Over Scheemda

Iets uit de geschiedenis

Van Scheemda wordt wel gezegd, dat het dorp het mooiste landbouwdorp is van het Oldambt. Deze constatering heeft alles te maken met het feit, dat het dorpsbeeld zo grondig verschilt met dat van de overige Oldambtster plaatsen. Is in vrijwel alle gevallen de lintbebouwing een algemeen verschijnsel, Scheemda heeft door een speling in het eeuwenoude verkavelingpatroon altijd iets stedelijks gehad.

Het dorp heeft in menig opzicht een boeiende geschiedenis achter de rug. Ook een lange geschiedenis, want al in de 13e eeuw kwam er bewoning voor en had men de beschikking over een kerkgebouw. Oorspronkelijk waren het twee dorpen - Scheemda en Eexta - die op gelijkwaardige voet onder elkaars klokslag lagen. Het waren gemeenschappen met ieder een kerk, een dorpspastoor, een bestuurlijke bovenlaag en wat nijverheid. Beide dorpen lagen in de eerste eeuwen van hun bestaan nogal geïsoleerd en van de uitvoer van handels- en nijverheidsproducten was geen sprake. Een kleine groep ambachtslieden maakte alles wat het dorp nodig had, terwijl het grootste gedeelte van de bevolking werkzaam was in landbouw en veeteelt. Vanaf het begin bleek het nodig de strijd aan te binden tegen het overtollige binnenwater en ten behoeve van een goede afwatering van het gebied rond Scheemda en Eexta was het dan ook nodig uiteenlopende maatregelen te treffen. Al in 1391 werd samen met andere Oldambtster dorpen de waterhuishouding in dit gebied geregeld, gevolgd door een lange reeks van hernieuwde overeenkomsten en reglementen. Gebeurde de afwatering vroeger op natuurlijke wijze, later werden er windmolens, stoomgemalen en elektrische pompen ingezet en nog altijd is het pompen of verzuipen.

Tijdens de 16e eeuwse Dollardoverstromingen bleek het noodzakelijk het dorp Scheemda te verplaatsen naar een hoger gelegen rug, westwaarts van het oude dorp. Op deze hoogte lag al sedert eeuwen het kerkdorp Eexta. En hoewel beide dorpen nu zeer dicht bij elkaar lagen, bleef hun onafhankelijke positie bestaan, al kon niet worden voorkomen dat de dorpskernen al in een vroeg stadium naar elkaar toegroeiden. Vooral toen de aanleg van het "Treckdiep" werd voltooid, kozen handels- en ambachtslieden de nabijheid van de brug tot hun woonplaats. Het was dan ook geen wonder dat al in 1724 werd geschreven, dat beide plaatsen " 't samen gevoegd de gedaante van een redelijk stedeke" vertoonden. Door het graven van het "Treckdiep", dat met veel tegenwerking in 1635 gereed kwam, werd dit gebied pas eigenlijk ontsloten. Wel lagen beide dorpen globaal ín de doorgaande route van de Stad naar Noord-Duitsland, maar veel zal dat voor de handel en nijverheid hier niet hebben betekend. Bovendien varieerde de route nogal door de talrijke overstromingen van de Dollard. Het Treckdiep, of zoals later het Winschoterdiep, liep tussen beide dorpen door en slechts een stenen boogbrug in de Brugstraat verbond de beide dorpskernen.

Naast de landbouw en de veeteelt, waarin het overgrote deel van de bevolking werkzaam was, ontstond er toen enige handel in de buurt van het diep, speciaal gericht op de binnenscheepvaart. Immers, schippers die Scheemda aandeden, waren geheel aangewezen op de winkels aan de wal. Van grootwinkelbedrijven was geen sprake, want maar al te vaak vond de verkoop van levensmiddelen, vis, petroleum, brood en groente plaats in de schuur of in de gang van de woning. Behalve van het doorgaande scheepvaartverkeer kon men profiteren van het reizigersverkeer dat gebruik maakte van het Trekpad langs het Winschoterdiep. Door het toenemen van het aantal reizigers werd het trekpad verbreed en verhard en kreeg het later zelfs de naam "Stadsrijweg". Voor reizigers die per beurtschip of rijtuig Scheemda aandeden verrezen er spoedig enkele logementen in de nabijheid van de brug. Bij deze herbergen konden bovendien pakketten en poststukken worden afgegeven waarvan het vervoer per schip plaatsvond. Voor de scheepsjagers kwamen er eenvoudiger onderkomens voor het gebruik van sterke drank dat vaak met grote hoeveelheden werd ingenomen. Maar liefst op 14 plaatsen werd in 1811 brandewijn verkocht, tegen 5 verkooppunten in plaatsen als Nieuw-Scheemda of Westerlee.

Drie straatnamen herinneren nog aan molens die in het verleden in Scheemda stonden. Daarvan is de korenmolen aan de Molenstraat de oudste. De molen was al in 1616 aanwezig, maar het vermoeden bestaat dat ooit op deze plaats een 15e eeuwse standerdmolen stond. De latere met riet bedekte korenmolen werd in april 1922 volledig door brand verwoest. De "Pelle-garstemolen", waaraan de Pelmolenlaan z'n naam ontleent, werd in 1703 aan het Winschoterdiep gebouwd. De molen werd twee keer door brand verwoest, de laatste keer - in 1876 - door vonken uit de schoorsteen van de stoomboot "Oldambt" die de molen passeerde. Onder de naam "Welgelegen" werd de molen herbouwd maar in 1925 werd het van al het houtwerk ontdaan. In 1954 moesten de restanten wijken voor de aanleg van het nieuwe Winschoterdiep. Ook de houtzaagmolen van Lemminga, "De Vriendschap", moest toen delen in dat lot. De molen, waaraan de Zaagmolenlaan herinnert, werd in 1841 voor de familie Crol gebouwd. In 1880 werd Abel Lemminga eigenaar. Behalve met drie zaagramen was de molen uitgerust met twee koppels stenen voor het malen van maïs en gerst ten behoeve van veevoer. In de jaren twintig, toen werd overgegaan op elektriciteit, vielen roeden en zwinkstelling onder de slopershamer. Verder stond er aan het Zijldiep een oliemolen, gebouwd in 1803 en eigendom van de familie Hesse, woonachtig in Weener. In 1895 werd de molen afgebroken en werd de houten bovenbouw gebruikt voor de toen gebouwde molen in Vriescheloo.

Behalve deze molens stonden er een drietal watermolens uit de 18e eeuw voor het droogmalen van de landerijen rond Scheemda en Eexta. Bij het Zijldiep, op de grens van Scheemda en Midwolda, werd in 1797 een watermolen in gebruik genomen, terwijl twee jaar later op de z.g. Eexterzwaag een molenkolonie werd gesticht van twee watermolens. Alle drie molens werden in het midden van de vorige eeuw afgebroken. Nijverheid bestond er in de vorm van een boekweitmaalderij die al rond 1759 in de nabijheid van de Kerkstraat gevestigd was en een kalkbranderij die in 1699 in het bezit was van de Scheemder koopman en kerkvoogd Steven Jans. Het bedrijf was uitgerust met één kalkoven en was gevestigd aan de huidige Esbörgstraat. De plaats van de branderij was bewust aan het Winschoterdiep gekozen, omdat de aanvoer van schelpen en de afvoer van kalk grotendeels per schip geschiedde. Bovendien had men de beschikking over een grote hoeveelheid schoon zoet water. In 1847 bestond het bedrijf nog en was het eigendom van de familie Ter Haseborg. Vermoedelijk is de kalkbranderij omstreeks de eeuwwisseling in onbruik geraakt en afgebroken. Ook eigendom van de familie Ter Haseborg was de steenfabriek op de Scheemderzwaag, die in 1802 werd gebouwd. De eerste jaren waren voor het bedrijf zeer moeilijk wegens verminderde bouwactiviteiten door de roerige Franse tijd. Toch wist de pan- en steenbakkerij zich te handhaven en ging men in latere jaren over tot de vervaardiging van draineerbuizen voor de landbouw. Bier werd er al in 1670 in Scheemda gebrouwen. zo weten we uit de aanwezigheid van een "brouwhuis". Later kreeg ook Eexta een brouwerij en tot 1856 kon men daar genieten van een "uitmuntende" kroes bier, aldus de Eexter schoolmeester Zelling in het schoolmeestersrapport van 1828. Uit een opgave van 1806 blijkt dat er een enorme hoeveelheid bier werd gebrouwen. Maar liefst 500 tonnen bier. waarvan 350 tonnen voor eigen gebruik en 150 tonnen voor de boeren in de omtrek. verlieten dat jaar de brouwerij in Eexta. In 1856 viel het doek voor deze tak van nijverheid door de invoer van goedkoper bier uit andere plaatsen.

Het bevolkingsaantal, dat vele eeuwen vrijwel onveranderd was gebleven, maakte met name de laatste tweehonderd jaar een gestadige groei door. Tijdens de volkstelling van 1795 werden er in Scheemda en Eexta 1203 inwoners genoteerd, waarvan de meerderheid (762) in het dorp Scheemda woonden. Veertien jaar later, in 1809 was het aantal inwoners al opgelopen tot 1320 en woonde men gemiddeld met ruim vijf personen in een woning. Momenteel heeft het dorp Scheemda 5132 inwoners (01-01-2005).

Evenals eens de aanleg van het oude Winschoterdiep in 1635, had ook de komst van de spoorlijn Groningen-Nieuweschans een gunstige uitwerking op de ontwikkeling van Scheemda en Eexta. Toen de spoorlijn in 1868 werd opengesteld. betekende dat allereerst voor de Oldambtster boeren dat ze sneller een bezoek aan de Groninger korenbeurs konden brengen. Vóór de aanleg van de spoorlijn was men aangewezen op de trekschuit. die zeker vijf uur nodig had om in de Stad te arriveren. De reisduur werd door de stoomtrein teruggebracht tot ruim een uur. De komst van het station betekende ook verplichtingen, want al in 1866 werd de Stationsstraat met het oog op de toekomstige treinreizigers. op bescheiden schaal verhard. Bovendien kreeg de plaatsing van nieuwe petroleumlantaarns daar voorrang. Verder heeft de spoorlijn er in het begin van deze eeuw toe bijgedragen dat de industrialisatie van de grond kwam. Kon men in 1868 kennis nemen van de stoomtrein, in 1882 verscheen de stoomtram, geëxploiteerd door de Stoomwegmaatschappij "Oldambt". Maar wegens organisatorische en financiële moeilijkheden bleef de lijn slechts twee jaar bestaan. Behalve op het gebied van vervoer ondergingen ook de communicatiemiddelen grote verbeteringen. Zo werd in 1871 aan het station een telegraafdienst opgericht en kreeg het postkantoor in 1890 een telefoondienst. Het gemeentehuis werd in 1915 aangesloten op het telefoonnet. De oprichting van de Scheemder Courant - in 1895 - mag zeker ook niet onvermeld blijven. Als spreekbuis van allerhande dorpsnieuws, gemeentelijke publicaties, advertenties en zelfs een bescheiden literaire inbreng van enig niveau was de Scheemder Courant, toen nog Scheemda's Nieuws- en Advertentieblad, een veel gelezen weekblad. Sedert de gemeentelijke indeling in de Franse tijd, vormden de kerkdorpen Scheemda, Eexta en Nieuw-Scheemda samen de gemeente Scheemda. De eerste gemeenteraadsvergadering werd gehouden op 19 november 1808 ten huize van wed. Barlagen in Scheemda. En nadat Westerlee aanvankelijk als zelfstandige gemeente was begonnen, werd dit kerkdorp in 1821 aan de gemeente Scheemda toegevoegd. Het gemeentebestuur zetelde in die dagen in één van de Scheemder herbergen wegens gebrek aan een eigen gemeentehuis. Toen in 1906 het nieuwe postkantoor in gebruik werd genomen, werd het oude postkantoor op de hoek Brugstraat-Esbörgstraat verbouwd tot gemeentehuis en kwam er een eind aan de "inwoning" in hotel Panman. De dorpen Scheemda, Nieuw-Scheemda en Westerlee maken nog steeds deel uit van de gemeente, terwijl de benaming Eexta, voor het zuidwestelijk gedeelte van het dorp Scheemda in 1964 van de landkaarten verdween en het dubbeldorp Scheemda-Eexta voortging onder de naam Scheemda. Niettemin wordt het gebied ten zuiden van het Winschoterdiep door een groot deel van de bevolking nog altijd Eexta genoemd.


(bron: Scheemda door J.P. Koers – 1984)