https://sites.google.com/view/linguarium
Overmaas
Münster 1648
Tractaet van vrede, beslooten den dertichsten Ianuarij deses jegenwoordighen Iaers sesthien hondert en acht en veertich binnen de stadt Munster in Westphalen, tussen den Doorluchtichsten en Grootmachtigen Prince Phillips de vierde van dien naem, Coninck van Hispanien, &c. ter eenre, ende de Hoogh Moogende Heeren Staten Generael vande Geunieerde Nederlanden, ter andere zijde.
Artikel 3.
Een ijgelick sal behouden en datelich gebruijcken de Landschappen, Steden, plaetsen, Landen ende Heerlicheden, die hij tegenwoordich hout en besith, sonder daerin getroubleert oft geleth te worden, directelick noch indirectelick, in wat manieren dat het zij, daer onder men verstaet te begrijpen de Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, die daer van dependeren; Ende sullen dien volgens de geheele Meijerie van
's Hertogenbosch, als mede alle de Heerlicheden, Steden, Castelen, Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, dependerende vande voors. Stadt ende Meijerie van 's Hertogenbosch, Stadt en Marquisaet van Bergen op Zoom, Stadt ende Baroninie van Breda, Stad van Maestricht, 't ressort vandien, als oock het Graeffschap vanden Vroonhoff, de Stadt Grave en Land vanCuijck, Hulst, Baillage van Hulst en Hulster Ambacht, als oock Axele Ambacht, gelegen besuyden ende benoorden de Geule, mitgaders de Forten die de gemelte Heeren Staten jegenwoordich inhebben int Land van Waes, ende alle andere Steden en plaetsen dewelcke de gedachte Heeren Staten houden in Brabant, Vlaenderen en elders, blijven aende voors. Heeren Staten in alle ende deselve rechten en delen van Souverainiteit en superioriteit niet uijtgesondert, en even gelijck als zij sijn houdende de Provincien vande Vereenichde Nederlanden. Welverstaende dat alle de reste van't Land van Waes, uijtgenomen de voors. Forten, sal blijven aenden Coninck van Spagnien. Wat aengaet de drie Quartieren van Over Maze, te weten Valckenburch, Dalem en 's Hertogen Rade, deselve sullen blijven inden Staet in dewelcke die sich jegenwoordich vinden; Ende in cas can dispute en controversie, sal
deselve gerenvoijeert worden aende Chambre mi partie, daer van hier na wort gesproocken, omme aldaer te worden gedecideert.
Artikel 21.
Daer sullen ten wederzijden eenige rechters in gelijck getal worden gecommitteert bij forme van Chambre mi partie, die hunne residentie sullen houden inde Nederlanden, en op alsulcke plaetsen als gehoren sal, ende sulcx bij beurten,dan onder het gebied van d'eene dan van d'andere, na dat sulcx bij onderlinge bewilliginge sal goet gevonden worden, welcke wederzijts gestelde Rechters, volgens de Commissie en Instructie hun te geven, en op dewelcke sij sullen Eedt doen, volgens seecker formunier daer toe ten wederzijden te arrestereren, sullen opsicht nemen over de handelinge der Ingesetenen der voors. Nederlanden, en de lasten en jmpolitien die ter eenre en ter andere zijde geheven sullen worden opde Coopmanschappen; Ende indien de voornoemde Rechters comen te bevinden dat daerin te eenre, ofte ter andere, ofte wel ten beijden zijden ecxes werde begaen, sullen 't selve ecxes reguleren en modereren. Voorts sullen de voors. Rechters examineren de questien over de non executie van het Tractaet als oock de contraventien vandien, die in tijden ende wijlen souden mogen comen te rijsen, soo inde Landen van Herwaerts over, als oock inde verre affgelegen Coninckrijcken, Landen, Provincien en Eijlanden in Europa, en daerop samnarie en de plans disponeren ende uijtspreecken 't geene zij in conformiteit van het Tractaet bevinden sullen te behooren; Ende sullen de Sentencien en dispositie vande voors. Rechters ter executie worden gestelt, door de ordinaris Justitie ter plaetse alwaer de con-traventie is geschiet, ofte wel jegens de persoonen vande contra-venteurs, nae dat sulcx naer gelegenthuijt sal worden gerequireert; Ende en sal de voornoemde ordinaris Justitie in geen gebreecke mogen blijven de vornoemde executie te doen, off te laten geschieden, en de contraventie te repareren binnen den tijt van ses maenden, naer dat de voors. ordinaris Justitie daer toe sal wesen versocht. (...)
Bron: Wikisource, Vrede van Münster.
Den Haag 1661
Alsoo t'zedert den gemaeckten vreede tusschen den Heer Coninck van Hispanien ter eenre ende de Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden ter anderen zijde verscheijden differenten ende verschillen zijn geresen ende ontstaen nopende de souverainiteijt ende het absolut gesach over de landen van Valckenburch, Dalem ende s'Hertogenrade, Overmaze, (...)
Ende daerop de partagie selve van de voorschreve drie landen par Ie menu zijnde ter handt genomen ende daerover oock, soo op de manier ende forme als op de ingredienten ende parthijen selve, verscheijden voorslagen ende conventien zijnde voorgegaen, meenichvuldige conferentien gehouden, staten van de balancen ende contrabalancen hinc inde geextradeert, ende daernae noch weder getreden tot een minnelicke ende amicabele conferentie, wij ambassadeur ende commissarissen voornoemt, eijndelick oock op de verdeelinge van de voors. drie landen par Ie menu ende stuck voor stuck onderlinge zijn geaccordeert ende verdragen, in manieren hiernae volgende.
Namentlick dat hoochstgemelten Heer Coninck in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem en zijne nacomelingen, uijt den voors. lande van Valckenburch de heerlijcheden ende dorpen van Nutt, Alt Valckenburch, Strucht, Schin op de Geul, het huijs Oost op de Geul, Wijnantsrade, Geleen, Schinnen, Spaubeecq, Oorsbeeck, Jabeeck, Bronssem, Schinvelt, Hoensbroeck, Vaesrade ende Schaesberch; voorbehoudens dat den ordinarisen wegh van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de voorschreve heerlijcheijt van Schaesberch, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voors. wegh (soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelicke bekommeringen, servituten ofte belastingen, met een volcomen recht van eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! blijven aen meer hoochgemelte Heeren Staten Generael, met dien verstande nochtans, dat den grondt van de voors. twee roeden wederzijts den voors. wech sal verblijven aen de eijgenaers van dien ende dat oock de op ende ingesetenen van de voors. heerlijcheijt van Schaesbergh den voors. wegh tot op s'Hertogenrade ende den Rijcxbodem ende oock tor Heerle toe sonder eenige becommeringe ende belastinge als boven sullen mogen blijven gebruijcken; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, tot alle de voorschreve heerlijcheden specterende, mitsgaders oock het clooster ofte convent van Sint Geerlach binnen zijne muijren, met vrijheijt van alle de goederen, opcomsten ende revenuen die tegenwoordigh daertoe specteren, waer oock deselve souden mogen gelegen zijn. Dat oock van de leenen, releverende van den casteele van Valckenburch, sullen werden gedetascheert ende ten behoeve van hoochstgemelten Heer Coninck blijven de buijtenleenen hiernaer gespecificeert, te weeten: den abtshoff van Godtsdael tot Munster Geleijn, het dorp van Sint Maertenvoeren, het huijs ende casteel van Wolffsrade, de thienden van Reijmersdael, den hoff van Conrade, de heerlijcke goederen ende thienden van Teuven in het hertochdom van Limburgh, de heerlijcheijt ende het huijs van Limbricht, de molen tot Schertsheel bij Aecken, den hoff ende molen tot Susterseel, het leenhoff van de Seventhien Mannen tot Sombreff, het veer tot Stockum, de heerlijcheijt van Vissersweert, den hoff genaemt Langhvelt in het landt van Limburch ende het leen van Reijmerstock.
Dat van gelijcken den hoochstgemelten Heer Coninck uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende sijne nacomelingen, de bancken, heerlijcheden ende dorpen van s'Gravenvoorn, Meer, Noorbeeck, Warsage, Moulingen, Sint Maertensvoeren, Aubel, Cheratte, Neufschasteau, Mortier, Hous ende Richel, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien.
Eijndelick dat hoochstgemelten Heere Coninck uijt den lande van s'Hertogenrade in gelijcken vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende zijne naecomelingen als vooren, het casteel ende de stadt van s'Hertogenrade ende voorrs de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Marcksteijn, Kerckenrade, Ubach, Simpelvelt, Wels en Roerdorp, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle appendentien ende dependentien van dien, specialick oock daerin begrepen alle de verdere leenen buijten s'landts gelegen ende tot den voors. casteele gehoorende.
Dat oock meer hoochgemelte Heeren Staten Generael in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen, uijt den voorschreve lande van Valckenborch het casteel ende de stadt van Valckenburch ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Meerssen, Houthem, Haren, Geul, Ulestraten, Bunde, Ambij, Itteren, Climmen, Hulsbergh, Schummert, Eijsden, Herckenrade, Ekelrade, Beeck, Neerbeeck, Bergh, Bemelen, Blijt ende Heerle, alsoock den ordinarisen wech van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de heerlijcheijt van Schaesbergh, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voorschreven wegh ( soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelijcke becommeringen, servituten ofte belastingen, hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, tot de voors. heerlijcheden specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. Dat oock van de leenen, releverende van den voors. casteele van Valckenburch, ten behoeve van hoochgemelte Heeren Staten Generael aen deselven sullen blijven geattacheert de buijtenleenen van Hurt, Mesch, Leuth, de Witte Poort van Steijn, de adelijcke sate ende hove rot Eijsch, den grooten ende cleijnen Blanckenburch tot Cadier, de goederen onder Reccum gelegen, de veeren over de Maze tot Reccum ende Geul, het leen tot Bilsen genaemt het Mangelt, de goederen gelegen tot Udickhoven, den Eijscherbosch gelegen bij Sint Geertruijen, ende het leen Bruijsterbosch.
Dat van gelijcken de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare naecomelingen, het casteel ende de stadt van Daelem ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Trembleur, Olne, Bombaij, Fenneur, Cadier ende Oest, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, specialick daer oock inbegrepen alle de leenen buijten s'landts gelegen, bestaende in heerlijcheden, dorpen, hoven ende andere goederen, aen het voors. casteel behoorende.
Ende eijndelickdat de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van s'Hertogenrade in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen , de bancken, heerlicheden ende dorpen van Gulpen, Marckgraten, Holseth, Vijlen ende Vaels, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. (...)
Des ten oirkonde hebben wij ambassadeur ende commissarissen deselve articulen, pointen ende conditien met onse eijgene handen onderteeckent ende met onse respective cachetten doen bevestigen, in den Hage den sessentwintichsten December XVIC een entsestich.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.