De stuwwallen van Ootmarsum en Oldenzaal
Landijsmassa's hebben de stuwwallen in de voorlaatste ijstijd (ongeveer 238.00 tot 126.000 jaar geleden) gevormd.
In een doorbraak tussen de Oldenzaalse en Ootmarsumse stuwwal lag in de laatste ijstijd (ongeveer 12.000 geleden) een smalle "landbrug". Deze vernauwing in de trekroute van de rendieren was bij uitstek geschikt voor de jacht. In het omringende gebied zijn veel archeologische vondsten gedaan zoals vuurstenen werktuigen en kampementen.
Men trok in deze tijd naar lagere gebieden om voedsel te verzamelen, te vissen en te jagen.
Introductie van de landbouw
Rond 4600 voor Chr. zijn er in Noordoost-Nederland aanwijzingen voor veeteelt en later verbouw van gerst en tarwe.
In de bronstijd (2000 tot 800 voor Chr.) dwongen klimaatveranderingen en verdere vernatting van het gebied tot terugtrekking op hogere gronden waar men meer een boerenbestaan leidde.
Er kwam een gemengd landbouwbedrijf, vee werd als trekkracht en mestproducent gebruikt, graanstro diende als stalvulling. Men bleef langer op één plaats wonen.
In de ijzertijd (800 tot 12 voor Chr.) breidde de bewoning zich uit naar de grotere zandruggen in het Dinkeldal. Uit deze tijd dateren de eerste sporen van een planmatig landbouwsysteem (z.g. Celtic fields, akkers in een rasterpatroon (raatakkers). Velden verondersteld men, die in één dag konden worden ontgonnen en bewerkt. De akkers met een oppervlakte van 30 tot 40 meter waren omgeven door lage wallen.
Bron Het landschap van Noordoost-Twente, Harm Smeenge 2020