Luther
Die eeuwenoude theologische discussie van Augustinus tot Erasmus en Luther over het bestaan de vrije wil. Augustinus heeft er drie boeken DE LIBERO ARBITRIO LIBRI TRES over geschreven. Erasmus in DE LIBERO ARBITRIO en Luther in DE SERVO ARBITRIO hebben er een felle woordenstrijd over gevoerd.
Heeft een mens een of twee willen?
680-681 Constantinopel III[bewerken | brontekst bewerken]
Het monotheletisme werd besproken. Het monotheletisme, een afwijkende vorm van het monofysitisme, werd door de paus veroordeeld. Volgens het monotheletisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil: de goddelijke wil. Het concilie stelde daar tegenover dat Jezus Christus zich uit in een eigen wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen.
Assertio omnium articulorum M. Lutheri per Bullam Leonis X. novissimam damnatorum
Onder de citaten uit Luthers werken die in 1520 door de paus werden veroordeeld, bevond zich de verklaring dat de vrije wil iets is dat alleen in naam bestaat. In zijn verdediging van deze uitspraak in Assertio omnium articulorum, gepubliceerd in december 1520, gaat Luther nog een stap verder. Hier verklaart hij niet alleen dat 'vrije wil' een concept is zonder feitelijke verwijzing, hij benadrukt zelfs dat er niemand in de positie is om zelfs maar voor zichzelf te denken, goed of slecht, aangezien alles gebeurt met absolute noodzaak.
Daarom toonde hij zich vooral geschokt door Luthers radicale uitspraak (in de Assertio van 1520) dat de vrije wil een woord is zonder inhoud, sterker nog, dat ‘alles gebeurt met absolute noodzakelijkheid’. Deze formulering was door het concilie van Konstanz (1415) als ketterij van Wycliffe veroordeeld, maar Luther verklaarde bijna provocerend dat hij deze stelling geheel voor zijn rekening kon nemen.
In De servo arbitrio (1525) betoogt Luther dat de goddelijke eigenschappen wil, macht, voorkennis en onveranderlijkheid onverenigbaar zijn met de (menselijke) vrije wil, en dat de vrije wil daarom een ‘naam zonder werkelijkheid’ is.
Erasmus – De libero arbitrio
Desiderii Erasmi Roterodami – De libero arbitrio διατριβή sive cor llatio (1524)
Luthers mening: Gods genade is noodzakelijk voor de mens om goed te kunnen doen en eeuwige verlossing te bereiken. De mening van Erasmus: de mens kan kiezen tussen goed en kwaad, omdat hij over een vrije wil beschikt, die hem daartoe door God is gegeven.
Laten we daarom doen alsof het in zekere zin waar is wat Wyclif leerde, en Luther beweerde, dat alles wat door ons wordt gedaan, niet uit vrije wil wordt gedaan, maar louter uit noodzaak; wat zou nuttelozer kunnen zijn dan deze paradox aan de wereld te publiceren? te
In 1517 spijkerde Martin Luther zijn kritiek op de Rooms-Katholieke Kerk in 95 stellingen op de deur van de slotkerk in Wittenberg. In 1520 volgde de excommunicatie van Luther.
De excommunicatie van Luther betekende het begin van een nieuw kerkgenootschap in het Duitse Rijk op grond van Luthers geschrift Von der Freiheit eines Christenmenschen.
Martin Luther, Tractatus de libertate christiana, 1520
Ein Christenmensch ist ein freier Herr über alle Dinge und niemand untertan. Ein Christenmensch ist ein dienstbarer Knecht aller Dinge und jedermann untertan.
In 1524 schreef Erasmus Diatribe de libero arbitrio (Discussie over de vrije wil), een aanval op de leerstellingen van Luther.
Luther schreef in 1525 De servo arbitrio (Over de onvrije wil), een reactie op het geschrift van Erasmus.
Luthers tekst had veel invloed – niet door hem zelf gewild – op de Duitse Boerenoorlog, omdat de opstandige boeren het begrip vrijheid (door Luther in zuiver theologische zin gebruikt) op hun levenssituatie betrokken en daarom in twaalf artikelen het einde van de lijfeigenschap van hun landheren eisten. Luther nam in 1525 met zijn geschrift ‘Tegen de moordbenden van de boeren’ scherp afstand van deze geweld rechtvaardigende interpretatie van zijn tekst.
Ondanks het strenge vervolgingsklimaat ontwikkelden er zich toch kiemen van protestantisme onder bevolking. De eerste stroming, die vaste grond kreeg in de Nederlanden waren de zgn. ‘wederdopers’.
In de tweede helft van de 16de eeuw laat een derde belangrijke protestantse stroming van zich horen, namelijk het Calvinisme, dat zich echter vanuit het zuiden over de Nederlanden verspreidde.
Er tekende zich vanaf 1600 een tweedeling af in de Nederlanden. Ten noorden van de grote rivieren was het overwegend protestantse deel, dat later de Republiek der Verenigde Nederlanden zou gaan heten, en ten zuiden daarvan het Rooms-Katholieke deel dat onder gezag van de koning bleef.
Na de moord op Willem van Oranje in 1584 leek de opstand stuurloos ten onder te gaan
De situatie in de Nederlanden leek op die van het oude Israël.
Het is zeker dat (West) Europa uit verschillende elementen is samengesteld, Europa uit de vereniging van twee bestanddelen is voortgekomen, Germanië en het Romeinse Rijk en dat dit zo was bleek hieruit dat ze na een korte periode van politieke eenheid ook weer in twee stukken, de Germaanse en de Romaanse wereld uiteenviel. De geschiedenis houdt van zulke restauraties, waarin latere versmeltingen ongedaan worden gemaakt en vroegere scheidingen weer tevoorschijn komen.
Er moet een verband zijn geweest tussen het latere uiteenvallen en de vroegere verdeling. De voormalige Romeinen waren waarschijnlijk geringer in aantal dan de anderen, maar ze waren de cultureel sterkeren; ze hadden meer invloed op de verdere ontwikkeling van het volk, omdat ze een traditie met zich meenamen, die de Germanen ontbrak.
Freud: Het indrukwekkendste voorbeeld van zo’n gang van zaken leverde de Reformatie, toen de grenslijn tussen ooit Romeins geweest zijnde en het onafhankelijk gebleven Germanië na een interval van dan duizend jaar weer tevoorschijn kwam.