Jules Yperman studeerde aan de kunstacademie in Brugge en in 1914-1918 streed hij als oorlogsvrijwilliger met het 11e Linieregiment aan het IJzerfront. In 1921 verhuisde Jules naar Rekem, waar hij al snel bekend werd als d'r Sjilder. Het is nu voor het eerst, na meer dan 100 jaar, dat het werk van Jules voor iedereen toegankelijk is in de vorm van een boek. Het boek is geschreven door Jo Ploum en Patrick Leukel en heeft als titel Jules Yperman, Kunstenaar aan het IJzerfront. Het is in 2016 verschenen bij mijnbestseller-nl.
Zo akelig als de dag vervlogen is, zo droevig volgt de nacht. Het liefelijke daglicht heeft plaats gemaakt voor een zware duisternis. Gierend blaast de wind tussen de takken van de bomen die de steenweg van Kortrijk naar Brugge omzomen en blaast verder over Vlaanderens vruchtbare velden heen. Zware wolken zweven door het luchtruim en zorgen op hun vlucht voor een aanhoudende regen. Eentonigheid en akeligheid beheersen de schepping. Op een twintigtal meters ten Westen van deze baan hebben we rap en zo goed mogelijk een kuil gegraven en het tentzeil erover gehangen. Op deze manier zit ieder in zijn hol, leunende tegen de natte wanden. Mijmerend gaan onze gedachten naar andere gewesten. Het droevige weer verergert nog onze toestand en ons gemoed. Ik zit daar ook nogal ongelukkig, half slapende door vermoeienis overmand. Ik sidder en beef van de kou en om op te staan ontbreekt me de moed. Tenslotte kan ik het in mijn kuiltje niet meer uithouden. Mijn voeten zijn als bevroren, ik richt mij op en door het bewegen van mijn voeten hoor ik het soppen van water. Een huivering doorloopt mijn leden, ik sta in het water, de stijging van het water heeft mijn hol bereikt. Ik grijp mijn schop en begin rap een nieuwe kuil te graven een drietal meter verder. Door te werken kan ik mij wat verwarmen, maar de regen doordrenkt mijn kleren en vooraleer ik mijn kuil klaar heb ben ik doornat tot op de huid. Desondanks werk ik hijgende voort. Zodra het gat groot genoeg is dat ik er in kan zitten, span ik mijn tentzeil uit en zet mij op Gods genade neer. Helaas!! Mijne natte kleren en de kille vochtige grond waarop ik zit bieden mij geen warmte. Verstijfd van kou en nattigheid, sidderend en bevend zit ik daar. Ik denk dat ik ga bezwijken. In die toestand val ik nochtans in een lome slaap terwijl de wind voort loeit, de regen aanhoudend neervalt en de vijand bij tussenpozen enige projectielen naar ons vuurt. De knetterende ontploffingen overheersen voor enige ogenblikken het woeste weer. O! akelige nacht van 15 op 16 oktober 1918. Zolang ik leven zal zult gij mij doen huiveren bij uw aandenken. Zo vaak mijn verbeelding deze nacht voor mijn geest zal toveren, zal mijn dankende blik ten hemel staren om de behoeder van leven en dood te danken voor mijn behoud in die afgrijselijke nacht. Nu zelfs terwijl ik deze woorden neerpen, verduisteren de opwellende tranen mijn ogen en ik sidder.
16 oktober 1918, zes uur ’s morgens. De dag is aangebroken, nog altijd ploft de regen neer. Geen levend wezen, noch mens noch dier heeft zich laten zien. Ik open de ogen en bemerk het heersende morgenlicht. Ik tracht mij op te richten, maar ik kan niet. Het is mij alsof mij alle gevoel verlaten heeft, ik ben zo goed als gestorven. Na inspanning van al mijn krachten kan ik een hand lichtjes bewegen die op mijn knieën rust, er van afglijdt en neervalt. Een geweldige siddering doorloopt mijn ledematen, mijn hand pletst in het ijskoude water. Met angst richt ik nu mijn wazige blik naar de bodem van mijn kuil en bemerk, dat ik tot aan het middel in het water zit.
Wat er op dit moment in mijn hart gebeurt kan ik onmogelijk uitdrukken. Alsof er eensklaps een geheime kracht mij ondersteunt richt ik mij op, trek met mijn verkleumde handen mijn tentzeil weg en staar in de ruimte. Vóór mij ligt de steenweg en op vijftig meter van mij af langs deze weg ontwaar ik een huis. Dat geeft me plotseling moed en zo rap als mijn verstijfde ledematen het mij toelaten vouw ik mijn deken, waar het water vanaf loopt, op evenals mijn tentzeil en duw beide in mijn ransel. Nadat ik al mijn goed op mijn rug geworpen heb begeef ik mij naar het huis dat ik gezien heb.
Bron: Jules Yperman, Kunstenaar aan het IJzerfront. Het boek is in 2016 verschenen bij mijnbestseller-nl.