Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 


Het kruisteken

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Hierbij wordt het kruisteken gemaakt.

Oorspronkelijk maken de christenen met de duim of de wijsvinger een kruisje op hun voorhoofd. Dat verandert in het gebruik van zowel de duim als de wijsvinger om daarmee de twee naturen van Christus aan te duiden.

Later worden in het oosten drie vingers gebruikt, de duim, de wijsvinger en de middelvinger, die worden uitgestoken om de drie personen van de triniteit aan te duiden.

De vingers worden zo geplaatst dat ze de afkorting IXC (Iesous Christos Soter) aanduiden, de wijsvinger stelt de I voor, de middelvinger die een kruis vormt met de duim staat voor de X en de gebogen middelvinger dient om de C in beeld te brengen. 

De ringvinger en de pink worden in de palm van de hand gedrukt om de twee naturen van Christus aan te duiden.


Ik weet, (dat jij God bent). Dat weet ik niet zeker. Heb je een uitleg over God? Op de vierde plaats, dat weet ik zeker. Ik geloof, dat jij zegt dat. Is het de juiste manier om te werken?

(Ik geloof dat jij God bent). Alleen ik ben het. Ik haat dat godsgedoe. 

Je moet het gewoon bekijken, zoals het is. Ten goede en ten kwade, dat zul je allebei hebben. De Heilige Geest, de Vader van Abraham, Izaäk en Jakob. En een andere geest, een slechte geest. Een kwalijke geest, die iedereen vergiftigt.

Hoezo? Je kunt even misschien wat duidelijker zijn. Ja! Inderdaad! Ik ben er nog! Ik!

Ik heb de Heilige Geest vooraan gezet.

Daar achteraan, daar is iets, wat niet in orde is.

De opening van de mis. (In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.)
Ja, ja, wat is daar mis mee? Laat de vierde geest nee zijn.


Eerlijkheid gevraagd, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

De christenen ontwikkelen het idee van de drieeenheid van vader, zoon en heilige geest. De drieeenheid is, voorzover ik weet, het eerste filosofische idee waarmee ik geconfronteerd word. Op de lagere school, begin jaren 50, val ik tijdens de lessen de pastoor lastig met vragen over de drieeenheid. Ik weet niet meer, welke vragen, maar misschien deze vraag: God is de vader, de zoon en de heilige geest. Jezus is echter niet de vader en ook niet de heilige geest. Dit is logisch absurd. Met mijn kinderlijke verstand begrijp ik, dat als je aanneemt dat de vader, de zoon en de heilige geest God zijn, de vader, de zoon en de heilige geest identiek moeten zijn. De pastoor vertelt dan dat volgens Augustinus van Hippo het begrijpen van de drieeenheid het verstand van een mens te boven gaat. 

Terwijl Augustinus langs het water loopt op het strand ziet hij een jongetje dat een kuiltje heeft gegraven en daar water in giet dat hij telkens uit de oceaan schept. Augustinus vraagt: wat ben je aan het doen? Het jongetje antwoordt: Ik ga het water van de hele oceaan in dat kuiltje gieten. Augustinus zegt lachend: Dat kan toch niet. Dan zegt het kind: Zoals het onmogelijk is om in dit kuiltje al het water van de oceaan te gieten, zo is het onmogelijk om het mysterie van de drieeenheid te doorgronden. Ineens is het jongetje verdwenen en Augustinus begrijpt dat het een engel is geweest.



THISSEN

Jos heeft een lesrooster voor me gemaakt. Op het laatst zijn er nog wijzigingen en die worden meegedeeld door [pastoor] Thissen. Ze hebben mijn lessen gespreid over de week. Ik zeg dat dit niet verstandig is, omdat er dan veel lessen kunnen samenvallen met de andere school. Later praat ik er met Louis over in de schuur. Blijkt dat hij het rooster heeft gemaakt. Woensdag. Hij zal het voor mij bekijken.

[Ik word] gevraagd mee te doen aan een mis met de paus. Maar de voorbereiding loopt niet goed. Zodoende weet [ik] niet goed wat [ik] moet doen. [Ik krijg] een papier toegestopt waarop een tekst is ingevuld. Het zijn spreekwoorden en zegswijzen. Als de mis begonnen is, moet [ik] steeds letten op wat de anderen doen, anders weet [ik] het niet. De anderen zijn Wim (deze helpt [me]) en Koen. (Hierover wil de paus meer weten. Hij wil weten wie dat is. Hij heeft de indruk dat hij hem kent. Hij heeft duidelijk niet veel vertrouwen in hem. De paus neemt [me] apart om [me] over Koen te ondervragen, maar Thissen neemt het over, en legt het de paus uit). Later wordt in schalen brood gehaald van de offergaven. [Ik pak] de verkeerde schalen, een soort mandjes, maar het moeten de grote vergulde schalen zijn. [Ik doe] er brood op. Roggebrood gevuld met vlees. Iedereen begint er meteen op te kauwen. [Ik heb] iets te weinig genomen en [ga] terug voor de rest. Het is hoogst ongepast. Dan [vind ik mijn] tekst niet. [Ik voel] in alle zakken. Dan vindt Wim de tekst in een lade onder de tafel met broodschalen. Het is een belachelijke tekst. Een serie zinnen, die telkens als volgt beginnen: Hij doet als een.... Het is met een pen ingevuld op overigens voorgedrukt papier. [Ik vraag me] af hoe [mijn] stem zal klinken als [ik] dit [voorlees].

Ik zit in de kerk, ziek. Thissen denkt dat het comedie is. Hij is kwaad. Maar als de dienst afgelopen is, ga ik niet naar buiten. Thissen is met mij opgescheept. Even later lig ik op straat. Thissen begint nu toch het idee te krijgen dat het menens is. Later ben ik thuis. Mijn ziekte wordt nu erkend. Ik had eerder thuis moeten blijven, zeg ik tegen mijn moeder.

Professor Kamstra op bezoek in de mis in Sittard. Pastoor Thissen krijgt een toeval. Hij wordt op een brancard weggevoerd. Professor Kamstra schiet naar voren, en komt even later terug uit de sacristie om de mis over te nemen. Hij komt eerst tot in het achterste deel van de kerk om een verhaal te vertellen. Zijn enthousiasme verbaast het publiek. Hij gebruikt één geleerd woord, iemand uit het publiek vraagt om uitleg. Dan begint de mis op de gebruikelijke wijze met Latijnse beurtzang. Het is een plechtige mis. Op een gegeven moment gaat professor Kamstra opzij, maar komt dan plotseling en duikt onder het karpet. Hij haalt er oosterse parasols onder uit, die hij enthousiast uitdeelt aan het publiek. Men is verbaasd en hij wordt toegejuicht.

Pastoor Thissen trekt met een groep mensen, een soort processie, door de Sjluntjesweide. Ik begrijp eerst niet wat hij wil. Hij wil kennelijk door een opening in de afrastering, door het bos heen, Terborg bereiken. Maar er is geen opening, maar wel nieuw prikkeldraad. Het wemelt in de wei van de dieren, tamme en wilde dieren. Wij hebben een leeuw als huisdier bij ons die aan de andere dieren gaat snuffelen. De tamme dieren lijken gevaarlijker dan de wilde. Ik moet op Caspar letten, want hij beseft het gevaar niet. Pastoor Thissen wil zich een opening door de afrastering forceren, door met een bijl het prikkeldraad los te hakken. Maar hij wordt gehinderd door dieren, die hem aanvallen. Ik begin op een gegeven ogenblik te zweven. Het is een handige manier om de dieren te ontwijken. Dan is er een opening. Ik kan dat zien aan Frans. Hij wijst het me aan. En gaat dan zelf door de opening. Ik wil er ook heen, zwevend. Ik zweef over een zwangere zeug heen. Maar ik merk dat ik te hoog vlieg. Ik ben ineens op het erf. Ik vlieg zo hoog, dat ik me kan vastgrijpen aan het dak, waar ik zo met een hand aan de dakgoot blijf hangen. Ik laat het aan Frans zien, en ook dat het geen probleem is om van die hoogte weer naar beneden te springen.

Ik ben [van] Rolduc onderweg naar een plaats in Kerkrade (Bleyerheide?) Jan woont daar in een internaat. Hij neemt me mee naar een kerk waar pastoor Thissen een mis voor bejaarden leidt. Hij doet geëxalteerd, als iemand die aan het leven onthecht is en spreekt van wij bejaarden. Hij wordt voortdurend toegejuicht. Er is een collecte. Jan heeft voorgesteld ook een collecte voor mij te houden. Ik moet even wachten, wordt mij gezegd, want het gebeurt op een andere plaats. Ik zeg tegen Jan, dat ik genoeg geld heb. Ik ga ervandoor. Maar de kerk loopt leeg. Het is alsof de mensen mij volgen. Ik klim over een afrastering en kom boven op een muur terecht, waar leeuwen op lopen. Een leeuw springt omlaag. Daar is ook een paard. Ik wil weer omlaag klimmen. Maar het gaat niet. Het is te hoog. De weg, waarlangs ik gekomen ben, denk ik. Ik kan ternauwernood ontsnappen.

Pater Oomens gaat in gezelschap van een groot aantal jongeren naar de kerk in Sweikhuizen. Ik heb daar eerst spullen opgehaald. Ik weet niet meer wat het was. Ik kan niet alles in één keer meenemen. Onderweg is olie op mijn haar gekomen. Ik laat de pater de zwarte vlek zien. Hij heeft een tweeling. Ik weet niet, hoe hij eraan is gekomen, maar het zijn zijn kinderen. Hij staat er met vertedering naar te kijken. (Ik vraag me af hoe de kinderen tot stand zijn gekomen. Ik zie twee vrouwen. Ik weet niet meer zeker of hier een kind uit voort kan komen. Ik heb ergens gelezen dat het moet kunnen). Het valt me op, dat ze erg levendige ogen hebben voor baby’s. Leonie moet voor ze zorgen. Als ze naar ze toe gaat, stappen ze zo uit hun bedjes. We zijn hier in de buurt van Menten. Ik wil ook meedoen, maar Leonie verbiedt het me. Ik ben kwaad en loop weg. Later zijn we bij de kerk. Een grote wagen vol spullen van de pater valt om. Het schijnt hem niet te deren. Ik zie No er met verbazing naar kijken. Later volgen Louis en ik de pater op het Klietsjpaedje. Louis vindt, dat de pater meevalt. Ik zeg, dat hij steeds meer op pastoor Thissen gaat lijken.

Pastoor Thissen geeft les. Eerst Engels. Ron heeft de beurt. Hij schrijft de verschillende vormen van Hollands op het bord, onder andere Holländerly. Daarna volgt een soort sexuele voorlichting. Nogal direkt. We moeten ons gedeeltelijk ontkleden, en erecties demonstreren. Ik zit naast Jan. Frans heeft vooral interesse voor mijn penis. Hij probeert hem op te wrijven, maar ik belet het hem. Het gaat er verder vrolijk aan toe, waarbij iedereen zijn commentaar geeft.

Het gaat twee keer mis met een missaal bij het mis dienen in Sweikhuizen. De eerste keer heb ik er geen. De tweede keer heeft iemand het weggenomen. Pastoor Thissen vertelt me waar ik het kan kopen. Het is een religieuze winkel, merk ik, maar een waar ze allerlei artikelen verkopen. Hij stelt voor, dat ik er nu niet bij ben, maar wel meedoe met de paasnachtmis.

Ik ben op Rolduc geweest om me op te geven voor een (universitaire) studierichting. Ik woon nog niet zo lang in een nieuw huis. Het huis is niet Putstraat 22, maar er komen mensen, zoals daar wonen. Het huis lijkt op de pastorie van pastoor Thissen, maar het is in Sittard. Ik heb iets voor mezelf te eten klaargemaakt. Ook een soort koekjes die ik op een plaat klaar heb gezet. Later merk ik dat iemand er iets aan veranderd heeft. Weer later zie ik ze niet meer. Maar ik heb nog een bord met andere gerechten over die ik kan eten. Ik begeef me op weg naar een ruimte, die zich bij de ingang bevindt aan de straat. Onderweg kom ik een jongen tegen, die de koekjes heeft. Hij gebruikt ze voor de mensen van Sirkel, zegt hij. Dit gaat me toch wel wat te ver. Maar ik heb een gevoel, dat het geen zin meer heeft. Ik laat dit verder rusten, en ga verder om te eten. Maar ik kan in die ruimte niet goed zitten, omdat de vloer opgebroken is. Bovendien denk ik, dat ik niet zal gaan studeren op Rolduc. Het is wel wat ver hiervandaan met de fiets. Het regent. Ik zal me moeten afmelden, of de zaak gewoon laten lopen.

Ik kom pastoor Thissen tegen. Hij gaat richting Rolduc. Ik draai me weer om. Ik moet mijn kamer nog opruimen. Ik weet niet of ik alles zo heb achtergelaten, dat het onbewaakt kan blijven. In werkelijkheid wil ik me onttrekken aan het projekt dat pastoor Thissen voor ogen heeft. Als ik me omdraai en hij gaat voorbij is er tussen ons net op dat moment een pilaar. Het kan zijn dat hij niet gezien heeft, dat ik weer terug ga. 

Ik ben bij tante Lies. Ze heeft een dochter (of het is oma’s dochter).

Ik ben ook in Puth. Pastoor Thissen heeft een examen opgegeven. Ik ben bezig de antwoorden op te schrijven op borden. Het zijn zogenaamde doodsplanken. Ik zit niet op de goeie plaats. Het is bij Ruyters. Ik [?] naar een plaats in de buurt van de kapper. Ik ben aan de derde plank bezig. Het lukt niet, mijn proefwerk daar af te maken. Ik word gestoord. Joris (of Harry, het is alsof Joris gelijk is aan Harry) komt, en de dochter van tante Lies om me te redden, want pastoor Thissen zit me achterna. Joris rijdt op een soort dorsmachine door een opgebroken straat. Het is heel gevaarlijk. Maar hij manoeuvreert er door heen. Later verschuilen we ons achter een huis. Daar pastoor Thissen ontdekt ons. Joris ontdekt een manier om onder het huis weg te zakken. We kunnen ontsnappen. Maar aan de andere kant staat pastoor Thissen ons op te wachten. Hij doet ons niets. Hij laat ons doodleuk zitten. Ik zoek de planken. Ze zijn niet meer waar ze waren. Maar waar heb ik ze eigenlijk voor nodig?

We zijn op een veld in de buurt van het kerkhof. Het is een sportveld. Of tuin. Ik ben op een gegeven moment bezig iets met een schop te doen. We houden er een ritueel met pastoor Thissen. Er zijn banken opgesteld, die naar voren steil omhoog lopen. Het is zo steil dat het bijna verticaal is. Op een gegeven moment is er een jongen die naar voren springt, en roept: De stikkende jongen wordt breder. Ik begin een bepaald geluid te maken, een soort gezoem, en maak wilde bewegingen. Ik zie ook anderen zo bewegen, niet precies zo, allerlei bewegingen door elkaar. De jongen slinkt weer.

Ik ben bij Dortu in Merkelbeek geweest om les te geven aan Paul. Maar ik heb me zo verlaat, dat ik te laat kom op Stammenhof waar ik les moet geven. De klas zit te wachten. Ik kom in een koeiestal, waar ik hoor dat pastoor Thissen me heeft gezocht. Ik ga naar hem toe. Hij is razend. Hij begint op me te schelden. Ik heb een goeie reden, zeg ik. Ik treed heel ferm op. Dan wil hij zich uitkuren op mijn jongste kind, Jeanne. Hij zit op de mestvaalt, en wil het kind kwaad doen. Ik ben zo razend, dat ik hem bijna afmaak. Mijn stem slaat over van woede. Etterman, dat is geloof ik het woord dat de pastoor tegen me gebruikte. Dona eis etterman.

Herhaling van een droom waarin ik naar Amerika reis. Ik ben op de vlucht voor mijn familie. Eerst zwem ik in een rivier. Dat is de manier waarop ik aan de aandacht ontsnap. Later zit ik in een vliegtuig. Het is zo groot als een warenhuis. Ik zie ergens mijn ouders zitten en pastoor Thissen. We zitten op dezelfde vlucht. Ik ben als een oosters geestelijke vermomd. Ik ga via een roltrap. Het lukt me te ontkomen, door aan het eind rechtsomkeert te maken. Hierna begint de reis pas.

Ik zit in de kerk naast Louis. Hij wil dat ik hem sexueel bevredig, maar ik heb er geen zin in. Ik wil hem eigenlijk zeggen dat ik ermee wil ophouden. Hij heeft toch een zaadlozing. Ik voel me gegeneerd. De pastoor komt de communie uitreiken. Louis neemt de communie. Ik zeg: Deze keer even niet, pastoor. De pastoor, Thissen, is heel opgewekt. Hij danst met de hosties door de kerk, en hij kijkt me aan alsof hij wil zeggen: Jij kunt toch zeker wel ter communie gaan. Later zie ik mannen met reusachtige penissen. Ze zijn zich aan het masturberen. Ik kom er voor de tweede keer langs. De penissen liggen nu slap, maar nog steeds reusachtig onder een deken op hun been. De kop steekt onder de deken uit. Ze zien er uit als hondekoppen.

Ik heb pastoor Thissen opgebeld (?), dat ik hem iets moet vertellen. Hij komt naar het station. Wilt U koffie van het station? vraag ik. Nee, zegt hij, ik drink anders wel koffie, maar als het oorlog is, dan ga ik, ‘s nachts, zelf koffie drinken.

Pastoor Thissen heeft een leren koffer - antiek - te koop. Hij bevindt zich in de tweede koeiestal (zoals het vroeger was. Daar was een deur). Hoeveel kost het? vraag ik. ƒ55, zegt hij. Ik moet kijken of ik zoveel geld heb, zeg ik. Ik heb eigenlijk niet veel geld. Ik kijk in de koffer. Er zitten ook nog rieten tassen in. En de koffer heeft veel ruimte. Ik wil hem wel hebben, zeg ik. Ik neem geld uit mijn beurs. Ik heb het gepast: twee briefjes van ƒ25 en een van ƒ5.

Pastoor Thissen geeft les op school. Hij is erg speels. Op een gegeven moment is hij veranderd in een lilliputter. Hij heeft me uitgedaagd en me uit mijn bank gejaagd. Ik heb geen broek aan. De klas scandeert: Alex. Alex. Er is een hond, die ook plezier heeft in het spel. Hij rent overal door heen. Tenslotte is de klas leeg. De pastoor is verdwenen. Een paar kinderen, die overgebleven zijn, zeggen, dat ze nog een speld missen.

(Thissen) Ik ben daar niet geweest. Werkelijk niet? Twee jaar lang niet.

(Pastoor Thissen vindt walnoten in het bos. Ik wijs hem op beukenoten, maar die wil hij niet hebben) 

[Ik vertel in een droom aan pater Oomens over Paula] Ik zag haar in een droom en toen zei ik: Ik vind je lelijk. [Ondertussen probeert Jan Pierre te vermoorden (Louis houdt dit nog net tegen) met een mes. Jan wordt afgevoerd door pastoor Thissen]. Er is eigenlijk een slachtoffer.

Thissen. Voor mij is dat dus een geluid. Ik zou wel eens willen weten welk geluid. Dat probleem moet ik nog oplossen. Voordat ik een boodschap kan doen, moet ik weten. Alleen die drie, daar staat mijn verstand van stil, Jan van Hippo () Er ligt een losprijs klaar. Zoals de wijngaard in een slak is, ja, die is echt in een slak. Ik ben ik. Ik ben niet een onderdeel van het geheel.

Thissen, je hoeft mij niks wijs te maken. Ik vertrek. 

Nou, Albert, fantastisch naar jouw vak, naar jouw hoofd, naar jouw orden. Het klinkt nogal positief het hele verhaal, maar het is negatief.

Dat het allemaal van je zelf is dat is positief te noemen. 



Ik heb de moordenaar gezien. (Hij heeft de vriend van een filmster vermoord. Zij is zwanger.  Er loopt steeds een jongen, Hippo, om me heen. Dit is wat manrijk, dit. Mannelijk!

Laat ik niet hopen! Meensachtig! Wie zou mij dan nog als man bekijken?

Een groot gezelschap. Ik ben getuige van een moord. Men wil mij ook vermoorden. Ik zeg: Als u me niet doodt zal ik (misschien) niets zeggen, maar als u me doodt zal men (zeker) weten wat hier voorgevallen is. Niet iedereen is overtuigd. Na een tijdje zeg ik: Ik ga slapen. Ik val meteen in slaap. Ik doe alsof. Ik heb als het ware een oog open. (Dan gaan ze weg.) Tenslotte gaan ze weg. Ik word niet gedood.

(Hoor eens wat deze hippocraat zegt). Wat er nog stond: hypocriet.


[Thissen] Daar is het probleem ontstaan. [Huwelijk Frans koningshuis.]

Als je d’r niet van houdt, dan ben je eigenlijk stom om daarmee de belangrijkste dag van je leven te verpesten.

De C.B.-hitser. [si:bi:] Het gaat niet alleen maar om de inhoud.

Ik ben denk ik daar ben geweest als hoveling. Wie ben ik dan geweest? De goeie man heet Le Comte. Dreissig drei Jahre alt. Hij zoekt te veel naar details, want het is eenvoudig, hè, drei Horen.

(Tegen Thissen) Zolang als ik leef, hebt U nog nooit één positief woord over me gezegd. U wist van mijn geboorte af al, dat ik niet deugde.

(tegen pastoor Thissen) Als U stopt met slaan, dan is bij mij ook alles in orde.

(Pastoor Thissen slaat Leonie.) Albert: U mag haar niet slaan. Mijn vrouw daar blijft u van af. Dat heb ik de vorige keer gezegd en dat zeg ik niet weer. Ik rol met de pastoor over de grond. Terwijl we vechten valt een blouse open en dan zie ik dat ze een zwarte vrouw is.

Ik heb gemerkt, dat Louis een dief is. Hij werkt samen met een man, een soort ex-priester (Thissen, denk ik). Ik ben Louis gevolgd naar een oud gebouw waarin brand is uitgebroken. Ik vraag me af, of ik hem nu nog zijn gang kan laten gaan. Ik moet misschien de politie gaan inlichten. Ik geloof toch niet dat het daarom gaat. Het gaat erom weg te gaan. Wat je in feite zou kunnen doen in de supermarkt.

Er komen mensen op bezoek. Er is een party in de tuin. Wim is er ook. Hij heeft net als ik een oude broek aan. Pastoor Thissen zegt er wat van. Je kunt je wel eens wat beter kleden, zegt hij tegen Wim. Ik word kwaad. Hij kan zich heel goed kleden als hij dat wil, zeg ik. De pastoor blijft me achtervolgen. We zijn nu ergens achter bij Stammenhof. Ik zeg: Gaat u weg. U heeft me al mijn hele leven lastig gevallen. Hij gaat weg.

Pastoor Thissen laat me zien dat er schuld is van enkele tonnen aan de kerk. (Het heeft met Zuid-Amerika te maken). Hij kijkt in een boek met rekeningen. Ze kunnen me niets maken, zeg ik. Ik verkoop gewoon alles. Dan vraagt hij: Wat is nou je 2/10de voordeel? Welk 2/10de voordeel? vraag ik. Hij wordt kwaad en kijkt me aan alsof hij wil zeggen dat het menens is.

Een gesprek met pastoor Thissen op Stammenhof tijdens een liturgische dienst. Het gaat over een tekst die iedereen voor zich heeft (liggen). Er staan plaatjes in, onder andere van een tafel met ernaast het woord zorgtafel. Ik wil het woord nemen en zeggen: Maar, pastoor (ik wil zeggen dat dit allemaal heel erg mystiek is. Ik vind het woord zorgtafel verkeerd), maar mijn moeder grijpt in. Ik mag niets zeggen. Accoord, zeg ik, dan ga ik maar naar boven. Ik vlucht naar boven naar de zolder, zodat ze me niet zo makkelijk kunnen vinden.

Ik heb het nog nooit zo erg gezien hier. Dat zwarte water heb ik nog nooit zo erg gezien. (Carnaval op pastorie van Thissen.) Zijn zij de nieuwe zakjes? Er volgen als het ware nieuwe zakjes. Ik werk hier al 19 jaar (zeg ik tegen []) (Dan pakt hij me () Je pakt mijn keel vast maar voor het vastpakken van die keel zou ik dit lokaal willen verlaten. God, jij hebt sterke knokkels, hoor! (zeg ik) tijdens een vergadering op school.

Het gaat niet om kennis, maar om liefde. En dan kun je God missen. ‘t Is een beetje raar voor een theoloog, maar het is toch wel zo. (Ik zag pastoor Thissen met zijn handen op tafel een Afrikaanse drum produceren. Ik deed mee net zoals een Afrikaan die erbij zat en het ritme herkende.) (Eigenlijk is kennis liefde.)

Ik kom bij een man met een hond die erop is getraind het geslacht af te bijten. Hij wordt er net van weerhouden. Later ga ik in het geheim naar een gebied waar slaven verblijven. Ik ga naar binnen via een opening waarachter zich een mesthoop bevindt. Ik ben er al eens geweest. Ik ben teruggekomen met geschenken voor een baby, een pop en dergelijke, schrijfmateriaal voor de schooljuffrouw. Ik word bekeken alsof ik iemand uit een andere wereld ben. Ik zie ook pastoor Thissen onder de mensen. (Ik heb dit al eens gezien. Het is een herhaling.) The second man of Bali. (Tegen Thissen): Ik heb voor de tweede keer mijn gymnasiumdiploma gehaald. De eerste keer was in (1964). Ik zat gewoon in de klas. In deze klas, geloof ik, nog het meest (niet iedere dag) mijn afwezigheid werd netjes genoteerd..(iedereen luistert mee en lacht).

Ik ben op de hei aan het bellen. Ik gebruik mijn penis als telefoon. Ik kan hem uittrekken zoals ik wil. Dan komt pastoor Thissen. Ik doe gauw de telefoon weg en roep: Ich ben aan het bellen. O, zegt hij, dat wordt een lange geschiedenis, en gaat weer weg. Ik probeer nu het telefoongesprek weer op te pakken. Ik denk dat ik via het schermpje het nummer weer moet oproepen, want ik weet het nummer niet meer.

(Alles bij elkaar) zo'n 1 miljoen gulden (de erfenis van tante volgens pastoor Thissen). 

Samen één boek schrijven is niet verstandig. Zou u samen één boek schrijven? D’r komt toch zeker nog wel een boek uit, hè. (tegen pastoor Thissen). O ja. U heeft (beslist) één ding zeker fout gedaan. Dat heeft geen ernstige gevolgen, hè.

P Thissen: Dat ik geopereerd ben aan mijn hoofd. Ik: Ik zie er niet zo veel van.

Huub geeft tijdens een feest op Stammenhof waar ook pastoor Thissen bij is een beschrijving van de verhouding die ik met hem heb. Hij spreekt van liefdeseigenschappen. Ik vind het te ver gaan. Ik vraag: Hoe uit zich dat dan? Een aanwezige vrouw geeft antwoord. Ik onderbreek haar en zeg: Ik vraag het hèm.

Pastoor Thissen heeft zich op de gang voor de jongenskamer gebivakkeerd achter een bureau. Hij maakt grappen. Schaterlachend zegt hij: Het wezen van Albert Riga is een Judas.

Alles is in twee. Twee willen.(uiteenzetting van pastoor Thissen)

Nou gaat u te ver. Ik ga naar een andere kerk (tegen pastoor Thissen).

Pastoor Thissen tijdens kerkdienst: Albert is een flikker.

AUGUSTINUS OVER DE DRIE-EENHEID, BOEK XI


Augustinus legt het uit in zijn boek De Trinitate. Hij vergelijkt de eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest met die van onze mentale vermogens. Wij hebben één geest, maar in de geest bevinden zich drie vermogens: geheugen, intelligentie en wil . Elk vermogen onderscheidt zich van het andere, maar alle drie de vermogens zijn van één geest.


Het lichaam is begiftigd met zintuigen. Laten we daarom proberen te ontdekken of we in dot lichaam een spoor van de Drie-eenheid kunnen vinden. Er zijn vijf zintuigen: zien, horen, ruiken, proeven en voelen. We hoeven niet al deze vijf zintuigen te onderzoeken; Laten we daarom vooral  gebruik maken van het getuigenis van de ogen.



Wanneer we dus iets waarnemen, moeten we deze drie dingen, die het gemakkelijkst te onderscheiden zijn, in overweging nemen. Ten eerste, het ding zelf dat we zien, of het nu een steen is, een vlam of iets anders dat met de ogen gezien kan worden; dat natuurlijk al zou kunnen bestaan voordat het gezien werd. Ten tweede, het zien, dat er niet was voordat we dat ding als een object met onze zintuigen waarnamen. Ten derde, dat in datgene wat gezien wordt, zolang het gezien wordt, het zintuig van de ogen behouden blijft, dat wil zeggen, de intentie van de geest.


De geest is een beeld van de Drieeenheid in zijn eigen geheugen, intelligentie en wil. 





Geheugen, intelligentie en wil zijn essentieel één, en relatief drie.


Geheugen, verstand en wil zijn wezenlijk een en relatief drie. 

En daarom zijn deze drie één, in die zin dat ze één leven, één geest en één essentie zijn; en Maar ze zijn drie, in die zin dat ze naar elkaar verwijzen; en als ze niet gelijk waren, en dit niet alleen elk naar elk, maar ook elk naar allen.



De geest is een beeld van de Drieeenheid in zijn eigen geheugen, intelligentie en wil.

De Trinitate X!, 17 


Die eeuwenoude theologische discussie van Augustinus tot Erasmus en Luther over het bestaan de vrije wil.  Augustinus heeft er drie boeken DE LIBERO ARBITRIO LIBRI TRES over geschreven. Erasmus in DE LIBERO ARBITRIO en Luther in  DE SERVO ARBITRIO hebben er een felle woordenstrijd over gevoerd.

Heeft een mens een of twee willen?

680-681 Constantinopel III[bewerken | brontekst bewerken]

Het monotheletisme werd besproken. Het monotheletisme, een afwijkende yvorm van het monofysitisme, werd door de paus veroordeeld. Volgens het monotheletisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil: de goddelijke wil. Het concilie stelde daar tegenover dat Jezus Christus zich uit in een eigen wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen.

Assertio omnium articulorum M. Lutheri per Bullam Leonis X. novissimam damnatorum

Onder de citaten uit Luthers werken die in 1520 door de paus werden veroordeeld, bevond zich de verklaring dat de vrije wil iets is dat alleen in naam bestaat. In zijn verdediging van deze uitspraak in Assertio omnium articulorum, gepubliceerd in december 1520, gaat Luther nog een stap verder. Hier verklaart hij niet alleen dat 'vrije wil' een concept is zonder feitelijke verwijzing, hij benadrukt zelfs dat er niemand in de positie is om zelfs maar voor zichzelf te denken, goed of slecht, aangezien alles gebeurt met absolute noodzaak.

Daarom toonde hij zich vooral geschokt door Luthers radicale uitspraak (in de Assertio van 1520) dat de vrije wil een woord is zonder inhoud, sterker nog, dat ‘alles gebeurt met absolute noodzakelijkheid’. Deze formulering was door het concilie van Konstanz (1415) als ketterij van Wycliffe veroordeeld, maar Luther verklaarde bijna provocerend dat hij deze stelling geheel voor zijn rekening kon nemen.

In De servo arbitrio (1525) betoogt Luther dat de goddelijke eigenschappen wil, macht, voorkennis en onveranderlijkheid onverenigbaar zijn met de (menselijke) vrije wil, en dat de vrije wil daarom een ‘naam zonder werkelijkheid’ is. 

Erasmus – De libero arbitrio

Desiderii Erasmi Roterodami – De libero arbitrio διατριβή sive cor llatio (1524) 

Luthers mening: Gods genade is noodzakelijk voor de mens om goed te kunnen doen en eeuwige verlossing te bereiken. De mening van Erasmus: de mens kan kiezen tussen goed en kwaad, omdat hij over een vrije wil beschikt, die hem daartoe door God is gegeven.

Laten we daarom doen alsof het in zekere zin waar is wat Wyclif leerde, en Luther beweerde, dat alles wat door ons wordt gedaan, niet uit vrije wil wordt gedaan, maar louter uit noodzaak; wat zou nuttelozer kunnen zijn dan deze paradox aan de wereld te publiceren? 


https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse