monnik van hart; thuis monnik zijn; klooster; online cursus meditatie en contemplatie; hoofd naar hart; christelijke meditatie online, contemplatie;
Geschreven voor het boekje Stil... uitgegeven door Dabar, 2013
Stilte in de stad
door Antoinette van Gurp
“In de stilte spreekt God” Meister Eckhart
Op het Begijnhof, midden in de stad, probeer ik stil te leven als een zogenaamde stadsmonnik. Ik noem het stads-monnik -de mannelijke vorm-, omdat de vrouwelijke vorm ‘moniale’ niet door iedereen begrepen wordt, en ik heb het zelf ook nooit aangenomen, toen ik in het klooster was zei ik: ‘zuster’.
Stadsmonnik is een naam die geeft richting aan mijn leven: leven als monnik midden tussen de mensen in de wereld. Het is meer een wijze van zijn, dan iemand zijn, het is geen rol spelen. Uiterlijk stelt het niet veel voor om stadsmonnik te zijn, ik ben net als iedereen. Niemand merkt aan de buitenkant dat ik een religieus leven leid.
Ik leef in stilte en zoek de innerlijke stilte. Er wordt ook wel eens over gesproken als zijn in de innerlijke cel, de innerlijke plaats in de ziel waar het stil is en waar je in contact bent met God. Het is geen benauwd klein celletje in ons maar een onbegrensde innerlijke ruimte. Door contact te maken met de stilte in mijn hart, kom ik steeds terug bij mijn ziel, daarbij probeer ik open te staan voor de stille goddelijke aanwezigheid, en mijn hoop is dat dit ook doorwerkt op anderen.
Concreet, als inoefening, houdt het o.a. in dat ik me dagelijks aan de gebeds- en meditatietijden houd, zoals in een klooster. Als ik genoeg tijd heb, doe ik vier getijden op een dag: ochtend, middag, namiddag en dagafsluiting. Daarvoor gebruik ik een getijdenboek. En ’s ochtends en ’s avonds houd ik daarnaast een stilte meditatie. Een paar keer in de week doe ik getijden en of stilte samen met een groep. Deze gebedstijden ordenen de dag en helpen me om mijn leven af te stemmen op mijn diepste verlangen: God. Ook probeer ik een aantal keren per week een mis bij te wonen.
Elke week houd ik een stille dag, met extra aandacht voor God, in het bijzonder voor mijn relatie met Christus. Helaas gaat die ene dag in drukke tijden toch weer op aan werk, daarom verdeel ik die dag vaak over drie dagdelen in een week. Maar het verlangen naar zo’n stille dag is groot, om daardoor geestelijk in de diepte te komen. Het is voor mij onmogelijk om de hele dag op God gericht te blijven, daarvoor heb je de hulp van die vaste tijden voor gebed en meditatie nodig, het is als een afspraak met je Geliefde. Maar vooral de hulp van God is nodig, om door Hem in de stilte gehouden te worden. In de stilte zijn is niet perse zwijgen, je kunt ook praten vanuit de stilte, als je eenmaal op die Bron bent aangesloten.
Hoewel ik meer van de natuur hou en liever buiten woon, heb ik toch het idee hier te moeten zijn, midden in het lawaai en de drukte van de stad. Het Begijnhof is een oase van stilte, zeggen alle bezoekers. Maar ze vergeten dat de huizen op het Begijnhof maar met één kant naar de stilte zijn gericht, de andere kant van het huis - met enkel glas, omdat het een monument is- komt uit in de drukke stad. De stad is dag en nacht voelbaar en hoorbaar aanwezig.
In stilte mediteren als een groep staat te praten of schreeuwen in de straat onder mijn raam, is een grote beproeving. Dan moet ik bidden om hulp van God, om me niet te ergeren, om de stilte in me te mogen vinden, en dat God mij naar binnentrekt zodat ik bij Hem kan blijven.
Af en toe wordt die stad me ook teveel, de drukte van al die mensen, het gebrek aan natuur. Maar ik weet dat er ook op het platteland er lawaai kan zijn van machines, kraaiende hanen, lawaaierige buren, autowegen, grote groepen kraaien die in de buurt wonen.
Mijn ideaal zou een stilteplek in de stad zijn, waar de hele dag door mensen mediteren, waar deze mensen alleen komen voor de stilte en je zo elkaar helpt om in die stilte te zijn in de stad.
In een abdij of klooster kun je meegenomen worden in de stilte van de anderen. Uiterlijke stilte kan je wel helpen, maar het gaat niet om doodse stilte om je heen, maar om een volle innerlijke stilte. Mijn ervaring is dat de meeste kloosters helemaal niet stil zijn. Men is druk, er wordt gepraat, ook zonder woorden, ook dat kan je aangrijpen, kwetsen of een hele rits gedachten oproepen. Je mede-religieuzen blijven mensen en jij ook, met al de menselijke onhebbelijkheden, net als in een familie. Als je de stilte zoekt, kun je het beste te gast blijven in een klooster. Natuurlijk kan de gezamenlijke gerichtheid op God in een gemeenschap je helpen om te bidden, maar dat is niet noodzakelijk zo.
De term stadsmonnik heb ik niet zelf bedacht, dit is mijn geschiedenis ermee. Rond mijn 37e levensjaar raakte het me diep toen ik hoorde over de woestijnmonniken, hoe zij in stilte in aparte grotten leefden welke met elkaar verbonden waren met paden, de zg laura’s en samen overlegden over wat Gods wil was in elke situatie die ze tegenkwamen. Zoiets moest toch ook in deze tijd kunnen en in de stad. In een vorm waarin ieder op zichzelf leeft en met elkaar verbonden is en ervaringen deelt. Maar behalve door meditatie en gebed, had ik niet zo’n idee hoe het concreet vorm te geven. De stadsmonniken in Parijs spraken me aan, maar ik wist niet of ik echt in een klooster kon leven, of ik wel gehoorzaam kon zijn, hoewel er wel een verlangen was om helemaal te kiezen voor God.
Uiteindelijk na lang aarzelen, nam ik de stap en begon ik op mijn 45e als ‘stadsmonnik’ in de bossen van midden Frankrijk in een kluizenaarsgemeenschap ‘Magdala’ geheten, van de stadsmonniken: de Fraternité Monastique de Jérusalem. Het was tevens een retraiteplek voor de stadsmonniken van dezelfde communiteit uit Parijs, Vezelay en andere plaatsen. Ik hou erg van de natuur en stilte, dus ik vond het helemaal niet erg dat ik daar geplaatst werd -omdat ik ouder was dan de anderen die begonnen, moest ik daar beginnen-. Maar na een paar maanden voelde ik me zo van de wereld afgesneden, zo weggestopt in de bossen, dat ik iets wezenlijks miste, namelijk gewone mensen en situaties in de wereld. Er was daar wel een krant, maar wat er in stond zei me steeds minder, het had niet meer zoveel met mijn leven te maken, ik kon me steeds moeilijker verplaatsen in waar de doorsnee mens zich mee bezighield. Het gemis van de wereld met ‘gewone’ mensen werd steeds erger. Het was niet eens het directe contact met gewone mensen.
Ik wilde voelen, en ervaren wat er in de wereld speelde, zodat ik de wereld mee kon nemen in mijn gebed. Dat was ook een van de redenen dat ik na een half jaar naar de stadsmonniken in Parijs mocht overstappen.
Parijs ervoer ik als geweldig. Hoewel ik veelal om en in het klooster aanwezig was en niet veel van Parijs kon zien, voelde ik me daar als een vis in het water. Ik was een van de velen, anoniem, dat vond ik prettig. Ik was deel van een gemeenschap en had mijn eigen verborgen en intieme relatie met God. Het ging niet om mij, we deden het samen. Ik was een steentje in het bouwwerk. Ik vond het mooi om samen een oase van stilte en gebed in een stad te vormen; en dat mensen geraakt werden door de stilte en liturgie. De viering in de kerk was prachtig en de kerk zat meestal vol bij de mis, maar ook bij de getijden en stiltetijden waren er aardig wat aanwezigen. Alle vieringen in de kerken zijn namelijk open voor iedereen, ook voor toevallige passanten, velen bleven er staan en werden geraakt. Het voelde als een samen vieren in vreugde, een gedragen zijn, een gemeenschap staande voor God.
Na mijn inkleding werd ik naar Brussel gezonden. Hoewel ik tegen het habijt op zag, voelde dit van het begin af als natuurlijk en prettig. Zichtbaar voor het religieus leven kiezen vond ik een mooi gebaar. Iemand noemde het habijt een ‘draagbaar klooster’. En de gebedsmantel vormde een stiltemuur om je heen. De presentie in de stad, de mooie liturgie, het gezamenlijke gebed en stilte meditatie en het dragen van de gemeenschap maakten ons tot stadsmonnik.
Na drie jaar Brussel ben ik gestopt, het was te zwaar voor mij. Ik was voortdurend in de weer met allerlei taken die ik had, er was weinig stilte en tijd voor mezelf, het ritme lag voor mij te hoog. Ik snakte ernaar om alleen in de stilte te kunnen zijn, om op adem te komen. Behalve de ene woestijndag (stille dag in de week) ging het alsmaar door. Het was alsof ik voortdurend op mijn werk was, van half zes ’s morgens tot tien uur ’s avonds. Aangezien het een actieve en contemplatieve orde was, werkten we halve dagen in de stad, en voor de rest werkten we in stilte in huis. Naast de vier uren in de kerk, waren er lessen over het kloosterleven, zangles, kapittel, noem maar op. Daarnaast waren de huishoudelijke taken verdeeld, ik had bijvoorbeeld als taak om voor iedereen de was te doen, te strijken, te kopiëren, voor de bibliotheek te zorgen, naast de halve dagen buitenhuis werken op kantoor van een uitgeverij. Ik kon niet meer in de diepte in mezelf komen en kon de innerlijke stilte niet meer vinden, daarom kon ik de taken ook niet vanuit een innerlijke stilte uitvoeren, zoals de bedoeling was.
De stap om het kloosterleven los te laten was groot, ik had niet gevonden wat ik zocht. Ik was er jaren naar toe gegroeid. Hoe nu verder?
De woorden van overgave die ik op een gegeven moment bad: ‘uw wil geschiede’, ervoer ik als een vallen in Gods hand, alsof ik heel diep viel en opgevangen werd. Vanaf dat moment is mijn vertrouwen in en overgave aan God sterk gegroeid. Ik keerde me bij alles tot God om me de weg te wijzen, waar Hij mij wilde. Toen ik bij toeval in Amsterdam terechtkwam en na een jaar op het Begijnhof ging wonen, leek het helemaal te kloppen: een stille plek in het hart van de stad. Op het Begijnhof woont een ieder in haar eigen huisje en leeft haar eigen leven.
Toen ik eindelijk weer alleen woonde, was de stilte er niet vanzelfsprekend. Dat viel me tegen: ik dacht dat het drukke leven en de gemeenschap me hinderden om dieper in mezelf te keren en de stilte te vinden. Bij de stilte kom je niet door de gedachten en gevoelens weg te duwen, maar door onder je gedachten en gevoelens te komen, op een diepere innerlijke laag. Daar is het stil. Je wordt in deze stilte van jezelf bevrijd. Daar in de stilte is het goed, daar ben je heel, daar ben je verbonden met de goddelijke werkelijkheid. Bij lawaai heb je de neiging om je te verharden, je er tegen te wapenen, de weg naar de stilte vraagt je echter om te verzachten en je te openen.
In de stilte ben je niet meer met jezelf bezig. Stilte haalt je uit jezelf, van je ego vandaan, in een openheid, een open ruimte, waar je alleen maar bent in Gods tegenwoordigheid. Stilte vraagt om oefening en volharding om steeds weer tot je ziel en God terugkomen en er niet voortdurend van alles tussen laten komen, maar dit aan God aanbieden.
Je kunt er alles voor doen, maar de echt diepe stilte kun je niet maken, het is een genade. Ik heb eens voor een langere tijd mogen meemaken dat de bron van stilte voortdurend open was. Het maakte niet uit wat er gebeurde, de diepe stilte was er voortdurend. Toch ben ik het weer kwijt geraakt. Dit gegrepen worden, opgenomen zijn in de heerlijke stilte is me nooit meer gedurende zo’n lange tijd overkomen. Maar ook de kortere momenten van even in die stilte te mogen zijn, is kostbaar, in die diepe stilte voel ik me heel dichtbij God, en verbonden.
We zijn niet zomaar stil, we zijn ook stil om God te ontmoeten en horen. Als je in stilte met God verbonden bent, krijgt alles wat je doet een glans. Er komt een soort blijdschap, vreugde en intensiteit. Dit komt niet uit ons kleine persoontje. Wij kunnen niets maken. Alleen maar oefenen door op de stilte en God gericht te zijn. Zolang je met jezelf bezig bent, is er geen ruimte voor het andere, de ander/ de Ander. Het hoort ook bij de geestelijke weg om niet op je eigen genoegens gericht te zijn, maar om vanuit de verbondenheid met God te leren aanvaarden wat je gegeven wordt.
Ook heb ik geleerd dat beproevingen bij uitstek mogelijkheden zijn om iets belangrijks te leren. Het is een hele strijd om contact met de innerlijke stilte te houden, maar door te oefenen met stilte in het lawaai, word je sterk. Juist door de onrust van de stad en het leven, is er rust, stilte en inkeer nodig om je hart te kunnen openen en om iets van God in de diepte van je hart te kunnen ervaren. Ik zie de stad als een mogelijkheid om te sterken in de stilte. Ik vond het lawaai vreselijk in het begin, maar merk nu dat de stad me ook helpt om bij de innerlijke stilte te blijven, door daarvoor steeds te moeten kiezen. Natuurlijk heb ik het liever stil om me heen, en dat ik er zelf voor kan kiezen om de drukte in te gaan.
Niet vanzelfsprekend werken de beproevingen van een stad stilteversterkend. Je hebt bij uitstek de hulp van God nodig. Als je je te veel richt op de stad en de mogelijkheden, zal er niets van komen. Het stiltespoor is als pad naast de snelweg. Als je je aandacht op het pad houdt, kun je genieten van de schoonheid van bloemen en bomen. Misschien dat degenen op de snelweg je zien lopen en denken, dat wil ik ook. Richt je al je aandacht op de snelweg, dan zal ook dat mooie pad een verschrikking worden, dat houdt een mens niet lang vol. Stilte is van levensbelang.
Ook hebben we nog onze onrustige geest, die iets wil hebben wat hem bezighoudt, maar iets wat de stilte niet in de weg staat. Daarbij wordt het Jezusgebed: “Heer Jezus Christus, ontferm u over mij” vaak gebruikt. Het doel ervan is alertheid en gerichtheid. Het gebed helpt om ons tot God te richten en alle andere gedachten te laten voor wat ze zijn. Herhaal het gebed met steeds langere tussenposes tot het stil wordt. Het komt uit de christelijke stilte meditatie zoals ik dat van Daniel van Egmond (godsdienstfilosoof en meditatieleraar) leerde, deze vorm hielp me enorm om bij de ervaring van het geloof te komen en te groeien in de relatie met God.
Gaandeweg heb ik gemerkt dat ik van binnenuit verander in mijn omgang met anderen, met de omgeving, met de stad. Met Gods hulp laat ik me minder snel met irritatie meeslepen en blijf ik rustig in de chaos.
Ik ben graag alleen en ook graag onder mensen. Dat evenwicht heb ik nodig. Als ik voortdurend tussen de mensen ben, gaat dat ten koste van mijn relatie met God, ook al ben ik me dan wel regelmatig bewust van Gods aanwezigheid, toch is het nodig om er speciaal voor Hem te zijn. Ook ben ik niet in staat voortdurend op mijn meditatieplaats te blijven. Het gaat me erom een brug te worden: God in de wereld brengen en de wereld bij God.
Als ik door de mensenmassa in de straten van het centrum loop, probeer ik met mijn aandacht bij mijn lichaam, bij mijn hart en innerlijke stilte te blijven. Ook probeer ik een glimlach te geven als ik ogen ontmoet zodat de wereld niet anoniem aan mij voorbijgaat. Ik heb gemerkt dat die glimlach er vaak vanzelf al is, als ik vanuit mijn hart aanwezig ben, dat merk ik als anderen naar mij glimlachen. Met mijn aandacht bij mijn hartcentrum blijven is voor mij het op God gericht blijven, daardoor kan ik bij de liefde blijven en open staan voor mensen.
Stilte in de stad vraagt om een tegenbeweging, tegen de stroom in. Regelmatig overvalt me wel de twijfel of ik hier wel moet zijn of ik niet moet verhuizen naar een stillere plek. Heeft dit wel zin om stil te zijn in een stad? Ik zie er amper resultaat van. Door weer bij de innerlijke stilte te komen, bij mezelf en bij God, in het diepe hart waar de stilte altijd is, weet ik weer dat het goed is, waar ik me ook bevind. Ik geef me aan God over en God zal zorgen voor de rest, en als dat een beweging uit de stad is, is dat wat ik zal volgen.
De training om in stilte te leven in de stad kan je helpen op je geestelijke weg, het is als het slijpen van een harde steen, of het millimeter voor millimeter worden van hoe je eigenlijk was bedoeld door God, dat slijpen gebeurt met de openheid en zachtheid. De dagelijkse stilte meditatie waarin je ruimte maakt voor God, en het gebed, vormen de basis van het innerlijke omvormingsproces, dat je ondergaat op de geestelijke weg, en het neemt je hele tijd van leven in beslag. Je wordt zo meer en meer een instrument voor God.
Antoinette van Gurp is geestelijk begeleidster en geeft o.a. meditatie cursussen. www.antoinettevangurp.nl