Havo biologie 2019-1

Examen oefeningen deel 2

17.

Antwoord vraag 17

voorbeelden van juiste eigenschappen:

  1. Er wordt vissenvoer toegevoegd.

  2. De gekweekte vis wordt afgevoerd.

  3. De groente wordt geoogst.

  4. De planten nemen CO2 op uit de omgeving.

  5. Vissen verbruiken zuurstof. − Er wordt jonge vis uitgezet.

  6. Er wordt gezaaid om nieuwe planten te kweken.

18.

Antwoord vraag 18

Antwoord C is juist

19.

Antwoord vraag 19

  • Antwoord C is juist

20.

Antwoord vraag 20

Uit het antwoord moet blijken dat:

  • de vissen een deel van de energie uit het voer gebruiken voor stofwisselingsprocessen.

  • de vissen een deel van het voedsel niet kunnen verteren/opnemen / een deel van het voedsel als ontlasting het lichaam verlaat.

21.

Antwoord vraag 21

Antwoord B is juist

22.

Antwoord vraag 22

voorbeelden van juiste argumenten:

  1. In aquaponics met tomaat is er meer visproductie.

  2. In aquaponics met paksoi is er meer visvoer nodig.

  3. Met tomaat is de eetbare productie hoger.

  4. Met tomaat is de voedselconversiefactor gunstiger.

23.

Antwoord vraag 23

Antwoord C is juist

24.

Antwoord vraag 24

Antwoord D is juist

25.

Antwoord vraag 25

Uit het antwoord moet blijken dat :

  1. de osmotische waarde van gedestilleerd water (te) laag is

  2. (waardoor door osmose) bloedcellen te veel water opnemen / knappen

26.

Antwoord vraag 26

Voorbeelden van een juist antwoord:

  1. Bij een plasmadonor wordt alleen het bloedplasma afgenomen, dit is in enkele dagen weer volledig aangevuld. Bij volbloeddonatie worden ook de (rode) cellen afgenomen.

  2. Omdat het veel langer duurt om nieuwe cellen aan te maken, moet je ten minste twee maanden wachten, zodat het aantal (rode) bloedcellen weer op peil kan komen.

  3. Omdat het maken van nieuwe bloedcellen meer tijd kost dan het maken van bloedplasma.

27.

Antwoord vraag 27

  • Antwoord B is juist

Toelichting op Albumine:

Albumine is kwantitatief het belangrijkste eiwitmolecuul in het bloedplasma. Omdat het in de gezonde situatie niet uit de bloedhaarvaten kan treden, speelt het een belangrijke rol bij de handhaving van de juiste osmotische druk in de bloedvaten. Als de albumineconcentratie in het bloed hoger is dan buiten de bloedvaten, dan wordt er water naar de bloedvaten toegetrokken (door osmose). Albumine heeft derhalve een wateraanzuigende werking. Op deze manier wordt de juiste druk verkregen (meer water betekent meer bloed, en meer bloed in dezelfde ruimte betekent een hogere druk). Hierdoor wordt enerzijds voorkomen dat te veel water vanuit de bloedbaan naar de weefsels gaat en anderzijds dat te veel water naar de bloedbaan toestroomt. De hoeveelheid water in de bloedbaan blijft daardoor nagenoeg constant, en daarmee het totale bloedvolume.

Daarnaast verzorgt albumine het transport van stoffen in het bloed, zowel voor lichaamseigen stoffen als lichaamsvreemde stoffen zoals medicijnen. Albumine transporteert 1/3 van testosteron in de bloedsomloop bij de mannen.[1]; 10% van het cortisol in het lichaam wordt ook aan albumine gebonden. Het meeste adrenaline in het plasma is met lage affiniteit gebonden aan albumine. Schildklierhormonen (T3 en T4) binden met zeer lage affiniteit aan albumine. 20% van het aanwezige T4 (thyroxine) en 35% van het aanwezige T3 (3,5,3'-tri-jodothyronine)is aan albumine gebonden.

Ook bilirubine wordt gebonden aan albumine door het plasma vervoerd naar de lever. Bilirubine is minder goed oplosbaar dan biliverdine waardoor het minder efficiënt getransporteerd kan worden. Daarom wordt het in het plasma gebonden aan albumine (indirect billirubine) vervoerd en in de lever twee maal bèta gebonden aan glucuronzuur (direct billirubine) (verkregen uit 2x alfa-UDP-glucuronzuur).

Albumine wordt toegediend bij de behandeling en preventie van diverse vormen van shock. Dit is een situatie waarbij het circulerend bloedvolume (in absolute of relatieve vorm) tekortschiet, door bloedverlies of bloedvatverwijding, om een adequate weefseldoorstroming te verzorgen. Dit kan gebeuren bij ernstige bloedingen door bijvoorbeeld operaties, bij ernstige brandwonden of bij bloedvergiftiging. Bij zieke mensen, vooral bij een verminderde leverfunctie, is het albuminegehalte afgenomen. Er is dan sprake van hypoalbuminemie.

Runderalbumine (Bovine Serum Albumine) wordt gebruikt als blokkeerstof en stabilisator in de chemie. Menselijk serumalbumine (HSA) wordt gebruikt als stabilisator bij vaccins.


Link: https://nl.wikipedia.org/wiki/Albumine


28.

Antwoord vraag 28

Uit het antwoord moet blijken dat het eiwit niet goed gevouwen wordt / dat bacteriën geen endoplasmatisch reticulum / geen golgi-systeem / geen organellen hebben.

29.

Antwoord vraag 29

bacterie wel (genetisch gemodificeerd)

mens niet (genetisch gemodificeerd)

rijstplant wel (genetisch gemodificeerd)

30.

Antwoord vraag 30

Eén groep krijgt een infuus met (een oplossing met) HSA uit rijst / GMHSA.

Eén groep krijgt een infuus met (een oplossing met) HSA uit (donor)bloed.

Eén groep krijgt een infuus met een placebo / zonder HSA.

31.

Antwoord vraag 31

Biotisch: predatie/coyote/vos/lynx/predatoren/roofdieren

Abiotisch: (de aanwezigheid van) sneeuw