Forca d'Acero
~ Abruzzo ~
Forca d'Acero
~ Abruzzo ~
Lengte: 9,6 kilometer
Hoogte: 1.535 meter
Hoogteverschil: 387 meter
Gemiddelde stijging: 4%
Maximale stijging: 6%
Beoordeling: 2/5
Je hebt van die beklimmingen waarvan je achteraf stelt: ‘dat was mijn beklimming!’ Wat dit voor mij inhoudt? Een niet zo lange klim - in dit geval negen kilometer - die door een schaduw en bosrijk gebied heen slingert met zo min mogelijk verkeer. Zie hier: de Forca d’ Acero vanuit het dorpje Opi. ‘s Ochtends vroeg rond een uur of negen parkeer ik de auto nabij Opi; een dorpje dat meer dan de moeite waard is om te bezoeken en wij later op de dag ook zullen doen.
Het is gelukkig nog lekker koel, een gegeven dat geldt voor dit deel van de Abruzzen aangezien het op 1000 meter hoogte ligt. De parkeerplek biedt de auto genoeg schaduw, docht word ik door een lokale bejaarde bewoner met zijn murmelende Abruziaanse accent gesommeerd mijn auto te verplaatsen. Ik sta namelijk op zijn plek. Onder het mom van oude Italianen niet tegenspreken, trek ik mijn koersschoenen weer uit, verplaats de auto naar het aanliggende parkeervak en wens de oude man een ‘buon giornata’ en een ‘krijg de kolere ouwe ...’.
Ik ga vandaag vreemd! Mijn Trek Domane staat in ons fantastische appartement in het pittoreske dorp Barrea. Gelijk aan vele dorpen in deze regio is het zeer oud en tegen de berg opgebouwd. Vanaf ons balkon hebben we ruim zicht op de nabijgelegen bergen en het lago di Barrea. Terug naar het verhaal van het vreemdgaan; onder mijn kont bevindt zich een Bianchi Oltre XR4 met Shimano Ultegra Di2. Hoe ik eraan kom? Fiets van mijn zwager die bij gebrek aan trekhaak en dus fietsendrager zijn paradepaardje aan zijn zwager heeft toevertrouwd. Bij ons afscheid in Castellina zei hij nog: ‘je mag best mijn fiets gebruiken!’ Dat laat ik me dus geen twee keer zeggen.
De weg loopt met vijf procent omhoog en biedt aan de linkerzijde een fraai zicht op het eeuwenoude dorpje Opi. De weg gaat verder aan een gemiddelde van vijf procent. De weg blijft verder lopen met een gemiddelde van vijf procent. De temperatuur schommelt tussen de tien en vijftien graden. Bomen, bomen en nog eens bomen. Het enige nadeel is dat vergezichten ver te zoeken zijn. Plots breekt het struweel en openbaart zich een kortgezicht. Ik stop. Ik hoop. Wat zie ik? Dit gebied - het nationaal park Abruzzen-Molise-Lazio - staat bekend om zijn wild. Groot wild. Gemzen, adelaars, lynxen, wolven en ….. beren. Gisteren zagen mijn dochter en ik al een trio grote herten. Nu hoop ik en denk ik een beer te treffen in de verre verte op de groene weide. Ik sta en tuur. Mijn ogen spannen zich tot het uiterste in. Rots of beer? Zo sta ik een tijd en moet concluderen dat het óf een rots is óf een beer die heel goed een rots kan nadoen. Verder klim ik met vijf procent omhoog. Wat rijdt de Bianchi anders! Direct. Elke klap is raker dan mijn Domane. Op een hoogte van 1450 meter een parkeerplaats. Daarna een bos waar de weg gedurende twee kilometer nauwelijks meer oploopt. Ik schakel digitaal op het buitenblad en moet bergop remmen in de bochten. Dat is een heerlijk gevoel, kan ik u stellen. Nog even en het op de Veluwe gelijkende bos maakt plaats voor de pasovergang. Kortom: wat een heerlijke klim.
De andere zijde is overigens ook niet te versmaden. We reden het enkele dagen vanuit de regio Lazio op. Lang. Nimmer steil. En met een prachtig stuk door het met rotsblokken bezaaide graslandschap met een heerlijke haarspeldbocht naar rechts en verder naar boven slingerend. Doet me erg denken aan - weliswaar in mindere steile mate - aan de Galibier vanuit de noordzijde. Ook deze kant dus een dikke aanrader!
De Forca d’Acero - pasovergang tussen hoge pieken van de esoorn - een hier talrijk aanwezige boomsoort - is een 1538 meter hoge bergpas in de Apennijnen. De pasovergang bevindt zich op de grens van twee regio’s: Abruzzo en Lazio. Het ligt op het plateau van de Campo Lungo met een eeuwenoud esdoornbos in de nabijheid van de bergketen van de Monte Tranquillo (1.842 m). Het heeft een koud klimaat in de winter en fris in de zomer. De westelijke stromingen is verantwoordelijk voor veel regen en sneeuwval en is daarmee een van de regenachtigste gebieden van Abruzzo.
De weg die naar de pas leidt, de SS 509, begint in het dorpje Opi. Alvorens Opi te bereiken dient eerst de Passo del Diavolo óf de Valico Monte Godi te worden beklommen. Het dorp ligt in het midden van de bergachtige groep te midden van een bergachtig amfitheater dat bestaat uit Monte Marsicano (2.245 m), de Monte Amaro (1.862 m) en Monte Petroso (2.249 m). Het dorpje Opi, enigszins lijkend op de Inca-stad Machu Picchu, is een bezoek meer dan waard. De oorsprong van de nederzetting Opi dateert van ruim vijfhonderd jaar voor Christus. Na de Romeinse overheersing raakte het dorp in verval en de bevolking trok weg uit het gebied. De Middeleeuwen zorgden voor een nieuwe bloei van het dorp. Aan het begin van de elfde eeuw bouwden Benedictijnse monniken het klooster van San Vincenzo al Volturno op de hellingen van de Marsicano. In 1017 werd het klooster van St. Elias gegeven aan de abdij van Montecassino gegeven. Het dorp bevond zich tegenover - oppidum - de abdij. Zo ontstond de naam van Opi.
Enkele kilometers ten noorden van de Forca ligt een andere pas. Op zich geen interessante klim (kort en eenvoudig), maar wel noemenswaardig gezien de naam Passo del Diavolo (de Duivelspas). Het verhaal achter de naamgeving van de pas speelt zich enkele eeuwen geleden af. Een aantal jagers was op pashoogte aan het jagen tot zij een zeer vreemd wezen meenden te zien. Het leek op de mythologische minotaurus; stierlichaam met een menselijke buste. De jagers vluchtten en vertelden de dorpelingen wat ze hadden gezien. Maar wat heden ten dage de meeste aandacht trekt is een groep huizen eveneens op de hoogte van de pas. Allemaal met ommuurde ramen die ooit bewoond waren. Ze zijn achtergelaten na vreemde gebeurtenissen waarvan verder geen verklaring voor is. Voor deze groep huizen staat een oude doch niet verlaten en goed onderhouden kerk, maar met ook zijn eigenaardigheden. Bezoekers vonden het gebouw open, maar hebben nog nooit iemand binnen aangetroffen. In het kerkgebouw zijn alleen oude banken te vinden én een groot kruis aan de onderkant dat uit de duisternis verschijnt. Vanaf de deur lijkt het meer op een schaduw dan op een object. Er bestaat een soort van vloek voor wie de kerk betreedt, krijgt een gevoel van macht met daarop een onstuitbaar libido. Ik nodig iedereen uit om deze plaats te bezoeken!
'Ik ben de hele wereld dankbaar dat ik in '69 de Tour mocht rijden als ploegmaat van Merckx.' Martin Van den Bossche nam op het einde van het seizoen wel bitter afscheid bij Faema en finishte een jaar later zélfs derde in de Giro d’Italia en in werd in juli vierde in de Ronde van Frankrijk.
Wat speelde er zich die maandagavond in Luchon af in het hotel van Faema? Het peloton keek met grote schrikogen vooruit naar de bijna onmenselijke Pyreneeënetappe die hen 's anderendaags wachtte. Peyresourde, Aspin, Tourmalet, Aubisque: man, man, man... De spanning viel te snijden. 'En net dan kwam Martin Van den Bossche melden dat hij me op het einde van het seizoen zou verlaten', vertelt Merckx. 'Als hij zich financieel kon verbeteren, mocht ik hem dat niet kwalijk nemen. Alleen het tijdstip waarop... Vlak voor zo'n belangrijke rit.'
'Een onwaarheid zo groot als de Mont Ventoux', maakt Van den Bossche zich druk. 'Ik heb toen helemaal níks gezegd. Ik had een voorlopig contract van Molteni op zak, maar als ik een deftig voorstel kreeg, kon het dat ik bij Faema bleef. Dat is er echter nooit gekomen, terwijl nog tijdens die Ronde verschillende renners werden aangetrokken voor een maandloon van 40.000 frank. Wij hadden er 15.000. Altijd correct betaald, dat wil ik benadrukken. En ik heb achteraf ook alle criteriums mogen rijden. Ik kreeg zelfs een paar duizend frank startgeld extra van manager Jean Van Buggenhout, als beloning voor mijn werk in dienst van Eddy. Na die Tour moesten we naar Kampenhout komen, waar Lomme Driessens een vijver had. Eén na één moesten we binnenkomen in zijn chalet, om te spreken over een nieuw contract. Eddy was daar, Driessens en Van Buggenhout. Ik zette me speciaal als laatste in de rij, om goed te kijken en te luisteren. Toen het mijn beurt was, werd er gezwegen. Na vijf minuten stond ik weer buiten, zonder dat iemand me een voorstel had gedaan. Zó is het gegaan en niet anders! Ik ben na de etappe wel op Merckx afgestapt, in alle kalmte. Op de Tourmalet, voor hij zijn legendarische ontsnapping begon, had ik tempo gemaakt van aan de voet tot de top. Als ik had gewild, ik reed er hem af! In plaats van me dan ook als eerste boven te laten komen, stak Eddy me nog voorbij. Een klein coureurke had vandaag van u een groot gebaar verwacht, zegde ik die avond. Eddy was er van gepakt. Hij had het allemaal niet zo slecht bedoeld, maar ja, dat was Merckx, zeker?'
Chequeboekje
'Die Ronde heeft mijn carrière opengebroken en daar ben ik de hele wereld dankbaar voor, ook Eddy', getuigt Martin Van den Bossche. In 1970 trok de Klein-Brabander naar Molteni, waar hij zelf kopman was en bewees tot wat hij allemaal in staat was. 'Voor 60.000 in de maand! Toen ik derde werd in de Giro en daar het bergklassement won door onder meer als eerste bovenop de Forca d’Acero te komen, moest ik op het bureau bij de baas komen. Tot mijn groot plezier haalde hij zijn chequeboekje boven. Ik gluurde nieuwsgierig mee en zag hem een 4 noteren. Dat wordt 400.000 lire, dacht ik. Na die 4 volgden echter drie nulletjes, een puntje en nóg drie nulletjes. Vier miljoen! Zo'n 320.000 frank, meer dan vijf maandlonen. Ik verschoot me een bult.'
Luttele weken later finishte Van den Bossche ook nog eens vierde in de Tour. 'Gehandicapt door een zware val in het Belgisch kampioenschap in Yvoir. Anders was ik tweede, na Merckx. Niet eerste, nee. (gromt) Nu niet overdrijven, hè!'
Een jaar later verkaste ook Eddy Merckx met zijn getrouwen naar Molteni. 'Ik werd uit de ploeg gezet', klinkt het bitter. 'Geen Giro, geen Tour. Als ik daar aan denk, draai ik 's nachts nog in mijn bed als een duivel in een wijwatervat. Toen hebben ze zo zwaar op mijn hart getrapt dat ik het voor eeuwig en altijd onthoud. Zonder haat weliswaar. Ik concentreer me helemaal op mijn schitterende tegelzaak in Bornem en fiets niet meer. Daarom heb ik ook niet zoveel contact meer met de vroegere maats, vooral uit de Kempen. We zien mekaar nog hooguit twee keer per jaar. Ook Eddy, waarom niet? Hij is altijd vriendelijk geweest tegen mij ... maar nu toch meer dan vroeger.'
Giro 2015: Steven Kruijswijk
Giro 2008: Alessandro Spezialetti
Giro 1985: Acacio da Silva
Giro 1970: Martin Van den Bossche