Ik ben geboren in een van de warmste zomers van de 20e eeuw, nl. op 23 augustus 1947. Het was zo warm dat mijn moeder ter verkoeling in de kelder ging zitten. Er was natuurlijk nog geen airco. Bovendien kondigde mijn geboorte zich een maand te vroeg aan. Mijn vader twijfelde of het wel echt zo was, maar mijn moeder wist het zeker. Na al eerder 4 zonen gebaard te hebben kon zij dat echt wel weten.
Het was ook nog oogsttijd. De drukste tijd van het jaar op de boerderij.
In allerijl werden de noodzakelijke kraamspullen opgehaald bij een tante in Douvergenhout (Merkelbeek), die een paar maanden daarvoor was bevallen van een jongen, Jos genaamd. Zo kort na de oorlog waren linnengoed en kraamspullen nog zeer schaars verkrijgbaar en werden dus in de families onderling uitgeleend.
Gelukkig kwam nog alles net op tijd in orde en werd er binnen de familie Riga een mooie, gezonde dochter geboren. Eindelijk - na 4 jongens- was dit dubbele vreugde, zowel voor mam als voor mijn peettante Leonie, naar wie ik traditie getrouw vernoemd ben. Vroeger had je strikte regels in de volgorde, waarin bepaald werd wie en wanneer iemand aan de beurt was om peetoom of peettante te worden. Daar mocht niet van afgeweken worden. Dat bracht immers onheil.
Binnen enkele dagen werd ik gedoopt in de kerk te Sweikhuizen en kreeg de doopnamen: Maria-Wilhelmina-Leonie. Bijna alle kinderen (ook de jongens) kregen als een van de doopnamen de naam Maria. Maria werd alom in het katholieke Limburg geëerd als moeder Gods. Wilhelmina was de naam van mijn peetoom (Wiel) en Leonie werd mijn roepnaam. Deze naam werd al gauw op zijn Limburgs uitgesproken; dus Leinie, Leike,Lijn, Lène of ook wel Lenie. Mam vond dat erg jammer. Dat was bij haar zus, mijn peettante, ook zo gegaan en zij stond er op dat ik zeker op papier en op school Leonie heette. Die verschillende benamingen heb ik vaak vervelend gevonden, maar ja, daar is niets aan te doen.
Terug naar mijn geboorte tijd. Iedereen was blij dat er eindelijk een meisje was geboren in dat grote huis. Want een groot huis, dat hadden wij. Het was een grote boerderij –Stammenhof- gelegen tussen de akkers en weilanden en vlakbij een groot bos, het Stammenderbos.
Er waren al 4 jongens voor mij geboren in 5 jaar tijd; Joof, Frans, Albert en Louis. Samen met pap en mam vormden wij in 1947 zo direct na de oorlogsjaren het gezin Riga. In de daaropvolgende jaren zou het gezin nog verder uitgebreid worden met nog 1 jongen Harrie en nog 4 meisjes, José, Mariet, Gérardine, Jeanne.
Ons huis was zo groot dat er best plek genoeg was voor al die kinderen en ook buiten om was er meer dan voldoende speelterrein. We hadden een heel bos ter beschikking. Er woonden nog meer mensen op de boerderij. Om te beginnen onze opa en oma. Zij hadden een eigen grote slaapkamer en verder leefden zij mee in het grote gezin. Ook hadden we nog een dienstmeisje in huis (Mia), die alleen in het weekend naar huis ging en verder woonde er ook nog een knecht (Zef) bij ons in, die tot zijn pensionering bij ons bleef wonen en vervolgens naar een verzorgingstehuis verhuisde. Mia en Zef hoorden gewoon bij ons en hadden uiteraard hun eigen speciale plek en hun eigen taken. Mia binnenshuis, Zef buitenshuis; met name zorgde hij voor de koeien. Naast deze mensen kwam er ook nog wekelijks een tante (Lies) logeren voor een paar dagen om mam wat te helpen (naai-en strijkwerk). Zij was een levendig persoon en de enige dochter van oma en enige zus van pap. Tante Lies was weduwe, had geen kinderen en had dus veel tijd om zich met ons bezig te houden. Al met al waren we vaak met 16 personen in ons huis.
Ik herinner me dat het er veilig was, veel levendigheid en ruimte voor iedereen. Ondanks de drukte was het duidelijk waar je aan toe was. Er waren ongeschreven regels, die je bijna als vanzelfsprekend respecteerde. Er hoefde niet zoveel over gesproken te worden. Mam was de centrale, zorgende, liefdevolle persoon op de voorgrond; pap de veilige, rust gevende, leidende persoon op de achtergrond. En daarachter had je de opa, oma en tante Lies als belangrijke personen. Met zoveel mensen om je heen was er natuurlijk weinig privacy. Je had bv. geen eigen plek voor jezelf, laat staan een eigen slaap/speelkamer. We sliepen meestal met 2 meisjes in een groot bed en daarnaast nog een groot bed met 2 meisjes op eenzelfde kamer. Je kunt je wel voorstellen dat er geregeld kussengevechten konden plaatsvinden. Opa en oma hadden ook zo’n grote slaapkamer voor zichzelf en maakten ons s’nachts wakker als het onweerde. Zij waren daar doodsbang voor, bang dat ons huis of schuur door de bliksem in brand vlogen. Ik heb daar ook een panische angst voor onweer aan over gehouden , die ik pas overwonnen heb toen ik al getrouwd was en Myriam al geboren was. Oma verbrandde (naar oer-katholieke traditie) een gedeelte van de “kroetwusj” in het fornuis , als het overdag onweerde en ging vervolgens met haar rozenkrans in de donkere kelder zitten. Ik begreep niet dat ze dat niet heel erg eng vond, zo alleen in die kelder. Ik bleef liever met alle anderen in de grote keuken zitten totdat het onweer wegtrok.
Het katholieke geloof met al zijn rituelen speelde een grote rol binnen onze familie en dorpsgemeenschap. Zolang oma leefde (zij was heel erg gelovig) werd er s’avonds de rozenkrans gebeden. Op school werd elke dag bijgehouden of je al dan niet naar de kerk ging, s’morgens vroeg. We gingen dan eerst te voet beneden in het dorp naar de kerk. Vervolgens weer naar huis (berg op) om te ontbijten en dan weer terug naar school. Tussen de middag weer terug naar huis om warm te eten, weer naar school en om vier uur weer naar huis. Ook op zaterdag was er tot in de middag school. Op school werd elke dag gebeden en kregen we katechismus les van pastoor Thissen. Hij was streng in de leer, maar kon heel boeiend verhalen uit de bijbel vertellen. Later, toen ik met Pierre in Israël was, kon ik de verhalen zo weer oproepen. Ook waren er heel veel kerkelijke feestdagen, dus vrije dagen. Kerstmis, Pasen, Pinksteren, kermis, Heilige dagen, eerste kommunie, plechtige kommunie, vormsel, processies werden heel uitgebreid gevierd; niet met grote kado’s, maar wel met uitgebreide familie bijeenkomsten met mooie kleren en veel eten (vlaaien, taarten, koude schotel). Pasen en Allerheiligen/Allerzielen waren ook de dagen dat de mensen van Sweikhuizen in hun nieuwe (zomer of winter) kleren naar de kerk kwamen en deze zo konden showen. Vandaar ook de uitdrukking: op zijn paasbest. Na de mis werd daar natuurlijk ook best wel over geroddeld. In Sweikhuizen waren heel veel mensen familie van elkaar en werd er onderling veel geroddeld. Omdat wij buiten het dorp woonden en er ook geen familie banden hadden, heb ik daar nooit zo last van gehad.
Van mijn kleutertijd kan ik me niet zoveel meer herinneren. Er werd elk jaar een kindje geboren en de jongens gingen al naar de school. Ik weet nog wel dat Gerardine geboren werd (de 9e in de rij))en dat ik me er op verheugde om mee te mogen in de auto voor haar doop in de kerk. Vooral dat auto ritje was belangrijk. Uiteindelijk ging het niet door, omdat er een paar tantes kwamen die in de auto mee mochten rijden. Ik was hevig teleurgesteld. Van Jeanne (de jongste) herinnerde ik me dat ze in het ziekenhuis in Heerlen geboren werd en dat we mam en haar vaker gingen opzoeken. Het bezoek in de auto was echt een uitstapje. Het kindje werd achter een grote glazen wand getoond door een verpleegster. Ook hoorde ik haar s’nachts ,toen ze weer thuis was,nog huilen in haar wiegje. Ik ging mam dan wakker maken.
In ons kleine dorp (750 inwoners) was geen kleuterschool. Er was wel een basisschool (de grote school) voor jongens en meisjes samen, wat niet gewoon was in die tijd. Er waren overal aparte jongens-en meisjesscholen; zo ook aparte clubs, sportverenigingen; zwembaden hadden aparte zwemtijden voor jongens en meisjes. Maar niet in Sweikhuizen; daar was het dorp te klein voor. Er was alleen een kerk en een basisschool. Er was een hoofdmeester; zijn zoon en/of zijn vrouw waren de andere leerkracht en er was een juffrouw . Zij woonde op Biesenhof was niet getrouwd en familie van ons. Zij had de eerste of soms de eerste drie klassen. Zij heeft mij alle beginselen van rekenen,taal,lezen, schrijven bij gebracht. Ook was zij handwerkjuf en gymjuf. Ik kan me de eerste schooldag nog goed herinneren. We kregen een potlood en moesten leren hoe we die moesten vasthouden en mochten een blad vol met alleen maar krullen maken. Later kregen we een houder met kroontjespen, die we in het inktpotje in onze lessenaar moesten dopen. Het was een behoorlijk geklieder voordat je kunst van het fijn- schrijven machtig was. Thuis werd door oma of mam een inktlap gemaakt; een aantal op elkaar genaaide lapjes stof met in het midden een knoop. Deze inktlap was nodig om je kroontjespen mee schoon te maken. Ik vond die inkt altijd heel lekker ruiken. Pas een paar jaren later kregen we de eerste balpen. Wat een wonderlijk en heerlijk ding om mee te schrijven. Je eerste vulpen (groen met zwart, merk Pelikaan) kreeg je pas, als je naar de middelbare school ging. Maar ook bij die vulpen had je nog steeds een inktpot nodig.
Ondanks dat het een kleine dorpsschool was boekte de school toch goede leerresultaten, als je tenminste bij de uitverkorenen hoorde. Je toekomstige school carrière werd eerder bepaald door uit welke familie je kwam dan door objectieve leerresultaten of intelligentie. Het hoogst haalbare voor arbeiders/mijnwerkerskinderen was in het algemeen huishoudschool, ambachtschool of hooguit Mulo-onderwijs. Als kinderen helemaal niet goed konden leren, was er geen speciaal onderwijs, maar bleven ze gewoon tot hun 14e jaar op school en konden dan gaan werken. De leerplicht was toen tot 14 jaar. Kon je goed leren en kwam je uit de “goede”familie dan deed de hoofdmeester zijn uiterste best om je klaar te stomen voor het middelbaar onderwijs (h.b.s./gymnasium/m.m.s). Je kreeg dan in de 5e en 6e klas bijles in frans en ook extra lessen in alle andere vakken, die je thuis ook voor je zelf moest uitwerken. Dat deed je allemaal als vanzelfsprekend en ook met een stuk waardering, dat je daarvoor in aanmerking kwam. Met deze voorbereiding kon ik dus als 11-jarig meisje op een dag toelatingsexamen (een hele dag) gaan doen in Sittard op het Serviam-lyceum, voor die tijd best wel een elite school voor alleen meisjes. En ik slaagde warempel. De school werd geleid door nonnen van de Ursulinen. Het was voor mij helemaal nieuw. Ik kwam in een hele andere wereld terecht en ik ging ook nog op kostschool. Ik weet nog goed dat ik op de examendag een groot bord zag hangen met daarop “Alleen voor docenten” en ik me maar afvragen wat dat woord toch betekende. Daar kwam ik al gauw genoeg achter.
Maar eerst nog even terug naar herinneringen uit mijn vroegere jeugd.
Op de boerderij was het druk met mensen, maar ook met allerlei soorten dieren. We hadden paarden, koeien, kalfjes, schapen (allemaal witte en één zwarte), varkens, heel veel poesjes, konijnen, kippen en een haan, waar ik erg bang voor was. Mijn jongere zus José pakte dan een stok en joeg de haan weg. De kippen hadden een groot hok, maar liepen overdag gewoon in de wei of op straat. Wij vonden het leuk om ze op te jagen. Regelmatig kwam er een oude vrouw bij ons aan huis, die kwam bedelen voor eten en geld. Als zij zag, dat wij achter de kippen aanrenden werd ze boos op ons en kwam met gebalde vuist naar ons toe. Wij vonden dat spannend en gingen juist nog meer aan de gang. Ook was er altijd een hond. Heel vroeger was dat een waakhond, die alleen s’nachts vrij mocht rondlopen; later werd het meer een gezellige hond om mee te spelen en allerlei trucjes te leren. De laatste grote hond werd vergiftigd. Ik zie hem nog op een zondagmorgen langzaam verlamd raken en uiteindelijk dood gaan. Een paar dagen later werd er ingebroken. De dief werd gesnapt en moest naar een gevangeniscel onder het gemeentehuis in Geleen. Toen ik het volgend weekend met Mia in de bus met haar mee op bezoek mocht naar haar familie kwamen we langs dat gebouw en zij wees naar de kelder waarin hij gevangen zat. Ik was diep onder de indruk. En je kunt wel raden wie de hond de giftige worst gevoerd had. Later kregen we Blekkie. Hij waakte niet en was een allemansvriend. Als ik na een week weg geweest te zijn weer thuis kwam sprong hij van blijdschap tegen me aan. Hij is helaas gestorven aan verwondingen , opgelopen bij de trein (in Spaubeek) toen hij Albert daarnaar toe begeleidde en al te enthousiast tegen de trein opbotste.
Naast veel dieren waren er ook veel weilanden met allerlei soorten fruit (appels.peren. pruimen,kersen, perziken, bessen) en veel akkerland met tarwe, koren, haver,gerst,aardappelen, bieten. Als kind vond je het vanzelfsprekend om mee te helpen op de boerderij b.v. appels rapen en sorteren, bessen plukken, boontjes schoonmaken enz. Alles werd in weckglazen gedaan als voorraad voor de winter. Er was nog geen diepvries. Ook was er geen wasmachine. Pap hielp mam altijd s’maandags met de was koken, mangelen en uithangen. Ik denk dat ik een jaar of tien was toen de eerste volautomatische wasmachine kwam. Ik weet zijn naam nog: Rondo. Dat was een belevenis. De vrouwen uit het dorp kwamen kijken en wij lagen met onze neus voor het deurglas en draaiden ons hoofd mee met de het draaien van de was. Mam had een volle dagtaak aan het zorgen voor eten, wassen, schoonhouden van het huis, bijgestaan door Mia en ook door oma en tante Lies. Heel veel was self-made. Ook de kleren werden vaak door tante Lies genaaid. Er was ook een naaister in het dorp. Ik weet dat er nog een echte kleermaker kwam om pap en opa een pak aan te meten. Ook nieuwe schoenen werden aan huis gepast en dan gekocht. Later werd er meer en meer gewinkeld in Geleen of in Heerlen. Het was echt een uitje als je met mam mee mocht om nieuwe kleren te kopen. Eerst te voet naar Puth, wachten op bus naar Heerlen, daar kleren kopen bij Schunck, Vroom en Dreesmann, Pieters-Dortu, Peek en Kloppenburg of bij Witteveen. Je zag toen al grote reclameborden en een mooi verlichte bioscoop Royal tegenover het station in Heerlen. We gingen ook meestal even wat drinken in een café-restaurant. En dan weer met de bus terug naar Puth en te voet naar huis. Oma en tante Lies bekeken met een kritische blik wat mam allemaal gekocht had.
Een ander gedeelte van het voedsel waren de brood-en vleeswaren. Voordat er een bakker en slager in het dorp was werd alle brood en de vele vlaaien zelf gebakken. Voor zoveel mensen moest er heel wat deeg gemaakt worden. Ik heb me laten vertellen dat opa de deeg met zijn blote (uiteraard goed gewassen) voeten moest fijn kneden door erin te trappelen. Brood en vlaaien werden daarna gebakken in het “bakkes” (een klein gebouw in de wei). Als wij s’middags uit school kwamen moesten wij allemaal de broden en vlaaien naar binnen brengen en als beloning kregen we dan knapkoek. Heerlijk was dat. Het was overgebleven deeg, gebakken met suiker erop. Zoiets als frites bestond er nog niet. Wel bakte mam elke woensdagmiddag pannekoeken. Einde lagere school kwam de friteskraam in opmars, niet in Sweikhuizen maar later in Puth. Wij kregen die traktatie toen vaker als we s’zondags naar oma in Genhout (Douvergenhout-Merkelbeek) gingen. Iemand ging dat toen halen voor alle neefjes en nichtjes in een friteskraam in Oirsbeek. Ook pasta’s zoals spaghetti of bami kwam later in gebruik. We maakten dat dan s’ avonds als lekkernij zoals je nu chips zou eten. Ik kan me het eerste zakje chips nog goed herinneren. Het was een klein zakje chips en erbij zat wat in een blauw papiertje gedraaid zout om in het zakje te strooien. Pas later kwam de paprika chips in de mode.
Einde lagere school was het zelf bakken thuis voorbij. Aanvankelijk werd het brooddeeg nog naar de bakker gebracht en bakte de bakker dit tot broden. Even later bakte de bakker alles helemaal zelf. En nog een tijd later werden ook de vlaaien en taart door de bakker bezorgd. Hij bracht deze elke week aan huis met daarbij behorende kruidenierswaren, die mam de dag ervoor telefonisch besteld had. Altijd was er voor ons een zakje tum-tum gratis bij. Ook het bezit van een telefoon aan huis was in die tijd trouwens een zeldzaamheid.
Naast de bakker was er ook een slager in het dorp. Ik kan me nog herinneren dat in de maand november thuis zelf een of meerdere varkens geslacht werden door een huisslager. Ik vond dat altijd maar een eng gebeuren. Het gedode varken werd aan een brede ladder opgehangen. Het gebeurde in de maand november, omdat het dan al koud weer was. Een koelkast of vriezer was er nog niet. Je zag bloed en veel soorten vlees die door de slager tot kleine stukken gehakt werden en vervolgens door mam in weckglazen gedaan werd als voorraad voor de winter. Ook werden er zelf balkenbrei, worsten en hammen gemaakt. De hammen werden te drogen gehangen aan haken in een daarvoor speciale ruimte (vleeszoldertje) als ook droogworsten. De slager maakte wel grote indruk als hij zo bezig was met hakken en zagen. Wij stonden er bij te kijken. Ook dit gebeurde na een aantal jaren niet meer aan huis. Later gingen we naar de plaatselijke slager, die net als de bakker ook een kruidenierswinkel en een café had. José had als klein meisje haar vingers te diep in de worstmachine gestoken en moest daardoor een topje van haar wijsvinger missen. Mam voelde zich daar erg schuldig om, omdat ze niet goed opgelet had.
In het nabijgelegen Puth waren nog wat meer winkels. We gingen daar ook naar de kruidenierswinkel, toen we wat groter waren en op de fiets konden. We hoefden dan niet steeds de berg op en af. In Puth was ook een kapper(aan huis) , een schoenenwinkel met schoenreparatie, een smid met een winkel voor huishoudelijke spullen, een klein postkantoortje , een fietsenwinkel en een sigarenzaak. Ik moest voor mijn opa vaak een kistje sigaren gaan kopen en mocht de sigaar dan aansteken voor hem en ook een klein trekje nemen. Later kwam er in Puth ook een groene kruisgebouw en een boerenleenbank. Dus wat dat betreft waren we op een simpele manier toch van veel zaken voorzien. Het leven was ook heel simpel en gemakkelijk te overzien.
We hadden in onze jeugd elk jaar wel een aantal grote familiefeesten. Pasen, met eieren rapen, Sinterklaas met spannende verhalen, veel liedjes zingen en cadeaux, snoep; Pinksteren met de Pinksterbruid; Kerstmis met de nachtmis midden in de nacht; kermis met veel familiebezoek en veel lekker eten; processie rond kerkelijke feesten zoals de H. Odilia en de sacramentsprocessies. Het hele dorp trok dan uit, mooie kleren aan, muziek door fanfare en koor; de straten waren versierd en er werd vooral veel gebeden in koor. Mensen hadden heilige beelden, versierd met bloemen voor hun huizen staan; de straat was met gekleurd zand gestrooid. Heel mooi en vooral ook heel plechtig. Maar de grootste familiefeesten waren de communiefeesten van de kinderen op de eerste klas van de lagere school en de plechtige communie op de laatste klas. Alles werd uit de kast gehaald om het maar zo mooi mogelijk te maken. Communicantjes kregen prachtige kleren aan; meisjes waren kleine bruidjes; jongens hadden keurige pakken of matrozenpakjes aan. Het feest was vaak 2 dagen om iedereen van de familie te kunnen uitnodigen. We waren altijd met veel kinderen, neefjes en nichtjes en speelden met elkaar , vooral buiten, en aten de hele dag door lekker dingen zoals vlaai, taart, koudeschotel, ijs.
Feesten waren meestal kerkelijk geöriënteerd. Zo trokken we één keer per jaar –met het hele dorp- in processie naar de Basiliek in Sittard. We gingen te voet naar het station in Geleen; namen daar de trein naar Sittard en vervolgens weer te voet naar de basiliek . Voor ons was deze dag een feest: het korte ritje in trein. Ik voel nog de wind in de haren bij de openstaande raampjes van de trein. Na afloop van de mis werden we door onze opa getrakteerd op lekkere gebakjes in een lunchroom tegenover de kerk. Op diezelfde manier trokken we ook één keer per jaar te voet naar de kapel op de berg in Schinnen. Wat dat betreft had de kerk zijn mooie, feestelijke en charmante kanten. Het gaf je ook een groot saamhorigheidsgevoel en verbondenheid met elkaar als dorpsbewoners van Sweikhuizen.
Ook onze speelmogelijkheden waren heel simpel en tegelijkertijd ook heel divers, ook omdat we met zoveel kinderen waren en er ook dagelijks kinderen uit het dorp bij ons kwamen spelen. In de zomer was dat uiteraard veel buiten spelen: knikkeren (met knikkers van klei, de zg. uuve; later kwamen er glazen knikkers bij), landje veroveren, bokje springen, touwtje springen (vooral voor meisjes), verstoppertje, pot stoten, hinkelen en allerlei bal spelen. In het bos maakten we lange glijbanen of schommels van lianen takken; in de schuur gleden we van het hooi of strobalen. We maakten huisjes van houten veilingkisten. Ook mochten we mee op de paardenkar en later op de tractor.
Andere uitjes die ik me kan herinneren waren de jaarlijkse schoolreisjes. Met de hele school (1 bus vol) , inclusief meester, juf en pastoor gingen we een hele dag naar de Ardennen, de grotten van Rémourchamps en Spa, naar bedevaartsoord Banneux of naar het oorlogsmuseum in Overloon; met pastoor op woensdagmiddag naar Steiner bos (te voet). Op zondag gingen we met onze familie vaker door het veld wandelen, ook wel eens naar de speeltuin in Steinerbos; vaak gingen we naar Rolduc, toen Frans en Albert daar studeerden. Maar het meest gingen we naar oma in Douvergenhout op bezoek waar we de hele middag konden spelen met onze neefjes en nichtjes. In de zomervakantie gingen we ook over en weer bij elkaar op vakantie. Dat was een hele gezellige tijd voor ons allemaal.
De jongens uit het dorp –inclusief mijn broers- hielden vaak serieuze vechtwedstrijden bij het bos of in een weiland en dat ging er voor mijn gevoel vaak heftig aan toe. Ik vond dat af en toe best wel spannend.
In de winter deden we vaak kaarten en gezelschapsspelen, die we nu ook nog kennen zoals kaarten, monopoly, ganzeborden, halma, mikado, pim-pam-pet, mens erger je niet, dammen enz. ook hadden we een toverlantaarn waardoor we korte filmpjes konden kijken op het witte doek (d.w.z. witte muur). Het waren vooral korte sprookjes of avonturenfilmpjes zoals Repelsteeltje, De Rode Pimpernel. Ook konden we dankzij een kleine bibliotheek op school elke week nieuwe boeken mee naar huis nemen om te lezen. De meest ontroerende boeken die mij zijn bijgebleven waren De hut van Oom Tom, Remy, Alleen op de Wereld en Mariska, de circusprinses. Ook de boekenreeks van Prins Wipneus en Pim kon ik verslinden. Ook waren we geabonneerd op Okki en Taptoe. We hadden thuis ook een groot dik boek met mooie prenten, Het Oude Testament. De verhalen die daarin stonden vond ik ook erg mooi om te lezen. Ook hadden we voor die tijd best mooie grote atlassen (wereld /europees en landelijk). Toen ik wat groter was vroeg Zef , onze knecht, meestal op zondagmorgen om die te bekijken en wilde hij graag weten waar welke landen, steden op de kaart stonden.
Later, zo einde lagere school moesten we ook al wat meehelpen in huis of op de boerderij; groenten en bessen plukken en schoonmaken, appels rapen, aardappelen schillen, aan het huis verven.
Elk jaar was er de aardappeloogst in september. De kinderen van het dorp kwamen dan meehelpen aardappels rapen op het veld. Zij kregen daarvoor een zakcentje uitbetaald en s ‘avonds werd aan de lange keukentafel nog samen gegeten. We vertelden elkaar dan spannende verhalen.
In de zomervakantie (was altijd de hele maand Augustus) kwamen op de boerderij of op de Dreesj (een stuk ongecultiveerd weiland tussen ons huis en het bos) vaak groepen jongens of meisjes op zomerkamp. Zij zetten dan tenten op en maakten echte omheiningen en keukens om te kunnen slapen, eten en spelen. Wij mochten dan vaak meedoen en kregen na afloop als dank voor de logies hele lekkere snoep dingen. Met dit als voorbeeld maakten we zelf ook vaker een vuurtje en gingen we voor ons zelf buiten koken. We zochten dan naar braambessen in het bos. Het smaakte soms echt wel naar rook, maar dat gaf niet. Precies op 1 september gingen we weer naar school. Ook op zaterdagmorgen was er toen nog school. Verenigingen of clubjes waren er niet. Pas veel later kwam er voetbalclub en een drumband, uiteraard alleen voor jongens. Heel even was er een judo-club, ook voor meisjes, maar dat was maar van korte duur.
Opa en oma leefden in ons huis mee met het toch al grote gezin. Opa werkte mee buiten in het boerenleven. Oma hielp nog mee binnen in het huishoudelijk gebeuren. Zij schilde zij b.v. de aardappelen en deed de afwas. Zij was best wel bijgelovig. Er kwam geregeld een oud vrouwtje uit Nagelbeek bedelen. Zij kreeg altijd een aalmoes van mijn oma, bang als zij was dat haar anders iets ergs zou kunnen overkomen. Als oma naar de stad Geleen wilde, mocht (moest) ik vaak met haar mee om op haar te letten in het voor ons drukke verkeer daar. We gingen met de bus, die toen nog door Sweikhuizen reed. Ik vond dat echt een leuk uitje. Zij kocht bij Jamin voor thuis vaak dadels of vijgen, een echte lekkernij. Zij had ook een vriendin bovenaan in het dorp (tant Meels). Ik ging ook vaker mee op bezoek en hoorde daar de dorpsroddels. Ook bespraken zij de gezondheid van ons als kinderen. Tant Meels had zelf geen kinderen, maar wist er toch veel over te vertellen, b.v. waarom Albert zo mager was. Hij zou wormen hebben! Oma was dan echt beledigd. Opa ging altijd met de kermis naar zijn familie (fam. Peters op de Biesenhof). Ik mocht dan vaak mee en kreeg de opdracht om hem s ‘avonds weer veilig thuis te brengen. Het was er goed eten en vooral ook goed drinken (drupkes jenever). Er werd tot laat in de avond fanatiek gekaart met zijn broers. Zij rookten allemaal dikke sigaren. Het deed pijn aan je ogen, als je de kamer binnenkwam en het was grijs van de rook. Uiteindelijk (voor mijn gevoel middernacht) loodste ik hem weer naar huis, de berg op.
Zo had ieder kind zijn/haar taakjes en ik als oudste van de meisjes en serieus als ik was mocht al vaak van die volwassen dingen doen. Zo ging ik ook met de jongste Jeanne naar de dokter of met haar naar het Groene Kruisgebouw in Puth, naar het consultatiebureau. Ook heb ik vaak contant geld moeten brengen naar de Boerenleenbank in Puth. Het ging dan echt wel om honderden guldens. In Puth gingen we naar de kapper, brachten we de schoenen naar de schoenmaker, haalden we sigaren voor opa bij Renkens, gingen we naar het postkantoor. We deden alles te voet. Pas na de lagere school kregen we een eigen fiets.
En dan wordt het tijd voor een ander leven, buiten het dorp. Toen ik elf jaar was kwam de vraag naar welke school ik zou gaan na de grote (basis) school. Ik kon goed leren, maar had geen benul van de mogelijkheden buiten ons dorp. Dit werd toch min of meer bepaald door de hoofdmeester en je ouders. Voor de jongens kwam daarbij nog de persoon van de pastoor. Die probeerde de jongens die goed konden leren te verleiden tot een opleiding voor priester. Hij begon daarmee door ze zo jong mogelijk misdienaar te laten worden in de kerk. Meisjes kwamen daar niet voor in aanmerking. Het hoogst haalbare voor een meisje was Huishoudschool of Mulo-onderwijs. Sommige jongens werden misdienaar en gingen daarna naar Rolduc, een jongensinternaat voor priesterstudenten. Zo ook Frans en Albert. Joof en Louis waren voorbestemd om boer te worden. En daarna kwam ik aan de beurt. Ik kon goed leren en mijn vader dacht dat het voor mij het beste was om ook op kostschool te gaan, zodat ik daar rustig kon studeren. Thuis was het immers altijd druk. Zonder daar heel bewust over na te denken ben ik daar positief ingestapt. Ik moest als 11-jarige toelatingsexamen doen op een hele vreemde school in een hele vreemde omgeving. Ik slaagde voor dat examen. Ik moest een uniform (alles donkerblauw) laten maken. Dat werd door de naaister in het dorp allemaal gemaakt. Er werden naamplaatjes besteld bij Schunck in Geleen, die in alle kleren genaaid moesten worden.
Dit werd een hele nieuwe, spannende periode in mijn leven.
Ik ging dus als net 12 jarige naar een hele nieuwe omgeving; naar een nieuwe middelbare school voor alleen meisjes en daarnaast ook nog naar een kostschool. Het internaat werd gerund door alleen nonnen. Je had er twee rangordes: de mères en de soeurs. De mères waren van de hogere orde. Zij gaven allemaal les op school. De soeurs waren van de lagere orde. Zij deden het huishoudelijk werk en maakten het eten klaar. Meestal waren zij veel toegankelijker en liever in de omgang. De orde behoorde tot de groep van Ursulinen. Hun stichteres was de Heilige Ursula. Het was een deftige orde en zij waren vooral werkzaam in het onderwijs. De meisjes die op hun kostschool gingen waren van de wat hogere en rijkere milieus. Alles stond in het teken van religie, opleiding, beschaving, netheid en ordelijkheid. We sliepen allemaal in een eigen chambrette ( kleine houten slaapkamer) die opging in een grote zaal. Er was een strikt regime van opstaan, kerkgang, ontbijt, school, diner, school, vrije tijd, studie, avondeten, vrije tijd. We hadden een grote eetzaal (de refter) , een grote recreatiezaal waar ieder haar eigen kastje had voor persoonlijke spullen en een grote studiezaal met voor ieder een houten bureau, alles keurig op rij naast en achter elkaar geplaatst.
Alles was gereglementeerd; iedere dag opnieuw. In de vrije tijd was er wel plek voor mooie dingen als lezen, tekenen, muziek, dans en toneel. Dat waren echt zaken die voor mij nieuw en heel mooi waren. Waar ik niet goed aan kon wennen was dat je nooit zo maar naar buiten kon, naar de natuur in of naar de stad. Het klooster/internaat lag midden in de stad. Ik had daar soms echt heimwee naar. We mochten één keer per maand naar huis van zaterdagmiddag tot zondagavond. De andere weekends bleven we in het internaat, hadden we meer vrije tijd; mochten meer lezen, knutselen, schilderen, muziek maken en brieven schrijven. Alle brieven, ook aan je ouders werden door een zuster gecontroleerd alsook de inkomende post. We gingen in het weekend ook wel vaker wandelen in de Kolleberg met één zuster voor aan de rij en één aan de achterkant. We liepen dan netjes in het donkerblauwe uniform. Verder hadden we heel gezellig met elkaar als meisjes onderling. Ik heb daar Marie-Louise leren kennen. Zij zat naast mij in de studie zaal. Het leren en de studie voor huiswerk was zo ingebet in het dagelijkse leven dat het geen probleem was en je gemakkelijk je huiswerk kon maken. Ik kon er piano leren spelen, balletles nemen, meedoen aan toneeluitvoeringen enz. Het was voor mij een hele andere leefomgeving en zo vastgelegd in intern verblijf dat ik na een jaar of wat besloot om extern verder de school af te maken. Ik had een goede ervaring opgedaan en mijn ouders hadden er wel vertrouwen in dat het leren thuis ook wel zou gaan. Dus daarna ging ik elke dag op en neer op de fiets van Sweikhuizen naar Sittard, ongeveer een uur heen en een uur terug. Ik kreeg daarvoor wel een mooie nieuwe fiets, een Gazelle uit de fietsenwinkel van Renkens in Puth.
Voor mij was de middelbare school (Serviam Lyceum heette zij) een openbaring. Ik was niet gewend aan zo'n grote school met zoveel klassen, meisjes en vooral ook veel leraren. In het begin was ik altijd bang te verdwalen en in het verkeerde lokaal terecht te komen. Toch kon ik mijn draai wel snel vinden. Ik maakte vriendschappen; we deden ook leuke dingen zoals muziek en gym; er waren hele leuke leraren en ook minder leuke, maar met de meesten kon ik goed opschieten. Het leren ging goed en na de eerste brugklas kon ik daarom naar het gymnasium. Ik vond Grieks en Latijn naast de andere vakken best interessant; we kregen ook filosofie. Dat sprak me wel aan. Nu er op terug ziende denk ik dat er wel wat veel tijd en vooral energie ging zitten in de klassieken . We hadden er leuke leraren voor, dus dat hield het levendig. Toch was de zware inhoud vaak niet echt besteed aan ons als pubermeisjes van 15/16 jaar. Serviam was een middelbare school van een kleine duizend leerlingen (gymnasium en m.m.s.) en voor die tijd een grote school. Het was ook een rijke school met een heleboel moderne snufjes zoals een intercom, uitgebreide praktikum lokalen voor natuur-en scheikunde, een echte moderne mensa (eetzaal), een prachtige aula en hele mooie lichte klaslokalen. De school was gesticht en eigendom van de Zusters Ursulinen (een rijke orde). Toen ik er op kwam, was de school pas net 1 jaar nieuw en in gebruik. De gymnasium klassen waren niet groot; dus iedereen en ook de leraren kenden elkaar best goed. Ik heb er altijd een goede sfeer gevonden. Discussie over allerlei thema's was best wel mogelijk. De meeste leraren hadden een bijnaam en werden ook zo genoemd. We hadden ook een hele grote gymzaal waar op een gegeven moment ook de eerste echte grote trampoline werd gedemonstreerd en uiteraard uitgeprobeerd.
De school had zoals met alles in het leven toen ook een zeer sterke religieuze inslag. Elke maandagmorgen kwamen we met alle leerlingen bij elkaar in de aula en gaf de rector (directeur)een ochtendwijding, een toespraak met een meditatieve gedachte voor de komende week. Pas daarna begonnen de lessen. Ook hadden we een eigen school-lijflied dat bol stond van een oproep tot goed gemotiveerd en vooral ook dienstbaar gedrag. SERVIAM betekent immers: ik zal dienen. We hadden filosofie lessen, moesten godsdienstexamen doen en minstens een voldoende halen. Anders kon je niet deelnemen aan het echte eindexamen. We hadden retraites in een ander internaat (soort bezinningsweek); we maakten lange wandeltochten met meditatie (Pax Christi). Al met al werd je gevormd tot een goed, degelijk katholiek jong meisje.
Hoogtepunten waren de jaarlijkse toneeluitvoeringen (meestal klassieke stukken) en de jaarlijkse interlyceale sportdagen met een een zevental andere meisjeslycea in het land. We zijn ook een keer met een voor onze school speciaal ingehuurde trein van Sittard naar Amsterdam naar een voorstelling in Carré gegaan. Voor de zusters was het erg belangrijk dat hun meisjes een goede culturele ontwikkeling meekregen.
Op de middelbare school trok ik -naast het klassikale gebeuren- veel op met een 3 tal andere meisjes. We wachten op elkaar in Geleen en fietsten samen naar school in Sittard en ook weer samen naar huis. Onderweg gebeurde natuurlijk ook van alles. Ook maakten we vaak alvast bij een van de meisjes samen een moeilijke Latijnvertaling, die we als huiswerk op hadden gekregen. Intussen dronken we thee en aten veel speculaasjes. In de vakantie vonden zij het leuk om bij ons op de boerderij te komen. We zijn ook met zijn allen een weekje naar de Ardennen gegaan (op de fiets) in een vakantiewoning. Zo fietsten we ook met onze leraar Grieks naar Tongeren om Ambiorix te bewonderen. Jammer genoeg viel het groepje wat uit elkaar in de jaren daarna, omdat de een na de ander bleef zitten, we niet meer bij elkaar in de klas zaten en andere schooltijden kregen. Na schooltijd was het voor mij moeilijk om nog weer aan avondactiviteiten deel te nemen. Er was niet veel te doen, je woonde ver weg en je had best veel huiswerk. Het eindexamen gymnasium in 1965 was zwaar. Er waren veel klasgenoten met herexamens. Wij (8 meisjes) uit onze klas maakten die dag een (bedevaart)voettocht van Sittard naar Wittem met de bede dat onze klasgenoten alsnog zouden slagen. En onze tocht werd beloond. Bijna iedereen slaagde. Het was tegelijk een mooie afsluiting van ons klassejaar. Eindexamenfuiven bestonden toen nog niet. We werden wel op een wagen door Sittard rond gereden en thuis werd op een bescheiden manier feest gevierd met natuurlijk ook hoog bezoek van de pastoor, tot hilariteit van mijn oude fiets-klasgenoten.
Na zes jaar gymnasium was ik blij dat deze schooltijd er op zat, deed ik eindexamen en kon ik beginnen aan een nieuwe levensfase: student zijn aan de Sociale Academie.
In de zomervakantie na het eindexamen gingen we met 5 meiden op de fiets een tocht maken door Nederland, trokken we van jeugdherberg naar jeugdherberg. Het was een hele mooie zomer, we fietsten tot aan de zee en tot aan Amsterdam, een paar weken lang. Het was voor mij een heerlijke tijd, waar ik met veel plezier op terug kijk. Voor mij was dit een kennismaking met “het Hollandse”deel van Nederland. Het was ook de eerste keer dat ik de zee echt zag. Ik vond dat toen heel overweldigend en ontroerend. Ook een paar weken optrekken met een aantal meiden was geweldig.
En daarna kwam de Sociale Academie in Sittard als de mooiste leertijd uit mijn leven. Ik kreeg vakken als psychologie, sociologie, rechten, filosofie, vak-methodische vakken voor het maatschappelijk werk , bedrijfskunde, cultuurwetenschappen enz. Ik voelde me daar echt in thuis, was geïnteresseerd in het omgaan met mensen, volwassen, kinderen en ouderen. Het was een opleiding met een aantal basistheoriën, maar vooral ook met veel praktijkervaring. Ik ging kinder-en jeugdclubs draaien, liep stage in buurtcentra rond volkswijken, deed ouderenzorg enz. In de periode 1965-1969 werden de maatschappij ontwikkelingen veel vrijer en geëmancipeerder. Juist voor ons als studenten op een Sociale Academie (de rode school)was dit een goede voedingsbodem om je zelf verder te ontwikkelen. De maatschappelijk werker als beroepsbeoefenaar stond destijds in hoog aanzien en kreeg veel mogelijkheden binnen de samenleving. Er was in die opleiding veel meer aandacht voor persoonlijke ontwikkeling dan in mijn middelbare schooltijd. Ik vond het een heerlijke tijd. Ook ontdekte ik dat er wel heel veel andere samenlevingsvormen waren dan die ik gewend was ( het traditionele, dorpse, welgestelde boerengezin). Natuurlijk botste je ook met de problematische kant van de samenleving. Maar ik had er zin om me daarin te verdiepen en slaagde binnen 4 jaar met vlag en wimpel voor de Sociale Academie. En natuurlijk had ik ook meteen daarna een baan; een jaar later zelfs een eigen auto, een volkswagen Kever. Het volwassen leven tegemoet.
Het studentenleven was in die tijd in Sittard nog bescheiden. Toch hadden we een eigen studentencafé, gingen we naar danszalen en vierden we Carnaval. We regelden ook met een aantal meiden zomervakanties in Holland, Parijs, Gardameer. En natuurlijk elk jaar in de zomer wel een vakantie met kinderen of jongeren op kamp. Als leiding had je dan de verantwoordelijkheid van zo’n weekkamp en de baas van het wijkcentrum kwam midden in de week op bezoek om te kijken of het wel allemaal lukte. Ik woonde nog gewoon thuis en hielp mee in het grote huishouden. Mijn eerste stage-jaar en later mijn eerste baan wilde ik wel beslist op kamers en dat is gelukt in Venlo en in Weert.
Al met al een mooie tijd om op terug te kijken.