Monte Bondone
~ Trentino Alto-Adige ~
Monte Bondone
~ Trentino Alto-Adige ~
Lengte: 19,4 kilometer
Hoogte: 1.654 meter
Hoogteverschil: 1.461 meter
Gemiddelde stijging: 7,5%
Maximale stijging: 13%
Beoordeling: 4/5
Wielrenners zijn net honden. Deze rare gedachtegang ontspringt uit de krochten van mijn hersenen. Tijdens mijn studie aan de lerarenopleiding moest ik altijd vreselijk lachen om dat belletje en de hond die begint te kwijlen, nadat hij ervoor enkele malen is gevoerd. Conditionering derhalve. Pavlov effect. Wielrenners ervaren dat ook. Althans ik. Na bocht drie constateer ik.
De opkomende zon houdt zich voorlopig nog schuil achter de gekartelde bergketen van de zuidelijk Alpen. We verblijven in het dorp Sopramonte. Vrouw en kind verkeren nog in diepe rust. Uit voorzorg heb ik alle kledij en fietstoebehoren de avond ervoor klaargelegd. Als gewoonlijk ril ik over mijn lijf als het koude water van de hartslagband mijn nog warme slapende lijf teistert. Vlot ben ik omgekleed. Sprenkel water over mijn onuitgeslapen hoofd. Het haar onder de helm gepropt. Gelletje in de zak. Als een dief in de nacht sluip ik op kousenvoeten de kamer uit. OP het bankje voor de geweldige bed & breakfast Artemia. Schoenen aan de voet gegespt, klik-klak ik over het asfalt over het oprijpad richting de weg. Een dilemma dient zich aan. Hoe geraak ik over het gesloten hek. De sleutel bevindt zich in de zojuist afgesloten kamer. Ik kijk, monster en klim. Eenmaal erover til ik mijn Domane van de andere zijde op en voeg het bij me. Een kleine vijftien minuten na het opstaan rijden we. Vlot gedaan. Maar iets te vlot wellicht?
Voor een ieder die de Monte Bondone wilt beklimmen, raad ik met klem aan om vanuit Trento te starten. De eerste zes tot zeven kilometers zijn - mits de grote weg vermijdend - sprookjesachtig mooi. De vele haarspeldbochten zijn bij uitstek geschikt om - naast de nodige rust - de blik op het dal te laten rusten. Mijn gedachten gaan naar Nescio’s Boven het dal. Een HAVO-boekenlijst boek. Een vrije wielervertaling: Het dal der plichten. Ik fiets op de berg en kijk in het dal der plichten. Dat is groen, er stroomt een rivier, het dal is vol bloemen en wijngaarden. Er rijden veel vehikels langs elkaar. De meesten zijn zoals de mensen wanstaltig en verdorven en rijden stinkend en lawaaierig langs elkaar. Na enige tijd sterven zij allen op een met schroot gevulde hoop, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zowel wij als zij beter? Ik rek mij uit en kijk langs mijn bezwete armen naar de bewolkte lucht. Ik klim hoog boven het dal op een weg van zwart asfalt bij een kleine stapel omgehakte sparren en een onbruikbare vehikel. En ik kijk en zie mezelf klimmen, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht.
Mijn beklimming vanuit Sopramonte is ronduit saai. Veel breed asfalt. Weinig bochten. Geen vergezichten. Na het samensmelten van beide wegen, biedt de Bondone nog spaarzaam een vergezicht. De laaghangende bewolking speelt dan ook nog in het nadeel.
Ondanks de koelte van de vroege ochtend en de bewolking die als een deken over het geboomte ligt, rits ik mijn sluiting geheel open. Bij bocht drie gebeurt het. Ik reik naar beneden voor een koele slok dorstlessend vocht. Geen bidons! In alle haast om weg te komen vergeten. Wat te doen? Omdraaien? Een tiental minuten dalen en ruim het dubbele aantal minuten klimmen? Of door naar de top? Ik monster het aantal te overbruggen kilometers naar de top. Een kleine uur klimmen. Wellicht kan ik ergens mijn dorst bij een huis of pomp laven. Door naar de top derhalve. Na bocht zes grijp ik onbewust weer naar de lege bidonhouders. Uiteraard niets. Ik lach hardop om zoveel conditionering van het wielerbrein. Bochten is laven.
Uiteraard zijn er onderweg geen verdere bevoorradingspunten van vocht alsmede een gebrek aan bergstroompjes. Ook de vele kleine nederzettingen hebben geen pomp aan het huis zover ik kan constateren. En om nu bij elk stulpje halt te houden, de tuin in te scharrelen op zoek naar een waterpunt en vervolgens als een uitgedroogde kameel het hoofd onder de pomp te hangen. Laat maar.
Ofschoon de Bondone geen bijzonder lastige en hoge klim is, verteer ik ‘em toch moeizaam. Het is zesde opeenvolgende dag van klimmen en de vermoeidheid begint zich meester van mijn bovenbeenspieren te maken. Voorbij het skidorp Norge ontvouwt een steile piste zich aan de linkerkant van de weg. De bewolking breekt hier en weldra komt ook de top in de vorm van de vele hotels en restaurants in zicht. Beklimming dertien van het vreemde Corona jaar 2020 is behaald. Foto’s bij het monument van Charly Gaul en afdalen. Op naar drinken en vrouw/kind (in deze volgorde).
De Bondone is onder meer bekend van de tre cime di Bondone: Cornet (2.180 m), Dos d'Abramo (2140 m) en Cima Verde (2.102 m). Een bekende wandelroute doet de drie toppen aan die tevens langs een tweetal interessante objecten leidt: de ruïnes van het kasteel van de graven van Wolkenstein en overblijfselen van loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog.
Op de skipistes van de Bondone, die al voor de Tweede Wereldoorlog actief waren, werd in 1934 de eerste skilift (een zogenaamde sledelift waarbij personen of voertuigen per slee glijdend door middel van een touw op de sneeuw omhoog worden getrokken) van Europa gebouwd.
Boven op de Bondone werd het bolvormige en reflecterende observatorium Terrazza delle Stelle gebouwd.Het gebouw wordt beheerd door MUSE, het wetenschapsmuseum van Trento.
Ten oosten van de Bondone in het dal van de rivier de Adige ligt Trento; de hoofdstad van de regio Trentino Alto Adige. Deze ruim 120.000 tellende stad kent een Keltische oorsprong en werd in het begin van onze jaartelling door de Romeinen veroverd. Trente was eeuwenlang de zetel van het zelfstandige prinsbisdom Trente. Daarna werd het een Oostenrijkse stad. Na de Eerste Wereldoorlog werd het aan Italië afgestaan. Daardoor kent Trento vele benamingen: Trente (Nederlands), Trent (lokaal dialect en Ladinisch), Tria in het Cimbrisch evenals Trea't in Mòcheno beiden een Duitse (Beierse) taal en tot slot Trient in het Duits.
Wie Monte Bondone zegt of schrijft kan niet om de Luxemburger Charly Gaul heen. In de post Bartaliaanse en Copiaanse periode vanaf halverwege de jaren ‘50 doemt een aantal spectaculaire klimmers op aan de wielrennende horizon: de Spanjaard Bahamontes, de Italianen Balmamion, Nencini en Fornara én de Luxemburger Charly Gaul. Zij hadden normaal gesproken de eindzeges van een flink aantal grote rondes onder elkaar verdeeld mits daar niet een notoire Franse hardrijder genaamd Jacques Anquetil hen in de wielen had gereden. De veelal frêle klimmers, waarvan Gaul er één was, waren simpelweg niet opgewassen tegen de uitmuntende tijdrijder, die zijn rondes beheerste door middel van heersen in de tijdritten en regeren in de bergen. Een kunst die decennia later door de Spaanse kampioen Indurain werd afgekeken. Desalniettemin was de Giro van 1956 in eerste instantie niet de Giro van Gaul. De op 8 december 1932 in Pfaffenthal, Luxemburg geboren Gaul stond niet alleen bekend om zijn superbe klimmerskwaliteiten maar ook zijn gespeelde luiheid. Veelal had hij de gewoonte zich tijdens vlakke etappes op achterstand te laten rijden, zodat hij een vrijgeleide kreeg in zijn geliefde bergen. Of hij dat ook tijdens deze Giro krijgt met klimmers als Coppi, Bahamontes, Defilippis, Poblet, Fornara en bijter Magni aan de start, is nog maar de vraag.
Tot en met de negentiende etappe spelen voornamelijk de Italianen de hoofdrol. Fornara in het roze, Coppi teleurstellend en uitgevallen en Magni vooral vallend, sleutel- en opperarmbeen brekend maar uiteraard niet opgevend. Gaul heeft inmiddels een etappezege op zak (klimtijdrit naar de Madonna di San Luca), maar staat op een grote achterstand van bijna een kwartier. Dan breekt de twintigste etappe aan met beklimmingen over de Costalunga, Rolle, Brocon en finish op de Bondone. Kortom: de koninginnenrit van de ronde. De weersvoorspellingen zijn ronduit slecht en even overweegt koersdirecteur Torriani - geplaagd door een saaie ronde - de etappe te annuleren. Maar de gegeven omstandigheden nopen de op sensatie beluste Italiaan de rit toch door te laten gaan. Een helse en epische rit ligt in het vooruitzicht. De dag begint koud, regenachtig en met een gedemotiveerd peloton. Gaul was echter verzot op koud weer, ingegeven door de grote hoeveelheid amfetamine die hij nam (en toegaf te nemen zoals vele coureurs deden en toegaven indertijd met Anquetil en Coppi als meeste voorname voorbeelden), waarbij moet worden opgemerkt dat het effect van amfetamine bij koud weer veel hoger ligt dan bij warm weer.
De roze leider Fornara leidt de dans in het door regen doorweekte peloton op de Costalunga waar Gaul als eerste boven komt. Op de Passo Rolle hetzelfde beeld, maar daar wordt de Luxemburger tijdens de afdaling minuten teruggeslagen door twee lekke banden. De Brocon vormt het scharniermoment van deze corsa rosa. De aanhoudende regen is overgegaan in sneeuw en de lage temperatuur zorgt voor een waar inferno en slagveld onder de renners. Gaul leidt de race tijdens de afdaling, maar moet veelal noodgedwongen met zijn schoenen afremmen doordat zijn remmen zijn bevroren. Leider Fornara verruilt zijn roze trui voor een warm gestookte boerderij. Defilippis probeert door te rijden, maar moet ook opgeven. ‘Nog voor geen tien miljoen lire stap ik weer op’, geeft hij aan. Magni rijdt gebroken, gebutst en bevroren uiteraard wel door. Een zestigtal renners arriveert in Trento en kiest de warmte van de hotels en andere uitspanningen om bij te komen en de Giro te verlaten. Zij zijn geen van allen getuige van het meedogenloze tempo dat de koploper van de wedstrijd op de Bondone laat zien. Met zijn bekende hoge trapfrequentie snelt hij over de met sneeuw bedekte weg naar boven. Eenmaal op de top en over de finish wordt de Luxemburger naar een warme omgeving gebracht waar men zijn bevroren korte mouwen shirt moet openknippen van de inmiddels buiten kennis zijnde renner. Na tien minuten opent Gaul zijn ogen en wordt op de hoogte gebracht dat hij de roze trui heeft. Magni staat in het algemene klassement tweede op drie minuten (hij komt als derde op bijna een kwartier na Gaul binnen). Naderhand zal Magni over de dag in de bevroren hel melden: ‘het sneeuwde de gehele dag en het was zo extreem koud dat ik me er niet bewust van was. Onderweg zag ik veel geparkeerde fietsen staan en mij werd verteld dat de meeste coureurs bevroren waren en het voor gezien hielden. Toen zag ik tijdens de afdaling van de Brocco de roze trui eveneens opgeven! Wat?? Zie ik dit goed? Ik vroeg me af als ik in dezelfde situatie als Fornara verkeerde, ik ook had opgegeven? Nooit! Zelfs als ik had moeten lopen, maar opgeven? Nimmer! In Trento hoorde ik van mijn directeur sportief dat ik derde was en tweede in de algemene rangschikking. Naderhand tijdens de laatste twee etappes heb ik nog getracht Gaul uit het roze te rijden en om zo mijn vierde Giro te winnen, maar hij was helaas voor mij veel te sterk.
Zodoende wint Gaul de eerste van twee Giro’s, de ander in 1959. Samen met zijn overwinning in de Tour van 1958 vormen deze drie eindzeges de kroon op een zeer succesvolle carrière. In 2005 komt hij op 73-jarige leeftijd te overlijden.
Giro 2023: João Almeida
Giro 2020: Ruben Guerreiro
Giro 2006: Ivan Basso
Giro 2001: Fortunato Baliani
Giro 1992: Giorgio Furlan 2x
(dubbele passage)
Giro 1987: Alessandro Paganessi
Giro 1978: Wladimiro Panizza
Giro 1976: Johan de Muynck
Giro 1975: Giacinto Santambrogio
Giro 1973: José Manuel Fuente
Giro 1972: Wladimiro Panizza
Giro 1968: Julio Jiménez
Giro 1957: Miguel Poblet
Giro 1956: Charly Gaul