Roccaraso, Macerone & Rionero Sannitico
~ Abruzzo & Marche ~
Roccaraso, Macerone & Rionero Sannitico
~ Abruzzo & Marche ~
Lengte: 8,6 kilometer (Roccaraso)
Hoogte: 1.228 meter
Hoogteverschil: 427 meter
Gemiddelde stijging: 5,0%
Maximale stijging: 10%
Beoordeling: 2/5
Lengte: 9,1 kilometer (Rionero)
Hoogte: 1.036 meter
Hoogteverschil: 624 meter
Gemiddelde stijging: 6,7%
Maximale stijging: 11%
Beoordeling: 3/5
Lengte: 3,5 kilometer (Macerone)
Hoogte: 688 meter
Hoogteverschil: 263 meter
Gemiddelde stijging: 7,5%
Maximale stijging: 10%
Beoordeling: 1/5
Een drie-eenheid. Als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Of voor de jeugdige lezers: Kwik, Kwek en Kwak. Of voor liefhebbers van het cyclisme: il tridente zoals de ploegleiding van Movistar het trio Valverde, Quintana en Landa in 2019 pleegde te noemen. Een drietand - een passende benaming voor de Válico del Macerone, Válico di Rionero Sannitico en de Roccaraso. Gezamenlijk verantwoordelijk voor vijftig Giro d’Italia beklimmingen tot het jaar 2020. De Macerone spant de kroon met negentien doorkomsten, gevolgd door de Rionero met achttien en Roccaraso met dertien. Maar bovenal van een onschatbare historische Giro waarde.
Het is een kleine drie kilometer naar de naamloze top. De slingerende weg leidt door het Abbruziaanse bergdorp Barrea en weg van het Lago di Barrea. Na de 300 afgelegde hoogtemeters - iets meer dan de Vaalserberg - kom ik boven op 1172 meter boven zeeniveau. Dermate hoog bevind ik mij in het zuiden van de bergachtige regio van de machtige Abruzzen met bergtoppen tot over de 2000 meter. Een gebied waar wolven en beren zich schuilhouden in de uitgestrekte bossen. Een slingerende afdaling wordt gevolgd door een vlakke en welhaast kaarsrechte, West Friesland-gelijkende weg. Een hoogvlakte zoals zovelen in dit deel halverwege de laars. Bij een t-splitsing is het rechtsaf naar de Rionero en links naar het skidorp Roccaraso.
Aan de voet van de beklimming in Castel di Sangro is het ondanks de corona tijd een drukte van belang. Toeterende auto’s, schreeuwende marktkooplui en driftig naar hun jengelende grut roepende moeders. Italiaanse chaos op duizend meter hoogte. Buiten Castel di Sangro neemt de zalige rust van het bosrijke gebied de overhand. Vrijwel direct loopt de weg stevig omhoog. Wisselende steiltegraden tot een maximum van tien procent. Ondanks de hoogte maar dankzij de weinige schaduw loopt de temperatuur flink op. Het is af en toe harken tot aan de drukke SS17. De acht kilometer korte beklimming - de andere zijde is 25 kilometer lang - zit er bijna op. Wat resteert zijn drie laatste vals platte kilometers om Roccaraso te bereiken. Ofschoon de omgeving van het dorp totaal niet tot mijn verbeelding spreekt - skigebied met appartementencomplexen - krijg ik toch een rilling door mijn lijf. Met mijn ogen tot spleetjes tracht ik me voor te stellen hoe het hier 111 jaar geleden - tijdens de doorkomst van de eerste Ronde van Italië - moet uit hebben gezien. Hoe hard ik mijn hersenen en fantasie ook pijnig; het lukt me niet. Hoe graag zou ik het willen ervaren. Het schemerdonker met de eerste zonnestralen die de nabijgelegen bergtoppen roze kleuren. De rust en de stilte die plots worden doorbroken door voort stoempende coureurs. Giro-helden van het eerste uur. Daar zijn ze: Rossignoli, Galetti, Gerbi en Ganna. Zij passeren in een select groep als eerste renners de top van de allereerste berg uit de roemruchte geschiedenis van de Giro. Een luid getoeter van een met bomen volgeladen vrachtwagen doet me ontwaken uit mijn gemijmer. Niets geschiedenis, niets stof en niets grind. Goedlopend asfalt van de buitencategorie.
Na een vlotte afdaling stoom ik wederom Castel di Sangro binnen. Onmiddellijk bekruipt me een opwindend doch onrustig gevoel. Speurend en zoekend naar duiding in de verandering. Een oplossing ontbreekt. In de verte de splitsing. Rechtsaf naar Barrea. Rechtdoor naar twee overgebleven tanden van Neptunus. Waar de SS17 een dik uur geleden druk was, overvalt mij de rust en de stilte op weg naar de Rionero Sannitico. Een ingewikkeld wegenstelsel van rotondes, bruggen en splitsingen brengt de Garmin van slag. ‘Signaal verloren’ geeft het scherm op onverbiddelijke wijze aan. Borden volgen dan maar. Wederom maakt het onrustige gevoel zich van mijn hoofd meester. Plots duid ik het. Het zijn de vogels of beter het gebrek aan. Het is doodstil. Geen gekwetter en gefluit. Ook de spaarzame vrachtauto’s hebben hun motorgeluid gestaakt. Stilte kent zijn eigen geluid zoals ik jaren geleden ergens in de Outback van Australië al eens heb mogen ervaren. Een serene stilte. Gevoel van doofheid. Een enorme klap onweer verstoort de rust. Hoe is dit mogelijk op een klaarlichte en wolkenloze dag? Of beter gesteld: het was klaarlichte en wolkenloze. De plots invallende schemering neemt danig de plaats van de zon in. De temperatuur daalt met rasse schreden. Door de snel veranderende omstandigheden slaat bij mij de paniek toe. In de verte ontwaar ik de contouren van Rionero; een schuilplaats tegen het naderende onheil. Hoe dichter ik kom, des te donkerder de omgeving wordt. Waar de steiltegraad op papier gemakkelijk bleek te zijn, werk ik me in het zweet. Ik kom nauwelijks nog vooruit op het wegdek van keien en grind… Dat was net toch asfalt? Heb ik de overgang ervan gemist? De stilte wordt doorbroken door het pruttelen van een motor. Een tractor wellicht? Bevangen door angst stuur ik mijn Trek Domane naar rechts, precies op tijd om een auto van antieke makelij te laten passeren. Stof waait in mijn gezicht. Als de stofwolk wat is gedaald, prikken de eerste zonnestralen door de hemel. Als de gang er bij mij weer wat in zit, klinkt vanachter een gehijg en gepuf en geschreeuw. Een aantal schimmen op fietsen halen me ongenadig hard in. Mannen in donkere kledij, stofbrillen, snorren. Als ik niet beter zou weten ben ik deelnemer aan een lokale Eroica. Maar dit tijdstip en onder deze omstandigheden? De mannen worden zienderogen kleiner en nemen de top van de Rionero. Met gevaar voor eigen leven stort ik me in de afdaling, op weg naar de laatste top. De steile Macerone. Brug over, rivier over en klimmen maar. Ondertussen halen meer coureurs mij bij. Met de grootst mogelijke moeite en een slordige 360 watt wegtrappend kan ik ze bijblijven. Hun fietsen zijn anders. Eenvoudig staal. Geen versnelling. Hun stijl is anders. Hoekig, stoempend, duwend, trekkend met de elegantie van een olifant op een Alpenpas. Nog even en we zijn boven en kan ik met een gerust hard pauzeren. Straks komt mijn vrouw en kind mij met de auto ophalen. Maar hoe dan? Op de top van de Macerone wordt het snel licht. De temperatuur stijgt zienderogen. Vogels brengen hun kenmerkende gekwetter weder te hoor. In de verte een boer op een tractor. Aan de weg het snerpende geluid van een aantal hardwerkende mannen die het gras en onkruid van de berm kort houden. Ik sta nog bij te komen van mijn recente belevenissen. Wat heb ik gezien? Wat heb ik ervaren? Een speling van het lot? Een plotseling verschuiving van de tijd? Een scheur in het universum? Waar ben ik in hemelsnaam getuige van geweest?
De stad Roccaraso ligt op 1236 meter hoogte en is één van de belangrijkste skigebieden van Zuid-Italië en Abruzzen. De stad is rond het jaar 1000 ontstaan en dankt haar naam aan de rivier de Rasinus en San Rocco - de patroonheilige van de zieken aan de pest. De stad wordt pas aan het einde van de negentiende eeuw belangrijk als de historische spoorlijn Sulmona-Isernia in 1897 wordt aangelegd. Hierdoor wordt de stad en de directe omgeving gezien de ideale ligging een belangrijke wintersportplaats voor de gegoede burgerij van Napels. Tot de Tweede Wereldoorlog werd Roccaraso beschouwd als het meest geavanceerde skistation in Zuid-Italië en de Abruzzen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt Roccaraso onderdeel uit van de Gustav verdedigingslinie. Als de geallieerden het nabijgelegen Castel di Sangro innemen besluiten de Duitsers de tactiek van de verschroeide aarde op Roccaraso en enkele andere dorpen toe te passen. De stad wordt vrijwel geheel in de as gelegd, waardoor enkele historische gebouwen voor altijd verloren zijn gegaan. Alle inwoners wordt verstaan gegeven dat 'allen die nog in het dorp of in de omliggende bergen zijn, als rebellen zullen worden beschouwd en de behandeling zullen krijgen die volgens de wet van het Duitse leger van toepassing is." De inwoners van het nabijgelegen Pietransieri geven geen gehoor aan deze oproep waardoor de nazi's de ongewapende inwoners oppakken en in de bossen vermoorden. De 128 lichamen waaronder die van 34 kinderen blijven lange tijd bedolven onder de sneeuw achter in de bossen tot deze in de loop van 1944 worden ontdekt. Slechts één overlevende ontsnapt aan het bloedbad, Virginia Macerelli, een zesjarig meisje. Zij overleeft de slachtpartij door zich onder de kleren van haar moeder te verschuilen.
Het lager gelegen Castel di Sangro dateert van de zevende eeuw voor Christus. In die tijd was het een van de belangrijkste nederzettingen van de Samnieten - een oud Italiaanse volk dat zich vestigde in het centraal-zuidelijke deel van het schiereiland. Tegen het midden van de elfde eeuw is er officieel sprake van Castel di Sangro, afgeleid van de naam Castrum Sari en verwijzend naar het kasteel dat boven op de Colle San Giovanni werd gebouwd op de overblijfselen van reeds bestaande vestingwerken. De stad ligt aan de rivier de Sangro. Deze ontspringt verderop in het nationaal park van de Abruzzen om via het kunstmatige meer van Barrea en Castel di Sangro in de Adriatische Zee uit te monden.
Rionero, dat in de late middeleeuwen en de vroege renaissance onder de macht van verschillende families kwam, diende aanvankelijk als een feodaal centrum, evenals andere nabijgelegen steden. De familie Carafa heeft sinds het ontstaan van het stadje de ontwikkeling van het gebied het meeste beïnvloed. Daarbij hebben zij onuitwisbare sporen nagelaten, die vandaag de dag nog steeds zichtbaar zijn door het kasteel - dat door de huidige eigenaren tot ruïne is achtergelaten - en de aangrenzende kerk, die dateert uit de zeventiende eeuw.
De Válico del Macerone is al sinds de oudheid een belangrijke weg die Napels en de Terra di Lavoro (een voormalige provincie van het koninkrijk Napels en Sicilië) met de Abruzzen verbindt. Zeer recent is een deel van de oude route vervangen door een bijna parallel aan de Macerone en Rionero lopende snelweg, waarmee de reistijd aanzienlijk wordt verkort. Tijdens de Piemontese veldtocht in Midden-Italië in 1860 vond op de Macerone een belangrijke veldslag plaats. Hier versloeg het Piemontese Vierde Leger het Koninkrijk van de Twee Siciliën en vocht het zich een weg naar het front van de Volturno, waar Francis II (koning van de Twee Siciliën en tevens een Bourbon) en zijn mannen tegenover het Zuidelijke leger van Garibaldi stonden. De Slag van Volturno vond plaats in 1860 en wordt als belangrijk onderdeel van de eenwording van Italië gezien. Ter nagedachtenis aan de veldslag op de Macerone is op de top een stalen monument geplaatst.
Als er een Ronde van Frankrijk is, moet er ook een Ronde van Italië zijn. Zo luidde de mening van de gemiddelde Italiaan en wordt het door Benjo Maso opgeschreven. Menig sportminnende Italiaan verkeert in augustus 1908 in staat van verrukking als de Milanese krant La Gazetta dello Sport de eerste Ronde van Italië aankondigt. Ten grondslag aan deze eerste Giro ligt uiteraard de populariteit van en jaloezie op de Tour de France. Van eminent economisch belang geldt de opkomst en het goedkoper worden van de fiets voor de gemiddelde Italiaan. Hiermee wordt de interesse van de grote rijwielconstructeurs zoals Bianchi en Atala voor de Giro aangewakkerd. Dit zorgt in eerste instantie voor de opkomst van de heden ten dage immer populaire eendagsklassiekers Milano-San Remo en de Giro di Lombardia. Maar het organiseren van een eendagswedstrijd is van een hele andere orde van grootte dan het organiseren van een ronde door het gehele schiereiland. De kiem werd dan ook gelegd door een rijke Siciliaan - Vincenzo Florio - die in 1907 en 1908 de Giro di Sicilia organiseerde. Als zelfs op het slecht berijdbare en Sicilia een etappewedstrijd kan worden georganiseerd, dan moet een Giro d’Italia zeker van de grond kunnen komen. Het noopte in 1908 de krant - Corriere della Sera - tot het stoute initiatief om met de hulp van Touringclub Italia en fietsenbouwer Bianchi om een Giro d’Italia te organiseren. De plannen lekten al spoedig uit en kwamen bij een ex-werknemer van Bianchi en tevens eigenaar van het concurrerende Atala - Angelo Gatti - terecht. Spoedig seinde hij de concurrerende krant de Gazetta dello Sport in en werd onder druk in augustus 1908 de eerste Giro d’Italia aangekondigd. Van de benodigde 30.000 lires werd mede een deel door de Corriere della Sera opgehoest dat inmiddels volledig achter de feiten aanliep.
Politiek gezien moest de eerste Giro het land, de regio’s en met name de belangrijkste steden met elkaar verbinden. Door de waanzinnig slechte wegen van Apulia, Basilicata en Calabria lukte het de organisatie niet op deze zuidelijkste regio’s op te zoeken. Napoli (Campania) bleek het zuidelijkste punt van de aankomende route te zijn.
Aan Italiaanse deelnemers bestond geen gebrek. Alle grote Italiaanse coureurs zoals Ganna, Pavesi, Gerbi en Rossignoli schreven zich in en meldden zich op 13 mei aan de start in Milano. Aanvankelijk hadden twintig stranieri (bestaande uit 15 Fransen, 1 Belg, 2 Duitsers, 1 Let en 1 Argentijn) zich ook ingeschreven. Uiteindelijk verschenen er slechts vier aan de start onder wie de grote Franse renners en Tour-winnaars Lucien Petit-Breton (1907 en 1908) en Louis Trousselier (1905).
Op 13 mei van het jaar 1909 klinkt om zeven over drie ‘s nachts dan het startschot van de eerste Giro d’Italia. Koersdirecteur Eugenio Costamagna schiet het 127 koppen tellende peloton in Milano in gang begeleidt door een uitzinnige mensenmassa. Spoedig komt Gerbi ten val en breekt daarbij zijn achteras. In tegenstelling tot de soms bizarre regels van de Tour, hoeft Gerbi niet zelf zijn malheur te verhelpen en licht in Bergamo de lokale Bianchi dealer van zijn bed. Het euvel wordt weldra verholpen en Gerbi zet koers richting Bologna, maar is nu al uitgeschakeld voor de eindoverwinning. Petit-Breton vergaat het nog slechter dan Gerbi. Hij valt, breekt zijn schouderblad en verlaat de volgende dag de Giro. Rond vijf uur in de middag stormen de koplopers een door onweer en met slagregens geteisterd Bologna binnen. De Italiaan Dario Beni wint de allereerste Giro-rit en is uiteraard leider van het algemeen klassement. Een klassement dat wordt opgemaakt aan de hand van een puntensysteem, waarbij de winnaar één punt verdient en de daarop volgende coureurs op volgorde van binnenkomst een punt erbij krijgen. Helaas voor Beni bestaat de roze trui nog niet. Deze wordt pas voor het eerst in 1931 uitgereikt. Learco Guerra is de gelukkige.
De tweede etappe wordt twee dagen later verreden en brengt de renners over vlakke wegen aan de boorden van de Adriatische kust over een lengte van 379 kilometer naar Chieti halverwege de Laars. Spoedig wordt de Ronde weer een favoriet ontnomen; Eberardo Pavesi heeft enkele weken voorafgaand een blinde darm operatie ondergaan en constateert tot zijn grote schrik dat de operatiewond is opengegaan. Weldra wordt hij naar een ziekenhuis in Bologna afgevoerd. Ook Romolo Buni wordt tot opgave gedwongen. De kleine zwarte duivel zoals zijn bijnaam luidt, is voornamelijk als pistier bekend geworden die in een hippodroom in 1894 de strijd aanbond tegen een renpaard dat door niemand minder dan William Cody, alias Buffalo Bill, werd bereden. Met kanongeschut, trommelgeroffel en muziek worden de renners in Chieti ontvangen waar de drievoudige Italiaanse kampioen Giovanni Cuniolo is de tweede etappe wint.
De derde etappe over 272 kilometer van Chieti naar Napoli kent twee primeurs; drie renners zijn gediskwalificeerd vanwege het deels afleggen van de tweede etappe per trein, maar het is vooral de allereerste bergetappe in de Giro d’Italia. Deze brengt de renners over de Roccaraso, de Rionero Sannitico en de Macerone via Iserna in de regio Molise naar de hoofdstad van Campania, Napoli. Wederom wordt er in alle vroegte gestart. Na een kort stuk langs de Adriatische kust volgen spoedig de eerste heuvels waar het peloton in stukken wordt gescheurd en ontstaat er een felle strijd op de flanken van de Roccaraso. Het zijn de sterkste renners die het koersverloop bepalen. Rossignoli trekt als eerste over de drie bergen, waarbij een andere favoriet, Ganna, door technisch malheur ver wordt teruggeslagen. Na Iserna rijdt Rossignoli lek en gaat Galetti alleen aan de leiding. Gelukkig krijgt Rossignoli voldoende hulp van een ploeggenoot zodat Galetti voor het binnenrijden van Napoli wordt ingerekend en de dagoverwinning naar zich toetrekt. Galetti wordt leider in het algemene klassement. Ganna neemt de volgende etappe van Napoli naar Roma revanche door zowel de etappe voor zich op te eisen als leider te worden voor Galetti en met Rossignoli op de derde stek.
Etappe vijf van Roma naar Firenze betekent de zwanenzang van de Tourwinnaar. Na twee keer lek rijden en verder technische problemen te ondervinden verlaat Trousselier met zijn knecht Pottier de Giro, zodat er van buitenlandse deelnemers geen sprake meer is. Ook een andere grote naam - Gerbi - moet het strijdperk verlaten. Het doet allemaal niets af aan de populariteit van de Ronde. Zeker niet als Ganna wederom wint. Zodoende blijven zoals verwacht en gehoopt de sterken over. Ganna, Galetti en Rossignoli gaan uitmaken wie de eerste Giro gaat winnen. In Genoa pakt Rossignoli zijn tweede etappe en wint Ganna de een-na-laatste etappe naar Torino. Dat de strijd tussen deze drie ging, kwam de journalistiek goed uit. Het kostte hen geen moeite om de grote onderlinge rivaliteit te benadrukken. De voor Atala rijdende Ganna gold als moedig, eerlijk en eenvoudig. Galetti stond bekend als een sluwe tacticus en Rossignoli als de man van spieren van staal en het hart van een jong meisje. Zelf schreef hij zijn kracht en onvermoeibaarheid toe aan de dagelijkse liter runderbloed die hij tijdens het ontbijt naar binnen werkte. Ook de publieke belangstelling nam hand over hand toe. Het werd zelfs zo erg dat zowel de finish in Torino als die van de slotetappe te Milano in het geheim moest worden verplaatst, bang als men was voor al te opdringerige tifosi.
De laatste etappe naar Milano is de meest eenvoudige. Met slechts 206 kilometer betekent het de kortste en tevens ook de meest vlakke rit Ganna gaat nog steeds aan de leiding, gevolgd door Galetti op slechts drie punten en Rossignoli op tien punten. Het grootste risico zit ‘em voor Ganna in de eenvoudigheid van deze etappe, waardoor de kans bestaat dat een grote groep in Milano zou strijden om de dagzege en de punten voor de eindzege. Een extra gevaar was het talrijk aanwezige publiek langs de kant, in auto’s en op paarden waarmee enorme stofwolken werden gecreëerd. Alsof de duivel ermee speelt, rijdt Ganna na 160 saaie kilometers bij het buitenrijden van Borgomanero lek. Galetti en Rossignoli merken het laat op maar trekken zich onmiddellijk in gang, met een furieuze Ganna in de achtervolging. Het is de passerende sneltrein Torino-Milano die de kopgroep tot stoppen dwingt, waardoor Ganna kan aansluiten. Even buiten Milano, in een straat in Musocco, is het de winnaar van de eerste etappe, Buni, die wint. Galetti finisht als tweede en Ganna op de derde plaats en zodoende eindwinnaar wordt van de allereerste Giro d’Italia. Als hem gevraagd wordt hoe hij zich voelt, antwoordt hij op weg naar de arena voor de huldiging: ‘Het doet pijn aan mijn kont.’
Roccaraso
Giro 2026:
Giro 2025: Lorenzo Fortunato
Giro 2023: Davide Bais
Giro 2022: Diego Rosa
Giro 2018: Natnael Berhane
Giro 2010: Xavier Tondo
Giro 2002: Michael Boogerd
Giro 1988: Jesper Worre
Giro 1987: onbekend
Giro 1982: Marco Groppo
Giro 1980: Bernard Hinault
Giro 1970: Italo Zilioli
Giro 1969: Vito Taccone
Giro 1968: Franco Bitossi
Giro 1967: Aurelio González
Giro 1964: onbekend
Giro 1963: Vito Taccone
Giro 1955: Gastone Nencini
Giro 1952: Giorgio Albani
Giro 1909: Giovanni Rossignoli
Sannitico
Giro 2022: Diego Rosa
Giro 2010: Matthew Lloyd
Giro 2009: onbekend
Giro 2008: Emanuele Sella
Giro 2002: José Joaquim Castelblanco
Giro 1993: Gianluca Bortolami
Giro 1992: Giuseppe Calcaterra
Giro 1988: Fabrizio Vannucci
Giro 1982: Lucien Van Impe
Giro 1980: Bernard Hinault
Giro 1978: Ueli Sutter
Giro 1976: Fabrizio Fabbri
Giro 1975: Luigi Castelletti
Giro 1969: onbekend
Giro 1968: onbekend
Giro 1 967: Aurelio González
Giro 1963: Vito Taccone
Giro 1957:Guido Carlesi
Giro 1952: Marcel Huber
Giro 1950: (no ranking)
Giro 1938: Giordano Cottur
Giro 1936: Gino Bartali
Giro 1934: Remo Bertoni
Giro 1909: Giovanni Rossignoli
Macerone
Giro 2022: Matthew Holmes
Giro 2012: Tomasz Marczynski
Giro 2008: Emanuele Sella
Giro 2002: Ruggero Marzoli
Giro 1993: Nelson Rodríguez
Giro 1992: Claudio Chiappucci
Giro 1988: Renato Piccolo
Giro 1982: Lucien Van Impe
Giro 1980: Giambattista Baronchelli
Giro 1978: Pedro Torres
Giro 1976: Jos Deschoenmaecker
Giro 1975: Aldo Parecchini
Giro 1968: onbekend
Giro 1967: Franco Bitossi
Giro 1965: Carlo Brugnami
Giro 1957: Guido Carlesi
Giro 1956: Giuseppe Buratti
Giro 1952: Donato Piazza
Giro 1951: Giovanni Roma
Giro 1950: Valerio Bonini
Giro 1946: Gino Bartali
Giro 1909: Giovanni Rossignoli