Josef demonstreert een raceauto. Ik met Louis achter hem aan in een andere auto. Josef stopt en stapt uit. Er staatvu iets op de auto geschreven, dat je er even goedkoop in kunt eten als thuis (met het oog op vacantie). De auto heeft een kleine ronde ruit, waar met verf op geknoeid is. De kleur is grauw. Dan komt mijn moeder aanrennen. Ze roept, geheel overstuur, dat ik snel moet komen, want tante Lies is zo zenuwachtig thuis gekomen van de kerk. Ik ga mee, duidelijk met de bedoeling kalm te blijven. Ik ga naar binnen. Ze zit in de keuken met betraande ogen. Ik leg een hand tussen haar bovenbeen en de zitting van de stoel en houd mijn voorhoofd tegen haar voorhoofd, neuzen tegen elkaar. Ik werd achtervolgd door een echtpaar, en toen ik boven in het dorp gekomen was, lieten ze me niet meer los, zegt ze.
Een man met wipneus zit achter mijn tante aan, nadat hij eerst mij heeft lastig gevallen. Hij papt met mij aan, om met haar contact te krijgen. Hij is dik, papperig. Maar mijn tante schijnt het niet vervelend te vinden. Ik beledig hem, maar zij wijst mij terecht.
We zitten aan het ontbijt. Links mijn moeder, tegenover mij mijn tante. Rechts van mij mijn vader. Ik ben te laat voor school. Ik vraag de tijd. Het is al tegen tienen. Het kan me niet schelen. (Ik hoef eigenlijk niet naar school). Mijn moeder begint te praten. ‘t Thema is een toekomstige vrouw. Ze zegt: En als de Heilige Geest je nou eens een naam noemt? Ik zeg: En als de Heilige Geest nou eens zwijgt, zit ik helemaal met de gebakken peren. (Ik kijk mijn tante veelbetekenend aan).
De telefoon gaat over. Het is voor mij. Het is mijn tante. Ik vertel haar alles uitvoerig. Maar er is een moeilijkheid. De telefoon staat op een stoel en daartussen, tussen mij en de telefoon zit mijn vader. Hij voelt zich niet op zijn gemak. Ik zeg dat ik moet ophangen. Ik leg de situatie uit. Mijn tante zwijgt, enigszins betrapt.
Ik kom ergens waar we een partij hebben opgericht. Jan zegt tegen mijn tante: U bent zeker geen arbeider. Daarop zeg ik: Maar jij bent er ook geen. (lachend, schaterlachend) En verder: Dat heb ik nou juist van dat partijtje geleerd. En verder (en hierbij zie ik het gezicht van mijn vader): Het was best romantisch.
Fifi komt naar me toe en omhelst me, kust me langdurig op de mond. Ze drukt zo zwaar tegen me aan dat ik haast achterover val. Ik zie aan mijn tante dat het haar niet bevalt. Ze kijkt me aan en zegt: Je bent moe.
Ze laat me snoepjes zien. Ze neemt me mee naar de keuken. Ze laat me de prijs zien. Duizend gulden, zegt ze. En dat wilden ze(bedoeld zijn de familie van mijn moeder) niet hebben. (Ze kijkt alsof ze wil zeggen: gekken). Het bedrag is afgerond, want op het etiket staat 11 () en dan 4 en/of 5? Ik weet het niet meer precies. Ik denk dat ze zich vergist. Het moet ƒ11, () zijn, denk ik. Moet je nu eens opletten, zegt ze. Ze gaat een paar snoepjes eten. Dan ontbloot ze een borst. Moet je eens zien, zegt ze. Haar borst is sterk gegroeid. Ook haar lichaam lijkt zwaar. Ik denk: zijn het hormonen? Zij gaat bij het raam op een ladder staan. Ik zie haar nu tegen het licht, schuin boven me. Haar jurk is doorzichtig en aan de zoom vochtig. Ik zie heel duidelijk door de jurk (heen) het profiel van haar lichaam (haar achterste). Ze is gelukkig niet dik geworden.We zijn op bezoek bij tante Lies in Boxtel.
Ik kom op een school om les te geven. Het is vroeg. Als ik aankom, staat daar een jonge vrouw voor de klas. Zij begint met de les. Het gaat niet zo goed. Ik zit met volwassenen in de klas. Ik weet niet goed hoe het in elkaar zit. Op een gegeven moment is het alsof ze alleen met mij spreekt. Heb je het niet gezien? vraagt ze. Ik begrijp het eerst niet. Ik herinner me dat ik ook met professor Kamstra heb zitten praten. Ik heb het idee, dat ze daarop doelt. Maar ik begrijp het niet helemaal. Ik weet niet of ik het goed begrepen heb. Ze bedoelt, geloof ik, dat ze zich heeft laten veranderen. Als de les afgelopen is, gaat ze uit het lokaal. Ik ga later ook daarheen, naar de gang. Ik wil een afspraak met haar maken, want mijn scriptie is niet af. Ik moet zeker nog één of twee keer met haar daarover praten. Hoe oud denk je dat ik ben, zegt ze. Dit speelt zich in het lokaal af. Ze is nog niet uit de les. Ik durf niet te schatten. Ik weet nog steeds niet, of ik het goed begrepen heb. Ze ziet er uit als een meisje van ongeveer dertig. Het is allemaal dat spul, zegt ze, en ze trekt aan haar oor. Ik begrijp, dat ze hormonen bedoelt. Ze duwt ook op haar buik. Neem je veel pillen? vraag ik. Ik hoor niet wat ze antwoordt. Ik heb het idee dat de anderen niet merken wat zich afspeelt. Het is een onderonsje. Dan gaat ze de klas uit. We komen op een weg in de buurt van een kerkhof. Het is in de buurt van het kerkhof van Sweikhuizen. Daar zijn mensen met honden. Daar heb je ze, roept ze verschrikt. De honden komen op haar af. Ze ruiken het spul, dat ze ingenomen heeft. Ik probeer ze weg te jagen. Er komen steeds nieuwe honden. Toch doen ze haar niets. Langs de weg zijn mannen met kinderen bezig iets te verbranden. Ze komen met het vuur in onze richting. Er is een kind, dat het vuur in iets bewaart. Het kind loopt ermee rond, en komt naar ons toe. Ik vraag me af, hoe laat het is. Ik herinner me dat ik ben opgestaan in de nacht. Het is nu ook nog donker. Ik heb een idee dat ik me heb vergist. Ik weet dat ik aanstonds wakker zal worden.
Waarom roept Riga niet nog een keer: met de para en de centîmes?
Edith. Die moet eraan gekoppeld worden. (Ik krijg te horen) een heel schrift.
Of para een paar is, weet ik niet. Een centenkwestie. Ik houd me niet hormonen bezig. Het ging alleen maar om Franse en economische zaken. Ik weet niet welke ik weet. ().
Onder de (para) is dinsdag de vorm.
Op 32 maart zou die dat krijgen. Dat is net zoiets als geen ziekte hebben en toch een buik. Dat is de betekenis van het hormoon.
De zelfleiders. Dat is ook een soort collaboreren. Daar laat niemand zich over uit. Of in welke mythologie dan ook. Alles wat je buiten het publiek zegt.
Je kunt het inhouden in Paramariba. Symbolen en priesters, dat allemaal. Ik heb het gezellig. Je kunt me aanbidden [opbellen]. Aanbidden is vergezellen. De techniek van gesprek en vertellen. (Freud) Spreken doet ie sowieso goed. Gewoon vertellen hoe hij was.
Paratheologie. Barend Levens(d)regt. Medisch in het bijzonder. Ik hoor van ualles op dit gebied. Medische kennis. Waar dat over gaat.
Een nota. Tegen een Latijnse club. Ze voerden eigenlijk een Franse hervorming.
Als we niet mogen horen waar het over gaat, (dan vervalt het). Ik hoor vanzelf wel wat ik bij dit orgaan mis. Bij dit orgaan missen we (). Wat (voor) vertegenwoordigers. Je hebt je dus flink in de luren laten leggen. Ik vraag me af of je dan van die problemen af komt. Ze zitten dan in de stront. De mensen produceren iets bij en dan komt er iets in de handel.
Wat een arts eigenlijk doet om een huis te vermijden. Ze spuiten () in dat groeiorgaan in.
Ik weet het niet meer zo goed. Het kan elf of vijfenveertig geweest zijn. Weet je wat ik doe? Ik vraag ze gewoon alvast aan mijn elf. Dus dat zal dan wel vijftien veertien zijn.
Ik denk dat dat de betekenis is van het hormoon.
Er is nooit een nota verschenen waarin die openlijke zelfmoordpoging wordt veroordeeld. D’r zijn wel mensen die zeggen precies het tegenovergestelde. Dan krijg je een heel ander leven.
Werd toegestaan door de mannelijke om vrouwelijke hormonen te gebruiken.
Hormonen? Ik heb niks over hormonen gezegd.
Een deel van de familie gaat op Ter Borg wonen. Onder anderen mijn vader, mijn tante en ik. Ik ben al bezig geweest een andere ziektekostenverzekering af te sluiten. Ik ben aanvankelijk enthousiast, maar later begin ik me te bedenken. Mijn tante vraagt mij of ik wel naar Ter Borg wil. Ik zeg, dat het idee me wel aantrekt, alleen de afstand tot de stad is te groot. Ze geeft me gelijk. Ik heb spijt, dat ik al een particuliere verzekering heb afgesloten. Nu moet ik weer terug in het ziekenfonds.
Mijn tante stoeit met mij in de tuin. De familie vindt het schandelijk. Ze wil dat ik haar aanraak. Ze is gedeeltelijk naakt. Haar kleding zit erg los, bij het middenrif. Ik voel de aanraking van haar taille. Zij gaat zo te keer, dat ze mij tegen een conifeer aanduwt. De conifeer valt om. Ik wil hem rechtzetten. Ik stel voor met een schop een gat te maken, en daarin een stok te plaatsen. Ik zal de stok nog moeten punten. De stok moet de conifeer weer recht overeind houden. Ik ben bang, dat Louis het niet zo leuk zal vinden, dat de boom beschadigd is. Maar mijn tante vindt het geen probleem. Ze vindt het niet nodig de schade te herstellen.
Ik zie mijn tante in de keuken. Ze vertelt mij wat ze heeft besloten met betrekking tot haar erfenis. Eerst heeft ze Louis ook iets gegeven, maar nu niet meer. Ik krijg alles. Ze gaat weg. Ze wil het me laten zien. Mijn vader heeft alles gehoord. Ik krijg het gevoel dat mijn tante wilde dat hij het hoorde. Mijn vader komt naar me toe. Hij wordt handtastelijk.
Ik kan me niet goed verweren, omdat ik hem geen geweld wil aandoen. Maar hij drukt zo sterk tegen mijn borst vlak onder mijn keel dat ik wel móet. Zijn stem klinkt opgewonden, vol haat.
In een eerdere droom was ik bij mijn tante in Boxtel. Het huis ziet er anders uit. De achterzijde ziet eruit als een deel van Stammenhof. Mijn tante laat het mij zien. Ze wil me geheel in haar stijl [laten zien] hoe goed ze alles in orde heeft. Er is ook een hond, waar ik eerst een beetje bang voor ben. Maar hij heeft slechts goedmoedige bedoelingen. Later ga ik naar huis (Stammenhof) met tegenzin. Als ik thuis ben aangekomen, zie ik even later mijn tante verschijnen. Ze komt ook logeren.
Harry rijdt de auto de berg op in Sweikhuizen. We zijn bij Gemini. De weg is afgesloten. Harry rijdt door een open schuur. Het is smal, maar het lukt tot in een weide te komen. Ik zit voorin de auto, achterin tante Lies. In de weide kunnen we nergens heen. We moeten terug. Maar als ik kijk, hoe we terug moeten rijden, zie ik tot mijn verbazing dat het niet gaat. Hoe zijn we door deze smalle gang uit de schuur geraakt? Harry weet het ook niet. Hij heeft de neiging het op te geven. Het huilen staat hem nader dan het lachen. Tante Lies zegt dat ze de oplossing weet. Ik wil haar waarschuwen, maar even later rijdt ze al in volle vaart door de weide, niet in de auto, maar op een soort motor, een gemotoriseerde landbouwmachine. Ze roept: L, hè. Heel triomfantelijk, imeisjesachtig.
Ik word opgebeld. Ik ben bij de schuur. Ik heb gehoord, dat iemand mijn naam heeft gevraagd. Ik ben bang dat [de] verbinding misloopt, en neem de hoorn van de haak. Ik denk dat het van school is, maar het is iemand die in huis woont. Ze klaagt, dat ze wordt gestoord door het geluid van de telefoons. Ze legt het heel uitvoerig uit. Ik weet niet wie zij is. Ik denk eerst dat het mijn tante is, maar ze spreekt Hollands. Tenslotte vraag ik: Waar zit u dan? Wáár - ú - bént? zegt ze (heel langzaam alsof ze de woorden laat passeren (gescandeerd). Ik ben eigenlijk nergens.
Ik zie op de 1ste schooldag negers, met ronde schedels als van Chinezen, die me vragen stellen. Er is een vergadering van school of liever, het is de eerste schooldag. Er wordt veel nutteloos werk verricht. Wim Kok is er ook en mijn tante. Na allerlei bijeenkomsten bijgewoond te hebben, zie ik tenslotte Edith op een katheder. Ze legt de letters van het alfabet uit. Ik sta na afloop op. Verontwaardigd. Ik vraag de voorzitter of dit volgend jaar niet beter geschrapt kan worden. Ik heb een gevoel dat ik een goeie indruk heb gemaakt op mijn tante, maar ik zie haar na afloop niet.
We zijn in een ander huis. Ik vraag waar we zijn. Bij de buren, zegt mijn tante. Het is ironie. Fifi daagt haar uit. Ze moet dansen. En ze doet het ook, op muziek uit haar eigen tijd. Het gaat geweldig, goed op ritme. Ik hoor de muziek: Cantate. Cantate.....
Terwijl ik de droom wil opschrijven, valt Miep me lastig. (Ik denk eerst dat er een kind in mijn bed is). Ze wil me beletten iets op te schrijven en begint een tirade, onder andere: Stoer! Ome Wip een dien geven.
Ik kom logeren op Stammenhof wegens vacantie. Mijn moeder maakt aanmerkingen. Ik word kwaad. Ik zeg dat ik als ze doorgaat vertrek. Ze gaat door, en ik vertrek. Ik ben in een hotel. Ik heb een kamer gereserveerd. Later zie ik mijn vader op straat. Daarna kom ik op Stammenhof. Mijn tante kampeert in de kersenwei. Ik wil er een tent omheen maken, een stuk tentdoek tegen de wind. Ik ben met beschreven velletjes papier bezig. Ze liggen verspreid in het gras. Ze zegt dat ik ze beter bij elkaar kan houden en achter het tentdoek komen zitten. Dat doe ik.
Ik hoor een verhaal over tante Jan. Er moet op tante Jan gelet worden, hoor ik zeggen. Als we niet oppassen, gaat zij gekke dingen doen, aangezien de regeringslast te zwaar op haar schouders drukt.
Tante Lies heeft stroop op het haar gekregen. Ik maak de haren los. ‘U moet wel oppassen met kammen,’ zeg ik. Maar het is geen probleem. (We waren net bezig over haar geboortejaar te praten. Vergeten.)
Ik heb ook nog een toneelvoorstelling gezien. Een vrouw gekleed als ‘heilige’ in een wit gewaad, daalt af van de muur. Er komt uit haar kleed een ‘hand’ of iets dergelijks te voorschijn. Het lijkt een grote penis in een doek gewikkeld, maar het is een andere vrouw, die uit de eerste neerdaalt. Mijn tante komt erbij. Ze zegt dat het
allemaal heel stijlvol is of zoiets.
Ik heb een rond voorwerp ingeslikt. Ik kan geen adem meer krijgen. Ik probeer mijn tante daarop te wijzen, maar kan geen woord uitbrengen. Tenslotte tik ik tegen haar [?], en wijs naar mijn keel.
In Boxtel op bezoek. Frans heeft een baan in Utrecht aan een school. Hij is directeur. Ik heb ook een andere baan gekregen. Ik weet niet meer wat. Ik ben daardoor op de een of andere manier ‘collega’ van Frans geworden. Er wordt iets gegeten. Daarbij wordt geknoeid. Ik ga iets halen om het op te vegen. Mijn tante gaat met me mee. Ze heeft als ze weer teruggaat een worst bij zich. Ze vindt het maar niks. Ik zeg: ‘U moet net doen alsof U het vergeten bent.’
Ik ben bij tante Lies. Ze heeft een dochter (of het is oma’s dochter).
Ik ben ook in Puth. Pastoor Thissen heeft een examen opgegeven. Ik ben bezig de antwoorden op te schrijven op borden. Het zijn zogenaamde doodsplanken. Ik zit niet op de goeie plaats. Het is bij Ruyters. Ik [?] naar een plaats in de buurt van de kapper. Ik ben aan de derde plank bezig. Het lukt niet, mijn proefwerk daar af te maken. Ik word gestoord. Joris komt, en de dochter van tante Lies om me te redden, want pastoor Thissen zit me achterna. Joris rijdt op een soort dorsmachine door een opgebroken straat. Het is heel gevaarlijk. Maar hij manoeuvreert er door heen. Later verschuilen we ons achter een huis. Daar pastoor Thissen ontdekt ons. Joris ontdekt een manier om onder het huis weg te zakken. We kunnen ontsnappen. Maar aan de andere kant staat pastoor Thissen ons op te wachten. Hij doet ons niets.
Cor Hoek komt met een stel dames vergaderen in Boxtel. Het is afgesproken. Mijn tante verwacht ze. Ik moet iets brengen naar een dame in Schimmert. Het heeft te maken met een manuscript dat ze geschreven heeft. Ik ga juist naar buiten als zij naar binnen komen. Zij kennen die dame uit Schimmert toevalligerwijze ook. Met het huis van mijn tante is iets aan de hand. Er zijn twee huizen naast elkaar, een lage bungalow en een statig ouderwets huis, waar de bezoekers naar binnen gaan. Het is toch min of meer één huis. De bezoekers lopen er rond, alsof ze er al dikwijls zijn geweest. Met de schrijfster heb ik eerder contact gehad. Maar ik weet niet meer wie zij is.
Ik ben in Schinnen. Droom weg. Ik wil hem opschrijven. Ik lig op de jongenskamer. Het nachttafeltje bestaat uit twee delen. Boven ligt mijn dromenboek en een bakje met water. Beneden staat een kaars. Ik zie in mijn dromenboek dat ik al twee dromen opgeschreven heb. Dit is de derde. Maar ik stoot per ongeluk het bakje water om. Ik heb het licht aangestoken. Het is een bureaulamp. Mijn tante komt op het geluid af. ‘Ik heb met water geknoeid,’ [zeg ik] en wijs naar de lamp, die licht de kamer in wijst en in haar ogen wijst. Het water is op het papier terechtgekomen en heeft gedeeltelijk uitgewist wat ik opgeschreven heb. De kaars staat schuin te walmen. Ik weet weer wat het was. Ik ben met de jongens in de Limbrichterstraat, maar op een gegeven moment zijn we in het veld. We zijn verdwaald. Ik weet niet meer waar Sittard is. Na een tijd zoeken zie ik de torens van de stad weer. Ze zien eruit alsof het in de middeleeuwen is. Torens met een wal eromheen. Verder niets. Als we aangekomen zijn, vraag ik iemand: ‘Waar zijn we nou geweest? ‘Baek en Buchten,’ zegt hij. ‘Is hier dan een ‘Baek’(Beek)?’ vraag
Ik rijd met mijn tante in de auto. We komen bij haar huis. Maar het is een ander huis. Het ligt aan de buitenkant gezien gewoon in een rijtje met andere huizen. Binnen is er een hotel, met een prachtige vijver, met bewegend water. De beheerster laat ons zien hoe het water door een mechanisme onzichtbaar in beweging wordt gebracht. Maar ik weet niet meer hoe het in elkaar zit. Is mijn tante buiten mijn weten verhuisd?
We zitten aan tafel. Mijn tante wrijft (tussen?) mijn penis. Ik vind het prettig maar wil toch niet dat ze te ver gaat. Later zie ik Frans met mijn moeder in de keuken. Ze praten over de scheiding (alsof Frans Miep is?) Mijn moeder heeft het over de auto, dat die veel suiker verbruikt. Ik zeg, als Frans even weg is: Geer gaot ‘t toch noe neet euver soeker höbbe. Later is Frans terug. Hij helpt mijn moeder met de afwas.
Ik ben in Boxtel. Mijn tante belt me op. Ze is ergens anders. Ik moet 969696 bellen. Later is zij thuis. Ze is naakt, en mist beide benen. Ik word, terwijl ze zweeft, met haar verenigd.
Ik kom in Boxtel. Ook Sheyla is daar. Ze gaat al naar mijn tante toe. Ik ben eerst ergens anders. Als ik later binnenkom, zie ik dat mijn tante Sheyla omhelst. Ze trekt een ernstig gezicht. Als ik binnengekomen ben, zegt ze: Ich verwach, Albaer, dat ich..... Hier stopt ze. Ik schrik heel erg.Ik ben in Boxtel.
Mijn tante praat heel negatief over Sheyla. Ik verdedig haar. Ik begrijp niet, dat mijn tante zo kan praten. Ik ben het niet met haar eens.
Caspar, tevens een hond, logeert bij tante Lies in Boxtel. Hij is aan het dreinen: Ik wil de menk!
(bellen zonder telefoon met tante)
Ik kom in Schimmert vanuit Sittard. Ik word achtervolgd op verdenking van moord op Jeanne (waarschijnlijk). Later ben ik in een lokaal, waar men zich zal gaan verzamelen voor iets wat op een bekentenis of opheldering lijkt. Het schijnt dat ik vrijgesproken ben, maar niet helemaal. Ik heb gestolen, niet gemoord.
Ondertussen komt Zef, de knecht, aanlopen met een groot mes. Hij houdt het bij de keel van Caspar. Is Jeanne zijn dochter? Ik kan Caspar bevrijden, maar snijd me bijna aan het mes. Ik wou eerst niet naar de samenkomst gaan, maar nu wel. Ik heb alleen maar gestolen, zeg ik huilend. Ik heb niet gemoord.
Er was nog een droom waarin Miep ervan wordt beschuldigd haar eerste man te hebben vermoord. Er is een lokaal, waar op een bord de leus Mente voorkomt. (Het klinkt als tante) (Nu loopt zij met Caspar). Men komt me voor haar waarschuwen. Men denkt dat ze ook mij zal vermoorden. Toch ben ik niet bang. Ik weet dat ze zo niet zal handelen (Ik denk dat zo betekent: zoals haar vader).
Ja, soms is men blij dat (van) (naar) tante Dora gaan. Dan mag je mee naar tante Dora gaan, is in feite.
Waarom 9? Spelregels. Elke regel, elke kop. Geeft aan hoe het woord gespeld wordt. Mente moet worden gespeld als tante.
Ik dacht niet aan een berg, toen ik tante zei, en daar blijft het bij. En dat is je kleine Venusheuvel. Dat is tante Jan. Sion is de andere berg. (Mente moe worden gespeld als monte)
(spelling) Verandering heeft nadelen ten opzichte van het behoud van iets. Wat geeft mente dus aan? Met andere woorden: integreren. Dat de baas is in die taal.
Ome Willem en tante Jan. De Tante! Tante! Wat een prachtige romantische (worp)
dikke Mem [M&M]. Je ziet toch zelf wel beter als ik waar je boeken zijn?
(Gesprek aan tafel. Tegenover mij mijn tante, naast haar mijn oma).
Opa was een optimist. Als het mooi is, heb je het niet over het slechte weer. Dan zie je pas hoe het is ontstaan.
(Mijn tante heeft een boek geschreven over haar levensloop.)
(Kamstra op bezoek op Stammenhof. Thei Cals is ook aanwezig en nog wat mensen. [Vrouw van Thei overleden, volgens tante]. Ze hebben hun gezicht met schmink bestreken vanwege het Carnaval. Daar wist ik niks van. Bovendien: het Carnaval is al geweest. Kamstra praat met Thei over de voortgang van zijn scriptie.
Tante Stilte. Nadat ze van de bond te horen had gekregen: doe dat maar!
Telefoon uit 's-Hertogenbosch. Tante is in kritische toestand opgenomen in het Carolusziekenhuis. Later nog een telefoon van de Eerste Opname: We vragen ons af, of we haar moeten reanimeren. Gesprek met de specialist.
Ze heeft een ernstige graad van bloedarmoede. Het HB-gehalte is 2, zelfs nog iets minder, terwijl het 10 moet zijn. Ze heeft een erg bleke huid. Is dat al langer zo?
Ja, het laatste jaar vooral.
Heeft ze wel eens zwarte ontlasting gehad?
Nee, niet dat ik weet, of ja toch wel, maar dat is wel zo’n zeven jaar geleden. (Stilte) Wat gaat er nu gebeuren?
Er moet bloed bijkomen, maar het is de vraag of het hart dat redt.
Iemand van de Eerste Opname vroeg me of ze haar moesten reanimeren, door de telefoon!
Och, die zeggen wel eens vaker wat.
Hoe is het dan nu met haar?
Er is wel een kans op herstel.
Ik ben in het ziekenhuisrestaurant. Het geluid van kopjes, geroezemoes van mensen. Soms kun je er een zin uit opvangen. Aan de aangrenzende tafel: Er zijn reclamemakers die zo’n mooi drukwerk maken dat je niet kunt zien of het een 2 of een 10 is.
Wandelend door Den Bosch denk ik: zou ik in de toekomst meer met deze stad te maken krijgen? Ik koop een plattegrond en een doos sigaren in de sigarenwinkel van Joop van Ravenstein. Die rookt Compaenen sigaren in de winkel. Ik wandel verder door de stad. Ik kom langs een vijver. De IJzeren Vrouw, volgens de plattegrond. Vandaar uit steek ik de Zuid-Willemsvaart over en zo kom ik langs het Groot Ziekengasthuis via de Hinthamerstraat op de markt, waar ik plaatsneem op het terras van Café In De Kleine Werelt.
Op de terugweg koop ik bloemen, naast de sigarenwinkel. Helaas, na aankomst in het ziekenhuis blijkt: bij Special Care geen bloemen. Ik geef ze aan de verpleegster: Mag ik u deze bloemen aanbieden? Ja, dat mag.
Vannacht kwamen seksvrouwen bij mijn bed met een mes, fluisterde ze. Ze wilden daarmee vlak bij mijn pols een snee maken. Iedereen was bang, maar ik niet. Ik joeg ze weg. En dan zeggen ze: ze ijlt. Maar ik ijl niet.
Gisteren was ze, zoals ze eerst was, weer terug. Ik dacht: ze komt weer naar huis, wie weet, hoe lang ze nog leeft. Vandaag trof ik haar slapend aan. Ze was vermoeid van het opzitten, zei de verpleegster. Ik heb haar niet gewekt. Er komt een neuroloog bij om te onderzoeken of ze misschien een hersenbloeding heeft gehad. Nu is ineens het graf weer dichtbij.
Ik liet haar een acceptgirokaart van de uitvaartverzekering zien. Die moest nog ondertekend worden. Dat ging heel moeizaam. Haar hand was te zwak. Haar stem is wel teruggekomen. Ze praat weer zo helder als altijd.
Ze vroeg me of ik voor haar wilde blijven zorgen als het langer zou gaan duren. Een dokter had haar gevraagd of ze daar zo zeker van was.
Daar hoeft u niet bang voor te zijn, zei ik. Het maakt voor mij niet uit, of ik in Sittard of in Boxtel ben. Ik ben alleen. Ik hoef niemand iets uit te leggen. Al duurt het een jaar, dat maakt allemaal niks uit.
Niet waar. Ik geef nog ergens les, in Sittard.
Het vloeibare dieet, dat ze haar in het ziekenhuis voorzetten, is nogal eentonig. Daarom had ik twee vlaaitjes uit Sittard bij zich, een met abrikozen en een met zwarte pruimen. Ik wist eigenlijk niet of ze die lekkernijen wel kon hebben.
Er is hoop op herstel. Een hersenbloeding heeft een verlamming veroorzaakt. Een been en een arm doen niet meer mee. Wat is er nog meer aan de hand? Misschien is er iets mis met de darmen. Daar wordt een foto van gemaakt. Daarvoor moet contrastvloeistof worden ingebracht. Dat is een beetje angstig. En dan? Wie weet wat er nog allemaal aan het licht komt.
Ze hebben foto’s van me gemaakt, zegt ze stralend, een zoals ik vroeger was, en een, zoals ik nu ben. Ze willen weten, hoe ik vroeger was.
Ik heb de notaris gebeld, zei ze. Haar stem klonk nogal opgewonden. Ik wil niet, ging ze voort, dat er teveel successierechten van af gaan. Daar weet ik iets van. Als mijn neef moet je veel betalen, maar omdat je voor me zorgt, kan je schadevergoeding krijgen.
Niet zo’n prettig bericht. Nog wat meer dagen in het ziekenhuis.
De verpleger die me dit vertelde vroeg me: Weet u wat het wil zeggen om voor haar te zorgen als ze weer thuis is?
Ik zei: Ja, dat weet ik. Het is een dagtaak.
U bent toch echt zorgbehoeftig, zei de verpleger. Hierbij keek hij haar recht in de ogen. Met zo’n uitspraak maakte hij het netwerk plotseling zichtbaar. Tante en neef, dat is een dun draadje.
De dokter heeft vastgesteld dat in het uiteinde van de darm een poliep zit met kwaadaardige cellen. Hierdoor verliest ze bij iedere ontlasting bloed. Een behandeling kan zijn: de poliep wegsnijden (en daarna misschien een operatie van de kwaadaardige cellen). Ze wil zich niet meer laten behandelen. Ze wil het riskeren.
Wat betekent dit? Ze zal bloed blijven verliezen. De darm kan verstopt raken (dat kan pijnlijk worden).
Ze verklaart haar besluit vanuit het katholieke geloof. (Hierbij fronsen de aanwezige geneeskundigen de wenkrauwen.)
Mijn engelbewaarder. Zo noemt ze me soms. Ontroerend. Ze dankt iedereen die bij het gesprek aanwezig is, de dokter, de verpleger, de verpleegster en daarna de wijkverplegende hartelijk. Ieder afzonderlijk.
Wanneer zal het draadje doorgeknipt worden? Er is geen vastgestelde tijd. De dokter heeft nog eens geprobeerd haar ervan te overtuigen dat ze die kwaadaardige poliep moet laten wegnemen. Ze lijkt daar nu zelf ook van overtuigd. Na nog een sigmoïdoscopie is gebleken dat de poliep hoog in de darm zit en alleen operationeel verwijderd kan worden. Het gaat gebeuren onder narcose. Ze zal dus geen pijn voelen.
Ze vertelt me wat de dokter heeft gezegd: U bent nog sterk. Ik wil u nog een paar jaartjes geven. Ze straalt.
De chirurg wou met me spreken over de operatie. Wat zijn de kansen?
Er is een klein risico, dat ze door de operatie kan overlijden. Als de operatie slaagt, moet er misschien een stoma aangebracht worden. Ze heeft dan nog een kans op leven. Ze krijgt intussen sondevoeding om aan te sterken.
Ik heb haar dit zo goed en zo kwaad als het ging verteld. Dit valt toch wel een beetje tegen.
Er kwamen twee vrijwilligers om een alarmtoestel aan te leggen. De andere hulpmiddelen, een looprek, een rolstoel, een toiletverhoger en een badplank, stonden al klaar. Zijn we te voorbarig geweest? Het duurt nu weer wat langer voordat ze thuis kan komen.
Ik bid ma en Stokman om me te helpen, zei ze. Ze vroeg me een tientje om knolletjes te kopen. Ik begreep eerst niet, wat ze bedoelde. Toen zei ze: Tegen aambeien.
Het spijt me nu, zegt ze, dat ik naar het ziekenfonds ben overgestapt. Eerst was ze eerste klas verzekerd. Tot nu toe was het geen probleem. Ze vond de verzorging goed, maar nu vindt ze dat ook al niet meer.
Ze zetten de po gewoon neer op het tafeltje, waar je ook van moet eten, zegt ze. En dan de mensen waar ze tussen ligt. Brabanders, fluistert ze, kijk eens, hoe grof ze zijn. Ik geneer me. Ik moet onwillekeurig aan de aardappeleters van Vincent van Gogh denken. Bloed, besmet met het Brabantvirus. Het kan de omgangsvormen ernstig beschadigen en slechte manieren veroorzaken. De darmfunctie. Programma: stoma, bestraling, operatie. Anaal onderzoek: pijnlijk, handtastelijkheid van een man, vies. Daar heeft de dokter niet aan gedacht. Terwijl ik altijd zo proper ben geweest, zegt ze. Ze weten niet dat ik daar nooit ben aangeraakt. Maar wie zal zich om een paar jaartjes langer te leven niet daar overheen zetten? De pijn die kan komen: een verstopt darmkanaal. Die mevrouw heeft ook bloed in het water, zegt ze.
Operatie dubbelloops A.P. (anus praenatalis). Dit is een stoma met twee uiteinden. Ruggenprik. Als ik jou niet had, wist ik me geen raad, zegt ze. Een verpleegster heeft uitleg gegeven bij het stoma. De gêne was gauw overwonnen. Een van de komende dagen volgt een demonstratie. Als de uitslag van het weefselonderzoek bekend is, gaan ze met de specialist aan tafel zitten. Het ziet ernaar uit dat ze over niet al te lange tijd weer zal thuiskomen.
Toen ik hier kwam waren er twee eenden. Nu is er nog maar een. De andere kreeg een manke poot en hinkte een paar dagen door de tuin. Ik was bang, dat ze niet bij het voedsel kon komen. Daarom liep ik haar na met een stuk brood, maar ze maakte telkens dat ze wegkwam. En toen lag ze daar ineens dood. Ik heb een gat gegraven en nu ligt ze onder de grond.
Uitslag van het weefselonderzoek. Er zit een groot gezwel in de endeldarm tegen het heiligbeen aan. Het groeit naar binnen toe. Hierdoor kan de darm afgesloten worden. Een operatie is pas mogelijk als het gezwel eerst door bestralingen is geslonken. De bestralingen kunnen poliklinisch plaatsvinden. Dat betekent dat ze naar huis kan en dagelijks met de taxi naar het ziekenhuis moet. Het accepteren van het stoma kost haar moeite.
Wil je eens in de klerenkast kijken, Albert? Je moet een ochtendjas voor me meenemen, een vuurrode zijden ochtendjas.
Ze vertelt haar gasten dat het gezwel bij de operatie gedeeltelijk is weggehaald en dat er nog een operatie komt.
Waarom vertelt u niet de waarheid?
Ze hoeven niet alles te weten, zegt ze.
Ik heb altijd al graag meer willen weten over de tijd, dat ze een jong meisje was op Stammenhof, maar het is er nooit van gekomen om het daar over te hebben. Ik dacht: als ik het nu niet vraag, komt het er nooit van, dus ik vroeg: Wie waren er op Stammenhof in 1925?
Ze antwoordde: Oom Louis, opa Petri, bonma (in 1923 overleden), Harie Cals, broer van oma Cals, Herzl de schweitzer, Joep Scheyen, Math Scheyen, Caspar Wap en dagloners, Dien Breuers, Mina Lindelauf, kindermeisje Greetje Wehrens, ma, Wil en ik.
Harie Cals schreef voor ma belastingbrieven.
Oom Louis was altijd maar harmonium aan het spelen.
Ze weet niet veel te vertellen over de toedracht van het ongeluk van 31 oktober 1916. Alleen dat er een paard en een dorsmachine bij betrokken waren, dat pa was uitgegleden in de modder en daardoor ongelukkig terecht was gekomen. Ook weet ze nog, dat ma zich daarna lange tijd terugtrok op haar kamer.
Opa Petri en bonma zijn naar Stammenhof gekomen om ma bij te staan bij het besturen van het bedrijf.
Op 8 november 1927 is ma hertrouwd met Frans Peters van de Biezenhof.
Opa Petri heeft nooit willen hebben, dat ma met hem trouwde. Dan zei hij altijd: Niet voor jou, Joseeph, maar voor de kinderen.
Peters verzette zich tegen haar voorgenomen huwelijk met William van Heugten.
Wiel kwam de hand vragen. Peters pakte een stok en joeg hem weg. Oom Louis achter Peters aan met de fornuispook.
Innerlijk mocht hij mij, maar hij kon Wiel niet hebben.
Wiel kwam naar de Molenberg te Heerlen om hulp te vragen van heeroom Thei, die voogd was. De hand van de heeroom (volgens de bisschop: klein, maar dapper) was sterker dan die van de stiefvader.
Op 31 maart 1937 is ze te Baexem getrouwd met de fruitteler William van Heugten.
Van beide families was iedereen aanwezig op de bruiloft, alleen Peters was opvallend afwezig. Ook Siegfried Stokman was erbij. Pardon. Ik vergis me. Ik ben in de war met zijn broer, Siegfried. Ik bedoel natuurlijk Egfried. Hij had zich net in diezelfde maand tot priester laten wijden.
De meubels, een cadeau van heeroom Ritzen, waren besteld in Roermond en in Duitsland gemaakt. Wiels cadeau bestond uit een pendule en 4 dozen met bonbons en gesorteerde sigaren. Na de bruiloft reisden ze naar een hotel in Maastricht.
Een piccolo van het hotel haalde ons af van het station.
Ze waren een van de eersten, die de Californische laagstamfruitteelt in Nederland toepasten. De eerste jaren, voor en tijdens de oorlog, toen de bomen nog te jong waren om iets op te brengen, kweekten ze tussen de bomen groenten, die werden verhandeld.
Hun huwelijk ontwikkelde zich niet voorspoedig.
Hij dronk. Op het nachtkastje lag altijd een pistool.
Ze vroeg zich af: Waarom ben ik met zo’n gek getrouwd?
Op een dag in 1953 besloot ze hem te verlaten.
Ik ben door het raam naar buiten gekropen en nooit meer teruggegaan.
Op 7 november 1957 is hij te Baexem overleden.
Ze startte een gerechtelijke procedure om het recht te verkrijgen op haar deel in het fruitbedrijf te Weert.
ƒ159.000 en daar de helft van.
De zaak werd voor haar gunstig afgesloten. In 1962 heeft ze de bungalow in Boxtel gekocht.
De rit met de taxi naar het Verbeeteninstituut in Tilburg was een tractatie. Ze was gekleed in een nertsjas (van ma) en zo liet ze zich ook rijden in de rolstoel.
In de centrale hal van het instituut een portret van Dr. Verbeeten, met bril en een stuk papier in zijn handen, vanwaar hij opkijkt, alsof hij uit zijn werk gehaald is. Verbeeten speelde een belangrijke rol bij de introductie van de kobaltbestralingsapparatuur. Ook de nucleaire geneeskunde had zijn belangstelling.
De eerste kennismaking. Ontvangst door een doktersassistente. Het eerste gesprek vindt plaats in een spreekkamer in de eerste gang. Tijdens dit gesprek bespreekt de arts op grond van de gegevens van het ziekenhuis en na een lichamelijk onderzoek het behandelingsplan.
Het definitief vaststellen van een behandelingsplan vereist een voorbereiding in de vorm van (onder andere) het aftekenen van het te bestralen gebied (simulator). Na de eerste kennismaking een afzonderlijke afspraak voor het bezoek aan de simulator.
Afspraakkaart voor de eerste bestraling. Elk bestralingstoestel heeft een eigen wachtruimte. De wachtruimten worden aangeduid door een mineraal en een kleur: cobalt-blauw, robijn-rood, smaragd-groen, goud-geel, zilver-grijs. Straling kan men niet zien en niet voelen, bestraald worden doet geen pijn!
Verbeeteninstituut. Röntgenfoto in het Mariaziekenhuis in Tilburg (lichaam in dezelfde positie als bij de bestraling).
Bij het eerste kennismakingsgesprek in het Verbeeteninstituut werd ze weer inwendig onderzocht (handmatig en anaal). Ze vroeg vandaag tot tweemaal toe of dat nu weer zou gaan gebeuren. Nee, dat was niet de bedoeling.
Voortgang status. Samen met mevrouw een heel intensief gesprek gehad over wel of niet bestralen. Mevrouw ziet er enorm tegen op, wil het liever niet. We hebben alles goed op een rijtje gezet. Geadviseerd om met de huisarts te praten om zodoende haar beslissing om niet te bestralen goed te nemen. Mevrouw heeft besloten: geen verdere behandeling meer. Annelies
Albert, ik vind het zo gek dat die pastoor vandaag gekomen is. Iedereen zegt dat ik niet zo goed ben. Nou, dan ga ik maar dood.
Ze begint geheel uit zichzelf te praten over haar begrafenis. Dingen die ik moet regelen. Koffietafel voor de familie. Enige en algemene kennisgeving in twee kranten. Zangkoor tracteren. Het koor moet het lied WIE SJOEN OS LIMBURG ES ten gehore brengen. Begraven in het bestaande graf van ma in Sweikhuizen.
Als ik op een schip was, dan was ik de kapitein. Als ik in een show was, dan was ik de ster.
En daarom is deze ziekte een straf.
En dan zou ik wensen, dat de tijd werd verkort. Ik bid voor een zalige dood.
Het is lastig om naar toilet te gaan, maar ik ben toch blij als ik geweest ben.
Hoe is het nu gegaan? Toen ze uit het ziekenhuis kwam, hoopte ze dat ze er door de bestralingen weer bovenop zou komen. Ze werd hierin gesterkt door de chirurg en de huisarts. Ze verraste beide heren met een bos bloemen (witte amaryllis).
Na Nieuwjaar zei ze daar niets meer over. Ze zag tegen die bestralingen op. Op een dag besloot ze zich op haar slaapkamer terug te trekken. Ze is sindsdien niet meer in de huiskamer geweest. Gistermiddag heb ik mijn tv-tje op haar slaapkamer gezet. Hoe is het dan nu? Het kost steeds meer moeite om uit het bed te komen. Ik moest terwijl ze op het toilet zat nieuwe luiers halen uit de garage. Dat duurde wat lang. Hierdoor raakte ze in paniek. Ze kon zich bijna niet meer overeind houden. Ze overlaadde me met verwijten. Ik kon daardoor niet meer zo goed in slaap komen.
Een zalige dood. Mogen we daarom vragen?
Als ik naar het toilet ben geweest, ben ik weer een hele Piet.
Gisteren zei ze: Je moet in Sittard eens langs een garage gaan om een catalogus te halen. Daar heb ik geen tijd voor, zei ik.
Ik wil weten wat de Sunbeam waard is.
Voor een liefhebber is ƒ10.000 een koopje, zei ik.
In Rosmalen geven ze meer, maar daar zie ik niets meer in.
Ze heeft iemand, die ze de auto liever gunt, desnoods voor een lagere prijs.
Dan kan hij hem af en toe nog eens komen laten zien. Ik ben aan die auto gehecht.
Dan doet U dat toch, zei ik.
Ze wil de auto verkocht hebben, voordat ze sterft. Het geld wil ze mij geven.
Je kunt met het geld doen, wat je wil, zei ze. Je kunt er een nieuwe auto voor kopen.
Dat weet ik niet, zei ik. Ik weet niet, of ik een auto wil. Dan moet ik ook een garage hebben. Maar die heb je dan toch?
Nee, zei ik, ik kan hier niet blijven.
Ach, dat gewauwel, zei ze tenslotte.
Heeft de auto eigenlijk twee stoelen of meer?
Nee, er is ook nog een fauteuil. Daar zit de hond in.
Ik heb hem eigenlijk nog niet zo goed bekeken, van binnen, bedoel ik.
Ja, zo zijn jullie allemaal. Dat interesseert jullie niks. En nog wel zo’n mooie sport.
Wie is jullie? (Stilte). Ik ben niet jullie. Dat heb ik U al vaker gezegd. Daar ben ik niet van gediend. Hoe zou u het vinden als ik dat nou eens tegen u zou zeggen? Ik ben Albert Riga en niemand anders.
Goed, dan weet ik dat. Voordat ik de auto kocht, heb ik eerst overal rondgekeken. Toen ik deze een keer had gezien, wist ik het. Ik neem deze, of anders neem ik er geen. En toen ik hem had, wilde ik hem op Stammen laten zien. Wil kwam niet eens kijken, maar hij had hem wel gezien. Ik weet niet meer wie het was, die me vertelde wat hij had gezegd: Het lijkt wel een barones. En toen heb ik gezegd: Zeg jij maar tegen hem, dat hij de baron is. De baron van Stammen.
Als ze zo aan het praten is, overdag, lijkt het alsof er niets met haar aan de hand is. Ze zit op bed en kijkt met heldere ogen om zich heen. Maar ‘s nachts toont het gezwel zijn verschrikkelijke kracht. Een luier vol bloed. Ze kan bijna niet meer overeind blijven. Ze kijkt steeds meer tegen die gang naar het toilet op. Als ze weer op bed zit, vertelt ze voor de zoveelste keer dat verhaal.
Als heeroom Ritzen er niet was geweest, had ik hier nooit zo gezeten. Dan hadden ze me alles afgenomen. Zijn dat nou katholieken?
Ik geloof, dat ik doodga, Albert. Wat vind jij?
Misschien nog niet zo gauw.
Degenen, die die kwaal hebben, hebben dat allemaal voor zich. De ossenstaartsoep heeft ze overgegeven.
Wat zekt ger, tant? (Ik ben in een bovenkamer en kijk door een kijkgaatje naar beneden. Mijn tante is daar geweest. Ze zei iets, maar ik kon het niet verstaan. Nu is ze alweer weg. Ze heeft de deur achter zich gesloten. Heel akelig.
Kom hier... Och, nee! U bent ziek. (Ik kan niet meer uit mijn bed komen. Dan komt mijn tante in dit kamertje en steekt mij een helpende hand toe.)
De trein kwam niet weg uit Boxtel. Stroomstoring. Ik ga terug.
Ze klaagt af en toe over steken in haar buik. Raakt het gezwel een zenuw? Ze begint haar stem weer kwijt te raken. En ze heeft een dove rechtervoet. De dikke teen voelt ze helemaal niet meer. Ik heb de voet licht gemasseerd. Ze wil dat ik op de tenen druk. Ik zeg: Nee, dat moet je niet doen. Dan druk je het bloed juist weg. Na een tijdje begint ze er weer wat gevoel in te krijgen. Als ik haar optil of op een zij leg, werkt geen enkele spier meer. Elk deel van haar lichaam moet ik het ene na het andere in de juiste stand zetten, heel voorzichtig, om haar geen pijn te doen. Andere lichaamswarmte helpt niet, je eigen! Er gaat niks boven eigen warmte.
Om half twee na middernacht heb ik de huisdokter gebeld. Nu is ze weer terug in het Carolusziekenhuis. Arteriële afsluiting in het rechteronderbeen (trombose). Haar dunne vaten maken bloed prikken en het aanleggen van een infuus moeilijk. Dit duurt lang. Hartfilmpje. Meten van zuurstof in het bloed. Operatie om bloedprop weg te halen. Chirurg belooft niets. Er is geen alternatief of het is: been afzetten.
Ik ga terwijl ze met haar bezig zijn buiten wandelen. Ik lees op een bord: SPOEDEISENDE HULP! MORTUARIUM
Na de operatie tref ik haar aan op kamer 735, tussen de slangetjes en de draadjes. De doffe pijn is dankzij pijnstillers weg uit het been. En godzijdank, het been is er nog, maar het is niet zeker of alle bloedproppen verwijderd zijn. Er ligt een zak zand op haar lies. Die voelt warm aan, zegt ze. Ze heeft een ruggenprik gehad. Ze vertelt, hoe goed de mensen op de operatiekamer voor haar zijn geweest. Ik moet wel sterk zijn, zegt ze, dat ik dit overleefd heb.
Op de terugreis zit ik in de ochtendspits. Voor die mensen het begin van een nieuwe dag. Voor mij het einde van een etmaal. Gauw eerst wat slapen.
Ik ben met de trein gekomen in één keer van Sittard naar Den Bosch.
Ik heb veel pijn gehad. De dokter heeft me sterkere pillen gegeven en nou heb ik geen pijn meer. Heeft hij pillen gegeven?
Dat weet ik niet. Ik heb ze niet gezien. (Stilte) Ceesje is hier geweest. Hij heeft mijn voet gemasseerd en hij heeft paling meegebracht. Ze hebben het in de ijskast gelegd en klaargemaakt, maar ik heb er geen zin in.
Ik ga naar huis. Ik moet de hond nog uitlaten.
Ja, blijf maar niet te lang en laat de hond maar uit. Ik laat haar water drinken door een rietje.
Telefoon van het ziekenhuis. Het rechteronderbeen moet worden geamputeerd om te voorkomen dat het hele been versterft. Het is me toch wat.
Het is goed gegaan, zei de dokter na de operatie, en u bent een lieve vrouw. (Stilte). Ik wil het been nog niet zien, en ik laat het jou ook niet zien.
Het is ook beter van niet.
U bent een nette vrouw, zei de dokter.
Zei hij niet: een lieve vrouw?
Och, ja, een lieve vrouw.
O, Albert, zegt ze wel twintig keer en daarna zegt ze niets meer.
2 februari is dus de dag. Het is ineens zo definitief.
Ze gebaart, dat ze op de andere zij wil liggen. Ik haal er een zuster bij. We doen het samen. De opengeslagen deken onthult schaamteloos het verkorte been. Ze ademt langzaam, zwaar, maar wel regelmatig. Haar half gesloten ogen gaan soms wijd open, maar het is alsof ze niet meer ziet. Tenslotte gaan ze definitief dicht. Ze ademt niet meer.
Het is vijf voor half drie.
Wat is het geheim van Den Bosch? Dat is het antwoord op bijvoorbeeld de vraag: wat maakt Den Bosch anders dan Eindhoven? Den Bosch noemt zich de meest noordelijk gelegen stad met een Bourgondische cultuur. Deze cultuur maakt dat Den Bosch anders is dan Eindhoven. Den Bosch doet denken aan een geschiedenis van Bourgondische, Spaanse en Oostenrijkse heerschappij. Symbolen daarvan zijn bijvoorbeeld de kathedraal, de Sint Jan, en, op de markt te zien, het standbeeld van Jeroen Bosch, en het AEIOU-huis, een acroniem van Austriae est imperare orbi universo, en door de Oostenrijkse keizer uitgelegd als: Alles Erdreich ist Österreich untertan. Belangrijker dan de fysieke omgeving is de hartelijke en vrolijke mentaliteit van de bevolking, die meer aan de Latijnse cultuur van het zuiden dan het Calvinistische noorden doet denken.
Voor mij echter is het geheim van Den Bosch ook nog iets anders, namelijk een deel van het leven van mijn tante, een periode in de vijftiger jaren, die me totaal is ontgaan. Het is alsof degene die ze is voor de mensen, die haar in die tijd in Vught en Den Bosch hebben gekend, een ander is dan degene die ik ken.
Tante Lisa was vroeger getrouwd en woonde daarna samen met mijn oom. Wanneer is dat geweest?
Zo’n 45, nee, zo’n 35 jaar geleden. Ik was toen nog een kleine jongen.
U noemt haar tante Lisa.
Ja, we kwamen daar veel in huis, vandaar.
Waar heeft ze toen gewoond?
Tante heeft gelogeerd bij Bijltje en daarna bij een kleermaker in Den Bosch. Daarna heeft ze bij mijn ouders gewoond, op twee kamers, een voor haarzelf en een voor mijn oom, tot ze het huis in Boxtel kreeg.
Zoiets is tante al eens gepasseerd. Dat was in ‘84.
Stammenhof geklopt. Ik ga kijken. Het is mijn tante. Ze is uit het ziekenhuis gekomen. Ze is doodziek. Ik realiseer me dat ik haar al een tijd niet heb opgezocht.) Verdien ik straf? (vraag ik. Ze knikt:) Nee. (Ik neem haar mee naar binnen waar ze in de grote kamer gaat zitten.) Verdient uw vader straf?
Tante wil Stammenhof kopen voor Josef en Lima, zegt Leonie. Ik heb het ook wel gehoord, maar niet zo duidelijk. Lima? Ja, kijk maar. Daar zit ze, naast Josef. (Ik vraag me af waar Emily is) Achteraf nee zeggen. Dat vind ik niet goed. Juist geen type. Hemily.
Bij mijn tante (in een andere tijd). Zij staat in de kamer. Ik heb het gevoel dat hier nu eigenlijk andere mensen wonen. Ze doet iets bij de muur. Ik weet niet meer wat. Dan zegt ze dat ik de andere kamer in moet gaan, waar ik mijn zussen zal zien en zij mij als kapelaan. Ik ga erheen. Ik kijk naar buiten. Ik zie in de verte mijn zussen en nog een paar jongens. ‘Ha, kapelaan,’ zeggen ze. De jongens leggen uit dat ik de wiskundeleraar ben. Ze hebben op de cour (het is alsof ik op Rolduc ben) een wiskundige berekening geschreven. Groepen getallen. Hele grote getallen met als uitkomst: Riga 58. Ik zit ernaar te kijken. Dan roep ik hen toe: ‘2! Riga 2!’ Het klopt. Ze hebben met opzet een fout gemaakt om me op de proef te stellen. Ze kijken heel tevreden. Ik ben inderdaad de knappe leraar waar ze me voor houden.
Ik kom in huis bij een echtpaar. Ik lig in hun bed te slapen. Later sta ik op. Het dochtertje komt erbij met de moeder. Het dochtertje zegt: ‘Ik wil ook in het potje poepen.’ (net als haar kleine broertje). ‘En wie ruimt het dan op?’ zeg ik. ‘Jij’, zegt ze. ‘Jij bent een makkelijke,’ zeg ik.
Later liggen we samen in bed, moeder, dochter en ik. Het duurt niet lang. De man komt thuis. Hij komt naar boven. Hij is naakt. Hij vraagt me enkele puistjes op zijn rug uit te drukken. Dan gaat hij in bed. Ik vertrek.
Ik ben bij mijn tante in bed. Hetzelfde huis als in voorbije droom. We bevinden ons op de slaapkamer. Dan komt de man binnen met drie andere mannen. De man zegt dat die mannen heel erg lang zijn. (Hij is zelf even lang.) Ja, zeg ik, ik moet helemaal naar boven kijken. Zou je willen dat jij ook zo lang was? vraagt hij. Nee, zeg ik, dat is me te lastig om daarover te piekeren.
Mijn tante op bezoek in jongenskamer. Later vertel in het aan José. ‘Ze vertelt over haar belevenissen met fruit telen,’ zeg ik tegen José. ‘Ze deed vroeger zelf in fruit, weet je.’ ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord zoiets,’ zegt José. Ze moet weg. Het is vroeg in de morgen. Bij de trap zeg ik tegen haar: ‘Hou het maar bij je.’ ‘Ja,’ zegt ze.
Sweichhuizerboys’ (tante). ‘Skimmert’ (Albert).
Ik kom op de jongenskamer, maar daar tref ik mijn tante in bed (waar ik met Louis vroeger in geslapen heb). Sorry, zeg ik, ik kwam door de verkeerde deur naar binnen. Ze moet erom lachen. Ik ben bezig haar meubels uit de aangrenzende kamer (oma) op de gang te zetten. Ze staan in de weg.
(Stammenhof). Joris en José liggen naast elkaar te slapen op logeerkamer. Ze zijn nog klein. Ze zijn onrustig, maken lawaai. Ik ga erheen (samen met mijn tante) en probeer door zachtjes tegen hen te praten hen tot rust te brengen. Later ligt Joris naast mij in bed (op de jongenskamer). Hij kan niet in slaap komen. Heeft te maken met astma. Ik zeg meer tegen mezelf dan tegen hem: arme kerel.
[() samenspraak zit natuurlijk ook in ‘t Bijltje.]
Bank, vijver, fontein. Zonder groet. Grijs haar, twee zweren op de bovenlip, vel over been, zo plat als een cent. Broek over een badpak met laag uitgesneden rug. Bruin met witte strepen.
Ik ben een eenling, misschien bent u er ook een. Ik hoef niet met iemand te praten.
U begint toch met mij te praten.
Maar soms wil ik toch met iemand praten. (Stilte) Eerst dacht ik dat u een vrouw was. Als u een vrouw was geweest was ik erbij komen zitten. Men zegt wel: Don’t trust a stranger.
Gaat u maar zitten.
Nee. (Stilte) U draagt geen sokken. Dat is niet goed.
Meestal draag ik wel sokken maar vandaag toevallig niet. Ik was mijn sokken iedere dag telkens als ik ze gebruikt heb. Ik draag ze maar één keer.
Die schoenen lopen ook op hun laatste benen. Toen ik daarnet voorbij liep zag ik in de gauwigheid dat uw teennagels bijgeknipt moeten worden, klopt dat?
Ik weet het niet.
Dat shirt is mooi wit. (Stilte) Ik hou niet van een baard.
Een paar dagen niet geschoren vind ik niet erg.
Ik zie dat u een Peugeotfiets heeft. Heeft die een bel?
Die fiets van u heeft een betere bel dan die van mij. Moet u maar eens luisteren.
O nee, dat is een goed geluid. Dat de mensen schrikken, dat ligt niet aan de bel, dat ligt aan u.
O, dat is eigenlijk nog erger. (Stilte) Ik moet eigenlijk ook bang zijn voor u. U praat als een vrouw. U begint meteen over mijn kleding. Zo praat een vrouw.
Nou, niet alleen de kleding. Ik heb wel meer gezien.
U praat alsof u met me getrouwd bent.
Die benen van u willen ook niet bruin worden net als die van mij.
Ik streef er niet naar.
Profiteert u maar lekker van de zon. Dat is gezond.
Ik ben met tante op de jongenskamer. Dit duurt al enige dagen. Mijn moeder roept me. Albert! Ik geef geen antwoord. Nog eens: Albert! Geen antwoord. Nog eens. Dan komt ze de kamer in. Ze slaakt een kreet. Ik lig bij mijn tante in bed. Mijn moeder is nu weer op de gang. Dan komt mijn vader. Hij is heel kalm (hij houdt zich kalm.) Hij begint mijn tante te ondervragen. Hij is heel slim. Hij vraagt niets over mij maar over iemand anders, een ander familielid die mijn tante heeft verzorgd. Dat dat andere familielid bij haar naar binnen gekomen is. Hierbij houdt hij twee vingers omhoog. Hij doet alsof het met verzorging te maken heeft. Mijn tante weet er niet echt een antwoord op te geven.
Ik heb een soort glazen huisje in Sweikhuizen. Het staat als het ware op een plein of in de kerk. Als ik thuiskom, tref ik mijn tante in bed aan met Harry. Ik word kwaad. Ik verjaag mijn tante. Daarna zit ik met Harry te praten.
Harry heeft zo’n ƒ5000 gewonnen maar door onvoorzichtigheid is de prijs in brand gevlogen. Nou is hij alles weer kwijt. (Details vergeten.) Eerlijk gezegd: sorry.
Ik kom op Stammenhof en tref er mijn tante aan in de keuken. Ze verwijt me dat ik niet op bezoek ben geweest (als rechte neef / rechde naef). Ze voert een toneelspel op. Ze zegt: Daag. De eerste vrouw in Hilversum zonder sex. Hierbij trekt ze me naar zich toe me quasi omhelzend. In Hilversum, zeg ik en trek me terug. Ik ga naar de achterkeuken. Ik hoor achter me gelach.
Een lang gesprek met tante. Ze komen met een groot gezelschap terug van een feest (alleen de meisjes waren uitgenodigd.) Ik lig in het kamertje te slapen (ik houd me slapend). Louis komt naast me liggen. Later staat hij weer op. Mijn tante komt bij mijn bed en probeert me wakker te maken. Ze vertelt dat ik geschenken heb gekregen van een meisje (iemand die ook op het feest is geweest en een oogje op me heeft, vindt ze.) Dan is ze ineens uitgekleed en lijkt het alsof ze met me wil gaan vrijen. Ze ligt met haar volle lichaam dicht tegen me aan. Ik weet niet wat te doen. Dan zegt ze: ‘ Ich weit woadoor ich dich ken bellen.’ (Welke aanleiding, bedoelt ze. Ze verwijt me eigenlijk dat ik haar zo lang niet heb gebeld. Ik begrijp het niet. Ze is toch dood?
Iemand vertelt me over de telefoon dat Leny een kromvoet heeft en (nog wat ziektes) en dat het steeds erger wordt. Het is zo erg dat ze met met haar laatste dagen bezig is. Ik schrik. Is het zo erg? vraag ik. (Ja). Ik lig in het bed van Josef. Ineens zie ik dat er iemand naast me ligt. Het is Leny. Hoe ben je hier terechtgekomen? vraag ik. Vraag me dat maar niet, zegt ze. Daar praten we morgen wel over. Ze slaat een arm om me heen en drukt zich tegen me aan. Even later komt mijn tante naar boven. Ze loopt direkt naar Leny toe en zegt: Hiej lik eine gooje. (Ze omarmt haar en knuffelt haar). Leny zegt op kinderlijke toon: Mama moot ver sjlaope. Ze heeft een duim in haar mond, geloof ik.
Ik kom (uit Nijmegen, denk ik) op Stammenhof. Ik ben moe. Er is een feest. Er is veel familie op bezoek. Ze blijven tot 4 uur 's nachts. Ik kan nergens een slaapplaats vinden. Ik wil slapen, zeg ik, maar niemand helpt me. Ik zeg het ook tegen mijn vader. Ook hij helpt me niet. Dan ga ik maar weer terug naar waar ik vandaan gekomen ben, zeg ik. In de achterkeuken ziet tante me. Ik barst in huilen uit. Ze komt naar me toe. Ze weet niet wat er aan de hand is. Overal zijn mensen, overal zijn mensen, zeg ik.
Als U zo naar me schreeuwt begin ik ook te schreeuwen, zeg ik tegen tante. Ze heeft me de zorg voor haar hond toevertrouwd. Er is van alles misgegaan en als ze terugkomt begint ze me heel bazig bevelen toe te schreeuwen, waar de anderen bij zijn.
Gerardine woont in Boxtel (als klein kind) bij tante, maar tante is niet in staat voor haar te zorgen. Ze heeft eten bij zich (vooral chocola). (Ze wordt verwend). Ze komt thuis van school. Ik rijd in de Sunbeam. Ik krijg geen zicht op de weg. Ik zie het verkeer om me heen niet. Op het laatst stop ik (met moeite, de remmen zijn slecht) langs de weg.
(Alles bij elkaar) zo'n 1 miljoen gulden (de erfenis van tante volgens pastoor Thissen).
Mijn tante is bezig de vloer te dweilen op Stammenhof. Het ziet er anders uit. Waar de trap was boven de kelder is nu een vertrek (of gang). Ze laat me een kalender zien, waarvan ze de bladzijde omgeslagen heeft. (Het is een halfjaarkalender.)
Mijn tante is hertrouwd (vertelt mijn moeder). Ik ben bij haar laatste ontmoeting geweest. Wat ich gezeen höb is volle liefde, zeg ik tegen haar. (Ik feliciteer haar met een zoen.)
Vereniging met mijn tante. Ze zweeft boven mijn bed en tilt me op. (Ze wil dat ik haar penetreer.)
Mijn tante belt op. Ze zegt dat ik lang niet heb gebeld. Ik zeg dat ik het druk heb gehad op school. Rolduc. Het is geen seminarie, zeg ik. Het is een middelbare school met een gymnasium, havo en vwo. Ik gebruik mijn mobieltje en loop buiten. Er is veel storing, lawaai van leerlingen.
Even biologisch: Wie is de vader? Wie is de moeder? Wie vraagt dat ook alweer altijd op de televisie? [tante Es].
Ik ben met mijn tante aan het vrijen. Wij, oude man. Nee, niet oude man.
Daar ben ik nog niet aan toe.(tegen Fifi). Fifi: Niet steeds zo doen.
P(ater) O(omens), veranderd in een kind. Wil copuleren (oraal, daarna vaginaal). Hij roept: It’s Toth. [itstot]. Ik zeg tegen twee vrouwen die erbij staan. It is Toth, ja. Mijn tante met jonge vrouwen. Ze is heel dik.
Ze is 92. Mijn tante. Ze heeft oma bij zich. Heeft haar met zich meegenomen en verzorgt (haar). Ze zegt dit tegen Louis, en voegt er nog een tirade aan toe. Ze wil voorkomen dat Louis verkeerde dingen tegen oma zegt. Louis zwijgt. Voelt zich op zijn nummer gezet, zonder dat hij iets verkeerds heeft gedaan. De hond loopt vervaarlijk rond.
Die foto heb ik al eens gezien. Het hoge dak van het gebouw valt op. Ik weet nog dat ik als kind zo’n huis heel mooi vond. Ik probeerde het na te maken met een blokkendoos die ik met Sinterklaas kreeg of in tekeningen die ik toen maakte.
Het antwoord op je vraag: Weet je daar iets meer van? Is: ja. Ik heb Frans Peters heel goed gekend. Tweede vraag: Heb je een mogelijke verklaring? Ik denk dat je doelt op een karaktereigenschap, die verklaart dat de man zo heeft gehandeld, als hij deed. Zo'n verklaring heb ik niet. Ik zoek ook niet naar zo’n verklaring. Ik heb mezelf voordat ik ben begonnen met de genealogie te onderzoeken, de vraag gesteld: waarom wil ik dit eigenlijk gaan doen? Ik denk dat veel mensen die zo’n onderzoek doen, meer te weten willen komen over hun afkomst en beter willen begrijpen wie hun voorouders waren. Dat was bij mij aanvankelijk ook zo. Maar gaandeweg het onderzoek kwam ik erachter dat er bij mij nog een ander motief bijkwam. En dat is het gebod van Mozes: Eer uw vader en uw moeder. Mozes bedoelde met uw vader en uw moeder de hele lange rij van voorouders, waaruit ik voortgekomen ben. Ik heb uit dit gebod de conclusie getrokken, dat ik zorgvuldig moet omgaan met gegevens die belastend kunnen zijn voor een persoon en die een smet kan werpen op het beeld van deze persoon, nu deze niet meer leeft. Ik heb besloten om geen beoordelingen van personen die ik door mijn onderzoek leer kennen te geven. In de beschrijving die ik van deze personen geef beperk ik me tot de feiten, die blijken uit documenten of mededelingen over het leven van die personen. Dat doe ik dus nu in het geval van Frans Peters ook. In het verhaal over tante Lies heb ik zo nauwkeurig mogelijk opgeschreven wat zij me heeft verteld.
Alles wat in het verhaal staat vermeld, heb ik uit de mond van tante vernomen, en zo opgeschreven. Ik spreek daarover geen oordeel uit.
Ik denk, dat Frans Peters leed aan de ziekte waar veel aanstaande schoonvaders (pleegschoonvaders ingesloten) last van hebben: jaloezie. Hij heeft zich toch hier overheen kunnen zetten, want ik herinner me, dat hij me een keer heeft meegenomen op bezoek bij tante Lies in Weert. Dus toen (einde jaren veertig) was er toch een normale omgang mogelijk. Ik weet natuurlijk niet echt of het jaloezie was. Het is giswerk.
Ik heb wel nog nagedacht over de situatie op De Wetering rond begin jaren ’50.
Ik heb van tante gehoord, dat ze door een raam uit het huis is gevlucht. Je kunt hierbij de vraag stellen: Waarom is ze niet gewoon door de voordeur vertrokken?
Daar kunnen verschillende redenen voor aangegeven worden.
Het kan zijn dat de situatie thuis op dat moment onveilig was.
Een andere mogelijke verklaring is, dat de situatie wel veilig was, maar dat ze vastberaden was om te vluchten en wilde voorkomen, dat ze teruggehaald zou worden.
Je kunt je verder afvragen of ze een adres wist, om naar toe te gaan. Vermoedelijk wel. Ik denk aan geestelijken.
Ik denk dat de beslissing om te vluchten voor tante heel zwaar was, niet zozeer omdat ze er alleen voor zou staan, ze stond haar mannetje wel, maar omdat ze dat bezit achter zich moest laten. Hieruit leid ik af dat de reden voor de beslissing om te vluchten heel ernstig moet zijn geweest.
De vlucht moet als een donderslag bij heldere hemel indruk hebben gemaakt op de achterblijvers en familie. Hierbij kun je je afvragen of ze een tijd spoorloos is geweest, en wanneer de toedracht bij de familie bekend werd. Ik heb over deze periode nooit iets gehoord.
Stof om over na te denken.
Ik vroeg me af, of de documenten van Mr. Spauwen betreffende de rechtszaak over de erfdeling Van Heugten-Riga voor jou een interessant onderzoeksitem zou kunnen zijn. Als je daar belangstelling voor hebt, laat het me dan weten. Dan kan ik je te eniger tijd een afschrift van die documenten doen toekomen. Kleine waarschuwing: de documenten bevatten opmerkingen die onaangenaam kunnen overkomen.
Het gaat bij de documenten Van Heugten-Riga om zo’n 100 pagina’s. Deze hoeven niet meer gekopieerd te worden, omdat ze gedigitaliseerd zijn in pdf.
Op 7 november 1957 is Wiel van Heugten te Baexem overleden. Ze startte een gerechtelijke procedure om het recht te verkrijgen op haar deel in het fruitbedrijf te Weert. ƒ159.000 en daar de helft van. De zaak werd voor haar gunstig afgesloten. In 1962 heeft ze de bungalow in Boxtel gekocht.
Ik ben nog eens bezig geweest met de genealogie, onder andere een foto van de bruiloft van Lies Riga en Wiel van Heugten, en de namen die daarbij genoemd worden.
Het gaat in totaal om 20 personen, maar van drie was de naam niet bekend. Een daarvan kan ik noemen, namelijk Josephina Petri, mijn oma. Dan de twee andere onbekende namen. Ik denk, dat dit Henriette en Josephina Riga zijn, ik heb deze twee dames als kind gezien, maar toen waren ze een stuk ouder dan op deze foto uit 1937. Ik herken de gezichten niet. Ze moeten het echter wel zijn. Ik weet alleen niet wie wie is. Het is naaste familie, schoonzussen van mijn oma. Ze woonden in Brunssum. Ik herinner me, dat tante Lies daar vaak op bezoek ging.
Ik heb de indruk gekregen uit gesprekken met tante, dat in de tijd vlak voor, tijdens en na de oorlog alles nog koek en ei was tussen de twee echtelieden. De moeilijkheden zijn begonnen eind veertiger of begin vijftiger jaren.
Ik denk dat er voordat mijn tante uit het huis wegvluchtte niet echt grote financiële problemen waren. Deze problemen ontstonden tenminste voor tante pas na de vlucht.
De afgelegen ligging van De Wetering is zeker geen probleem geweest. Ze kwam niet uit de stad Heerlen, maar van Stammenhof (en dat ligt behoorlijk afgelegen). Ik weet niet waar deze informatie over Heerlen vandaan komt. Wel weet ik dat ze nadat ze uit Weert vertrokken was vaker in Heerlen heeft gelogeerd bij een vriendin. Misschien komt die informatie daarvandaan.
Voor mij is het feit, dat tante destijds in Heerlen woonde, nieuw. Waarom woonde ze daar?
Hypothese (wel zonder dat ik er enig bewijs of aanwijzing voor heb):
Het zou kunnen zijn, dat dit een list van de heerooms was. Heeroom Theo Riga (hearnoonk Thei), pastoor van Molenberg te Heerlen, was voogd van de beide kinderen Riga. Hij hoorde van de kwestie die op Stammenhof was ontstaan over het voorgenomen huwelijk van Lies Riga en Wiel van Heugten. Het kan zijn dat hij (of de drie heerooms) eerst met Frans Peters hebben gepraat, maar dat gesprek leverde niets op. Toen heeft heeroom Theo voorgesteld, dat Lies zich in Heerlen zou vestigen, en voor enige tijd zou gaan wonen bij hem op de pastorie op de Molenberg. Door deze manoeuvre konden ze de tegenwerkende Frans Peters omzeilen. Het huwelijk kon nu vanuit Heerlen gearrangeerd worden, zonder dat de toestemming van Frans Peters nodig was.
Overigens denk ik, dat de gang van zaken zoals ik die geschetst heb, zeer waarschijnlijk maar niet volstrekt zeker ook zo gegaan is, op grond van wat ik uit flarden van gesprekken hierover heb opgevangen.
Rond een scheiding ontstaan onwaarheden of halve waarheden, die gretig rondverteld worden. Overigens, het was een verlating, geen scheiding, die heeft nooit plaatsgevonden.
Wat waren haar oprechte redenen? We zullen het misschien nooit weten. Het is ook niet belangrijk om het te weten. Ze zijn uit elkaar gegaan. Dat is een feit.
Wat is een geheim? Iets dat geheim is, lijkt me. Denk dan eens goed na. De handelingen van de stiefvader. Die zijn niet geheim. Ook de getuigenissen tijdens die rechtszaak zijn niet geheim. Die twee zaken brengen ons niet dichter bij de waarheid, die verklaart waarom de dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan. De waarheid die iemand anders over wie wij het steeds hebben bij zich draagt en dat ook graag zo wil houden. Zij wil het geheim houden. Toch wil ik voor jou een tipje van de sluier oplichten. Ik gebruik hier zo meteen enkele woorden uit het katholieke jargon, maar zwijg verder over de details. Ik heb indirect bewijs, op grond van woorden uit haar eigen mond in een andere kontekst vernomen, dat zij een virgo nupta is geweest. Dat waren niet de woorden die ze heeft gezegd. Het waren oprechte woorden, die geheim moeten blijven. Ik denk dat de uitleg die ik aan die woorden geef, je kunnen helpen om te begrijpen wat er in dat huwelijk van Wiel van Heugten en Lies Riga is gebeurd.
Het geheim is niet dat we niet weten wat er gebeurd is. Het ware geheim is iets dat geheim gehouden wordt. Oorzaak van onenigheid tussen echtelieden? Misschien kunnen reacties van anderen ons niet verder helpen.
Hij is aan de drank, waarom ben ik met die gek getrouwd, hij had revolver op nachtkastje. Dat wil zeggen dat ze de situatie thuis als onveilig ervoer
Dat zij relaties had met een andere man. En dat dit al haar tweede vriendje was. Daarmee wil men zeggen, dat ze de echt verbroken heeft voor iemand anders.
Onveilige thuissituatie of echtbreuk zijn geen oorzaken, maar gevolgen van een dieper liggende oorzaak.
Als het niet lukt iets af te leiden uit de overbekende feiten (die we kennen uit beoordelingen en reacties), kan een uitweg zijn, om te kijken naar minder opvallende maar toch ware gebeurtenissen.
In dit geval denk ik aan kinderloosheid.
Ik heb zelf van af 84 na mijn scheiding contact met mijn tante gezocht, om een antwoord te krijgen bepaalde vragen die ik had betreffende familie. In 96 heb ik haar in Boxtel op het laatste stuk van de route bij haar ziekte begeleid tot haar sterven op 2 februari in 1997.
In deze laatste periode was ik door mijn ervaringen met haar met een bepaalde kwestie bezig, namelijk de volgende: kan iemand die kinderloos overlijdt zich voortplanten?
Ik kon hier niet met mijn tante over praten, want ik weet vrij zeker dat ze niet met deze vraag bezig was. Op een dag vroeg ze mij, na een bezoek van een zeer vrome buurvrouw, iconenschilderes: Is hiejnao nog get? Ik gaf haar toen na een korte aarzeling het niet professionele maar wel eerlijke antwoord: Ich geluif t’r niks van. Ze was totaal niet door mijn antwoord geschokt. Ik denk dat het een bevestiging was van wat ze zelf al dacht.
Bij het denken over wat nou de oorzaak is geweest van de onenigheid die ontstond tussen Lies Riga en Wiel van Heugten, zou je eens kunnen overwegen, of dit misschien de kinderloosheid kan zijn geweest.
De kinderloosheid werd door mijn tante gewild, het zou kunnen zijn, dat ze hierdoor een probleem met haar echtgenoot had, hoewel ik niets weet over wat zijn gedachte daarin was.
Mijn geloof is, dat mensen die kinderloos overlijden, zich tijdens hun leven, net zoals mensen met kinderen, kunnen voortplanten door hun geest op anderen over te brengen en zodoende vorm te geven aan het leven van anderen. Ik weet dat biologen, medici en overigens de meeste mensen de wenkbrauwen fronsen, als ze van deze opvatting horen, maar het is de conclusie die ik getrokken heb in de tijd dat ik daar in Boxtel met de laatste dagen van mijn tante bezig was.
Kan het zijn, dat Truida en Lies samen op school gezeten hebben (internaat in Koningsbosch)?
Van een buitenechtelijke relatie van tante weet ik niets. Ik betwijfel ook ten zeerste of er sprake van was. Nee, er werd natuurlijk wel daarover gesproken, onder andere in het kader van die rechtszaak, maar ik denk niet dat zij echt zo'n buitenechtelijke relatie had. Ik heb haar goed leren kennen, en ik heb de indruk gekregen, hoewel ze er nooit iets over heeft gezegd tegen mij, dat voor haar het hebben van zo’n relatie ondenkbaar was. Vriendschap, dat wel, daar geloofde ze heel sterk in.
Ze waren een van de eersten, die de Californische laagstamfruitteelt in Nederland toepasten.
De eerste jaren, voor en tijdens de oorlog, toen de bomen nog te jong waren om iets op te brengen, kweekten ze tussen de bomen groenten, die werden verhandeld.