotisch syndroom kan zwellingen vertonen (ter hoogte van de benen, soms ook van de handen en het gezicht en oogleden). Het kind zal ook minder plassen en een gewichtstoename vertonen.

Urinestaal: Het eiwitgehalte in de urine wordt gemeten en de urine wordt onder de microscoop onderzocht. Albustix (dipsticks die in een urinestaaltje gehouden dienen te worden en verkleuren bij aanwezigheid van eiwit) kunnen een ruwe schatting geven van de hoeveelheid eiwit in de urine.

24-uurs urine collectie: Gedurende 24 uur wordt alle urine verzameld. Zo kan er berekend worden hoeveel eiwit er verloren gaat in de urine gedurende 24 uur. Van nefrotisch syndroom kan pas gesproken worden indien er meer dan 3,5 gram eiwitverlies per 24 uur is.

Bloedstaal: Op een bloedstaal kan hypo-albuminemie (eiwittekort in het bloed) en hyperlipidemie (te hoog vetgehalte in het bloed) vastgesteld worden en kan de nierfunctie bepaald worden.

Nierbiopsie: Een nierbiopsie bestaat uit het wegnemen met een naald van een zeer klein stukje van de nier. Dit stukje wordt onder de microscoop onderzocht. Zo kan bepaald worden om welke vorm van nefrotisch syndroom het gaat (minimal change nefropathie of focale segmentale glomerulosclerose). Het nemen van een nierbiopsie is bij kinderen in de meeste gevallen niet nodig. Kinderen met een nefrotisch syndroom worden in eerste instantie behandeld met corticosteroïden. Pas als deze behandeling niet aanslaat, wordt een nierbiopsie gedaan om te weten om welke vorm van nefrotisch syndroom het gaat.