Stel, dat onze voorouders hadden gedacht:
De verschillende bewustzijnstoestanden van een mens zijn gelokaliseerd in het brein.
Als iemand verliefd is, dan de kwab van de liefde, als iemand iets koopt of verkoopt , dan de kwab van het handelen, als iemand muziek speelt, dan kwab van de muziek.
Maar onze voorouders waren nog niet in staat om zo te denken.
Ze brachten hersenfuncties (denkhandelingen) niet in verband met de anatomische opbouw van de hersenen (hersenkwabben), maar met onstoffelijke (metafysische) wezens die ze goden noemden.
Toch hadden onze voorouders een vermoeden lichaam als oorsprong van gedachten en gevoelens, ze waren echter niet in staat deze te lokaliseren.
Ze dachten dat de zetel van de ziel (geest) in de borstkas zat. De opvatting dat gevoel en verstand in de borstkas (het hart) vertoefden, heeft lange tijd in de gehele wereld stand gehouden.
Niet iedereen dacht er hetzelfde over.
Plato verkondigde dat intellectuele functies vanuit het hoofd moesten komen, terwijl stemmingstoestanden (emoties) uit het hart kwamen en de lagere lusten door de lever (of de buik) werden veroorzaakt.
(Deze indeling in hoofd, hart en buik is nog steeds een populaire opvatting)
Vanaf de 17e eeuw begon de relatie tussen anatomische opbouw en functie van de hersenen wat duidelijker te worden.
De hedendaagse kennis over functionele neuroanatomie is geworteld in de 18e eeuw
Theorieën over lokalisatie van bepaalde functies in de cortex werden verder ontwikkeld in de 18e eeuw. In het begin van de 19e eeuw werden motorische en sensorische zenuwen door lichaam heen onderscheiden.
Gall aan het einde van de 18e eeuw koppelde psychische functies aan lichamelijke kenmerken. Zijn theorieeën werden onderbouwd door zeer selectieve waarnemingen aan patiënten met discrete hersenletsels. In de eerste helft van de 19e eeuw ontstond er weerstand tegen de frenologie van Gall en werd er sterk getwijfeld aan de lokalisatietheorieën. Ook de Fransman Paul Broca kon zich niet verenigen met een koppeling van mentale functies en corticale gebieden, totdat hij bij een patiënt met een motorische afasie een verweking in de frontale hersenkwab vaststelde. In 1861 beschreef hij in een klassiek artikel dat hier het vermogen tot spreken gelokaliseerd moest zijn. In 1874 stelde Wernicke dat het taalbegrip meer naar achteren in de temporaalkwab gelegen moest zijn en hij onderkende ook al dat spraak- stoornissen niet alleen konden ontstaan ten gevolge van uitval van corticale centra, maar ook door problemen met hun onderlinge verbindingen.
Tegenover de lokalisatietheorieën stond het holisme, waarin men de functie van de hersenschors – of in ieder geval belangrijke gedeelten daarvan – meer als een globaal geheel opvatte. Tot in het midden van de 20e eeuw hebben aanhangers van beide theorieën met elkaar gestreden, totdat de Amerikaanse neuroloog Geschwind en de Russische neuropsycholoog Luria duidelijk maakten dat cognitieve functies en gedrag voortkomen uit relaties tussen verschillende velden in de cortex. (Joannes Bernardus Maria Kuks, Klinische neurologie)
Luria verdeelde de hersenen in drie eenheden: de hersenstam, een sensorische eenheid (achterhoofd) en een motorische eenheid (voorhoofd)
Signalen (horen, zien, voelen, smaak, reuk), afkomstig van de periferie, worden in stappen verwerkt en geïntegreerd in het achterhoofd.
Vanuit het voorhoofd worden signalen in de omgekeerde volgorde teruggeleid naar de periferie. Het voorste deel van het voorhoofd de prefrontale kwab heeft geen specifieke functie, het bestuurt de hersenen en het perifere zenuwstelsel.
Luria noemde dit het intentionele bewustzijn, ik noemde het de wil. Het voorhoofd was de biologische basis van de wil. Het achterhoofd was de basis van de ervaring.
De grote hersenen zijn in twee helften, de hemisferen, verdeeld. De hersenhelften zijn symmetrisch, behalve voorzover een voorkeurshelft dominant is. De dominantie manifesteert zich in het bestaan van een voorkeur voor de tegenovergestelde lichaamshelft, in het bijzonder de voorkeurshand. (Als je linkshandig bent, is je voorkeurshelft rechts. Bij een rechtshandige is dat andersom. Dit geldt in de meeste gevallen.)
De functie, die vanuit de dominante hersenhelft divergeert, noemde ik de rede (of het verstand). De dominante hersenhelft regelt onder andere het begrijpen en het spreken van de taal. Het gebied van Wernicke, achterin, bemiddelt het begrijpen van de taal. Het gebied van Broca, vooraan, bemiddelt het spreken van de taal.
Het was me niet zo duidelijk waar de niet dominante hersenhelft voor diende. Ik nam aan, dat er vooraan, onder andere, een tweede spraak zou kunnen zijn naast de gewone spraak in het gebied van Broca. De tweede spraak zou betrokken zijn bij het leren van vreemde talen en veranderingen in de taal, zoals het gebruik van nieuwe woorden in de taal en de vorming van creolentalen. Ik noemde dit gebied daarom het Creoolse gebied.
Achterin regelt de niet dominante hersenhelft een lichaamsbewustzijn, ook wel lichaamsschema genoemd, dat wil zeggen een bewustzijn van de spierzin en de evenwichtszin, waardoor de oriëntatie in de ruimte wordt beïnvloed. De functie van de niet dominante hersenhelft noemde ik de intuïtie.
Je kunt in de hersenen twee elkaar kruisende eenheden onderscheiden: van achteren naar voren de sensorische-motorische eenheid en van rechts naar links de intuïtief-rationele eenheid.
De hersenstam verbindt het ruggenmerg met de hoger gelegen hersenen. Door de hersenstam heen strekt zich de reticulaire formatie uit, waarin descenderende en ascenderende invloeden overheersen.
Een ascenderende invloed kan het brein wekken of doen inslapen, een descenderende invloed kan de waakzaamheid remmen of stimuleren.
Het valt op, dat in het lichaam veel organen een dubbelganger hebben: linker- en rechterhersenhelft, linker- en rechterhand, enzovoort. Het lichaam is als het ware uit twee delen samengevoegd tot een geheel. Ik bedacht, dat er een relatie tussen die twee delen van elk orgaan is. Bijvoorbeeld de linker- en de rechterhand, daar is een relatie tussen. De ene hand is passief en de andere actief. Vervolgens zag ik, dat in het zenuwstelsel ook een tweedeling bestaat, namelijk het autonome en het animale zenuwstelsel. Deze hebben met elkaar een verhouding die te
vergelijken is met die tussen de linker- en de rechterhand. Het animale zenuwstelsel is willekeurig (kunnen we met de wil beheersen). Het autonome zenuwstelsel is onwillekeurig (we kunnen het niet met de wil beheersen). Ik concludeerde dat als de geest een fysieke basis heeft, dan is het deze. De werking van de geest berust op het onwillekeurige zenuwstelsel. Het is een ander ik, dat je niet als ik voelt. De werking van je eigen ik, dat je als ik voelt, de ziel, berust op het willekeurige zenuwstelsel. Het andere en het eigen ik, de geest en de ziel, werken met elkaar samen als partners in het brein.