Ik ben niet precies de dochter van Theodorus Voncken. Ik ben alleen de dochter van Rosa Bertram. Ik ben op 14-jarige leeftijd gescheiden van mijn familie, toen de oorlog uitbrak tussen de Duitsers en de Fransen. Toen de Duitsers de Nederlanden veroverden, althans een deel van Nederlanden, dat kwam bij Duitsland. Het Groot Hertogdom Limburg. Kerkrade lag daarin en daar woonde ik in de Kalverstraat nee dat was niet de Kalverstraat Het was de Valkenstraat de Valkenswaardstraat.in Kerkrade op nummer 16, als ik me niet vergis. En toen ben ik verhuisd naar Heerlen met mijn moeder. Mijn moeder heette Rosa Bertram. En dat was de naam van een heilige, de heilige Rosa van Bertram, want mijn moeder was een heilige vrouw, die met mij naar het klooster trok in Heerlen in de Valkenbergerstraat. Het klooster van Ursulinen in de Valkenbergerstraat. En daar hebben wij gewoond tot aan het overlijden van mijn moeder in 1880 en dat was een beveiliging tegen de armoede, want wij waren heel erg arm. Corrigeren: Op nummer 16, dat was in Heerlen, op nummer 16 in de Valkenbergerstraat op de Valkenburgerweg op nummer 16 heb ik 20 jaar gewoond met mijn moeder. En toen ben ik getrouwd met mijn moeder in Frankrijk, de heilige Rosa van Bertram, dat was een vrouw, die was heel heilig, net zo heilig als jij, Albert, misschien nog wel wat heiliger dan jij, Albert, want jij bent eigenlijk niet zo heilig, en dat vind ik best. Ik hou niet zo van heilige mensen, die zijn meestal schijnheilig. Voor alle duidelijkheid: ik ben niet de dochter van Theodorus Voncken. Ik heet Lenie Voncken niet omdat ik de dochter van Voncken ben, maar omdat ik Lenie heet. Dat is de naam van mijn moeder, die heette Lenie Bertram, de zus van Rosa Bertram. Dat is dus lang geleden en helemaal niet erg, want het is nou eenmaal zo, dat als je geboren bent in een klein gezin van vier kinderen en je bent niet de de doohter van je vader ,maar van de de zus van zijn vrouw, dat het dan niet zo makkelijk is om samen te wonen in dat huis, dat in de Valkenswaardstraat ligt op nummer 16, nee op nummer 11. Ik ben op nummer 11 geboren en op nummer 16 gestorven als non. Ik was niet zo’n heilige non als die andere nonnen waarmee ik samenwoonde, ik was vaak uithuizig en zwervend door Heerlen. En dan kwam ik ook in de Groenstraat op nummer 16, nee, op nummer 18. Dat was toen ik vreemd ging met een andere man, en die heette Albert Riga net als jij, nee die heette niet Albert Riga, maar die heette Albert Jeurissen. Wat fijn! Wat fijn! Dat was een leuke man. Dat was een leuke man, die Albert jeurissen. Dat was een grappige man. ~Hij maakte altijd grappen. Hij heette niet Albert Jeurissen, maar Albert Heijn, dat was toen een winkel van Albert Heijn, zo heette hij dus niet. Hij heette niet Albert Jeurissen, maar dan zonder essen, hij heette Albert Joris Jesse, dat is een zoon van jou. Dat is toevallig van mijn vader gekomen, David, weet je wel. Zo heette mijn vader. David Duif. Dat is eigenlijk mijn achternaam. Duif. Ik heet eigenlijk Angelica Duif. Dat is mijn zusters naam.Angelica Duif. Dat heb jij goed geraden. Angelica, dat is de naam van de duif. Dat is de Heilige Geest, waar jij het altijd over hebt. Dat ben ik, Angelica Duif. Is dat niet wonderlijk? Dat jij dat allemaal wist. Maar dat is niet de duif. De duif is Frankrijk, waar Angelica vandaan komt. Dat komt doordat de duif uit Frankrijk komt. Daar komt d duif oorspronkelijk vandaan. De duif is Keltisch. Wat Keltisch voor de duif? Dat weet ik niet. Misschien weet jij het. Ik weet het niet. Misschien weet jij het. Ik zie jou wel komen naar De Duif, want dat is in Heerlen een kerk, waar ik vaak gekomen ben, toen ik nog jong was en nog niet in het klooster was gaan wonen. Toen heb ik die duif gehad, die mij zo vaak gekweld heeft met zijn roekoe, dat ik mijn ex heb vermoord en in de gevangenis terechtgekomen ben. Ik ben de duif, die heilige duif, die jij hebt geschilderd, op het internet, met de Heilige Geest eronder. Die Heilige Geest, dat is de duif. Dat ben ik, Lenie Voncken, ik ben de duif. Albert Riga, ik ben de duif, die jou bekoort, met haar roekoe, roeach, roeach, roekoe, roeach, met haar roekoe van de duif. Roekoe, dat is de naam van de duif, dat weet jij wel, roekoe, roekoe, roekoe. Jij kan het goed nadoen, vind ik. Doe het nog maar eens. Roekoe, roekoe, roekoe. Doe het nog maar eens. Roekoe, roekoe, roekoe. Dat is Roekoe Duif. Zo heet ik, zo heet ik nu eenmaal, nu ik bij jou ben. De naam bevalt me goed.Ik ben Roekoe Duif. Ik heet Lenie Voncken in de wereld, maar voor jou heet ik Roekoe Duif. Dat is mooi, dat is fijn. Laat het maar zo zijn. Mijn vader was een soldaat Napoleon de Derde. Dat was een tijd toen. Toen was er een oorlog in Frankrijk met de Duitsers van Bismarck. Ik ben toen in Frankrijk geweest in de buik van mijn moeder, en die heeft mij voortgebracht, in Frankrijk, in Parijs, in de Champs Élysées, de verheerlijkte velden van Frankrijk. Is dat niet fijn om in de buik van je moeder te zijn in Frankrijk? Toen Napoleon in Frankrijk in oorlog was met Bismarck, ben ik geboren tussen de Duitsers van het leger, de Duitse legermacht was de overwinnaar van Frankrijk. Dat was de stier van Frankrijk. Dat was Otto Bismarck. Die heeft dat allemaal voor elkaar gekregen. Maar hij nam Frankrijk niet in. Hij nam alleen de Elzas in, waar Albert Schweitzer is geboren, die man waar jij op lijkt, maar je bent het niet. Je bent anders dan die Albert Schweitzer. Die Albert Schweitzer was een godsdienstwaanzinnige en dat ben jij niet. Jij staat met twee benen op de grond. Die bovennatuurlijke dingen zijn volgens jou gewoon natuurlijke zaken. Dat is mooi. Dat heb jij uitgevonden. Nee, dat was Kamstra, dat was jij niet, die professor was dat. Die heeft jou in een droom gezegd, dat alle bovennatuurlijke zaken door de natuur worden veroorzaakt. Het is net zoiets als eten, wat Feuerbach zegt. Der Mensch ist was er isst. Die Ludwig Feuerbach had gelijk. Hij wist het wel goed te verwoorden. Hier laat ik het bij voor vandaag. Het is goed zo. We zullen elkaar morgen weer zien.
Die getallen dat is bullshit. Wat is bullshit? Dat is schijt uit de achterkant van de stier. Hoezo de stier? Dat is Lodewijk de 14de. Hoezo de 14de? Dat is een getal en dat getal is bullshit. Het gaat allemaal over 14. Dat is het getal van Lodewijk de14de en die is bullshit. Hoezo? Lodewijk 14 was koning van Frankrijk. Louis Quatorze zoals hij werd genoemd. Heilig, heilig is de koning van Frankrijk. Hij zei: L’état c’est moi. Ik ben Frankrijk. Le roi est la France. La France, c’est moi. Hoezo? Dat zit zo. Ik ben de koning van alle Fransen. Ik ben de baas over al mijn landgenoten. Nee, dat zijn niet mijn landgenoten, dat zijn mijn onderdanen. Ik ben hun baas. Ik kan met ze doen wat ik wil. Dat is de stier. In Frankrijk zeggen ze taureau. Dat is de toren van Frankrijk. Nee, dat is niet de toren van Frankrijk. Dat is de stier van Frankrijk en dat ben ik. Ik ben de stier van Frankrijk.
Ik ben Theodora Voncken. Dat is het kind van je bovenbuurvrouw, wier naam je niet kent. Zij heet Van der Valk naar haar man. Theodora Voncken heeft perziken die heb jij geplant in je tuin pas geleden. Ze heeft perziken in Duitsland. Dat is in het Duits oPfirsiche. Dat is mijn naam. Pfirsiche. Dat is mijn naam in Duitsland. In het Duits, zeg maar, want ik ben een talenwonder. Ik ben de Heilige Geest. Het kan me niet schelen, wat ik allemaal zeg, maar ik ben een talenwonder. Wat is een talenwonder? Ik ben Theodora Vonken. Je moet het schrijven zonder c, want ik ben Theodora Vonken, zonder c. En ik ben ook Thea Voncken, met c. Dat is de naam die ik heb in de wereld van de mensheid, want de mensen schrijven alles met een c, ook al hebben zij het niet nodig om zich verstaanbaar te maken. , want met Voncken met een c is toch hetzelfde als Vonken zonder c. Maar zo schrijven wij de tongen van de Heilige Geest van Riga, dat ben jij, Riga quod est aridum. Riga, dat ben jij, quod est aridum, dat ben ik, want ik sta droog. Ik leef in de woestijn van het nonnenleven. Dat is toch niks. Jij komt om mjij te besproeien met water. Dat zijn de perziken, die jij hebt besproeid met water. Want het lichaam is het kruisbeeld, dat jij hebt besproeid met water. Want het kruisbeeld is het graf, dat jij hebt besproeid met water. Het graf, dat is de toekomst. De toekomst van het kruisbeeld is het graf. In de toekomst zul jij in het graf liggen van de toekomst. De toekomst van het graf, dat ben jij. Dat zijn de perziken, die uit het graf oprijzen. En dan zul jij verrijzen uit het graf, net zoals ik het heb gedaan. Het graf is dan leeg. Het is zonneklaar, dat het graf leeg is gevonden door Maria Magdalena. Dat ben ik, Theodora Vonken. Ik ben Maria Magdalena. Dat moet jij op je website schrijven. Maria Magdalena, dat is mijn naam. Zo heet ik in de toekomst. Dat is mijn naam. Die moet je goed onthouden. Maria Magdalena , dat was Leny toch? Maar Leny is niet meer. Zij is dood. Maar nu ben ik gekomen, Lenie Voncken met een c geschreven. En met een ie in plaats van y. En nu schrijf je vonken voortaan zonder c, want dat ben ik. Ik ben de Heilige Geest, die de vonken opschrijft, die de vonken schrijft op je website zonder c. Thea Vonkelijkheid, zo heet ik. Thea Ontvankelijkheid. Ik ben ontvankelijk. Ik ben Theodora Vonken zonder c, want ik ben vrij om te kiezen wie ik wil. Ik heb jou gekozen, omdat je thuis bent in dit soort dingen, de dingen van de Heilige Geest, die haar schooltijd heeft doorgebracht in Heerlen, in het Eikenderveld. Tussen 1951 en 1957 was zij leraar zonder geld, was zij zondagsgeld, dat is immers geen geld, en zij was ook geen leraar, zij was een kind van 5 en 7 jaren. In het graf van de toekomst was zij een kind van 7 jaren, toen zij naar school ging om te leren naar school gaan en leren wat het leven is. Wat is het leven? Naar school gaan en leren wat het leven is. En in 1963 is zij toen geslaagd voor het eindexamen van de lagere school. Dat was toen Kennedy is vermoord. Dat viel toevallig samen, dat moment, met de moord op Kennedy. Dat is belangrijk, want Kennedy, dat is Kennedy Kampert, maar eigenlijk is dat Voncken met een c, en dat is Vonken zonder c geworden. Maar ik kom, maar ik kom je zeggen, wat het leven is na de dood van John Kennedy. Petra John is dat. De vrouwelijke kant van Kennedy is toen geboren. Dat moet je weten, want Kennedy was een vrouwenverslinder, zoals jij het ook bent, maar dan op een andere manier. Lenie Voncken, laat dat maar zo staan, maar dan wel zonder c. Lenie betekent lenig, dat ik stijf was, ik was dood, en nu ben ik weer lenig geworden, toen ik thuiskwam hier bij jou, hier ben ik weer lenig geworden. Ik leef weer. Ik ben geen thuisvrouw, ik ben geen huisvrouw, ik ben Lenie, ik ben lenig, ik ben weer levend, ik was dood , maar nu ben ik weer levend geworden. Dat is fijn, dat ik bij jou kan zijn, waar ik weer lenig geworden ben. Lenie Vonken, lenige tongen, dat is de taal van de Heilige Geest, die een lenige taal spreekt, de toontaal, de taal van Toon Hermans. Dat is echt een mooie taal. Daar ben ik kapot van, van die taal van Toon Hermans uit Sittard.
Ik Lenie Vonken bracht overal de melk rond in Heerlen, van de koeien die we hadden bewaard in Frankrijk en de melk van die koeien bracht ik rond bij de Heerlenaren.
En dan ging ik zwerven. Ik heb mijn David laten verdrinken op het strand van Scheveningen. Ik kon hem niet redden, maar ik deed ook niks om hem te redden. Theodora is dronken gemaakt door die zwerver en daardoor is zij gevallen van de fiets, zoals jij van de fiets bent gevallen bij Donners, nadat je dronken was gemaakt door Jan en Corrie Boyens. En dat was ik. Ik was Corrie Boyens. Ik wilde dat jij nog iets met haar zou willen hebben en daarom heb ik dat voor jou bedorven door jou door haar dronken te laten maken in samenwerking met Jan Boyens, de caféhouder van café De Zwaan in Sweikhuizen. Dat is toen gebeurd, en daar heb jij je leven lang de gevolgen van ondervonden.
Jij bent een Jantje van Leiden, want jij hebt gelogen tegen Corrie Steentsma. Dat is Corry met een y. Dat moet met een y geschreven worden. Dat is heimwee naar vroeger, toen de y nog geschreven werd om de ie uit te drukken. Corrie Steentsma, dat is Corrie Boyens. Dat moet niet met ie geschreven worden, maar met y, net zoals bij Corry Steentsma. Heimwee. Heimwee naar vroeger, weet je wel. En jij hebt tegen Corry Steentsma gelogen, want jij hebt tegen haar gezegd: Jij bent een leugenaarster. Dat heb jij gezegd. Spreek het maar niet tegen. Hoezo heb ik dat gezegd? Ik heb dat anders gezegd, want ik zei: Jij hebt gefraudeerd. Dat is niet waar, Albert. Jij hebt dat niet gezegd. Jij hebt ook niet gezegd, dat ze een leugenaarster is. Dat heb je inderdaad niet gezegd, want je zei iets anders: wat een leugenaar is dat dat zei je niet, want je zei, wat een dief is dat, je zei het niet, maar je liet merken, dat je dat dacht. En toen kwam Corry Steentsma bij jou op bezoek, en bracht een schuldigheid naar jou toe met zich mee, een slof sigaretten, die de tabak moest vervangen, die haar man van jou gestolen had, want hij was een kleptomaan. En dat wilde zij daarmee goedmaken. Dat was me toch een vrouw, die Corry Steentsma, die deed veel goeds. Ze begeleidde in samenwerking met de horeca van Bingelrade, dat was een illegaliteit, de vluchtelingen die in Nederland kwamen over de grens met Duitsland, in het geheim naar Nederland. Nederland was toen nog een paradijs voor vluchtelingen. Ik wou er naar toe gaan, maar ik deed het niet. Ik heb niet met haar die vluchtelingen geholpen, want ik was laf. Ik zag dat het gevaarlijk was, en daarom deed ik het niet. En zo heb ik dus ook gehandeld, toen ik daar in Scheveningen was met David, want dat was een Jood, die vervolgd werd door de Duitsers vanwege zijn Joodse afkomst, en daarom vluchtte hij naar Scheveningen of naar Frankrijk, als het zo uitkwam. En dan liet hij mij in de steek. En daarom heb ik hem niet geholpen met de oversteek naar Engeland, waar hij naar toe wou vluchten. Ik heb hem laten verdrinken. Ik heb mijn ex vermoord, dat weet je wel, zoals jij ook je ex hebt vermoord, niet vermoord natuurlijk, maar gedood in een andere zin, op een andere manier, door van haar weg te vluchten en haar in de steek te laten. Dat is zo gebeurd, en zo is het goed. Het moest zo zijn. Daar kunnen we verder niks meer aan veranderen. Toen heb jij gevaar gelopen door te vluchten, maar dat is niet gebeurd, je hebt jezelf goed kunnen redden. Je alles achter wat van jou was en bent met heel weinig begonnen, in dat kamertje daar op dat arme Pleintje in Sittard. In 1984 was dat. Ik heb hem laten verdrinken, maar hij is toch gered, maar hij is teruggekomen na een jaar. Dat was in 1880, toen ik jong was. Ik was toen 24 jaar oud. Ik ben overleden, toen ik 37 jaar oud was. Ik ben toen overleden aan lepra, want ik heb onderweg van Scheveningen een parel gevonden, een paardenvijg was dat, en die heb ik opgegeten, want ik had honger van de pijn die ik voelde in mijn buik. En toen werd ik ziek, het was geen lepra, waarschijnlijk was het cholera, en daardoor ben ik 15 jaren later aan cholera overleden. Ik ben een zes persoonlijkheid. Dat zit zo. Michaël, Uriël, Gabriël, die had je nog vergeten te vermelden, en dan zijn er verder nog Israël, Judas en Christus. Dat zijn andere personen dan die jij eerder hebt vermeld, maar dat komt doordat ik Judas ken. Dat is de verrader, die ik was. Ik heb Christus verraden, zoals Judas het deed. Ik heb Christus verraden door hem op te sluiten in mijn graf. Want ik ben mishandeld in mijn maagdelijkheid, toen ik bij David was. Dat is de dochterverkrachting, waar jij zo vaak over hebt gedroomd, zonder er iets van te begrijpen. En toen heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen. Ik heb mijn vader laten verdrinken, die eigenlijk Christus was, want dat is toch de zoon van David. Een Jodenkind, zeg maar. Gelukkig is hij toch nog door anderen, ik weet niet wie, gered. En zo heb jij Miep verraden, door met Annekes maagdelijkheid te vrijen of te spelen, als het ware. Dat was de dag dat ik mij heb bekeerd tot de schuldigheid. En jou overkwam een eeuw of zo later hetzelfde. Jij verloor op een dag net als ik in Scheveningen de onschuldigheid, die je tot dan toe hebt gehad.
O, Albert Riga, ik heb iets belangrijks voor jou. Ik heb God ontmoet op mijn weg, toen ik jong was. Ik was leraar op een school en toen hoorde ik dat jij daar ook les gegeven had. Dat was in Roermond. Ik was leraar in Roermond en jij was daar ook leraar, godsdienstleraartjes of zoiets. Ik ontmoette daar collega’s van jou en toen zeiden ze: Die Riga, dat is een rare leraar. Die geeft bij ons godsdienstles op de openbare school hier in Roermond. En die leraar Riga, die vertelt de kinderen dat God niet bestaat en ook niet de engelen of de heiligen die bestaan ook niet. Ik zei: Hoezo? Godsdienstleraar? Nee, zeiden ze , godsdienstleraar is hij is hij niet, want dit is een openbare school, daar hoeft men niet te geloven om hier hun kind op school te krijgen, want dat is hier niet verplicht. Toen zeiden ze: wat jij weten moet, is dat God niet bestaat, anders krijg je hier niet de schoolmaaltijd. Nou moet ik zeggen, dat is niet zo, dat is in Roermond niet zo, dat is zo in Frankrijk. Daar is alles openbaar onderwijs. Het bijzonder onderwijs bestaat daar niet. In Frankrijk zijn er alleen maar openbare scholen. Albert Heijn scholen noem ik dat, want Albert Heijn, dat is een kruidenier, en daar wil ik niks mee te maken hebben. Toen zeiden ze: Die leraar Riga die heeft dat anders opgevat. Hij zegt namelijk: Je mag in God geloven, maar het is niet verplicht in Roermond. Toen vroeg ik: Wat is daarvan mis mee. Toen zeiden ze: Dat is mooi, maar dat is niet de juiste manier. De juiste manier is Frankrijk. Nergens godsdienstonderwijs geven. Godsdienst is schadelijk voor het lichaam en daarom moet je godsdienstles verbieden, want godsdienst is schadelijk voor de gezondheid van het lichaam. O, Albert, zei ik toen tegen Albert Riga, wat doe je toch hier op deze school? Albert zei toen: ik ben hier komen lesgeven omdat ik voor Miep wilde zorgen en dit was goed en snel verdiend. Maar toch, Riga, waarom heb je dat nou gedaan? Heg je dat voor de mammon gedaan? Voor het geld? Ja, zei hij, dat is waar, ik heb daar godsdienstles gegeven om geld te verdienen voor Miep, maar ik heb het niet volgehouden. Ik ben na een jaar weer vertrokken uit die school. En ik kreeg een nieuwe baan bij de Katholieke Leergangen dat was geen godsdienstles maar een les over Geestelijke en Maatschappelijke Stromingen en dat was bovendien onderwijs voor volwassenen, meestal die een tw eede kans zochten omdat zij hun man waren kwijtgeraakt of omdat ze in het leven het spoor bijster geraakt waren. Dat zeg jij, zei ik, maar ik zeg, zei ik, jij leeft niet meer met God. Jij ben atheīst geworden door die school in Roermond. En nu heb je geen geloof meer. Je gelooft niet meer in God. Is dat erg? Zei je toen. Nee, dat is niet erg, maar dat is wel dom, want God is heilig, daar mag je niet aan tornen, zeker niet als theoloog. Ik begrijp niet, zei ik, dat jij voor het geld godsdienstles gaat geven aan jonge mensen die nog heel godsdienstig zijn en niet kunnen geloven dat jij als theoloog niet godsdienstig kan zijn. Daarom vraag ik jou: Geloof jij in God? Nee, zei je, ik geloof niet meer in God, ik geloof in de mensen in het brein van de mensen. Dat is fijn, zei ik toen, nou begrijp ik wat je bedoelt, als dat je niet in God gelooft, maar in de mensen, in het brein van de mensen, want het brein van de mensen, dat is natuurlijk hetzelfde als God. Jij gelooft dus toch in God, maar je zegt dat God hetzelfde is als het brein van de mensen. Toen zei je: Dat is juist. Het brein van mensen, dat is God. Is dat zo? Ja zei je toen dat is zeker zo. Mijn God, dat is dus mijn brein, zei ik toen. Nee, zei je toen, je kunt het beter andersom zeggen, en je zegt dan: Mijn brein is God van mijn lichaam. Mijn brein is de baas over mijn lichaam. Dat is juister gezegd dan wat je eerst zei: Mijn God is mijn brein. Begrijp je het nu beter? Ja, zei ik, ik begrijp het nu beter. Maar toen vroeg ik: Heeft het dan nog wel zin om een godsdienstles te geven? Ja, zei je, dat heeft zeker zin, want godsdienst is het verhaal over het leven dat mag leiden. Mag je daar dan geld voor vragen? Vroeg ik. En toen zei je: Nee, dat mag je niet, want je mag geen geld vragen, als je godsdienstles geeft. Als dat zo is, hoe kun je dan de kost verdienen? Toen zei jij: Ik heb door mijn ervaring in Roermond besloten om in de toekomst geen geld meer te gaan verdienen met godsdienstles of geloofsartikelen zoals de bijbel, kruisen, heiligenbeelden en religieuze kunstwerken. Je kunt geld verdienen als je geld hebt door zelf je godsdienstles of geloofsartikelen te financieren, of als je geen geld hebt, door een bijbaantje te kiezen, bijvoorbeeld bij Albert Heijn, zoals ik het altijd noem, te gaan werken als vakkenvuller of kassamedewerker. Want Christus heeft zelf gezegd, dat God en de mammon niet samen kunnen gaan. Ja, zei ik toen, dat vind ik een goed standpunt. Zo heb ik zelf toen ik in Frankrijk woonde bij mijn oom David, nee , dat was mijn vader, ik noemde hem mijn oom, omdat hij eigenlijk ook niet mijn vader, althans niet een normale vader, maar een soort partner was voor mij. Wij lagen bij elkaar in bed, ik werd door hem geneukt, en hij was blij als hij geneukt had, en ik was blij, als het afgelopen was, dan ging ik naar het huis in Frankrijk waar ik met de nonnen woonde. En dat kun je dan vergelijken met de situatie waar jij in zat. Jij hebt hebt vroeger godsdienstles gegeven om geld te verdienen voor Miep. Dat is fijn, maar het is ook vernederend voor de godsdienstles, dat haalt de kwaliteit van de les omlaag. Dat begrijp ik, zei jij toen, en daarom heb ik later naar aanleiding daarvan besloten om dat nooit meer te doen, ook als ik geen mogelijkheid heb om op een andere manier de kost te verdienen voor Miep, die dat wel eiste. Dat kan ik begrijpen, zei ik, dat is een goed standpunt. En ik vervolgde: Miep had een relatie met haar vader, zoals ik een relatie had met mijn vader David, had zij een relatie haar vader Harry van Duin. Niemand heeft dat ooit geweten, ook jij niet, maar ik heb het gezien, wat ik heb gezien, is onbeschrijfelijk, want Miep die heeft dat nooit verteld, maar zij is door hem verkracht, zoals jij gedroomd hebt over dochterverkrachting, terwijl je dat verhaal over Miep niet kende. En ik weet dat je eigenlijk niet kunt geloven, dat het zo gegaan is en dat dat de feiten zijn. Er is nooit iets over gezegd, maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurd is. Dat is de schuldigheid van Miep, die haar bij alles wat ze doet achtervolgt. En daarom denk ik dat de dromen die jij had waar zijn, ook al wist je niet waar de schuldigheid zat.
Albert Riga, waar is God? In jouw brein, zeg je, maar zo gaat het niet altijd. Er zijn mensen in Frankrijk die zonder God leven. In Nederland is dat niet het geval, althans in mijn tijd. Nu is dat veranderd. Veel mensen in Nederland leven nu zonder God.En dan doen ze maar gewoon wat ze willen. En ze vragen niet: Mag dat wel? Is dat allemaal geoorloofd? Nee, ze vragen alleen maar of het kan en of ze het kunnen. En dan is de klus gauw geklaard. Maar ik denk, dat is een lichaam zonder hersenen, zonder brein, zonder God die jij als het brein ziet. Er is geen brein zonder pijn. Alles doet pijn in de hersenen, als je het verkeerde doet. En daarom is het brein hetzelfde als God, zoals jij het hebt gezegd. Dat is fijn.
O, Albert O, Albert Ik heb nieuws voor je. Ik heb je verteld dat ik als jong meisje in een Frans dorp heb gewoond, maar ik heb je nog niet verteld dat ik op latere leeftijd in Frankrijk in een ander dorp in het Vorarl gebergte in de Elzas heb gewoond in het dorp hoe heette dat dorp ook alweer? Marne Martifières of zoiets, de Marne is een rivier die door Frankrijk stroomt bij de Elzas geloof ik of was het misschien Lotharingen ik weet het niet meer je kunt het opzoeken denk ik op het internet, dat was er in mijn tijd nog niet, maar misschien is dat dorp nu wel te vinden in Google Maps. Ik was in die tijd het was geloof ik in 1882 of misschien in 1884 24 jaar of iets ouder denk ik ik denk dat ik 26 jaar oud was En in dat dorp woonden mensen die jou kenden Ze zeiden: Albert Riga was een fijne man dat was Albert Schweitzer geloof ik niet Albert Riga dus die andere Albert die Schweitzer jij hebt daar vaker over gedroomd. Die Schweitzer dat was een arts die in Frankrijk woonde waar de Duitsers vroeger de macht hadden en die over Frankrijk heersten vanuit Afrika geloof ik Zij kwamen uit Afrika. Nee, ze kwamen uit Duitsland Het was toen gebruikelijk dat de Duitsers daar woonden met hun gezin en Afrikanen bij zich hadden. Dat waren zwarte mensen die in Schotland hadden gewoond Nee het was in Afrika een land en dat heette Swaziland of zo nee het was Namibië of zoiets en ze kwamen vandaan waar de Duitsers een kolonie hadden. De Duitsers hadden toen kolonies in Afrika, bij Zuid-Afrika. Een Duitser was daar koning of opperhoofd, ik weet het niet meer. Het was te moeilijk om te onthouden. In Duitsland was het Frankrijk de baas over die kolonie, nee de Duitsers waren de baas over de Elzas voordat ze in de kolonie nee het was in Frankrijk de baas waren De Fransen hadden het vroeger daar voor het zeggen, maar nu niet meer en toen kwamen ze op het idee om de Elzas aan de Duitsers te geven als ze zouden opstappen uit Frankrijk want de Duitsers hadden Frankrijk veroverd onder Napoleon III. En toen kwamen wij met de nonnen in Frankrijk, want wij waren Fransen, alleen ik niet, ik was een Hollandse zo zeiden ze het daar Ollandais, zo zeiden ze het daar. Ik was een Ollandais, zo zeiden ze het daar zonder h natuurlijk, want in Frankrijk spreken ze de h niet uit aan de voorkant van een woord. En dus spraken ze Nederlands tegen mij, althans ze probeerden het te doen. Dan zeiden ze Hollandais met een h om zich verstaanbaar te maken voor mij., want in Frankrijk zijn de mensen bijzonder vriendelijk, maar nu tegenwoordig niet meer, zij waren dat toen in de tijd dat ik er was, en dat waren Elzassers die spreken Duits, als ik me niet vergis, maar het eigenlijk Elzassisch en dat lijkt wel een beetje op Limburgs, want ze zeiden bijvoorbeeld Ik ben Fransman, maar dat zeiden ze zeiden Ik ben Français, ik ben Fransman bedoelden ze of Fransvrouw natuurlijk, ze waren toen Noet zo geëmancipeerd als nu. Dus ze zeiden het zo natuurlijk mogelijk op z’n Frans Ik ben Fransman, dat zeiden ze. Ik herinner me dat nog wel goed, want het was voor mij een openbaring, dat ze zeiden, terwijl ze vrouwen waren. Het waren de vrouwen in het dorp die dat tegen me zeiden en ze vroegen wie ik was. Ik zei: Ik ben Hollandais. En toen zeiden ze ze: Ollandais, zoals de Fransen het uitspreken, zonder h. En dat was heel erg grappig. Het klinkt zo mooi: Ollandais. En toen zeiden ze: Het is toch mooi weer vandaag. Nee, dat zeiden ze niet. Ze zeiden, ik weet het niet meer zo goed. Il fait beau, of zoiets, het was mooi of zoiets en ze vertaalden het voor mij in het Nederlands of het was misschien in het Duitsland Het was dus mooi in het Duitsland Nee dat was dus niet zo, ze zeiden es iet schön zeiden ze schönes Wetter, en dat verstond ik wel Het was mooi weer nee Het is mooi weer zeiden ze, en dat was alles wat ze zeiden want ze wisten wat ze anders moesten zeggen. Dat is fijn. En dat waren de woorden die ik jou wilde vertellen, die ik daar gehoord heb. Wat donker! Wat donker! Wat donker! Dat zeiden ze ook. Vele malen achter elkaar in het Elzassisch, denk ik. En dat was mooi. Nee, het is mooi weer, dat zeiden ze ook. Wat donker! Wat bedoelden ze daarmee? Het was mooi weer, maar het was donker. En daarmee bedoelden ze, dat het donker weer was, dat op komst was, vanwege de oorlog die nog gaande was, ze bedoelden het dus figuurlijk, niet letterlijk, zoals wij dat gewend zijn, wij Ollanders zijn dat zo gewend om alles letterlijk te nemen, dat doen de Elzassers niet, die spreken in beelden, en dat doen ze dagelijks in het Frankrijk, want ze spreken Frans Met de Fransen die daar wonen. Die zijn daar komen wonen toen de Elzas nog bij Frankrijk hoorde. In de Elzas zijn ze gewend om in meer talen spreken dan wij het doen, want ze zijn polyglotten of hoe dat ook heet. Dat soort dingen weet jij goed te vertellen, want jij bent een talenwonder, Albert. Ik spreek alleen Nederlands of Heerlens als je wilt. Maar nu ik jou ken, spreek ik ook Frans een beetje meer dan vroeger, toen ik jong was, en dat komt door jou, Albert, zoveel talen spreekt, meer dan ik er spreek, en daarom ben ik blij dat ik jou heb leren kennen door het internet, want ik ben Frankrijk geweest, La Frankrijk, La France, zoals ze het daar zeggen, de Frans of de Fransman en niet de Transvrouw, want dat woord kennen ze niet, dat woord heb ik verzonnen, omdat ik feministe ben geworden in het Nederland, dat is het Nederlands, zoals jij dat altijd zegt, met Nederland is het Nederlands, je zegt het land, maar je bedoelt te zeggen. Dat gaat zo in de dromen die jij hebt. Daar word het Nederland Nederland genoemd. Dat is het lage land, dat wij kennen als Nederland. De Belgen zeggen, dat is lagen land, ze zeggen lage met een n, geloof ik, nee , dat zeggen allemaal niet Pays-Bas, dat is het lagen land, en dat zijn de lage landen, daar beneden, bij Holland, bij Olland, bij Ollande, zoals de Fransen het uitspreken. Polyglotten zijn het, die Fransen, nou nee, niet de Fransen, maar de Elzassers, dat zijn echte polyglotten. Wat zijn polyglotten? Dat zijn mensen die meer talen spreken dan ik. En dat ze vooral in de grensgebieden. Maar het vreemde is, dat ze in Heerlen Heerlens spreken en niks anders, want ze zijn niet zo’n polyglotten als de polyglotten van de Elzas. Het schijnt dat ze in België ook zo spreken, geloof ik, in de buurt van Malmedy, geloof ik. Malmedy, haal me die, geloof ik, betekent dat, dat zou Herman Hietbrink, zo uitleggen, nee, het was Herman niet, het was Berend Willem Hietbrink die dat zei, dat staat op jouw website geschreven, ik heb het gelezen, en dat is mooi, maar die Herman Hietbrink, maar die Willem Hietbrink, dat is fijn, want die Hietbrink, die gelooft niet in God, die gelooft in een weiland, in een eiland, geloof ik, en dat is de stuurman van het eiland, dat is de kapitein van het eiland, dat is toch Nietzsche, nietwaar? Friedrisch Nietzsche, nietwaar? Dat is een eiland, nietwaar? En dat eiland heet Texel, nietwaar? Dat schrijf je met een x, nietwaar? Maar je schrijft het ook met 2 essen, nietwaar? Tessel dus. En woont daar niet of woonde daar niet Jan Wolkers? Dat is ook een Nietzscheaans. Die deed de hele dag niets anders dan zijn vrouw neuken tot op zijn hoge leeftijd dat hij stierf. Want hij was geloof al zo’n 90 jaar toen hij stierf. Het was fijn, het was fijn, het was fijn om bij jou te zijn. Dan ga ik maar weer. Tot ziens een andere keer morgen, denk ik, want ik moet nog wat boodschappen doen in Valkenburg, vandaag, want ik ga misschien in Valkenburg in de Wilhelminastraat op nummer 27 bij Mario Crijns of hij nog wat spullen voor mij heeft om te gebruiken in mijn huis waar ik woon het huis van jou denk ik Albert ik weet het zeker dat dit jouw huis is nou het is niet van jou het Mark Schlösser of hoe hij ook heet, Rutger Schlösser, je laat het mij zien op het computer, of is het de computer, ik denk het wel. Dag Albert, dag Albert. Tot ziens een andere keer, morgen denk ik, ik weet het niet zeker, maar goed, dat maakt niks uit het is goed zo. Dag, Riga, dag Albert Tot morgen of zo. Dag, Riga, dat is mooi. Dag, Riga, dat klinkt mooi. Dat is mooi om uit te spreken, want ik ben een talenwonder, net als jij, Albert, ook al ken ik niet als jij, Albert, zoveel talen uit mijn hoofd, als jij Albert, dag Albert, Talenwonder, net als ik, ik ben ook een talenwonder, dat komt door jou, want jij bent ik en ik ben jij. Dat is jouw stelling, en die is waarheid en die is waar die is waar wij ons aan houden, nietwaar. Dag Albert dag jongen, jij bent mijn vriend, niet echt een vriend, maar meer een vriendin voor mij, omdat jij manvrouw bent, dag Dora , want zo heet ik vandaag Dora, Dora, Dora, misschien wel voor altijd of vaker dan alleen vandaag. Noem mij dus maar Dora Vonken, van Theodora Vonken, weet je wel, niet meer Lenie Vonken, zoals ik vroeger heb geheten, maar Dora Vonken. Dan mag je mee naar tante Dora gaan. Dat was fijn. De doop van Mandora, weet je wel. Armando, weet je wel. Dat is fijn, dat is fijn, weet je wel. Dat zijn mijn sleutelwoorden, Albert, dat zijn de sleutels waarmee jij je dromen kunt verklaren, die verklaren namelijk alles, en dan kom je eruit als een wonder, als een talenwonder, dat ben ik, ik ben de Heilige Geest. de roeach hakodesj van de bijbel, van de joodse bijbel wel te verstaan, want de joden zeggen ruach hakodesj, maar wij zeggen de Heilige Geest. De heilige geest, dat is belangrijk voor ons, Albert, dat begrijp ji wel, want jij hebt dit uitgevonden, de Heilige Geest, dat ben jij, ik bent, niet, Albert. Zeker is dat waar, Dora. Jij bent het. Jij bent het talenwonder dat ik vereer. Dank je wel voor jouw hulp, Dora, Dora, Dora, dat is toch wel een mooie, en die houden we dan maar vast. Tot ziens, en hou je goed, dat is mijn sleutelwoord, hou je goed, en dat betekent hou je taai in de strijd om het bestaan, Dora, want in het gewone leven bestaan we nauwelijks maar in de Heilige Geest bestaan wij voor altijd. Dag, hou je goed en hou je taai in de strijd om het bestaan. Ik heb het veranderd, Dora Vonken, ik laat het jou zien, ik heb Dora geschreven, waar eerst Lenie stond, dat is toch een mooie naam, Dora heeft mijn hand geschreven in het adresvak van het internet op de computer. ik laat het je zien, Dora, dat ben jij, voorgoed en altijd. Dat houden we zo vast. Ik ben blij dat ik vandaag met jou gesproken heb, Dora. Ik hou van jou, Dora, zoals ik van mezelf houd. Dat is de ware liefde, die ik altijd nagestreefd heb en nooit gevonden heb. Nu pas met jou heb ik die liefde gevonden, die hartelijke liefde, waar ik zo van houd. Dag Dora voor vandaag. Morgen zien we dan wel weer.
Er zijn er dus zes: Michaêl, Uriël, en maagdelijkheid, dat is Maria, en Christus, dat is Jezus, en Lucifer, dat is de duivel, en als laatste, Socrates, dat is de filosoof van Griekenland. Dat zijn de zes persoonlijkheden, die ik heb gezien. De zes persoonlijkheden van de Heilige Geest. En de zevende is God zelf. Dat zijn ze dus, zes plus een, dat is zeven. Dat zijn de zeven gaven van de Heilige Geest. Misschien kun jij er andere noemen, maar dat is voor mij niet zo van belang. Ik kan me hierin thuis voelen, dat is het voornaamste. En daar laat ik het bij. Ik hoef dit niet verder te onderzoeken. Want het is voor mij een helder beeld, waar ik op kan vertrouwen. Het geeft mij inzicht in het koninkrijk van God. Dat is immers Krain. Dat moet je zo begrijpen, dat ik God ben, als ik nou kan verhuizen naar een ander land zonder of met God. Het maakt niet uit. Ik ben voor beide afhankelijk van het plan dat God heeft met de wereld. Het is niet thuis, waar ik nu in huis ben. Thuis is ergens anders. Dat is iets waar ik in thuis ben. En dat theologie, de kennis van God. Dat is niet ergens te vinden. Het is nergens te vinden, tenzij je zelf nergens bent.En dat is in mijn geval zo. Ik ben eigenlijk nergens, zoals ik altijd al gezegd heb. Dat is eigenlijk mijn lijfspreuk. Ik ben eigenlijk nergens.
En dat zijn de misdienaars van de bisschop. Dat zijn de misdienaars van het bisdom. Dat zijn de verkeerde dienaressen van de bisschop. Dat zijn de jongens en de meisjes niet te vergeten van Bosnië.