Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

Mestreechter Geis

Die gekke man. O ja, in de metro. Daar was een gekke man. Wat deed die ook alweer? Praten in zijn droom. In zichzelf. In zichzelf, ja. Gewoonlijk had hij die manier van hardop in zichzelf te praten. Je kon denken dat hij geestelijk niet in orde was, maar wat hij deed, was normaal. Vermoedelijk praten een heleboel mensen in zichzelf, om allerlei redenen. Waarschijnlijk was een mengeling van al die redenen bij hem aan de orde.


Ik ben geboren in de handen van Mari Andriessen uit Haarlem.

In 1962 wordt het 25-jarig jubileum van burgemeester Baron Michiels van Kessenich gevierd. Het volk van Maastricht wil hem graag hiervoor iets schenken. Het jublieumcomité reist hiervoor af naar Haarlem, om een mooi beeld te gaan kopen bij Mari Adriessen.

Daar aangekomen blijkt, dat niet, zoals ze hebben verwacht, daar een hoop beelden staan. Er staat er precies geteld één, en dat is ook nog een harlekijn. Wat nu gedaan? Andriessen komt net terug van een reis naar Italië en is daar onder de indruk geraakt van een voorstelling die hij heeft bezocht van Commedia dell'arte. En geraakt door de voorstelling heeft hij een beeld gemaakt van hoe zo’n speler eruit ziet. Met links een sabel, en rechts in de hand het masker, dat ze aan het einde van de voorstelling afzetten.

Dit is niet wat het comité voor ogen heeft. Maar zegt Andriessen, jullie hoeven het natuurlijk ook niet een harlekijn te noemen, jullie kunnen er ook een eigen naam aan geven. En zo doen ze. Het beeld wordt de Mestreechter Geis gedoopt. Naar een begrip uit de operette Drie Maastrichtenaren naar de Maan, gemaakt door Lou Maas.

Het is pas een gipsen model, ze zullen dat plaatsen en later zal dan het echte beeld vervaardigd worden.

En zo gebeurt het, op 20 Mei 1962 wordt vanuit de markt in een lange stoet naar de graanmarkt getrokken, en daar word ik dan onthuld door voorzitter Léon Schreuder, de Mestreechter geis in al zijn glorie!

Maar wat gebeurt nu? De Maastrichtenaren vinden me helemaal niet mooi, ik ben niet los genoeg, niet Bourgondisch, er zit geen schwoeng in, nee, ze vinden me eigenlijk maar een stijf beeld, iemand waarin ze zich niet kunnen herkennen.

In die tijd wordt, in tegenstelling tot nu, nog wel eens naar de mensen geluisterd, en zo gebeurt het dat Andriessen een nieuwe versie maakt, wel nog gebaseerd op zijn bevindingen uit Italië, maar met alles erop en eraan wat echte Maastrichtenaren raakt, dat gevoel, die glorie en die schwoeng is nu goed door hem getroffen.

En zo komt daarna een nieuwe versie. Een beeld dat een gevoel en een begrip zal worden dat voor de echte Maastrichtenaar als heilig en onmisbaar wordt beschouwd. En terecht!

Zo sta ik daar, zoals Paul Berben het beschrijft, de Mestreechter Geis, een speelse, charmante, zwierige Bourgondiër, een onthullende afbeelding van de gemiddelde Maastrichtenaar.

Je hoeft niet met de lift mee naar de tweede etage toe. Dus dat heeft geen zin. Zo ontzettend ordinair wordt die man tegen mij, dus ik kom daar niet meer. Dus ik er weer uit, hè. En dan zit ik veilig binnen. Heel warm. Morgenochtend zien we dan wel weer. Ik kan van de onderhoudsdienst zijn of zo. Ik kan natuurlijk ook vanavond... is er vanavond wat? Dus ik kan eigenlijk ook het beste vanavond dat doen. Maar daar mag ik ook niet slapen. Heel kinderachtig eigenlijk. Ook zijn eigen kinderen komen daar nauwelijks binnen, hoor. Ik heb een kamer in principe in Keulen, maar dat is heel anders. Het is in principe precies hetzelfde. Als ik wil, dan heb ik in Keulen iedere nacht een bed. Die vrouw die ziet dat anders. Maar wat heb ik daar dan aan eigenlijk? Maar daar heb ik me al mee verzoend. Ze denken allemaal...wat denken ze allemaal? Precies wat ik zeg. Zodra ik eenmaal.... Die lui zijn helemaal niet gek. Mag ik vannacht één nacht bij jou slapen? Dat kan dus niet. Ik kan ze wel per ongeluk een keertje tegenkomen. Het blijft tenslotte toch wel familie. Dus die lijn wil ik helemaal niet kapot maken. Dat is heel pijnlijk eigenlijk, hoor. Dat is eigenlijk heel erg. Ze hebben het zelf gedaan. Ik kan dus doen en laten, waar ik zin in heb. Wat is die  Geis weer idioot bezig, weet je wel. Ik ga natuurlijk geen vriendin versieren om mijn huisvestingsproblemen op te lossen. Ik zou nu weer opnieuw moeten gaan oefenen, als ik dat nog kan. Dan zijn de vaste kosten wat lager. Dat is ook een manier om ertegen aan te kijken. Dan raak je ook niet emotioneel geïnvolveerd. Hij had verwacht, dat je zat te lachen. Soms moet ik wel lachen. Ik heb een afspraak met mevrouw Maij-Weggen via haar man. Dat kan ik niet halen die afspraak, want die trein rijd je zwart. Hij zou vanuit Keulen naar Vlissingen gaan. En dan word ik bij Aken uit de trein geplukt. Die werken echt mee wat dat betreft. Ik rij openlijk zwart, niet stiekem. Ik betaal die dingen ook zelf nog af en toe. Die storten zich als een kluwen op mij. Denk er eens even om. Die hand is niet in orde. Echt waar, hoor! Je loopt gewoon mee. Ik draai onderweg ook nog wel eens een sigaret, als ik even stilsta. Dus ik zal maar weggaan. Een grote is altijd handig. Mag ik mijn sigaret nog oproken? Ik ben even te snel van begrip. Ik ben ook deze week niet op mijn werk. O ja, je huisarts. Is dat achter het Centraal Station? Dan ga je de andere kant op. Links niet, rechts, want rechts ga je naar het station. Is het ver weg? Nee, het is niet ver weg. Misschien wil je wel niet hebben, dat die nu weet, dat ik jou ken. Dan moet ik opbellen. En het telefoonnummer, dat is? En dat is je huisarts. En jouw telefoonnummer dat is?


De Eutropolitaan vult de ruimte onder de grond. Hij heeft de vorm van een slang en is zo lang dat het einde niet zichtbaar is. Hij komt uit Luik en vermoedelijk gaat hij naar Aken. De slang raast voort door zijn enge ruimte, remt af om te stoppen bij een halte. Hier ben ik, fluister ik tegen elke halte die me voor de voeten komt. Wandre, Herstal, hier ben ik, Cheratte, Blegny, Dalhem, hier ben ik, Visé, Eijsden, Maastricht, hier ben ik. Verder gaat de reis. Cadier en Keer, Margraten, Wylre, Voerendaal, Kerkrade. Dan gebeurt iets vreemds. De Eutropolitaan stopt voor een smalle gang, waar mijnwerkers hurken. Een van hen mompelt onafgebroken, maar ik luister er niet naar, omdat ik niet versta wat de mijnwerker zegt. Niettemin klinkt me nu en dan iets bekends in de oren. Dan begin ik te luisteren, en het lijkt alsof de ondergrondse man net op dat ogenblik echt begint te spreken. Denk niet dat we je zomaar hier hebben laten komen, Geis, of wie je ook denkt dat je bent, we willen je iets laten zien. We roepen jou niet zonder reden hier, we willen sommige mensen toch wat van onze levensomstandigheden laten zien. Kijk eens hoe wij hier bezig zijn, wat zouden de mensen denken, als ze gedwongen worden zo’n werk te doen? Probeer maar eens of je zo wil werken, ja, een uur of een paar uur misschien, maar wat zeg je van 30 jaar? Je wordt er ziek van en lijdt net zoals wij aan stoflongen, kortademigheid en droge hoest, koude lucht, droge lucht, vochtige lucht, geen enkele lucht kun je nog verdragen, zwarte ogen, oogsidderen, duizeligheid, kruipknieën, en ga zo maar door. De politici hebben het besluit genomen, het gaat hun niet om ons, maar om de steenkool. De handelaren zien er winst in, de ingenieurs bedenken de machines, de architecten ontwerpen de mijngangen. Onder de grond, kathedralen met hun torens omlaag gericht, de gebouwen en de steenbergen boven de grond, waardoor het groene landschap uit het zicht verdwijnt, de spoorlijnen die de steenkool naar de Maashavens brengen. Zij hebben niets met ons gemeen, wij worden er alleen maar bij gehaald om het werk te doen, wij halen de steenkool uit de grond. We hebben jou geroepen, zodat je onze verworpen toestand ziet. We willen dat je aan anderen overbrengt wat je hier ziet. Door jou zullen duizenden anderen onze boodschap horen.
Ik wil niet meer naar de mijnwerker luisteren, het verhaal wordt me teveel, bovendien komt het me bekend voor. Ik heb het al vaker gehoord. Ik heb er geen behoefte aan nog eens het verhaal over de zielige mijnwerkers te horen. Ik verlaat deze ondergrondse plek en sta onmiddellijk daarna op het aardoppervlak. Daar zie ik de mijnwerker weer. Deze wenkt me vanaf een klein gebouw, dat in een kaal landschap staat. Alsof er geen onderbreking is geweest, vervolgt de mijnwerker zijn verhaal.

Enkele jaren na de sluiting van de mijnen ging een van ons, Martin Herbergs, met zijn zoon naar het mijnterrein van de voormalige Staatsmijn Wilhelmina om zijn zoon te laten zien waar hij meer dan 12 jaar had gewerkt voordat hij overgeplaatst werd naar de Staatsmijn Emma. Er was niets meer te zien. Alles was gesloopt. Alleen de steenberg was er nog. Wandelend in de richting van de steenberg stootte hij op het voormalige lijkenhuisje. Vanaf die dag heeft Martin rondgelopen met het idee dit gebouw te herstellen en er een functie aan te geven. Zo is bij hem het plan gerijpt om er een herdenkingskapel van te maken voor de omgekomen mijnwerkers. In 2002 werd de droom van Martin verwezenlijkt. Met de gedachteniskapel van de voormalige Staatsmijn Wilhelmina willen wij niet alleen de herinnering aan ons, mijnwerkers, levend houden, maar ook inzicht verschaffen in de aard van ons werk en het sociale landschap rondom de mijnen. De gedenkplaten, die je hier ziet, onthullen de namen van alle verongelukte mijnwerkers, zowel ondergronds als bovengronds. Wij kwamen overal vandaan, van hier en van elders, uit het oosten en zuiden van Europa. Hier in de ondergrondse metropool leven de naties broederlijk naast elkaar. Nu, zoveel jaren later, is de herinnering aan die vreemde herkomst verdwenen, alleen onze namen herinneren er nog aan. Ja, en misschien hebben wij ook wel de volksaard veranderd, maar daar weet niemand meer iets van. Zeker is dat het landschap is veranderd. Door ons veranderden de dorpen in kleine steden, die aan elkaar zijn gegroeid en samen een metropool hebben gevormd, zoals hier eerder nooit is gezien.

Ik vond dat de mijnwerker het nu goed had gezegd, hij weersprak een ander verhaal over de volksaard, ingetogen, introvert, voorzichtig en timide, geduldig, gemoedelijk, Bourgondisch, katholiek, hij zei eigenlijk dat dit volk niet zo homogeen was als vaak werd voorgesteld, maar juist divers, doordat het uit zoveel mensen met een verschillende herkomst was voortgekomen, ik wilde graag meer hierover horen, maar de mijnwerker ging niet verder met zijn verhaal.

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse