Kadaster 1832 Scheemda

bron: uitsnede uit de kaart van Historisch Gis door J.J.Feikens van de provincie Groningen (Kadaster 1832 met de Ooorspronkeliijk Aanwijzende Tafels)

In de kaart treft u o.a. informatie aan over de kadastrale eigenaar, grondgebruik en het getaxeerde bedrag voor de belasting op de grond en het gebouwde. Links bovenin de kaart kunt u de legenda uitklappen ( hier kunt u de kaartlagen aan- en uitzetten) en rechts boven is een optie voor volledige kaart weergave.

Daarnaast zijn er van een aantal panden, historische fotobeelden gekoppeld. Er is uiteraard getracht het juiste fotobeeld te vinden voor het gebouw welke in 1832 bestond. Helaas is dat niet in alle gevallen mogelijk, want sommige panden waren al gesloopt voor de fotograaf zijn intrede deed in Scheemda, in die gevallen is dan gekozen voor een afbeelding van een latere huis.

Invoering van het kadaster

De invoering van het Kadaster als rijksdienst was een gevolg van de inlijving bij het Franse keizerrijk in 1810. Bij keizerlijk decreet van 11 oktober 1811, Bulletin des Lois de l'Empire francais nr. 397/7340, werd bepaald dat de Franse voorschriften betreffende het kadaster ook in ons land zouden gelden.' Doel van dit kadaster was te komen tot een rechtvaardige heffing van de grondbelasting. Aangezien grondbezit een voornaam vermogensbestanddeel was, beschouwde men dit als belangrijk object van belastingheffing. Ook vóór 1812 werd grondbelasting geheven, maar dit gebeurde, bij gebrek aan een betrouwbare registratie van onroerend goed en bij afwezigheid van een gecentraliseerd openbaar bestuur tot 1795, niet volgens eenduidige criteria. De invoering van het kadaster zou voor een evenredige heffingsgrondslag moeten zorgen, op basis van de (zo nauwkeurig mogelijk geschatte) opbrengst van de eigendommen. Gezien het doel was het logisch dat het gehele apparaat onder leiding werd gesteld van de minister van financiën. Het toezicht berustte in ieder departement bij de prefect. De directeur van de belastingen regelde de verschillende onderdelen van de bewerkingen. De praktische uitvoering berustte in ieder departement bij een ingenieur-verificateur van het Kadaster, onder wiens leiding landmeters het werk uitvoerden. Het begrip 'kadaster' had oorspronkelijk als betekenis een registratievorm van de grond. Geleidelijk aan is het ook gebruikelijk geworden om er de rijksdienst, belast met die registratie, mee aan te duiden, maar dan met een hoofdletter. Die schrijfwijze wordt hier aangehouden.

Functies van het kadaster

Het kadaster diende in de eerste plaats als verbeterd hulpmiddel bij de heffing van de grondbelasting. Als grondslag voor de belastingheffing werd gekozen voor de jaarlijkse opbrengst van de grond en gebouwen. Om tot een evenredige verdeling van lasten te komen moest men in de eerste plaats beschikken over een registratie van alle eigenaren met de jaarlijkse opbrengst van hun onroerend goed. Daartoe werd in de jaren tussen 1812 en 1832 het gehele land (vooralsnog met uitzondering van Limburg) in kaart gebracht volgens een eenduidig systeem van meting. De lange duur van het werk gaf meermalen aanleiding tot aandringen op meer haast, met weinig succes. Na 1825, toen de invoering van het kadaster urgent werd in verband met de invoering van een nieuw hypothecair stelsel, dat het kadastrale perceel tot grondslag had, werd het tempo opgevoerd. In verband met dit nieuwe hypothecaire stelsel kreeg het kadaster in 1825, naast de functie van hulpmiddel bij de heffing van grondbelasting, tevens de functie van registratie van onroerend goed. Volgens het zogenaamde specialiteitsbeginsel werd de verplichting ingevoerd percelen in hypotheekakten met hun kadastrale aanduiding (dat wil zeggen met kadastrale gemeente, sectie en nummer) te benoemen. Opmerkelijk is, dat een dergelijke verplichting niet werd opgenomen in het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van akten waarbij andere zakelijke rechten dan hypotheek werden gevestigd. Een belangrijk beginsel bij de registratie van onroerend goed is dat van openbaarheid. Zonder openbaarheid zou rechtsverkeer van onroerend goed niet goed mogelijk zijn. Daarom is het principe van het zogenaamde publiciteitsbeginsel vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, dat op 1 oktober 1838 werd ingevoerd. Alleen gepubliceerde (dat wil zeggen bij het hypotheekkantoor van het Kadaster door middel van een akte in- of overgeschreven) zakelijke rechten op onroerend goed bezitten rechtskracht.