Onthullingen over de Stammenhof Sweijkhuizen:
Leonie Muijtjens-Riga de oudste dochter van Bertine Riga-Jeurissen , die de oudste dochter was van Netta Jeurissen-Daemen, zij werd geboren en woonde op Stammenhof te Sweikhuizen. Zij deed ons onderstaand verhaal toekomen.
Beste Frans Daemen (secretaris van Het STAMBOOM comité DAEMEN). Ik heb van jou een e-mail ontvangen met de vraag of ik me nog iets kan herinneren over het oorlogsverleden van mijn vader Wiel Riga als soldaat in het Nederlandse leger van 1940.
Pap vertelde daar nooit erg uitgebreid over. Het was alsof hij dat stuk toch maar liever wilde vergeten. Als je hem vroeg hoe dat dan ging in de oorlog, of hij wel eens iemand had gedood, zei hij meestal: "het was de keuze of hij er aan of ik". Ook vertelde hij over de honger en ellende die hij had meegemaakt tijdens zijn krijgsgevangenschap. Hij werd na de korte periode van echte oorlogsvoering (1940) afgevoerd naar een kamp aan de Poolse/Oost-Duitse grens en moest daar werken in plaats van de Duitse mannen, die zelf als soldaat in de oorlog waren. Hij had geluk, dat hij af en toe ook kon werken bij een vrouw die een fruitbedrijf had. Deze vrouw stopte hen (de krijgsgevangenen) nog wel eens stiekem een appel of brood extra toe. Pap sprak hierover altijd met veel waardering. Toch heeft hij er veel honger geleden, want toen hij op het einde van zijn leven niet meer kon eten door de kanker, verzuchtte hij wel eens tegen mij: "Had ik nog maar eens dat hongergevoel van toen in de oorlog". Hij is dus na de inval en na de capitulatie van Nederland door de Duitsers afgevoerd als krijgsgevangene naar een kamp aan de Poolse grens, dus niet naar Rusland. Mijn moeder (Bertine Jeurissen) had toen al jarenlang verkering met hem, maar was nog nooit bij mijn vader thuis (Stammenhof Sweikhuizen) geweest.
Toen Wiel als krijgsgevangene werd weggevoerd kon hij ergens in het Rheinland van Duitsland aan mensen die langs de weg stonden te kijken stiekem een briefje geven met de vraag of zij het alsjeblieft door wilden sturen naar Bertine in Douvergenhout. Dat lukte inderdaad (naar ik me heb laten vertellen door bemiddeling van de fam. Wijshoff) en enige maanden later kreeg Bertine een briefje waarop stond: "Ik ben nog in leven en gezond. Ik word afgevoerd naar een kamp ergens in Duitsland. Wiel". Bertine was natuurlijk zielsblij. De volgende kwestie diende zich aan. Zij vond dat de fam. Riga direct op de hoogte gebracht moest worden van dit heuglijke nieuws. Echter, zij als ongehuwde dame mocht volgens de destijds geldende normen niet zomaar bij de familie van haar a.s. man binnenkomen. Goede raad was duur. Er volgde familieberaad en haar vader / opa Jeurissen (Sjang Jeurissen) wilde desnoods zelf op pad gaan. Uiteindelijk kwam men tot het lumineuze idee om Pastoor Ritzen (pastoor in Nuth en heeroom van Wiel) om raad te vragen. De volgende morgen vroeg fietste Bertine naar Nuth, legde het probleem voor, waarop de zeer kordaat optredende dienstmaagd van de pastoor tegen Bertine zei: "Kom Bertine, die mensen mogen niet nog langer in onzekerheid zitten; we fietsen nu meteen samen naar Stammenhof'. En op deze wijze maakt Bertine de eerste keer kennis met haar a.s. schoonfamilie, terwijl zij met Wiel al jarenlang verkering hadden. Door de oorlogsdreiging en de internering van Wiel was het huwelijk al vaker uitgesteld.
Ruim 1 jaar later [onjuist] kwam Wiel terug van krijgsgevangenschap, ziek en uitgemergeld. Hij kwam de binnenplaats op en Bertine liet van verbijstering de porseleinen schaal uit haar handen kapot vallen. In nov. 1941 zijn zij gehuwd. De angst om opnieuw in de oorlog ingezet te worden was heel groot. Om die reden was er een vluchtweg voor Wiel gemaakt, richting het bos en verder weg om onder te duiken. In de oorlog zijn heel veel soldaten van allerlei nationaliteiten op Stammenhof ingekwartierd geweest (Duitsers, Schotten, Engelsen, Amerikanen). Toch had pap altijd de meeste waardering voor de Duitsers wat betreft hun houding van respect, discipline en netheid naar onze familie toe. Toen mijn broer AIbert Riga geboren was (14 jan. 1945) gaven de Schotten een serenade op hun doedelzakken.
Dit was zo een beetje het verhaal vanuit de oorlog.
Misschien ook nog een leuke anekdote uit die tijd voor de oorlog. Het was niet zo gebruikelijk midden jaren dertig dat een jongen een meisje uit een verder gelegen dorp huwde [!?] en zeker ook niet een jongen die met een auto kwam aanrijden. Wiel kreeg die auto ter leen van zijn vrijgezelle "nonk Louis" die ook op Stammenhof woonde. Hij kwam als jongeman samen met Math Boijens en Harie Meels (allemaal uit Sweikhuizen) naar de kermis in Genhout. Bertine had nooit gedacht dat Wiel een oogje op haar had, maar dat bleek toch waar te zijn. De auto en Wiel trokken veel bekijks en de kleine zussen Lieske en Leonie keken vol bewondering naar die grote man in dat mooie soldatenpak en die grote laarzen. Sweikhuizen en Genhout bleken toch wel aantrekkingskracht te hebben, want er bloeiden 2 liefdes op: die van Wiel Riga en Bertine Jeurissen en die van Math Boijens en Marie Knooren.
Toen de huwelijksdatum van Bertine en Wiel was vastgelegd, mocht Bertine een keer kennismaken met het huis en de bewoners van Stammenhof, waar zij naar goed gebruik zou gaan introuwen. Dit huis was helemaal ingericht, dus Bertine hoefde (mocht) niets voor zich zelf in(te)richten. Zij hoorde zich volledig aan te passen aan de bestaande regels van Stammenhof, dat destijds bewoond werd door de moeder en (stief)vader van Wiel, de vrijgezel nonk Louis en een aantal dienstmeiden en knechten. Een eigen plek daarin moest ze zich nog verwerven.
Mijn moeder heeft me daarbij vaker een verhaal verteld dat toch wel de moeite waard is om te beschrijven. De jongste zus (ik weet niet meer precies hoe ze heette) van oma Jeurissen had haar gezegd: "Bertine ik geef je een goede raad, als je op Stammenhof gaat wonen; zorg dat je tenminste een kamer voor jezelf hebt; koop voor jezelf een slaapkamerameublement. Zorg dat je iets voor jezelf hebt in dat grote huis". En Bertine heeft deze raad opgevolgd. Zij is haar tante altijd dankbaar geweest voor dit advies en blijkbaar heeft het ook zijn vruchten afgeworpen [!?], want er werden in een reeks van 11 jaren 10 kinderen in geboren.
Ik (Leonie) werd als 5e kind en 1e dochter geboren in dit grote gezin. Mijn peettante Leonie was vooral blij dat zij peettante mocht zijn van een meisje, want jongens waren er intussen al genoeg. Op de dag dat mijn komst zich aankondigde (hete zomer 1947) waren de mannen nog druk aan het oogsten. Ik werd eigenlijk pas een maand later verwacht en pap dacht dat mam zich vergiste. Mam had intussen al voldoende ervaring, dat zij wel beter wist. Halsoverkop moesten toen in Genhout de baby[-] en kraamspullen gehaald worden, die kort daarvoor dienst gedaan hadden bij de geboorte van Jos (zoon van tante Marie en oom Albert Jeurissen). Het lukte allemaal nog net.
Een paar weken later zou tante Lieske en oom Sjors trouwen. En Bertine wilde toch wel heel graag bij hun huwelijk zijn. In die jaren mocht je als moeder met een pasgeboren baby de eerste 6 weken niet naar buiten treden, voordat je de rondgang in de kerk gedaan had. Dus toen werd er dispensatie aangevraagd bij de pastoor en mocht Bertine toch met de pasgeboren baby naar de bruiloft van haar jongste zus.
De familie bezoeken aan oma in Genhout waren altijd heel gezellig en hartelijk. Ik zag de families van Genhout als een grote familie die in het huis van oma Jeurissen-Daemen bij elkaar kwamen. En wij mochten van buiten daar heel graag bij horen. Er werd veel gepraat, lekker gegeten en overal gespeeld. De kermissen en carnavalsoptochten waren voor ons uit het kleine Sweikhuizen een ware gebeurtenis. We konden de hele dag lekker spelen en in de namiddag werden we door tante Leonie stevig met washandje onderhanden genomen en schoongeboend gingen we naar het kermisterrein. Ook zal ik nooit vergeten hoe ik wegdook achter de rokken van mijn moeder of een van de tantes, als in de carnavalsoptochten een van carnavalsvierders vanuit de optocht op je af kwam vliegen met een varkensblaas in zijn handen en je daarmee om de oren wilden slaan. Blijkbaar waren de dames Jeurissen nogal in trek.
Mijn moeder Bertine kon goed zingen en leerde ons allerlei liedjes. Een ervan heb ik mijn kinderen Myriam, Stefan, Judith weer geleerd en deze zongen dat op hun beurt weer in de kleuterschool in Spaubeek. De juf van die school vond het zo'n leuk liedje dat zij het voortaan opnam in haar repertoire van kleuterliedjes. Ik kan het zo nog uit mijn hoofd zingen. Het gaat als volgt
Er zat op een latje
een hagelwit katje
Maar, ach onder het dromen
is het ongeluk gekomen;
Een allerliefste snoesje
een schat van een poesje.
Het droomde van muisjes
en andere gespuisjes
en het zat er te gapen
en ging ook wat slapen.
toen viel ons katje
al dromend van het latje.
Heel veel succes met je verdere stappen en tot ziens of schrijfs.
Leonie Muijtjens-Riga.
Uit: F.L.M. Daemen, Stamboom en kroniek rond Daemen, 12 generaties 1560-2003, p. 105-107
In maart 1938 werd Weert garnizoenstad voor het 4e Grensbataljon, dat tot taak kreeg in vredestijd de landsgrenzen in het vak Weert permanent te bewaken.
Op maandag 28 augustus 1939 werd door de Nederlandse regering de algemene mobilisatie uitgeroepen.
Hitler overwoog al in 1939 Nederland binnen te vallen, maar 10 Mei 1940 werd de dag van de Duitse inval.
De strijd bij de grens duurde niet langer dan een dag. De Duitsers wisten dankzij een list met een trein de spoorbrug bij Gennep over te steken. Deze trein kon toen ongehinderd door de achterliggende Peel-Raamstelling bij Mill doorrijden en hier een klein Duits bataljon in de rug van de stelling uitladen.
Het vak Weert vormde binnen de stelling een uitzonderlijk vak.
De Peel-Raam-stelling, was een stelsel van inundatiegebieden ter verdediging van de oostgrens achter de Maas. Tussen Nederweert en de Belgische grens kon dit stelsel echter niet voortgezet worden en moest men volstaan met een reeks kazematten op de westoever van de Zuid-Willemsvaart, aan de oostoever begeleid door asperge-versperringen.
Deze linie eindigde op enkele kilometers afstand van de Belgische grens, men had haar niet tot de Belgische linie doorgetrokken, met het gevolg dat de Duitsers door deze onverdedigde bres trokken en zo de Nederlandse troepen achter de Zuid-Willemsvaart konden oprollen.
De Peel-Raamstelling viel nagenoeg onbeschadigd in handen van de Duitsers.
Tijdens dit eerste offensief van het Duitse leger werd een groep militairen van het 4e Grensbataljon in het vak Weert, onder wie korporaal Wil Riga, waarschijnlijk op 11 mei, krijgsgevangen gemaakt door de Wehrmacht.
Het weinige, dat bekend is over de ervaringen van Wil als krijgsgevangene in Duitsland, is te lezen in een oorlogsverhaal, dat Leonie Riga heeft gepubliceerd.
Uit dit verhaal:
Het vervoer ging te voet, en dat was en werd bekend, zodat velen langs de route stonden om nog een glimp van hun eventuele verwanten op te kunnen vangen. Het lukte hem ergens in het Rheinland aan mensen die langs de weg stonden te kijken stiekem een briefje te geven met de vraag of zij het door wilden sturen naar Bertine in Douvergenhout.
Op het briefje stond: Ik ben nog in leven en gezond. Ik word afgevoerd naar een kamp ergens in Duitsland. Wil.
Hij kwam, na een uitputtende treinreis in een goederenwagon, terecht in een gevangenenkamp, aan de Poolse-Duitse grens. Er was weinig eten. Hij moest daar werken in plaats van de Duitse mannen, die zelf als soldaat in de oorlog waren. Hij had geluk, dat hij af en toe ook kon werken bij een vrouw die een fruitbedrijf had. Deze vrouw stopte de krijgsgevangenen nog wel eens stiekem een appel of brood extra toe.
In welk kamp werd Wil geïnterneerd?
In 1940 waren er vier kampen, waar Nederlandse krijgsgevangenen, met een lage rang, werden geïnterneerd: Stalag Il-A Neubrandenburg, Stalag lI-D Stargard, Stalag III-A Luckenwalde en Stalag III-B Fürstenberg. Stalag is een afkorting van Stammlager für Kriegsgefangene.
Wil heeft verteld, dat het kamp, waarin hij terecht kwam, lag bij de Pools-Duitse grens, waar deze nu ligt. Dan is het aannemelijk, dat hij krijgsgevangene is geweest in Stargard, niet ver van Stettin aan de Oder, of in Fürstenberg aan de Oder.
Hij vertelde ook dat hij heeft gewerkt in een fruitbedrijf.
Dat wijst in de richting van Stargard, want het is bekend, dat de gevangenen daar werden ingezet in de landbouw. De gevangenen in dit kamp hadden het beter dan die in veel andere kampen. Ze werkten voornamelijk op boerderijen en hadden de mogelijkheid om betere voeding te krijgen.
Hoelang moest het nog duren voor hij weer Hollandse bodem onder de voeten voelde?
In het algemeen geldt, dat de Nederlandse militairen na de capitulatie in mei 1940 ongeveer zes weken krijgsgevangen zijn geweest. De meesten zijn op 10 juni teruggekeerd naar Nederland.
Wat gebeurde er in de tijd tussen krijgsgevangenname en repatriëring?
Hierover heeft Wil maar weinig verteld. Het is echter mogelijk om het verhaal te reconstrueren uit verhalen van krijgsgevangenen die in dagboeken hun ervaringen hebben opgeschreven. We mogen aannemen, dat de verhalen van die dagboekschrijvers ongeveer met het verhaal van Wil overeenkomen, al is het dan niet precies hetzelfde verhaal.
De Nederlandse soldaten, die bij Weert krijgsgevangen werden genomen, gingen eerst te voet naar Venlo of Kaldenkirchen. Daar werden ze, samen met Belgen, naar een lokaal van het station gebracht. Vermoedelijk zijn ze de volgende dag op transport gesteld in een goederentrein, en na enige uren kwamen ze op 12 mei in Bocholt aan.
Van het station liepen ze naar het krijgsgevangenenkamp in Bocholt.
Boven de poort stond: Man bettelt nicht für ein Recht, für ein Recht kämpft man.
Binnen de poort moesten ze op een open veld lange tijd wachten. Na enige uren werden ze binnen de eigenlijke prikkeldraadafrastering gelaten. Ze werden met meer dan 400 man ondergebracht in een grote legertent, die geplaatst was op een stoffig terrein waar vroeger gras gegroeid had, maar nu was er niets meer van te ontdekken. Stro was er niet aanwezig. Een deken kregen ze ook niet, zodat er niets anders overbleef, dan zich aangekleed uit te strekken. Veel ruimte hadden ze niet, zodat ze dicht tegen elkaar lagen, als haringen in een ton. En zo gingen ze de nacht in.
Toen ze de volgende morgen opstonden zagen ze er uit als beesten.
Ze werden al heel vroeg wakker vanwege de kou. Door en door koud waren ze, het was onmogelijk verder te slapen. Het werd nu een heen en weer geloop door de tent om weer wat warm te worden.
Daar er een wasgelegenheid was met slechts weinig kranen en dat voor een paar duizend man duurde het lang voor iedereen gelegenheid had zich een beetje op te frissen. Overigens hadden ze niets te doen. Een paar keer per dag werd er appèl gehouden en werden ze geteld. Niet altijd klopte de telling en dan moest er nog eens geteld worden.
Door het mooie weer was het terrein in Bocholt erg stoffig.
Tegen half vier moesten ze aantreden om eten te halen. Ze kregen aluminium en stenen schaaltjes. Er waren er echter te weinig, zodat ze ze van elkaar moesten lenen. Een vork of lepel kregen ze niet. Ze moesten dus maar uit het schaaltje slurpen. Voor ze bij de keuken waren die in een ander deel van het kamp lag, was het schaaltje bezaaid met een laagje stof.
Het menu bestond uit aardappelsoep, gebonden met griesmeel en een paar stukjes vlees. Het leek op varkensvoer. Tegen 6 uur kregen ze brood. Per 7 man kregen ze één brood met stroop. De stroop moest het brood eetbaar maken.
Een Hollander, die zijn harmonica had meegesleept, speelde verschillende aardige liedjes om de boel wat op te vrolijken. Na een tijdje zong iedereen mee.
Op 14 mei om 11 uur verlieten ze Bocholt en werden ze per goederentrein met veertig man in een wagon, zodat er weinig ruimte overbleef om zich te bewegen, naar een kamp in Dorsten vervoerd.
Daar werden ze om acht uur ’s avonds in barakken ingedeeld. Hier lag behoorlijk lang stro en die nacht sliep men vrij goed.
Op 15 mei werden ze in compagnies en vervolgens in groepen onderverdeeld. Hun sigaretten raakten op. ’s Avonds werd er muziek op de harmonica gemaakt en een ander ging voordragen. Het werd een leuke avond.
Na middernacht werd in de buurt van het kamp een of ander object met bommen bestookt.
In de volgende nacht kwam het afweergeschut viermaal in actie bij een luchtaanval. Het kamp werd niet getroffen.
Op 17 mei deed het gerucht de ronde, dat ze naar huis zouden gaan, maar dit bleek onjuist te zijn. Wat wel juist was, dat Holland zich had overgegeven. Dit hoorden ze van een Duitse officier.
Na het ontbijt kregen ze een schaal aardappelsoep met macaroni. Daarna verlieten ze het kamp om naar het station te gaan. Voor onderweg kregen ze een half brood en een flink stuk leverworst mee.
Tegen negen uur werden ze met zeker 1000 man in een goederentrein met wagons zonder banken gestouwd.
In een wagon werden vijftig man geladen. De deuren werden gesloten. Twee kleine luikjes, een vooraan en een achteraan dienden voor de frisse lucht en enkele bevoorrechten konden naar buiten kijken.
Zo vertrokken ze uit Dorsten en passeerden Hannover, Dortmund en Bielefeld. Af en toe moest de gevangenentrein stoppen voor een of ander sein en dan was er gelegenheid voor enkele mensen per wagon, om een dringende behoefte te doen. Zo reden en stopten ze de hele nacht door.
Verschillende jongens dutten door de vermoeienissen in, zo goed en zo kwaad het ging.
De bodem van de wagon was bedekt met een dikke laag cementstof. Als de soldaten zich even bewogen, stoof de kalk op en werd het erg benauwd in de wagen.
Midden in de nacht passeerden ze Berlijn en in de morgen waren ze in Stettin. Om negen uur 's morgens stopten ze in Stargard in Pommeren. Dit bleek het einddoel te zijn. Iedereen was gebroken door het schudden en het ongemakkelijke en langdurige verblijf in de wagons. Vies en goor zagen ze eruit door de cementstof.
Precies 24 uur had dit reisje geduurd.
Na een mars van een uur, belandden ze in een groot kamp, dat was omheind met een dubbele rij prikkeldraad.
Om elf uur waren ze alweer in een Lager ingedeeld. De legering was goed en het eten was wat beter dan in de vorige kampen. Dit kamp was een Stalag, een vast kamp, terwijl de vorige twee Dulags waren, tijdelijke kampen. Dulag is een afkorting van Durchgangslager für Kriegsgefangene.
Op zondag 19 mei werd hun na het eten medegedeeld, dat ze zouden verhuizen. Ze namen dus alles mee.
Het bleek weldra anders. Ze marcheerden het kamp uit en in een kazerne vlakbij werden ze zorgvuldig gefouilleerd. In plaats van het papieren gevangenennummer kregen ze een metalen herkenningsplaatje. Ook werden vingerafdrukken genomen.
Op 21 mei deden geruchten de ronde dat ze de volgende dag weer zouden vertrekken. De een zei naar Warschau, de ander dacht naar Holland. In de avond gebeurde er iets eigenaardigs. De Polen waren altijd strikt afgezonderd geweest. Nu echter was het hek open en liep iedereen door elkaar. De Nederlanders gingen bij de Polen op bezoek. Ze ruilden allerlei spullen met elkaar, sigaretten en dergelijke, die werden betaald met Hollands geld, dat ze nog hadden.
Op 22 mei kwam ’s avonds het bericht per radio, dat ze de volgende morgen half 5 gewekt zouden worden en half 6 na alles ingeleverd te hebben naar Holland zouden terugkeren. Even later kwam een tegenbericht dat de volgende morgen vroeg 1200 man onmiddellijk zouden afreizen naar dringende werkzaamheden.
Op 23 mei 's avonds gaven de Polen een concert met drie accordeons, twee violen en een gitaar. De violist, een jonge Pool, ontpopte zich als een ware kunstenaar. Een goochelaar gaf een heel aardig intermezzo.
Op 24 mei werden alle vaklieden uitgezocht en op karwei gestuurd. Wil kreeg werk op een boerderij en daar was volop te eten.
Op dinsdag 28 mei kwam het bericht dat ze heel spoedig nieuws over hun bevrijding zouden horen. Om 11 uur moesten de troepen blijven staan omdat er door een Duitse officier een belangrijke mededeling zou worden gedaan.
Die mededeling was de volgende: De Führer heeft gemerkt dat de Hollandse soldaten moedig en eerlijk hebben gevochten en heeft daarom besloten dat zij zo gauw mogelijk weer naar huis terug mogen keren.
De mededeling werd met gejuich ontvangen, maar hoewel medegedeeld was dat de terugkeer zo gauw mogelijk zou geschieden, zou het toch nog een tijd duren voor het zo ver was.
Het wachten was op vervoersmogelijkheden naar het vaderland.
Er heerste een opgewonden stemming. Ze waren nu dus geen krijgsgevangenen meer, maar gasten.
Op zondag 2 juni gaf een Pool, een krachtmens, een paar krachtproeven ten beste. Hij beet onder andere een bijna een centimeter dikke spijker door. Daarna was er een worstelwedstrijd tussen de Hollander Van Brasem en de Pool. De Hollander won.
Op woensdag 5 juni zouden ze weer eens vertrekken. Alle Hollanders moesten bijeenkomen op het voetbalveld. Ze verhuisden naar een kazerne waar ze in garages gelegerd werden.
Op vrijdag 7 juni kwam het bericht dat ze zaterdag absoluut naar Holland zouden gaan. Alle voortekenen waren goed. Ze zouden uitgeschreven worden en over Oldenzaal naar Holland gaan. Het Hollandse kamp was geestdriftig. Het was alweer 4 weken geleden dat ze gevangen genomen waren.
Op zaterdag 8 juni was alles om half vijf al paraat en het hele kamp opgeruimd, maar toen werd hun als een donderslag bij heldere hemel meegedeeld dat het vertrek alweer door omstandigheden uitgesteld zou worden.
Daarna, om 2 uur, moesten ze aantreden, en kregen ze bevel om alles in te leveren. Per man kregen ze een brood en een stuk worst en om vijf uur marcheerden ze naar het station.
Daar stonden ze weer, bezakt en bepakt, maar nu in een heel wat betere stemming dan toen ze kwamen.
Toen wisten ze niet voor hoe lang en nu gingen ze naar huis.
Waarschijnlijk was Wil sinds april niet meer thuis geweest. Het was nu al weer 8 juni, ruim twee maanden later.
Om zes uur waren ze allemaal ingestapt in de goederentrein die klaar stond met banken in de wagons.
Daar gingen ze naar Holland, via Berlijn, Maagdenburg, Hannover, Osnabrück, tot ze op zondag 9 juni nog in de nacht in Bentheim voor de Nederlandse grens stonden. Ze hebben het goed gehad in de wagon. De reis was geweldig lang maar niet zo somber als de heenreis. Van slapen kwam niets terecht, want het was koud.
Maar dat kon de stemming niet bederven.
Rond 10 uur kwam de trein Nederland bij Oldenzaal binnen rijden, met bestemming Enschede, Hengelo of Almelo.
De radio had de terugkeer van de krijgsgevangenen aangekondigd en het resultaat daarvan was dat er juichende menigten op de been waren om hen te verwelkomen. De politie had handen vol werk om het publiek in bedwang te houden.
In Enschede marcheerden de militairen na het uitstappen wagonsgewijs naar het Volkspark, waar hun een ontvangst ten deel viel, zoals ze in hun stoutste verwachtingen niet hadden durven dromen.
De Enschedese Vrijwillige Vrouwen Dienst was ingeschakeld bij de opvang. De voornaamste taak bestond uit het ontluizen, wassen, voeden en onderbrengen van de soldaten bij particulieren.
In de opvangplaatsen hadden kappers zich vrijwillig beschikbaar gesteld om de soldaten weer toonbaar te maken. In zwembaden en badhuizen konden de mannen daarna een douche nemen en dat was wel nodig ook, want helemaal schoon hadden zij zich in het kamp nooit kunnen wassen. Iedereen kreeg ook nieuw ondergoed. De meeste soldaten hadden hun ondergoed al zes weken aan en snakten naar iets schoons.
Artsen onderzochten de teruggekeerde krijgsgevangenen en door de schrijvers werd er druk gewerkt aan de benodigde verlofpassen en vervoerbewijzen. Voor het eerst kon weer eens een echte Hollandse maaltijd worden genuttigd.
Door alle gebeurtenissen van die zaterdag was het te laat geworden om nog naar huis terug te keren en werden de nu ex-krijgsgevangenen voor een nacht ondergebracht in daarvoor beschikbare ruimten en bij particulieren die zich daarvoor aangemeld hadden.
De groepsvertegenwoordigers kregen die avond nog instructies voor de volgende dag. Er vond een indeling plaats om de groepen samen te stellen voor vertrek naar huis.
Degenen die het verst weg woonden werden in de eerste groepen ingedeeld. De volgende dag 10 juni 1940 keerden de meeste krijgsgevangenen weer in hun woonplaats terug.
En zo kwam Wil Riga, na een lange tijd van afwezigheid, waarin men tussen hoop en vrees had geleefd, terug naar Stammenhof. In het daaropvolgende jaar is hij getrouwd met Bertine Jeurissen.
De angst om opnieuw in de oorlog ingezet te worden was heel groot. Om die reden werd er op de Dries bij het bos een ondergrondse vluchtplaats voor hem gemaakt, om onder te duiken en de Arbeitseinsatz te ontlopen. Deze vluchtplaats hebben we in de jaren na de oorlog nog gebruikt om er te spelen, tot hij op een keer is ingestort.
Dagboek van sergeant A. Vink, groepscommandant bij 1e sectie 1-II-8 R.I. In: grebbeberg.nl.
Dagboek van sergeant Klaas Jaspers. In: westervoort1940.nl
Oorlogsverhaal van Leonie Muijtjens-Riga. In: F.L.M. Daemen, Stamboom en kroniek rond Daemen.