In dit huis waar woont, heeft in de achttiende eeuw een molenaar gewoond.
O, voor zover ik weet, is dit huis gebouwd in het begin van de vorige eeuw.
Dan zal het het huis hiernaast zijn geweest, waarin die molenaar toen woonde. Zijn naam was Reinier Hagens, hij is degene geweest die het initiatief heeft genomen voor de bouw van de kerk.
Ik heb die naam wel eens gehoord. Ik weet het niet, een straat misschien. Is er niet een straat naar hem genoemd?
Dat zou kunnen. Ik ken de namen van die nieuwe straten niet zo goed. Ik kom vaker met mijn fiets in Sweikhuizen, niet alleen voor de sport, maar ook voor de geschiedenis.
Ja, ja, de geschiedenis.
Interesseert jou dat niet?
Dat wel, maar voor de geschiedenis hoef je hier niet te komen. De geschiedenis, dat is geweest, vroeger, weet je wel, het dorp dat er vroeger was, dat is er niet meer, het is veranderd in een wijk buiten de nieuwe stad Sittard-Geleen, daar beneden in het dal. Er zijn veel nieuwe huizen gebouwd op deze berg, goedkope woningen en dure villa's. De nieuwe bewoners hebben het idee, dat ze terug zijn gegaan in de geschiedenis, terug naar de natuur, maar dat was ooit, dat is er niet meer. Schinnen, de gemeente waar Sweikhuizen onder valt, is een tussenland, ingeklemd tussen Sittard-Geleen en Heerlen. Alleen, als je erdoorheen rijdt, merk je daar niet veel van. Schinnen oogt landelijk. De open ruimte is nog aanzienlijk en deze wordt vooral ingenomen door akkers en weilanden, en, spaarzaam, door bossen. Het land heeft waarde niet zozeer als agrarisch gebied, maar als recreatiegebied voor de bewoners van de steden waar het tussen in ligt. Mensen die vanuit een stad in het dorp zijn komen wonen hebben misschien het idee, dat dit het vroegere landschap was, dat behouden is gebleven. Maar wie een beschrijving leest bijvoorbeeld van Henri Pijls, oud-burgemeester en geschiedschrijver van Schinnen, zal onmiddellijk merken dat er niet zoveel is overgebleven van wat er vroeger was. De open ruimte is sterk versnipperd door een aantal grote verkeerswegen. Zo is het kasteel Terborg van het meest nabijgelegen dorp Hegge afgesloten door een spoorweg en een autosnelweg die door het dal van de Geleen lopen. En daar ligt een basis van het U.S. Army Garrison bij. Dit is een ander beeld dan het idyllische plaatje dat wordt geschilderd door de schrijvers van Natuurmonumenten en andere verenigingen.
Misschien heb je sinds je in Sweikhuizen woont ook al historisch onderzoek gedaan. Het zou mij, jou kennende, althans niet verbazen.
Ik heb me inderdaad al een beetje verdiept in de geschiedenis van Sweikhuizen, prehistorische en Romeinse vondsten. Bij de bouw van het retraitehuis op de Moorhei in 1923 is een Romeinse begraafplaats blootgelegd. Bij het graven werden gave Romeinse voorwerpen gevonden, potten en pannen maar ook dakpannen. Die voorwerpen zijn in 1942 verloren gegaan. In de nacht van 5 op 6 oktober van dat jaar werd het huis per vergissing gebombardeerd door Engelse vliegtuigen. Bij de herbouw in 1944, zijn weer verschillende belangrijke vondsten gedaan, zoals scherven, een met lauweren gekroond borstbeeld en een munt met de volgende legende: IMP. CAES. NERVA TRAIAN. AUG. Daaruit kon men afleiden, dat die munt geslagen was tijdens de regering van keizer Trajanus, die in 117 na Christus stierf. De gebruiksvoorwerpen, de grafvondsten en de dakpannen wijzen, volgens de historicus Arthur Schrijnemakers, erop, dat er dichtbij Romeinen moeten hebben gewoond. De Romeinen bouwden hun villa's bij voorkeur dichtbij stromend water en tegen de zonnige zuidflank van heuvels. Deze plek voldoet aan die voorwaarden.
Wat moet ik me bij zo'n villa voorstellen?
Een villa op het platteland heette bij de Romeinen een villa rustica. Bij een villa rustica hoorden landerijen, die bewerkt werden door slaven of pachters. De villa bestond uit gebouwen en vertrekken die bestemd waren voor landbouw en nijverheid. Er waren slavenverblijven, stallen, silo's, schuren, maalinrichtingen, wijn- en olijfpersen. Werktuigen en gebruiksvoorwerpen werden op het terrein van de villa vervaardigd. Er was dan bijvoorbeeld een schoenmakerij, een smederij of een pottenbakkerij. De villa leverde producten voor de markt, voornamelijk olie, wijn en fruit. Men hield zich ook bezig met het kweken van vis en het fokken van paarden, gevogelte en vee. De villa was een agrarisch bedrijf, met een hoofdgebouw en een stelsel van gebouwen eromheen.
En zo'n villa stond hier?
Ja, dat wil zeggen, het gebouw dat hier heeft gestaan was waarschijnlijk niet het hoofdgebouw. Ik neem aan dat het hoofdgebouw heeft gestaan waar nu kasteel Ter Borg ligt. Daarnaast waren er andere gebouwen, zoals een kapel waar nu de Oude Kerk van Spaubeek is.
En hier was een begraafplaats?
Ja, tenminste dat wordt meestal aangenomen. Het gebouw dat erop stond zou dan een functie hebben gehad die daarmee in verband stond. Je mag de vraag stellen of het gebouw nog een andere functie kan hebben gehad.
Dan stel ik de vraag: welke andere functie kan het hebben gehad?
Ik denk, dat het gebouw dat hier heeft gestaan een wijnhoeve was.
Een wijnhoeve?
We moeten er rekening mee houden, dat dit al bestond in de tijd van de Romeinen. Ik stel me voor hoe dat hier moet hebben uitgezien. Daarachter, waar nu het asielzoekerscentrum ligt, lag een Romeins gebouw, daar begon de wei, die zich uitstrekte tot de weg die hieronder langs de berg loopt, en misschien stonden er op de berg, waar nu het bos is, wel wijnstokken. Deze weg liep in de eerste en tweede eeuw misschien langs wijnbergen. Het was een aan- en afvoerroute voor alles wat met wijnproductie te maken heeft.
Er wordt aangenomen dat er al sinds de Romeinse tijd druiven verbouwd worden in Nederland, maar ik heb er nooit aan gedacht, dat dit wel eens hier gebeurd zou kunnen zijn.
Ja, dat is te begrijpen, maar denk er eens aan dat het milde klimaat in de tijd van Trajanus zeer gunstig was voor de wijnbouw. De plek met hellingen op het zuiden was zeer geschikt voor druiventeelt. Bovendien was een Romeinse villa zonder druiventeelt vrijwel ondenkbaar. Waarschijnlijk was hier nooit een Romeinse villa gekomen, als de wijncultuur er niet mogelijk was geweest.
Hoe groot moet ik me de villa voorstellen?
In de gebieden die door de Romeinse legioenen werden veroverd, werd de grond die voor landbouw geschikt was, verdeeld in centuriae, stukken van een halve mijl bij een halve mijl, die bij wijze van premie aan veteranen gegeven werden. Om je een idee te geven: het is de grootte van een vierkant waarvan Terborg, Ten Dijcken, het retraitehuis en Stammen de hoekpunten vormen. Waarschijnlijk had het oorspronkelijke gebied van Terborg, dat werd verworven door de veteraan, Pullus, ook ongeveer die grootte.
Pullus?
Ja, zo noem ik hem, het is gemakkelijker om over iemand te praten als hij een naam heeft.
Maar waarom Pullus?
Waarom niet? Het beestje hoeft maar een naam te hebben.
Kip?
Och ja, als latinist begrijp jij dat, maar misschien moet je Hoen zeggen, dan begrijp je het wat beter.
Bedoel je Hoen van Hoensbroek?
Ja, en Hoen van het Hoenshuis in Voerendaal. Ja, dat zou toch kunnen? Achter Stammen ligt een veld, dat het Hoenderbos wordt genoemd. Er is daar geen bos meer te zien, maar het moet er wel ooit zijn geweest. Nou zie je maar weer, die familie is hier in dit landschap nog steeds aanwezig.
Bedoel je, dat die familie hier al vanaf de Romeinse tijd aanwezig is geweest? Sweikhuizenaren staan bekend om hun sterke verhalen, maar ik wist niet dat nieuwe Sweikhuizenaren, zoals jij, deze kunst ook al meester waren.
Ik ben zo'n meester.
Ja, meester, weet je dan ook, hoe het landgoed van Pullus er in de Romeinse tijd uitzag?
Dat weet niemand, maar misschien kunnen we ons er met een beetje fantasie een voorstelling van maken. We kunnen van twee veronderstellingen uitgaan. De eerste is dat de situatie toen totaal anders was dan nu. Dit is aannemelijk, als je denkt dat alles wat er toen gebouwd is een keer helemaal is verwoest. Bij de latere herbouw wist men niet meer hoe de situatie oorspronkelijk was geweest. Dus de herbouw verliep volgens een totaal nieuw plan. De andere veronderstelling is dat de situatie toen meer leek op wat we nu zien, dan we misschien denken. Na de verwoesting bleven waarschijnlijk gedurende enkele eeuwen de oorspronkelijke bouwwerken als ruïnes in het landschap liggen, of in de vorm van sporen, zoals de heuvel waarop de burcht stond, zodat zelfs honderden jaren later nog zichtbaar was, waar deze had gestaan. Het belangrijkste gebouw kan hebben gelegen waar nu het kasteel ligt, met een burcht, in het Latijn een burgus genaamd, waar de naam Terborg van is afgeleid. Bij die burcht was een boerderij. Of misschien was er oorspronkelijk alleen een boerderij en werd de burcht er later, in minder veilige tijden, bij gebouwd. Misschien was er nog een gebouw in Hegge, bijvoorbeeld op de plaats waar nu Ten Dijcken ligt. Het is ook mogelijk dat er een heiligdom was, waar zich nu de Oude Kerk van Spaubeek bevindt. Zowel vanuit Terborg als vanuit Hegge ging er een weg naar de wijnboerderij op de Moorhei. Boven op de berg, vlak achter het Stammenderbos kan er een verzamelplaats voor het vee zijn geweest, waar nu Stammen ligt.
En deze weg, waarop we hier lopen, was die er toen ook al?
Ja, die was er toen ook al.
Ik heb me altijd al afgevraagd waarom deze weg ooit is aangelegd. Er zijn betere alternatieven om een verbinding te maken tussen Terborg en Jansgeleen. De weg is niet vlak. Hij gaat op twee plaatsen, bij de Kasteelderweide en de Moorhei, omhoog en weer omlaag. Het is helemaal geen handige weg, tenminste als je deze moet gebruiken voor vrachtverkeer.
Ja, dat is waar, maar vraag je eens af, heeft de weg er altijd zo bij gelegen als nu het geval is? Zijn die verhogingen bij de Kasteelderweide en de Moorhei er altijd geweest? Neem eens aan, dat deze zich hebben gevormd als gevolg van erosie, die is ontstaan, toen de wijnbergen werden verlaten en aan hun lot overgelaten, de wijngaarden op de helling verwilderden, en wind en water de grond naar beneden voerden naar het dal van de Geleen. De beek moest daardoor een nieuwe bedding zoeken, wat verder van de berg af.
Ja, maar dat is niet gebeurd op de tussenliggende berg.
Dat heb je goed opgemerkt. En als je die berg nader beschouwt, zie je dat hij ook steiler is dan de twee andere bergen. De tussenliggende berg bleef dus voor erosie gespaard. De verklaring daarvan zou kunnen zijn, dat op die berg geen wijncultuur is geweest.
Hoezo niet?
Dat weet ik niet. Het ligt voor de hand, aan te nemen dat ook op die berg druiven werden geteeld. En waarom niet nog meer bergen? In oostelijke richting liggen nog meer bergen, die voor de druiventeelt geschikt zijn.
Draaf je nou niet een beetje door?
Nee, zelfs nu is er in Schinnen druiventeelt. Kijk maar eens bij de weg van Puth naar Schinnen. Daar is tegenwoordig weer een wijngaard aangelegd.
Dat komt, doordat tegenwoordig nieuwe druivenrassen zijn gekweekt, die sneller rijpen, zodat deze ook in koudere klimaten kunnen gedijen. De Romeinen beschikten nog niet over deze nieuwe druivensoorten.
Desondanks slaagden de Romeinen erin de druiventeelt tot ver naar het noorden uit te breiden.
Dat is waar, maar in de oudheid was het een beperkte cultuur, net als nu trouwens.
Ja, dat is misschien wel zo, het valt niet uit te sluiten, dat er een uitgebreidere teelt plaatsvond, maar erg waarschijnlijk acht ik het ook niet.
Wat hield een grootschalige aanpak van de wijnbouw tegen?
De reden is niet de verslechtering van het klimaat geweest, want in de tijd dat het klimaat nog goed was, had de wijncultuur zich kunnen uitbreiden, maar dat is, naar ik aanneem, niet gebeurd. Er moet een andere reden zijn geweest.
Wat zou die reden kunnen zijn geweest?
Een reden kan zijn geweest een calamiteit. Om een voorbeeld te noemen: vanaf de jaren 165 tot 180 werd het Romeinse Rijk geteisterd door De Pest van Antoninus. De ziekte werd meegebracht door soldaten die aan het oostfront gevochten hadden. De importslaven brachten onbekende ziektes met zich mee. Men schat dat een tot tweederde van alle burgers om het leven is gekomen. Ten gevolge van deze epidemie kwam er een gebrek aan arbeidskrachten, slaven, die het werk moesten doen. Een andere reden, die ook wel wordt aangevoerd, kan zijn geweest, dat in de Romeinse Keizertijd, toen er geen nieuwe gebieden meer werden veroverd, de aanvoer van verse slaven uit de oorlogsgebieden begon te stokken. Ik stel me voor, dat dit tekort aan slaven, wat er ook de reden van kan zijn geweest, zich ook hier in het Geleendal heeft voorgedaan.
Was daar niks aan te doen?
Er waren wel oplossingen. De heer van Terborg ging toen bijvoorbeeld bevorderen dat de slaven op zijn plantage een gezin konden stichten, zodat de slavenpopulatie langs natuurlijke weg in stand kon worden gehouden. Of hij probeerde delen van zijn domein onder voorwaarden te verpachten aan lokale boeren.
Wie waren die lokale boeren?
Sunuci, zo genoemd door Tacitus (Historiae 4,66), een stam of misschien een verzameling stammen, in het gebied tussen de Maas en de Roer.
Komt daar de naam Schinnen vandaan?
Ja, naar men zegt.
Was er sprake van wisselwerking tussen de Romeinse familie op de villa en de lokale bevolking?
In het begin was de Romeinse villa waarschijnlijk een vreemd lichaam in de lokale omgeving. De plantage werd gevestigd, zonder veel rekening te houden met de bestaande omgeving. De villa was gebaseerd op slavenarbeid en had de inlanders niet nodig. De villa was gericht op productie voor de markt, die vooral werd bepaald door de behoeften van legerplaatsen, zoals Maastricht en Heerlen. In de nieuwe situatie die ontstond door het tekort aan slaven kwam er een wisselwerking tussen de familie Pullus, die de villa beheerde, en de Sunuci. Daardoor konden een lokale arbeidsmarkt en ruilhandel ontstaan. De villa ging ook meer voor lokale behoeften produceren.
Ontstond er ook zoiets als culturele uitwisseling?
Dat is heel moeilijk vast te stellen. Dat blijkt alleen al uit het feit, dat hierover totaal verschillende theorieën bestaan. Zo werd tot niet zo lang geleden uitgegaan van het concept van romanisering. Het werd daarbij als vanzelfsprekendheid gezien dat de inheemse cultuur elementen overnam van de Romeinse cultuur. Zo zijn de Romeinse resten die zijn gevonden op de Moorhei gezien als cultuur die door de Romeinen was meegebracht naar het gebied van de Sunuci, die daarmee geromaniseerd werden. Een eigen culturele identiteit van de Sunuci was zo goed als niet bestaande. Romanisering was dan een eenzijdig proces dat twee aspecten omvatte: cultuuroverdracht van de Romeinen en cultuurovername door de Sunuci. Maar het proces was tweezijdig. Het was een proces van acculturatie, een politieke, sociale, culturele en economische interactie tussen de Romeinen en de Sunuci.
Wil je daarmee zeggen, dat ze meer als gelijken met elkaar omgingen?
Dat niet. Het was natuurlijk wel een koloniaal systeem, met een duidelijk verschillende rol voor heersers en onderworpenen. Maar er was, gegeven deze ongelijkheid, wel sprake van wederzijdse beïnvloeding.
Kun je daar een voorbeeld van geven?
Nou bijvoorbeeld dit. Op de Moorhei werd een bord gevonden in terra sigillata, gestempeld aardewerk, met het merk ROPPVSFE (Roppus fecit). Wij zouden zeggen: made by Roppus. Dit aardewerk was in alle regio's van het Romeinse Rijk in omloop. Het werd lang beschouwd als een soort van graadmeter voor de romanisering - maar inmiddels is men hier anders over gaan denken. De betekenis die het aardewerk had was zeer variabel per regio en het kon zelfs gezien worden als uitdrukking van de inheemse regionale identiteit. Je kunt je voorstellen, dat mensen de vreemde herkomst van de voorwerpen die ze gebruikten niet herkenden, en ze beschouwden als producten van hun streek, om de eenvoudige reden, dat het voorwerpen waren die ze dagelijks om zich heen zagen.
Bedoel je dat de Romeinen, die hier woonden, dat zelf zo zagen?
Zeker. De familie Pullus, oorspronkelijk Romeinse familie, die de wijnhoeve exploiteerde, kreeg langzaamaan een gemengde Gallo-Romeinse identiteit. Misschien had de familie zelfs een regionale oorsprong, veel militairen in het Romeinse leger hadden immers een regionale afkomst. Zelfs de taal die ze spraken, het Latijn, ontwikkelde zich tot een regionale taal, een Romaanse taal, die als inheems werd ervaren.
Hoe moet ik me dat voorstellen?
Vergelijk het met Afrikaanse boeren, afstammelingen van de Nederlanders. Ze beschouwen zichzelf niet als Nederlanders, maar als autochtone Afrikanen, of Afrikaanders, zoals zij zelf zeggen.
Afrikaanders, ja, maar geen Afrikanen.
Dat is juist, en dat vind ik goed, dat je dat zegt, want dat was in de Romeinse tijd ook zo: dat waren Gallo-Romeinen, dat waren geen Galliërs.
We weten hoe het met de Afrikaanders is gegaan, maar hoe is het met die Gallo-Romeinen afgelopen?
Daar is weinig over bekend. Het tekort aan werkkrachten dat was ontstaan sinds de pest van Antoninus betekende een slag voor de wijnbouw, maar waarschijnlijk nog niet het einde, dat kwam pas in de tweede helft van de derde eeuw.
Wat gebeurde in de derde eeuw?
Verschillende gebeurtenissen. Een gebeurtenis was een klimaatverandering: vanaf 250 werd het klimaat strenger. Zwitserse onderzoekers van boomringen hebben ontdekt dat bomen zeer nauwkeurig de geschiedenis van het Romeinse Rijk vertellen: dikke boomringen van 200 voor Christus tot 250 na Christus, daarna steeds dunnere ringen. Van 250 tot 600 na Christus, toen het West-Romeinse Rijk in verval raakte en ten onder ging en de Grote Volksverhuizing plaatsvond, was het klimaat uiterst grillig. Pas rond het jaar 600 werden de ringen weer iets dikker, een teken dat het weer wat warmer werd in Europa. Een andere gebeurtenis was een nieuwe epidemie in 251: de zogenaamde Pest van Cyprianus, die zeker 20 jaar aanhield. Deze epidemie veroorzaakte overal in het Rijk een tekort aan mankracht in de landbouw en het leger. En dan de belangrijkste gebeurtenis, volgens sommigen als gevolg van de klimaatverandering en de epidemie: vanaf de 3e eeuw begon de macht van het Romeinse Rijk geleidelijk aan af te nemen en voerden groepen Germanen van buiten het Romeinse Rijk plundertochten uit. In die tijd maakten gewapende bendes Franken gebruik van de burgeroorlogen in het rijk om de Rijn over te steken. De grootste plundertocht vond plaats in 275-276. Waarschijnlijk is Terborg en aanhorigheden toen bij een inval van Franken in de as gelegd.
Betekende dat het einde van de Romeinse villa hier in het dal?
Dat is de vraag. In de laatste twee decennia van de derde eeuw werd de rust onder de nieuwe keizer Diocletianus hersteld. Het Rijk zou na 275 nog lange tijd stand houden, totdat het viel in 476. Dat zijn bijna twee eeuwen. In die periode werd op veel plaatsen veel van wat was verwoest weer opgebouwd, maar de vraag is, of dat ook hier in het dal van de Geleen is gebeurd. Ik denk van niet.
Ik heb altijd geleerd, dat na de val van het Romeinse Rijk in 476 er een vacuüm of krijgsherentoestand ontstond, een tijd van gezagsloosheid tot het gezag werd hersteld door de Franken.
Ja, dat is het gebruikelijke beeld, maar in dit gebied en het daaromheen liggende gebied ontstond deze toestand al veel eerder, tegen het einde van de derde eeuw. In de derde eeuw is de bewoning in dit gebied grotendeels verdwenen en dat wordt vaak met de invallen van de Franken in verband gebracht.
Was de ontvolking totaal?
Nee, maar wel aanzienlijk, ik denk dat niet alle gebruik van het land werd gestopt, bewoning en gebruik van een kleiner deel van het land is in die tijd doorgegaan.
Waarom denk je dat?
Ik denk dat, omdat sporen van het cultuurlandschap zoals het was voor dat rampzalige moment in 275 nog te zien zijn. Waar zulke sporen aanwezig zijn, moet er een zekere continuïteit van bewoning en landgebruik zijn geweest.
Aan welke sporen denk je dan?
Dan kun je denken aan: de sweik, een deel van de weilanden in het dal, en vooral de wegen, ze zijn gebleven waar ze waren, ze hebben de periode van chaos in de Late Oudheid overleefd, want al deze sporen kunnen we nu nog in het landschap zien. En dat is zo kunnen gaan, doordat ook gedurende die chaotische periode het land steeds zij het misschien minder intensief door een achterblijvende groep is gebruikt.
Waar is de groep die het land heeft verlaten naar toe getrokken?
De meesten nemen aan, dat tegen het einde van de derde eeuw een migratie van de Gallo-Romeinse bevolking heeft plaatsgevonden naar het zuiden. De vraag is alleen wanneer dat begonnen is: in de vierde of de vijfde eeuw. Ik hou het op de vierde.
Was er niets meer over van de Romeinse villa?
Wat in het Geleendal opgebouwd was door de familie Pullus, de plantage Terborg en aanhorigheden, was vernield, maar toch is na een kortere of langere tijd van chaos, het is onbekend wanneer, daar weer iets opgebouwd, een boerderij die werd versterkt met een fort.
Is er niets over te zeggen, wanneer de wederopbouw heeft plaatsgevonden?
De meest geaccepteerde opvatting is dat dit in de Karolingische tijd is gebeurd. De geschiedenis van Terborg zou beginnen bij Karel de Grote in Aken. Deze keizer beloonde een vertrouweling met een stuk grond in Schinnen, en die begon met de bouw van een burcht op een motte, een kunstmatige, door mensenhanden gemaakte heuvel, omgeven door een gracht. Over die gracht lag een houten brug die bij dreigend gevaar gemakkelijk opgehaald kon worden. Bij Terborg ligt deze motte achter het tegenwoordige gebouw. Van de burcht op de motte is alleen een ruïne over. Het gebouw dat er nu staat was een voorburcht.
Is dat ook jouw opvatting?
Nee, ik denk, dat die burcht veel eerder is opgericht. Als dit pas onder Karel de Grote is gebeurd, dan is er gedurende zo'n vijfhonderd jaar geen sprake geweest van een versterkt gebouw. Dat is een behoorlijk lange tijd. Ik acht dit onwaarschijnlijk. Het was natuurlijk een slechte tijd, het fort werd vaak verwoest, maar het werd telkens weer herbouwd. Vergeet niet, dat het een houten gebouw was. Het was niet zo moeilijk om het na een verwoesting in een paar maanden weer op te bouwen.
Wanneer is dan volgens jou zo'n fort aangelegd?
Ik weet het niet, ik denk in de zesde eeuw. Het is maar een gok. Volgens Frans Theuws worden in de tweede helft van de zesde eeuw in de Maasregio weer belangrijke aristocratische graven aangelegd. Dit wijst erop, dat toen weer een migratie van het zuiden naar het noorden op gang is gekomen.
Dan is er altijd nog een periode van zo'n twee eeuwen tussen de verwoesting van de villa en het moment waarop de burcht werd aangelegd. Dat is nog steeds een tamelijk lange tijd, dat de vallei niet werd gecultiveerd. In die tijd kon het bos het oude cultuurland gemakkelijk heroveren. Niet alleen de wijnbergen, maar ook de weilanden in het beekdal en de akkers eromheen veranderden in een natuurbos, waar niet de mensen, maar de dieren de baas waren. Toen zo'n tweehonderd jaar later mensen uit het zuiden hier naar toe kwamen om het land te ontginnen, troffen ze hier een moerasbos aan, waarin geen spoor meer te vinden was van de gebouwen die er vroeger hadden gestaan. Ze hadden het idee dat ze de eersten waren die hier ooit waren gekomen.
Ja, dat is mogelijk, maar dat beeld moet je misschien wat bijstellen. Er hebben hier altijd mensen gewoond, ook al waren dat er in de Late Oudheid veel minder dan voordien. Later, vooral onder de Karolingers, in de warme middeleeuwen, toen het klimaat verbeterde, begon de bevolking weer toe te nemen, en werd een begin gemaakt met de grote ontginning, eerst van de Kasteelder gewande op de helling en daarna van de Stammender gewande boven op het plateau. Er werd niet meer gedacht aan wijnbouw.
Hofstelsel
Het hofstelsel, kenmerkend voor de feodale staat, heeft al antecedenten in de plattelandseconomie van de Romeinse tijd. Als gevolg van bevolkingskrimp in de Late Oudheid ontstaat er een tekort aan arbeidskrachten. Het bestuur probeert de economie op gang te houden door de vrije boeren te verbieden het land waar ze aan zijn verbonden te verlaten. Daarbij worden ze met vroegere slaven samengevoegd en zo ontstaat een nieuwe klasse van lijfeigenen.
In de vijfde eeuw volgen de Germaanse koninkrijken het Romeinse gezag in het Westen op. Romeinse landheren worden vaak gewoon vervangen door Germaanse, met weinig verandering in de situatie of verplaatsing van bevolkingsgroepen.
Na het vertrek van de Romeinen is er een periode van chaos, maar daarna beginnen de nieuwe bewoners, Franken, vanuit het dal activiteiten te ontplooien op het plateau. Daar wordt voor het vee een langgerekte driehoekige open ruimte of Dreesch aangelegd, met een poel of misschien waren het meer poelen. Deze Dreesch is een gezamenlijke veeweide. Dichtbij de nederzetting en goed te bewaken. De dorpskudden worden er ’s avonds verzameld en via kleine verbindingsweggetjes ’s morgens naar de weiden gebracht. De driehoekige vorm van de Dreesch herinnert aan de gewoonte van de Franken om hun wagenkampen in een driehoekige vorm op te stellen. Daardoor creëren ze in het midden een veilige afgeschermde plaats waar dan de sociale activiteiten zoals kermissen en jaarmarkten plaatsvinden.
Het hofstelsel is een exploitatie van landgoederen op basis van het tweeledige domein. Een domein bestaat uit vroonland en hoevenland.
Het vroonland bestaat uit de hof van kasteel Terborg met stallen, schuren, werkplaatsen een tuin, boomgaarden, wijngaarden en een woonplaats, Neer-Spaubeek (nu Oude Kerk), en akkers op de Kasteeldergewande die later worden uitgebreid met de Stammendergewande.
Rondom het vroonland ligt het hoevenland met de boerderijen die in leen werden gegeven aan horige boeren. Aan de westkant Sweikhuizen, aan de noordkant Puth, aan de oostkant Schinnen en aan de zuidkant Hegge en Nagelbeek.
De heer van Terborg of diens meier geeft vanuit de hof leiding aan de horigen die het land bewerken. De horige boeren moeten naast hun eigen grond als herendienst ook het aan de centrale hof toebehorende land bewerken. Verder moeten ze werkzaamheden uitvoeren, zoals reparaties aan wegen, gebouwen en hekwerken. Ook moeten ze op gezette tijden bepaalde goederen uit de productie van het eigen land leveren, de zogenaamde cijns. De horigen vallen onder de jurisdictie van een eigen rechtbank van de hof, het hofgericht. De horigen zijn tevens verplicht om hun koren op de banmolen van het kasteel te laten malen.
Hendrik, Heer van Schinnen, neemt op 5 Juni 1288 deel aan de slag bij Woeringen, In 1288 in hetzelfde jaar verkoopt ridder Hendrik van Schinnen zijn pachthoeve te Sweikhuizen groot 66 bunder akkerland en zijn bos gelegen omtrent Daneken aan ridder Renier Hun.
In de 13de of 14de eeuw vindt een transitie plaats van het hofstelsel naar het pachtsysteem. Deze transitie vindt plaats in de tijd dat Stammen werd verkocht (einde 13de eeuw). Stammen wordt een hoeve. De Heer van Terborg geeft het zelfmanagement van zijn binnenplaatsen op.
De oorspronkelijke vorm van verhuur van landgoederen is halve pacht. De pachter geeft de helft van zijn landbouwinkomen aan de verpachter. Om deze reden wordt de pachter van een vroenhof ook halfe, halfwinnaar of halfman genoemd. Later wordt de pacht niet meer gehalveerd afhankelijk van het inkomen, maar verpachter en pachter komen een vaste pachtsom overeen. De naam halfe blijft desondanks tot in de twintigste eeuw bestaan.
Halfwinnerschap brengt niet alleen de verpachter, maar ook de pachter grote economische voordelen: Omdat de goederen na de dood van een pachter niet aan deling onderhevig zijn, blijft het areaal hetzelfde of wordt zelfs groter door aankoop. Zo zijn de halfen superieur aan de boeren met hun eigen bezittingen, omdat die bij elke opvolging moeten vechten met het probleem van de erfdeling. Zo ontwikkelde zich in de vroegmoderne tijd een nieuwe, landelijke bovenklasse, die persoonlijk volledig vrij en economisch zeer welvarend is.
Voorwaarden voor de halfwinnaren van Stammen:
De vruchten op den dorschvloer te deelen. Als voordeelland kreeg de halfwinner 3 bunder. Voor de 3 boomgaarden, den koppelbempt, den speckbempt, den bempt on de Molencoten, den ronden bempt en den verkensbempt moest hij jaarlijks betalen f 200. De pachter moest eenen stier ende beer houden ten gerieve der gemeente waarvoor hij jaarlijks 100 rogge bouschen kreeg uit de tiend. Hij moest jaarlijks de helft van den schat betalen, eene Koelvrachte doen en om de 2 jaren eene wijnvracht naar de Aere of naar de Mosel. Voor nieuwjaar moest hij telkens leveren 4 pond canarie-suiker, een half vierdel ponts beschaeten bloem, een 1/2 vierdel ponds kaneel, een half pond gember, een 1/2 pond peper, 4 strenen vlas, het beste varken uit de stoppelen, een hamel en een kalf.
Op pene van afgebrant te worden
Ervaring met vreemde legers (oorlogsbeden). De oorlogsschulden.
Pijls schrijft:
Nadat toch de ingezetenen alle geld is afgeperst om de aanhoudende krijgslasten, beden en brandschattingen te kunnen betalen, moet bij elders wonende, gegoede en welwillende mensen, vaak onder zeer bezwarende omstandigheden, geld worden geleend meestal om te voorkomen, dat het dorp wordt uitgeplunderd en de huizen worden afgebrand. Dit is een bewijs, dat de inwoners van Schinnen door al de oorlogsbelastingen en geldafpersingen zodanig verarmd zijn, dat zij niets meer te missen hebben.
Bijdrage tot de geschiedenis van de Voormalige heerlijkheid Schinnen, H. Pijls, 1928
Stammen brandt in 1686 af volgens Henri Pijls.
Blijkens het jaartal boven de deur van de ingang van de woning is deze herbouwd in 1696. Sporen van afbranding zijn voor de laatste verbouwing (1910) nog te zien.
Pijls vermoedt dat er een ondergrondse geheime toevluchtsplaats is geweest bij Stammen
Op 2 augustus 1685 wordt Mehove aangekocht door Johan Willem van Schellaert. In verband met de brand van Stammen?
Je weet niet wat er is gebeurd, maar misschien kun je bedenken hoe het gebeurd kan zijn.
Onder voorwendsel dat Spanje het traktaat van Nijmegen (1678) niet naleeft, zendt Lodewijk XIV in augustus 1683 een leger, onder maarschalk d’ Humières, naar de Zuidelijke Nederlanden. Omdat de Spaanse gouverneur, markies de Grana, daar niets tegenover kan stellen, wordt het grootste gedeelte van de Zuidelijke Nederlanden in weinige dagen door de Fransen bezet.
Reeds op 30 augustus legt Lodewijk XIV het land een zware krijgsbelasting op, die over alle steden, dorpen en kloosters wordt verdeeld. Deze sommen moeten zonder uitstel betaald worden, zo niet stelt het in gebreke gebleven dorp zich bloot aan militaire executie.
Vermits het geld nog net op tijd betaald wordt, blijftf het dorp voorlopig gespaard van branden, plunderingen en alle gewone militaire uitspattingen.
Eind december 1683 besluit Spanje eindelijk om op te treden en verklaart het de oorlog aan Frankrijk dat, begin januari 1684, met een nog veel zwaardere oorlogsbelasting reageert.
Op 4 juni 1684 moet de stad Luxemburg zich na een beleg van 26 dagen aan de Fransen overgeven. Op 15 augustus wordt, door tussenkomst van Holland te Regensburg tussen Spanje, Frankrijk en Duitsland een wapenstilstand van 20 jaren gesloten. De Fransen trekken zich terug, maar mogen voor hun moeite Luxemburg, Beaumont en Chimay behouden (evenals Straatsburg trouwens).
In 1687 wordt Mertin Kisters pachter van Stammen.
Hij is getrouwd met Paschasia (Peusken) Demacker (Groetenraedt), vroedvrouw,
Op l Mei 1698 verpandt Walraaf Theodoor van Schellardt van Obbendorf het land bij de Swarbele Coul aan Merten Kisters voor 200 pattacons.
Op 14 mei 1698 leent Marten Kisters, gehuwd met Paschen de Macker, 800 gulden van Maria Moors van Maastricht. Bij de realisatie op 14 juni 1698 worden als onderpanden gespecificeerd een huis, hof en weide te Sweijkhuizen aan de Dorpstraat tussen Jacob Fransen en Dirck Vroemen, alsmede een huis met hof en weide, eveneens aan de Dorpstraat, tussen Peter Gielen en Fred. Hagens.
Kisters is overleden op 27 april 1702 in Sweikhuizen, hij is dan 60 jaar oud.
Van Pieter Ecrevisse is een verhaal (uit een latere tijd) bekend dat wellicht van toepassing is op wat er zich op Stammen kan hebben afgespeeld. Hier volgt het met de nodige aanpassingen gereproduceerde verhaal van Pieter Ecrevisse.
's Morgens vroeg begeven Jan Hermans en Ageeth Gielen zich op weg, en komen om negen uur al te Schinnen aan, waar het bedrijf van Ageeths vader tien jaar eerder lag. Weldra komen bij hen de jeugdherinneringen naar boven; de bomen, waaronder ze vroeger hebben gespeeld, herkennen ze, maar de woning kunnen ze niet meer herkennen. Jan besluit naar binnen te gaan; maar nauwelijks heeft Jan de klink uit haar groef doen springen en de deur geopend, of een vrouw staat op om hem een stoel aan te bieden. Maar dan vallen haar ogen op Ageeth, die achter haar man naar binnen komt, en Paschen, zo heet de vrouw, verbleekt en stoot een luide gil uit.
Jan en Ageeth staan hevig ontsteld wegens het voorval, ze weten niet waaraan het toe te schrijven; toch duurt hun onwetendheid niet lang; want nauwelijks heeft Mertin tot zijn vrouw met een soort van liefderijke berisping gezegd: Nou, Paschen, je zou ons toch doen schrikken, en dat juist op het ogenblik dat twee vreemde personen ons komen bezoeken! Paschen kijkt nog eens naar Ageeth en zegt: Nee, ik vergis me toch niet, het is Ageeth levend en wel. Mertin, komen dan de doden terug?
Wat spreek je van doden, vrouw, het zijn levende personen die voor je staan. Wat wil je zeggen met je doden?
Maar manlief, herken je dan mijn speelmakkers niet: je weet wel de kleine Ageeth van Stammen, welke wij omgekomen geloven te zijn in het huis, toen de Fransen het in brand staken, tien jaar geleden?
By deze woorden werpt ook Mertin een onderzoekende blik op de vreemdelingen!
Jan en Ageeth maken zich bekend. Ageeth vertelt in weinige woorden, hoe zij aan de brand en aan het levensgevaar ontsnapt is; voegt eraan toe, dat wijlen haar vader enige zogenaamde Fransen heeft herkend onder hun vermommingen; dat dit ruchtbaar is geworden en men daarom besloten heeft, met de dood van Gerard Gielen en zijn vrouw Marie Rameckers, het geheim te begraven.
Op die wijze verklaart zij de wraakzucht van de bende en het schrift op de deur: Zo behandelen de Fransen de verraders en lafaards!
Gebroken Schinnen
Waarschijnlijk maakt Schinnen al begin dertiende eeuw deel uit van het Land van Valkenburg. Uit huwelijksvoorwaarden die in 1285 voor Hendrick Scinne worden opgemaakt, blijkt dat de heer van Schinnen de heerlijkheid in leen heeft van de heer van Valkenburg en het kasteel en de hoeve Luiks leengoed zijn.
Eind dertiende eeuw krijgt Floris van Berthout Schinnen in leen. Hij zegt de leenhulde aan de prins-bisschop van Luik op en erkent de hertog van Brabant als leenheer. Vanaf 1339 krijgt het Gelders hertogenhuis Schinnen in leen van Valkenburg.
In 1378 komt het graafschap Valkenburg in Brabantse handen. Het werd naast het graafschap Dalhem en het Land van ’s Hertogenrade een van de Landen van Overmaas. Hertogin Johanna van Brabant draagt haar soevereiniteitsrechten over de Landen van Overmaas in 1387-1396 over aan Filips de Stoute van Bourgondië.
Op 22 februari 1381, de feestdag van St. Pietersstoel wordt Lambert van Ghoere met de halve heerlijkheid Gebroken Schinnen beleend.
Sedert het jaar 1403 blijft de heerlijkheid in het bezit van de familie Schellart van Obbendorf.
In november 1557 wordt de andere helft van de heerlijkheid door de koning van Spanje als hertog van Brabant, verpand aan Jonker Jan Schellart,
In 1477 nemen vorsten uit het Huis Habsburg het gezag over. De Habsburgse koning Filips II van Spanje verpandt, als hertog van Brabant, zijn Valkenburgse rechten in de heerlijkheid Schinnen aan Jan Schellart van Obbendorf, die daarmee de absolute macht over en alle inkomsten uit de heerlijkheid verwierf.
Jan Schellart wordt op 12 november 1559 beleend met de andere helft van de heerlijkheid. De beide helften zijn nu verenigd in handen van een enkele bezitter. In 1609 wordt de verpande som door de koning terugbetaald en geeft deze dit deel van de heerlijkheid aan Arnold Huyn, graaf van Geleen en Amstenrade in ruil tegen het bos van Oud Hulst in Vlaanderen. Deze helft van de heerlijkheid wordt successievelijk verheven door Maria Dorothea van Dietrichsteyn, prinses van Salm, prins Charles de Ligne en Jan Baptist graaf d’Ansembourg. De heerlijkheid is sedert 1609 weer gedeeld of gebroken.
Het Partagetraktaat (1661), dat in de Landen van Overmaas zorgt voor de afwkkeling van Vrede van Münster (1648), bepaalt dat de heerlijkheid Schinnen onder Spaans-Habsburgs gezag blijft. In 1713 komen de Spaanse Landen van Overmaas in Oostenrijks-Habsburgse handen.
Jan Adam Schellart verklaart op 13 december 1680: Verwacht hebbende een kind bij Sophia, dochter van Paes, buiten Heiliken ehestandt maer van goede intentie sijnde om selve te trouwen. Hij schenkt Sophia het panhuis te Oirsbeek met huis en land.
De 2de augustus 1685 koopt Baron Johan Willem van Schellaert heer tot Reulsdorf van de Eerwaarde heer Johan van de Heijden, Duits ordepriester en sacrist van de balie Biessen een huis te Puth.
Maria Ernestina de Schellardt van Obbendorf van Reulsdorf.
Geboren te Mehove-Schinnen 12 mei 1689, dochter van Jan Adam de Schellardt en Sophia Pijls. Zij is Vrouwe van Schinnen, Leeuwen, Broich en Reuschenberg.
Bij akte van donatie verleden voor de schepenbank te Schinnen op 2 December 1734 staat zij aan haar neef Walram Winand Adam, heer van Schinnen, af al haar goederen bestaande in de hof Mehove, met de last dat zij gedurende haar leven bij hem op ’t kasteel te Schinnen zal inwonen.
Op de buitengewone vergadering der schepenen op ter Borgh, op 3 juli 1742, drie dagen na de begrafenis van de gebiedende heer, wordt diens testament geopend en voorgelezen. Luidens de inhoud wordt Maria Ernestina de Schellardt tot erfgename aangesteld van de roerende en onroerende goederen, alsmede de jurisdictionele goederen.
Inventaris van de heerlijkheid Gebroken Schinnen, op 4 februari 1768 opgemaakt door de heer Philip Thomas Fabritius schout te Schinnen uit naam van graaf Adam Alexander van Schellart heer van Schinnen, Geijsteren, Haen, Crapoul, etc. de heerlijkheid en adellijk huis van Schinnen. Hij verklaart dat de graaf die bezit op grond van testamentaire beschikking.
De heerlijkheid Schinnen bezit hoge, lage en middelbare jurisdictie, zoals in de heerlijkheden van deze landen gewoon is, met recht van jacht, en visserij op de rivier genaamd de Geleen die door genoemde heerlijkheid loopt. De limieten zijn in het oosten het graafschap Amstenrade of bank van Oirsbeek, in het zuiden de heerlijkheden Hoensbroek, Vaesrade en Nuth, in het westen het graafschap Geleen met de heerlijkheid Spaubeek en verder in het noorden het ambt Sittard in Guliks gebied.
In deze heerlijkheid ligt het adellijk huis genaamd Ter Borgh met de daarbij horende velden, beemden en weiden, ongeveer 50 bunder groot, aan de ene kant grenzend aan de hof Stammen en aan de andere kant aan Heisterbrug, Nagelbeek, Hegge en Spaubeek. Daaraan is verbonden een laatkaart of achterleen van ongeveer 80 lenen.
[illustratie]
Zijne Keizerlijke Majesteit laat de kaart van de Oostenrijkse Nederlanden maken op 25 bladen. Hij geeft luitenant-generaal De Ferraris opdracht de meest geschikte jongelui van de wiskunde-opleiding in Mechelen uit te zoeken om het werk te doen. Die slagen erin het werk te voltooien en publiceren van dat gebied een heel goede kaart.
Ferraris werkt van 1771 tot 1778 aan dit reuzenwerk met een ploeg van 70 militaire landmeters, die zich binnen deze korte termijn voorzeker behelpen met de nog bestaande kaartboeken en documenten die in het bezit zijn van de lokale instellingen en overheden. Deze laatsten moeten gidsen meesturen om aan de cartografen op het terrein nuttige aanduidingen te verschaffen.
Over een atlas die de oorlogvoering een handje helpt. De legende van de Ferrariskaart is toegespitst op grondsoorten (akkerland, hoogstam, moestuin), wegennet (steenwegen, hagen, dijken, sluizen), bewoning en bebouwing (kerken, molens, boerderijen, cabarets), nijverheid (steenbakkerijen, smidsen), vroegere veldslagen en schermutselingen, en politieke grenszones.
Wanneer u de Ferrariskaart vergelijkt met de recente kadaster- en stafkaart, stuit u op enkele details die niet kunnen kloppen. Elk afzonderlijk huis staat erop. Sweikhuizen, twee straten, maar in een van beide staat een aantal huizen annex moestuinen ingetekend die daar nooit geweest zijn. Achteraf gezien moet dat te wijten zijn aan het feit dat enkele van de kladplanchetten vermoedelijk fout geassembleerd zijn op de hoofdkaart. Naast de globale vervorming door de geodetische triangulatie zijn er ook lokale afwijkingen. Dit laatste gebeurt merkwaardig genoeg bijna steeds op de scheiding van twee kaartbladen zoals effectief het geval is voor de Stammendergewande op de grens van Puth en Sweikhuizen. Het is gebonden aan de variabele kwaliteit van de compilatiedocumenten waarover de cartografen kunnen beschikken, alsook de verschillende kwaliteit van de cartografen op het terrein. Wellicht worden als gevolg van het sterk golvende reliëf belangrijke fouten gemaakt bij de opmeting en intekening van de kaart. Het bosgebied lijkt op de Ferrariskaart als het ware samengedrukt, waardoor de verhouding lengteas/breedteas veel kleiner is dan in werkelijkheid. Dit is goed te zien bij het Schlundje. De kaart van Ferraris duidt Stammenhof aan als Cense Eysden. Sweikhuizen heet St. Jansgeleen. De watermolen van St. Jansgeleen wordt aangeduid als Moulin de Kathaghen.
[illustratie]
Links kadasterkaart van Diederen plusminus 1830 van den hoff Stammen.
Rechts kaart van Ferraris plusminus 1777 van Cense Eysden [Stammen]
In de kadasterkaart van Diederen is ingetekend het gebouw zoals weergegeven op de kaart van Ferraris.