Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

De burgemeester van Grâce-Montegnée

Jean Riga en zijn broer Christian exploiteerden samen met hun vader Gerard een oude mijn die omdat de ingang ervan zich bevond op een stuk grond dat hun toebehoorde Oude Mijn Riga werd genoemd, maar ook bekend was onder de naam Oude Mijn van Lairesse. De mijn was gegraven door hun grootvader Jean. Twee arbeiders werkten in de groeve, een derde vervoerde de steenkool die handmatig werd gedolven. Zwarte aarde, zoals de steenkool werd genoemd, werd gewonnen door dagbouw of mijnbouw, met ondergrondse gangen die begonnen in een veld of in de flank van een helling.

Jean Riga zal met het beeld van uitgravingen en kleine steenbergen verspreid door de hele omgeving van zijn geboortestreek zijn opgegroeid. Hij zal hebben geweten dat de mijnbouw ver terug ging in de tijd, al wist hij misschien niet precies hoe ver. Misschien, zo zal zijn vader hem hebben verteld, werd hier al steenkool gewonnen door de Romeinen. Misschien had hij ook verteld, dat de abdij van Val Saint-Lambert al vanaf het begin van het millennium onder de bossen en velden in de omgeving van de boerderij Aulichamps mijnconcessies had verleend.

Tijdens het Oude Regime was het eigendomsrecht van de streek verdeeld over de abdijen van Stavelot- Malmedy en van Kornelimünster, de avouerie van de Haspengouw en het prinsbisdom Luik. Ze bezaten allemaal heerlijkheden, boerderijen en gronden, rechten op tienden en andere rechten die met grondbezit verbonden waren, landerijen waarvan de opbrengst in hun graanschuren terechtkwam, en bovendien de bossen, hout, en alles wat zich onder die grond bevond, zoals steenkool en ijzererts. Zolang de bossen voldoende hout leverden, bleef de mijnbouw een ondergeschikte rol spelen. Dit veranderde toen in de zeventiende eeuw een energiecrisis ontstond. De bevolking was toegenomen. Brandhout raakte op of was niet meer beschikbaar voor de handel. Daardoor nam de belangstelling voor steenkool toe. De eigenaar was ook de heerser over de bewoners van zijn landerijen. Een voortdurend probleem was, om de eigendomsgrenzen te bepalen, boven de grond, maar zeker onder de grond. De mijnmeesters werkten bijna altijd onder land dat in eigendom was van anderen. Het was natuurlijk duidelijk op wiens grond de ingang van een mijn zich bevond, veel moeilijker was het voor eigenaren om rechten te claimen op mijngangen die zich onder hun land bevonden. In de praktijk was een concessie die werd verleend een combinatie van een concessie aan de oppervlakte en een per mijnader.

De geschiedenis van de mijn Ladrie is nauw verbonden met die van een watergalerij, een galerij gegraven aan de voet van een helling, bestemd om het water af te voeren en daardoor het delven van de steenkool mogelijk te maken. Op een dag kwam de watergalerij van de Ladrie aan bij de groeve van Lairisse. Dit gaf aanleiding tot het eerste van een lange rij geschillen over de ontwateringsbelasting, waarop de heer van Grâce het recht claimde. De conflicten tussen de twee mijnwerkersassociaties (Ladrie en Lairisse) werden pas in 1646 beëindigd door een accoord, dat de perimeter van beide concessies vastlegde.

 De grootvader van Jean Riga had in 1728 een conflict met Goffin Wilkin over schade die door mijnwerkzaamheden ergens tussen Montegnée en Grâce was ontstaan.

Een andere keer, tegen het einde van de eeuw, brachten de mijnwerkers van de mijn Mavy, zo genoemd naar de boerderij met dezelfde naam, de gebouwen van de boerderij in gevaar. De eigenares, Jeanne Corneille, beklaagde zich bij de leden van de associatie. Een plechtige verklaring van de meester-arbeider stelde haar, naar het scheen, gerust: deze bevestigde dat de werken de gebouwen niet hadden bereikt en dat de grenzen die waren toegewezen door de concessiegeefster voor de exploitatie van de Grote Ader werden gerespecteerd. De mijn Mavy zal ongetwijfeld wisselende successen hebben gekend gedurende de 18de eeuw. Ze bloeide nog steeds tegen het einde van het Oude Regime.

Tweeëneenhalve maand na de annexatie bij Frankrijk werd in het departement Ourte het decreet van de Nationale Vergadering over de mijnen gepubliceerd. Maar het voorlopige Centrale Bestuur, dat voordien bij de komst van de Franse legers gevormd, was al geïnteresseerd in de steenkoolmijnen. Het hield in alle mijnen van zijn arrondissement de delen, waar degenen die het Franse regime waren ontvlucht, de zogenaamde geëmigreerden en de absenten, een recht op hadden, evenals de rechten op bodemgebruik en ontwatering, in bewaring. Bovendien schreef het Bestuur aan alle exploitanten voor, om de namen van de leden van hun associatie te verstrekken, om met alle middelen ervoor te zorgen dat de werken niet onderbroken zouden worden door de afwezigheid van de geëmigreerde eigenaren, ervoor te waken dat er zich geen ontvreemding zou voordoen van steenkoolwerken die toebehoorden aan absenten die onder surséance van betaling geplaatst zouden moeten worden. Bovendien, om zijn medeburgers in staat te stellen om zich te voorzien van steenkool tegen de meest gunstige prijs, stelde het een maximumprijs voor de steenkool vast.

De overgang naar de nieuwe wetgeving verliep niet altijd even soepel. Voorafgaande aan de verovering van de Zuidelijke Nederlanden (en het prinsbisdom Luik) door Dumouriez en onmiddellijk daarna, was onder de meerderheid van de bevolking het sentiment pro-Frans; er klonken zelfs stemmen voor vrijwillige annexatie bij Frankrijk. Het herstel van de instellingen van het Oude Regime na de terugkeer van de Oostenrijkers in Luik op 5 maart 1793, en de represailles van de prinsbisschop tegen de republikeinen hadden deze gevoelens teweeggebracht. Maar na de tweede Franse invasie en de herbezetting van Luik door de Franse legers op 27 november 1794, werd het gebied behandeld als veroverd land. De rigoureuze vorderingen, de afpersingen, de assignaten (uitgifte van waardepapieren met onteigende kerkelijke bezittingen als onderpand), de wet op de . maximumgraanprijs, kortom de georganiseerde uitbuiting, verminderden de sympathie voor Frankrijk. Ook na de annexatie op 1 oktober 1795, leidde de politiek van het Directoire nog tot hevige ontevredenheid, maar de gematigde maatregelen van het Consulaat brachten de gemoederen tot rust. De besluiten die werden genomen door Bonaparte, de eerste consul, voor het economische herstel van het land, de hervormingen van het bestuur en de rechtspraak, het concordaat dat werd gesloten met de paus en het herstel van de katholieke eredienst, verzoenden de burgers met de nieuwe orde. Toch bleven er nog heel wat dissidenten, aanhangers van het oude regime of van autonomie, over, zelfs toen de macht van Napoleon op zijn hoogtepunt was.

In welke mate werkte het gemeentebestuur van Grâce-Montegnée mee met de Franse bezetter en zette het zich in om de republikeinse wetten in Grâce-Montegnée te laten gelden? Het was een proces, dat in fasen verliep en ongeveer het patroon volgde van de fasen van een crisis die mensen doormaken nadat ze met een schokkende gebeurtenis zijn geconfronteerd, een proces dat begint met ontkenning van de gebeurtenis en boosheid daarover, waarna een tijd komt van marchanderen, schipperen, onderhandelen over de situatie, gevolgd door depressie en verdriet over de ondergane nederlaag en tenslotte aanvaarding van de nieuwe situatie.

Onder het bestuur van de eerste burgemeester, officieel aangeduid als agent municipal, Henry Marcotty, werd de gemeente Grâce-Montegnée verscheurd door rivaliteiten tussen tegenstanders en voorstanders van het nieuwe regime, waarbij Marcotty het vaak voor de tegenstanders opnam. Marcotty werd afgezet door de eerste prefect van het departement Ourte, Antoine Desmousseaux, en vervangen door Georges Wathieu. Wathieu manoevreerde voorzichtig, vermeed om het gezag voor het hoofd te stoten, maar verzette zich passief tegen de orders van de prefectuur, als hij vond dat ze strijdig waren met zijn overtuigingen of met de belangen van zijn gemeente. Dit kwam tot uiting op drie terreinen: de schoolstrijd (het debat over de vraag of de traditionele particuliere scholen vervangen moesten worden door openbare scholen), de invoering van de militaire dienstplicht en de kwestie van de integriteit van de politiek (het risico van belangenverstrengeling bij gemeenteraadsleden die naast hun raadslidmaatschap een andere functie uitoefenden). De prefect Desmousseaux had aan de burgemeesters voorgeschreven om

 openbaar primair onderwijs in hun gemeenten te organiseren. Het raadslid, Léonard Renson, een van de pluimstrijkers van het nieuwe regime, was kandidaat voor de functie van onderwijzer van de openbare lagere school. Burgemeester Wathieu wierp zich op als verdediger van de particuliere scholen van het oude regime, die al bestonden te Montegnée en Grâce en vertraagde zoveel als hij kon de oprichting van de nieuwe instelling en de benoeming van Renson als onderwijzer.

Op 4 januari 1806 schreef Renson in een brief aan de prefect:

De vreemde methoden van burgemeester Wathieu zijn het gevolg van een onterechte wrok die hij koestert tegen mij. Hij is mijn vijand geworden omdat ik me niet zoals hij laat beïnvloeden door wezens die nog een hersenschimmige hoop houden (dat de Russen en de Pruisen naar Luik zouden komen om de Fransen te verjagen); omdat ik bij alle gelegenheden, waar een beroep op mij als gemeenteraadslid wordt gedaan, nooit de wet heb willen overtreden, noch uw arresten; omdat ik hem constant maar vergeefs heb gestimuleerd zich te conformeren aan uw instructies en om deze nalatigheid, deze schuldige onverschilligheid, waarvan hij gewoonlijk blijk geeft telkens als het gaat om de publieke zaak, te laten varen; tenslotte omdat hij zich inbeeldt dat ik behoor tot degenen die hem bij u bekend hebben gemaakt. Hij heeft, evenals al zijn schepselen die de gemeenteraad vormen, mij een onverzoenlijke haat gezworen, alleen omdat ik mijn plicht heb gedaan en heb willen doen; bij die mensen is het een misdaad om geassocieerd te worden met de regering.

De oprichting van de openbare lagere school werd door de raad in stemming gebracht op 27 september 1806, ondanks oppositie van de burgemeester. Deze moest buigen voor de orders van de prefectuur en wijken voor de wens van de meerderheid van de raadsleden, die de kandidatuur voor de post van onderwijzer van hun collega Renson steunden. Wathieu werkte op geen enkele manier mee aan de installatie in Grâce van de lagere school. Hij toonde . dezelfde tegenzin om te gehoorzamen aan de orders van de prefect, toen hem werd gelast om de particuliere scholen, waarvan de meesters de wet niet respecteerden, te sluiten. De burgemeester vond bondgenoten bij de raadsleden, die de onderwijzer vroeger hadden gesteund, maar intussen de autoritaire en bemoeizieke houding van de onderwijzer en diens openlijk getoonde sympathie voor de nieuwe orde beu waren geworden. Hij verzamelde de ontevredenen in het huis van de chirurg Toussaint Marnette, raadslid, waar hij gewoonlijk de raad verzamelde, of in het café van Jacques Joseph Préalle, eveneens raadslid. Huize Marnette en café Préalle werden niet lang daarna de verzamelplaatsen van de ontevredenen en van allen, die, ondanks de successen van Napoleon, niet geloofden in de stabiliteit van het regime. Renson zag met bitterheid en woede de opinie zich tegen hem keren. Aangespoord door Wathieu, wilden de raadsleden de schadeloosstelling van 140 frank, waar ze in het voorgaande jaar voor hadden gestemd, met tweederde verminderen. De verontwaardigde onderwijzer keerde zich tegen de methodes van de burgemeester en wat hij noemde zijn schepsels en legde de kwestie voor aan de prefect.

Op 4 september 1806 schreef Renson in een brief aan de prefect:

Ik ben lastig gevallen door de burgemeester samen met de kroeglopers en jeneverdrinkers die lid zijn van de gemeenteraad; ze zijn vaak te zien in de cafés van de heer Préalle en van de heer Toussaint Marnette, allebei raadsleden. Daar verzamelt hij de gemeenteraad, daar spreekt hij hatelijk over mijn toewijding aan uw gezag en zint hij met zijn mededrinkers op middelen om mij te beschadigen en mij lastig te vallen. Onder de aegis van uw gezag, mijnheer de prefect, oefen ik mijn functies uit. Al mijn zorg is er voortdurend op gericht om door mijn inzet en door onberispelijk gedrag de waardering en de welwillendheid te verdienen, waarmee u me wel wilt vereren.

De prefect zou dankbaar zijn geweest, als hij op dat moment een capabele man had gevonden om Wathieu te vervangen. Aangespoord door Denizet, chef van de Eerste Divisie van de prefectuur, die zich opwierp als beschermer van Renson, verdedigde hij de onderwijzer tegen de aanvallen waarvan hij het doelwit was, steunde zijn claims en bracht, ondanks de verontwaardigde protesten van de raad, zijn traktement op 300 frank. Hoezeer de raad ook opnieuw uiting gaf aan haar grieven en zich verzette tegen deze exorbitante verhoging, het besluit werd gehandhaafd. Wathieu moest buigen voor de stunt van de prefect, maar hij bleef Renson lastig vallen, door te proberen van de prefect overplaatsing van de school van Grâce naar Montegnée te verkrijgen. De manoeuvre mislukte. Hij voelde dat hij niet de sterkste was en staakte zijn aanvallen. Wat was de houding van de gemeentelijke overheid ten aanzien van de dienstweigeraars? Wathieu liet niet na om de initiatieven van de prefectuur te dwarsbomen. Hij zette zich niet erg in voor het onderzoek aangaande de dienstweigeraars of deserteurs. Hij hielp de prefect nauwelijks bij de opsporing van dienstplichtigen. De prefect beklaagde zich meer dan eens over hem omdat hij niet alle stappen zette om achter de verblijfplaats van de ingeschrevenen te komen, niet de nodige zoek- en controleacties uitvoerde om hun schuilplaats te ontdekken en niet de deurwaarders betaalde wier verblijfskosten de gemeente moest vergoeden. Wathieu moedigde de vrijwillige militaire dienst niet aan. Zo had een zekere Martin Malpas, 18 jaar oud, buiten medeweten van zijn ouders een vrijwillig contract gesloten om dienst te nemen bij het regiment lichte paarden van de hertog van Arenberg. Wathieu vroeg, in naam van vader Malpas, aan de prefect om dit contract te annuleren. Hij gaf ook de minst mogelijke publiciteit aan de prefectorale circulaires aangaande de dienstplicht; hij beperkte zich ertoe ze aan te plakken op de kerkdeur en vroeg de pastoor niet ze van de preekstoel voor te lezen, zoals de prefect het had aanbevolen. Voorlezing van de circulaires door de pastoor was cruciaal, aangezien de meerderheid van de bevolking analfabeet was en daardoor niet in staat de aanplakbiljetten te lezen. Ook werkte Wathieu vervanging van de raadsleden, die vanwege verwantschap of belangenverstrengeling niet in de raad konden blijven, tegen. De prefect moest herhaaldelijk aandringen en dreigen met actie van de Minister van Binnenlandse Zaken om hem te doen luisteren. Moe van een zo weinig meegaande functionaris, profiteerde de prefect op 30 december 1807 van de vijfjaarlijkse wisseling van de burgemeesters om hem te vervangen door Jean Riga, tweede adjunct sinds . drie maanden, in wie hij een gewilliger instrument vond.

Wathieu maakte, toen Riga hem opvolgde, hem het werk niet gemakkelijk: hij overhandigde hem geen lijsten, geen tabellen van de dienstplichtigen, hij beweerde dat hij ze niet had bewaard, geen regel correspondentie, geen enkele schriftelijke informatie over de stand van zaken. Inderdaad was de nieuwe burgemeester, vriend van Renson, er niet zoals zijn voorganger op uit om de onafhankelijkheid van de gemeente te verstevigen en deze los te maken uit de greep van de prefectuur. Hij was integendeel een warme aanhanger van het regime en tot aan de val van het Rijk toonde hij een ontegenzeggelijke inzet.

Een van de taken van het gemeentebestuur was het bijhouden van de burgerlijke stand. Dit was nieuw. Onder het Oude Regime was dit een taak van de geestelijkheid. Deze bevolkingsregistratie op het gemeentehuis was in het belang van de overheid, het was een instrument om belastingplichtigen en dienstplichtigen te lokaliseren, het was daarom nodig, om niet alleen het gemelde feit (geboorte, huwelijk of overlijden), maar ook allerlei persoonsgegevens (zoals leeftijd, beroep en woonsituatie) te registreren. Het moment van registratie werd ook gebruikt om aan de bevolking de nieuwe staatkundige indeling en plaats van de gemeente binnen de staat duidelijk te maken.

Zo werd bijvoorbeeld in 1808 het huwelijk tussen Arnold Marcotty, mijnwerker, en Marie Ledent, bottresse (verkoopster van boter en eieren), als volgt door de toen kersverse burgemeester Jean Riga in de burgerlijke stand van de gemeente Grâce-Montegnée geregistreerd:

In het jaar 1808 de 27ste van de maand februari, zijn voor ons burgemeester, ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Grâce-Montegnée, kanton Hollogne-aux-Pierres, departement Ourte, verschenen Arnold Marcotty, oud 31 jaar, mijnwerker, wonende en geboren in deze gemeente op 7 januari van het jaar 1777, meerderjarige zoon van Arnold Antoine Marcotty, zijn vader, hier aanwezig en toestemmend en van Ailid Jamar, zijn moeder, van beroep mijnwerker, samen wonend in dezelfde woning in deze gemeente en Marie Elisabeth Ledent, oud 30 jaar, bottresse, wonend en geboren in deze gemeente op 10 januari van het jaar 1778, meerderjarige dochter van Pierre Joseph Ledent, overleden in deze gemeente op 2 december 1795 en van Marie Elisabeth Coumanne, bottresse, haar moeder, hier aanwezig en toestemmend, wonend in dezelfde woning in deze gemeente. In tegenwoordigheid van: Mathieu Ledent, oud 28 jaar, kleermaker, broer van de contractante, Nicolas Paschal Antoine, oud 26 jaar, landbouwer, Jean Joseph Galler, oud 8 jaar, mijnwerker en Christian Riga, oud 34 jaar, allen wonend in deze gemeente.

Riga toonde in de eerste jaren van zijn bestuur meer goede wil dan competentie. Hij benoemde op 3 februari 1808 Renson als gemeentesecretaris. Denizet liet de benoeming van Renson door de prefect ratificeren, en die verleende hem voor deze post een traktement van 250 frank. Die benoeming was niet verstandig, aangezien door de combinatie van de functie van raadslid met die van onderwijzer er sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling, waardoor er getwijfeld zou kunnen worden aan de integriteit van het nieuwe raadslid. De tegenstanders lieten een gelegenheid die zo gunstig was om ten strijde te trekken tegen de aanhangers van het regime niet voorbijgaan. Onder aanvoering van de eerste adjunct Jacques Hellin, brachten ze met gemak de opinie tegen de secretaris-onderwijzer in beweging en overstelpten de bureaus van de prefectuur met hun geschreven en verbale verwijten om zijn afzetting te verkrijgen evenals die van de burgemeester, die ze afschilderden als een incompetente bestuurder. De prefect, wakker geschud, verzocht, na een onderzoek, de burgemeester om af te treden, stuurde de onderwijzer terug naar zijn leerlingen en bracht zijn schadeloosstelling terug naar 150 frank. De oppositie triomfeerde, maar niet voor lang. Ondanks de steun die ze zich verbeeldde te hebben van de prefectuur, verkreeg de oppositie niet de begeerde post van burgemeester. Riga, wiens eerlijkheid werd erkend door zijn tegenstanders, sprak een openlijke schuldbekentenis uit, zag af van de diensten van Renson en werd gehandhaafd in zijn functies.

Jean Riga, de burgemeester, begreep, maar wellicht niet onmiddellijk, dat de positie die de gemeente had binnen de feodale staat (het prinsbisdom Luik) tot het verleden hoorde. In de feodale staat kon de landsheer of de overheid zekere aanspraken op eigendom of gebruik maken. Dit noemde men de heerlijke rechten. In veel gevallen was dat een leenrecht. Daarnaast waren er heerlijke inkomsten zoals molengebruik, hoeven, renten, cijnzen, pachten van land en water, zowel boven als onder de grond, en tienden. In de feodale staat waren economie en bestuur in dezelfde hand. Grondeigenaren bestuurden degenen die op het grondgebied woonden. Belangenverstrengeling was normaal. Naast het feodale goed bestond er een uitzonderlijke vorm van grondbezit, het allodiale goed. Bij allodiaal bezit was sprake van rechtstreekse eigendom dat door zelfontginning of door schenking in bezit gekomen was. De Franse revolutie bracht met zich mee dat alle feodale goederen allodiaal werden verklaard, waarmee de feodale rechten van de eigenaren vervielen. Het leenrecht werd afgeschaft: wie een leengoed bezat, werd allodiaal eigenaar. Deze nieuwe situatie had tot gevolg, dat het bestuur van een gemeente in principe gescheiden was van grondeigendom. Belangenverstrengeling, normaal in de feodale tijd, werd in het gemeentebestuur onder de nieuwe Franse wetgeving een probleem. Het was een probleem dat de onderwijzer van Grâce tevens gemeentesecretaris van Grâce-Montegnée was. Het verloop van het conflict dat daarover ontstond maakte duidelijk, dat zowel de onderwijzer als de burgemeester hier nog iets te leren hadden.

Ondertussen was de Franse partij in de gemeenteraad versterkt door de benoeming als raadslid van de pastoor van Grâce, François Detilleux. In tegenstelling tot veel van zijn collega's zou hij zonder moeite de storm doorstaan die over de geestelijkheid kwam, zelfs als men hem, omdat hij de gelofte van trouw aan de Franse republiek had afgelegd, kwalificeerde als onwaardige pastoor. Hij behield dankzij die gelofte zijn rechten en zijn vermogen en nam deel aan het lokale bestuur. Hij ondersteunde de religieuze politiek van Napoleon.

De eerste consul Bonaparte liet al een glimp zien van de toekomstige keizer Napoleon toen hij, in het jaar 1801, in Frankrijk de katholieke religie herstelde. Op 15 juli 1801 sloot hij, namens de Franse regering, een concordaat met paus Pius VII. De voornaam Napoleon, vrijwel onbekend in Frankrijk, kwam veel voor in Italië, waar het minder gebruikelijk was om de kinderen naar een heilige te noemen dan in Frankrijk. De eerste consul kwam op het idee om aan de vertegenwoordigers van de paus de biografie van de veronderstelde helaas onbekende heilige Napoleon te vragen. Niet lang daarna werd door kardinaal Giovanni-Battista Caprara een heilige Neopolus ontdekt, martelaar in een onbekende tijd overleden in een gevangenis te Alexandrië, wiens naam voor de gelegenheid werd omgedoopt naar Napoleon. Het feest van de heilige Napoleon moest jaarlijks gevierd worden op 15 augustus ter herdenking van het op die dag met de kerk gesloten concordaat, dat samenviel met de geboortedag van Napoleon. Het was verplicht een processie te houden en de pastoor moest tijdens of na die processie een preek houden. Ambtenaren, militairen en gerechtsdienaren moesten assistentie verlenen. Een van de zij het officieuze redenen voor de opname van de heilige Napoleon in de katholieke heiligenkalender was om daarmee de heilige Lodewijk van 25 augustus, feest van het Franse koningschap, te vervangen. Het religieuze gezag in Grâce en Montegnée toonde enige terughoudendheid ten aanzien van het regime. Terwijl de pastoor van Grâce helemaal een bondgenoot was, gaven de vicarissen van zijn parochie, Gaspar Renson en Georges Galand, geen blijk van diepe sympathie voor de regering. Zij hadden de emolumenten, die ze genoten onder het oude regime verloren en zagen niet graag de staat zich inmengen in het bestuur van de kerkfabrieken en beperkingen opleggen aan hun beheer. Ook rekenden zij op een overwinning van de vijanden van het Rijk (de Pruisen, Russen, Oostenrijkers en Engelsen) waardoor ze hun privileges en hun handelingsvrijheid zouden terugkrijgen. De houding van de pastoor François Detilleux contrasteerde met die van zijn ondergeschikten. Hij respecteerde de Franse wetten en gehoorzaamde aan de orders van de prefectuur. Gevolg gevend aan de uitnodiging van de prefect en van Riga, las hij op zondagen de instructies en arresten van de prefect en de mandementen van de bisschop aangaande de dienstplicht voor vanaf de preekstoel. Hij zong het Te Deum . laudamus (U, God, loven wij) voor de overwinningen en na de hoogmis zong hij het Domine Salvum fac Napoleonem imperatorem nostrum (Heer, zegen onze keizer Napoleon). De gebeurtenissen die later de breuk van Napoleon met de paus met zich mee brachten, de excommunicatie van de keizer, de ontvoering van Pius VII, brachten geen verandering in de houding van de pastoor van Grâce. Het gedrag van de pastoor van Montegnée, Eustache Masset, viel meer in de smaak bij de tegenstanders van het regime. Hij toonde inderdaad niet veel inzet. Hij zong niet het gebed voor de keizer. Hij zong niet het Te Deum als dankgebed voor de overwinningen, zoals de keizer het had verordonneerd. Hij las niet vanaf de preekstoel de circulaires betreffende de dienstplicht. Dat liet hij over aan zijn vicaris Lambert Coune. Maar na de landing van de Engelsen op het eiland Walcheren, waar ze zich in 1809 gedurende twee maanden wisten te handhaven, stond hij Coune niet meer toe ze te lezen en stond hij Riga niet toe om in zijn kerk gemeentelijke documenten openbaar te maken. Het was een merkwaardig incident. De verschijning van de Engelsen zo dichtbij had de opinie in beweging gebracht. Bij Masset veroorzaakte het een radicalisering van zijn verzet en versterkte het in hem de overtuiging dat het einde van de macht van Napoleon nabij was.

Op 22 december 1809 schreef Riga aan de prefect:

Ik heb de eer u mee te delen dat, om de grootst mogelijke publiciteit te geven aan uw instructies en arresten, waarvan het belangrijk is dat de inwoners van mijn gemeente er kennis van nemen, ik ze niet alleen heb gepubliceerd en aangeplakt op het gemeentehuis en op de deuren van de twee subkerken, maar in overeenstemming met het belang van deze zaken heb ik de beoefenaren van de eredienst uitgenodigd om ze op zondagen vanaf de preekstoel voor te lezen. De pastoor van Grâce heeft zich altijd voor deze lezing geleend evenals de heer Coune, priester te Montegnée, maar deze laatste heeft het niet durven doen vanaf de tijd dat de Engelsen zich op de kusten hebben vertoond, omdat de heer Masset, bedienaar van Montegnée, hem toen heeft verboden ze te lezen. U heeft, mijnheer de prefect, dit soort lezingen vaak voorgeschreven in de memories, en dat leverde het verlangde resultaat op. In het algemeen kunnen de bewoners van het platteland niet lezen en terwijl ze gedurende de week in beslag worden genomen door allerhande werkzaamheden, worden ze op de zondagen door deze lezing ingelicht over zaken die voor hen belangrijk zijn om te weten en dat op het moment dat ze samengekomen zijn voor het bijwonen van de dienst. Van de andere kant heeft het feit dat de heer Masset de Te deums, die door Zijne Majesteit zijn verordonneerd voor de overwinningen, niet zingt, terwijl deze religieuze ceremonie altijd heeft plaatsgevonden in de subkerk van Grâce, telkens wanneer deze was voorgeschreven, een slechte werking gehad in de gemeente. De pastoor van Grâce heeft zich daarover bij mij verschillende keren met reden beklaagd.

Riga bleef trouw aan de gedragslijn die hij voor zichzelf scheen te hebben uitgestippeld: de gevestigde autoriteit dienen. Zijn overtuigingen mishaagden zijn tegenstanders. De gewelddadigheden tegen de bondgenoten van het regime waren echter zuiver verbaal; er is niemand gedood of gewond geraakt vanwege collaboratie. Voor een groot deel van de bevolking, een arme rurale gemeente die hard was getroffen door de pest van de oorlog, bijna geheel was samengesteld uit behoeftige mijnwerkers, en waar meer dan driekwart van de inwoners niet kon lezen of schrijven, was de zorg voor het dagelijkse brood de eerste van alle andere zorgen. De wisselvalligheden van de binnenlandse en buitenlandse politiek interesseerde de gewone man alleen voorzover hij er het slachtoffer van was of ervan profiteerde. De buitensporige belastingen maakten hem nerveus, wat bleek uit de opruiende bijeenkomsten die op 25 en 27 april 1809, bij gelegenheid van de inbeslagneming van tabaksbundels, plaatsvonden te Montegnée bij Lambert Dupont, caféhouder, wonend op de Chaussée. Maar de last van de dienstplicht woog het zwaarst. Riga, in tegenstelling tot zijn voorganger Wathieu, deed alle moeite om de dienstplichtigen te pakken. De rekruten probeerden te ontsnappen aan de dienstplicht; de namen van zo'n twintig dienstweigeraars of deserteurs behorend tot de lichtingen van de tweede helft van het eerste decennium waren bekend. De politie patrouilleerde voortdurend om hen op te sporen; deurwaarders logeerden in de woning van de ouders wier zoon was verdwenen, op hun kosten als ze konden betalen, op kosten van de gemeente als ze het niet . konden. Een half dozijn van deze rekruten wilde gebruik maken van de clementie-maatregelen die door de overheid voor hen waren getroffen. Ze presenteerden zich om zich weer bij hun korps te voegen.

Op 30 april 1810 schreef Riga in een brief aan de prefect:

Ik heb gepubliceerd en aangeplakt op het gemeentehuis en op de deuren van de kerken de desertie van de heer Jean Bourdouxhe. Ik heb in het bijzonder hiervan in kennis gesteld mijn adjuncten en de veldwachter, waarbij ik hen voorhield dat uw arresten tegen de deserteurs en de dienstweigeraars, die geen gebruik hebben gemaakt van de amnestie, in onze gemeente rigoureus vervolgd zullen worden, wat ik niemand van hen gun, zoals ik u heb aangetoond, mijnheer de prefect, sinds u me de eer heeft bewezen om me te benoemen tot burgemeester van deze gemeente. U weet hoezeer ik me heb ingezet om deze vroegere dienstweigeraars in uw handen te spelen, die door mijn voorganger op zo'n schandalige manier werden getolereerd. Ik prijs mezelf gelukkig, mijnheer de prefect, om te kunnen zeggen dat onder deze dapperen van mijn gemeente die ik heb doen vertrekken, die onder de vlaggen zijn, er een is teruggekeerd die, gepensioneerd vanwege zijn diensten en vanwege een eervol letsel, dat hij heeft opgelopen op de linkeroever van de Donau, toen de bruggen waren weggeslagen, de goedkeuring heeft verdiend van de commissie van dit kanton om te profiteren van de voordelen van het keizerlijke decreet van 25 maart jongstleden. Ik heb, mijnheer de prefect, een ware voldoening ondervonden, toen ik hem ten voorbeeld stelde en hem eer betoonde en aandacht gaf gedurende alle ceremonies van het feest van de 23ste van deze maand; daardoor inspireerde ik in overeenstemming met de bedoelingen van Zijne Majesteit tegelijkertijd mijn jonge dienstplichtigen met de militaire mentaliteit, om met elkaar te wedijveren om het voorbeeld van deze dappere soldaat te volgen, zodat ze dezelfde eerbewijzen en voordelen verdienen, waarop ik hen graag doe hopen. Ik heb, mijnheer de prefect, zoals u me heeft voorgeschreven, de grootst mogelijke openbaarheid gegeven aan uw arresten van 15 november 1808, aan de amnestie, en alles wat u dienaangaande voorschrijft. Door dit allemaal aan degenen die onder mijn bestuur vallen voor te houden, heb ik hun herinnerd aan de gevaren waaraan ze zich zouden blootstellen als ze asiel zouden geven aan de deserteurs en de dienstweigeraars, maar ze waren al volkomen op de hoogte van die dingen, die ik vaak voor hen heb herhaald en waarover ik verschillende keren de eer heb gehad om rekenschap af te leggen.

Riga was er, onder druk van de prefect, mee bezig de dienstweigeraars, die waren getolereerd door zijn voorganger, te doen terugkeren naar de dienstplicht. Het liefst maakte hij daarbij gebruik van zijn overtuigingskracht. Op 14 november 1808 werden vier van hen, onder wie Ramioulle en Remy Joliet, door hem persoonlijk voorgeleid aan de prefect, en twee dagen later, stuurde hij hem een zekere Joseph Renson met het verzoek hem pardon te geven. Ook instrueerde hij de politie, want hij duldde geen dienstweigeraar of deserteur in zijn gemeente. Hij liet de deserteur Lambert Vandewelle en de dienstweigeraar Michel Renson achtervolgen; hij liet de gendarmes op de uitkijk staan, want hij probeerde tot elke prijs hen te pakken. En toen deze Renson, die de laatste dienstplichtige van Grâce-Montegnée was die voorkwam op de staat van dienstweigeraars, tenslotte op 19 december 1910 door de gendarmes werd gepakt, vroeg Riga de prefect om de naam van zijn gemeente te schrappen van de lijst van het Memoriaal, want hij wilde het certificaat verdienen dat werd toegekend aan gemeenten, waar geen dienstweigeraar en geen deserteur werd aangetroffen. Dat was de houding van sommige notabelen in de jaren 1805 tot 1810, maar hoe ontwikkelde zich de geestesgesteldheid gedurende de laatste jaren van het Rijk? Waren de opposanten die twijfelden aan de stabiliteit van het Rijk talrijker na de terugtocht van Napoleon uit Moskou? Riga, herkozen burgemeester, Detilleux en Renson, nog altijd leden van de raad, bleven in die tijd samenwerken met het regime, dat ze zo goed hadden gediend; men kon hen niet betrappen op een teken van vermoeidheid of gebrek aan affectie. Trouwens, wat zouden de tegenstanders, die hadden gewed op de overwinning van de Pruisen, de Oostenrijkers en de Russen, gedacht hebben, toen de Kozakken in hun dorp bivakkeerden en de Pruisische artillerie zich installeerde in hun velden? De gemeente die voedsel en karren had moeten leveren aan de Franse troepen op de terugtocht, werd daarna gedwongen om buitengewone lasten op te brengen die werden veroorzaakt door het passeren van de geallieerde troepen. Gedurende lange maanden werd zij onderworpen aan vorderingen van elke soort. In de tijd van Waterloo, werden de boeren verplicht om voertuigen en paarden te leveren voor het transport van militair materieel en troepen. . Riga bestuurde de gemeente gedurende deze moeilijke periode. Een ander probleem in die tijd was de illegale mijnbouw. De prefectuur bestreed krachtig de illegale exploitaties. Mijningenieurs en opzichters kregen de opdracht om ter plaatse een onderzoek in te stellen. Begin november 1812, spoorde opzichter Malaise drie illegale mijnwerkers op te Montegnée op de plaats genaamd Verbois: Dieudonné Joiris die een mijngang had gegraven in zijn tuin; Gérard Mathy die werkte in de concessie van de oude Cockay; tenslotte Léonard Sockay die aan het delven was onder het huis van Gérard Boussart ondanks de klachten van deze laatste. Alle drie exploiteerden ze de ader genaamd Caillou van zeer slechte kwaliteit en met zeer geringe opbrengst. Op bevel van de prefect ging Riga, op zijn beurt, ter plaatse kijken en constateerde dat ondanks de verboden deze drie exploitanten niet waren gestopt met werken. Alle drie vroegen vervolgens een reguliere vergunning aan, die hun werd geweigerd. Ze hervatten trouwens niet lang daarna hun clandestiene activiteiten, want, in september 1813, kwamen ze voor op de lijst van illegale exploitanten van de gemeente. In Berleur werden Gilles Grimbérieux en Lambert Antoine gesignaleerd die om te ontsnappen aan het toezicht en om geen vergoeding te hoeven betalen in de nacht werkten en de steenkool onder de normale prijs verkochten. De prefect schreef op aangifte van ingenieur Blavier, die zelf was getipt door Nicolas Antoine, de legale exploitant, op 21 juli 1813 aan Riga voor om deze groeven te dichten. Toch werden de inspanningen van de overheid om de clandestiene exploitanten te bestrijden niet altijd bekroond met succes: een lijst, gedateerd 9 september 1813, met de namen van 21 illegale exploitanten, was er het bewijs van. Ook al staakten sommigen van hen hun werk, anderen gingen er tegen de regels mee door. Trouwens veel van deze exploitanten waren arme arbeiders, die niet in staat waren de vergoedingen te betalen, en met hard werken hun behoeftige toestand wat probeerden te verlichten. De betaling van de vergoedingen werd niet eenduidig uitgevoerd. De decreten van 19 oktober 1806 en 1808 legden aan de exploitaties een maandelijkse belasting van 24 frank op, maar er konden substantiële kortingen worden verkregen. In mei 1808, liet burgemeester Riga de werken die waren ondernomen in een tuin gelegen te Berleur, eigendom van Biar, stilleggen. Deze werken liepen door onder twee stukken grond die eigendom waren van de familie Van der Heyden te Hauzeur; ze hadden er aardverschuivingen veroorzaakt en een meer dan 20 voet diepe uitgraving uitgevoerd. Arnold Marcotty, genaamd Thonon, had een kleine mijningang te Berleur geopend en gaf leiding aan de werken vanaf de boerderij van de weduwe Marguerite Pagnoul. Na een klacht die zij richtte tot de prefect, machtigde deze haar om aan de burgemeester het verbod van de werken van Marcotty te vragen, als deze laatste zich niet hield aan de bepalingen van de wet. De burgemeester, die twee jaar eerder nog het huwelijk van Marcotty had voltrokken, sprak het verbod uit (27 juli 1810). Toen Marcotty, tegen elk verbod in doorging met ’s nachts aan zijn mijningang te werken, kwamen de adjunct Jacq. Renson en de veldwachter Gilles Joakim om hem op heterdaad te betrappen. Riga hanteerde de regels niet altijd even strak. In diezelfde periode werd hij ervan beschuldigd ongeoorloofde exploitaties te tolereren en zelf in overtreding te zijn. Onder het Franse regime nam de winning van de kostbare brandstof een hoge vlucht. Einde 18de eeuw legden de Franse autoriteiten een strakke organisatie van de mijnen op, die later langs een lang traject van fusies en naamswijzigingen zouden leiden tot de geboorte van de reuzen: de steenkoolmaatschappijen Gosson-Kessales, Espérance et Bonne-Fortune, Bonnier (alle in of in de buurt van Grâce-Montegnée). De burgemeester richtte zelf, samen met zijn broer Christian, J. Bottin, advocaat te Luik, Georges Galand, priester te Hollogne-aux-Pierres, en J.-D. Renson, de S.A. Charbonnages du Bonnier op. Na een moeilijke start zetten ze door en verkregen goedschiks of kwaadschiks de verlangde concessies, maar de steenkoolwinningen bereikten niet de verwachte resultaten.

Jean Riga bleef burgemeester onder het Hollandse regime. Ook de meeste raadsleden die een zetel hadden bekleed onder het voorgaande regime bleven in hun functies. Na de nederlaag van Napoleon te Waterloo (1815) en de besluiten van het Congres van Wenen, werd België . bij het Koninkrijk der Nederlanden gevoegd, onder Willem van Oranje-Nassau. Op 20 maart 1815 gaven de raadsleden een eerbetoon aan de nieuwe koning van de Nederlanden. Tenslotte, anderhalf jaar later, op 5 augustus 1816, veertien maanden na Waterloo, na een openbare zitting, gedurende welke veel inwoners tegen het bestuur van de gemeente hadden geprotesteerd en tegen de regering gedemonstreerd, stelden ze een plechtige verklaring van trouw aan de monarch en het nieuwe regime op: “De ondergetekenden verklaren dat ze geen andere orde erkennen, dan de orde gevestigd door de regering van Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, hun ware soeverein, tegen wiens orders, wetten en instructies ze zich niet willen en zullen willen verzetten, dat ze zich voortdurend zullen conformeren aan alles wat het hogere gezag zich zal verwaardigen hun dienaangaande voor te schrijven." Onder de verklaring onder andere de handtekening van Riga, burgemeester, en van Renson, gemeentesecretaris. Aan het Rijk werd niet meer gedacht. Het koninkrijk had van 1815 tot 1830, toen het weer uiteenviel, de naam Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Bij de nationale opstand in 1830 verjoegen de Belgische vrijwilligers de Hollanders. De burgemeester, Jean Riga, nog steeds hij, ontving uit handen van de eerste koning Leopold I een driekleurige vlag met dankzegging voor de deelname aan de bevrijding van het land. Op 1 oktober 1846, gingen Grâce en Montegnée na 46 jaar uit elkaar en werden twee nieuwe gemeenten gevormd (Grâce-Berleur en Montegnée). In 1834 kon men dankzij nieuwe technieken dieper boren om een van de betere steenkoollagen aan te snijden (de zogenaamde grote ader, op 300 m) en na twaalf jaren van exploitatie telde de Bonnier 300 arbeiders. Toch nam de productie af. In 1854 waren er nog maar 142 mijnwerkers die per dag 80 ton steenkool wonnen. De toekomst van de steenkoolmijn werd bedreigd. Einde 1903, overhandigde ingenieur Lambert Galand, achterkleinneef van Jean Riga, een rapport aan de bestuursraad van de mijn, waarin hij verbeteringen voorstelde. De Bonnier kwam daarna weer tot bloei en zou tot aan de sluiting in de familie Galand blijven. Volgens Pierre Galand (kleinzoon van Lambert, mijningenieur van de Bonnier en liquidateur) was de Bonnier in 1965 nog winstgevend. Maar het volgende jaar was rampzalig. De regering weigerde alle mijnen tegelijk stop te zetten, ze zette daarvoor in de plaats een systeem van subsidies om de sluitingen te spreiden. De Bonnier profiteerde daar gedurende 13 maanden van, totdat de subsidies waren verlopen, op 1 januari 1967. Op 1 januari 1977 fuseerden Montegnée, Saint-Nicolas en Tilleur om een nieuwe gemeente te vormen, die, hoewel Montegnée de grootste was in oppervlakte en bevolking, de naam Saint-Nicolas kreeg, omdat de voormalige gemeente Saint-Nicolas de hoofdplaats van een kanton was. Grâce-Berleur ging in 1970 samen met Hollogne-aux-Pierres, Bierset, Horion-Hozémont, Velroux en Crotteux de nieuwe gemeente Grâce-Hollogne vormen.


Le maire de Grâce-Montegnée


Le maire de Grâce-Montegnée

Avant la conquête de nos provinces par Dumouriez et immédiatement après celle-ci, la majorité de la population liégeoise avait manifesté des sentiments francophiles, qui s'étaient traduits, entre autres façons, par des votes d'annexion volontaire à la France. La restauration des institutions d'Ancien Régime, qui survint après le retour des Autrichiens à Liège (5 mars 1793), et les représailles du Prince contre les républicains avaient exalté ces sentiments. Mais après la seconde invasion de la Belgique et la réoccupation de Liège par les armées françaises (27 nov. 1794), nos contrées furent traitées en pays conquis. Les réquisitions rigoureuses, les extorsions de toutes sortes, le cours forcé des assignats, la loi du maximum, bref l'exploitation organisée de nos provinces, aliénèrent à la France bien des sympathies. Après l'annexion (décret de la Convention du 9 vendémiaire an IV-ler oct. 1795), la politique jacobine et sectaire du Directoire souleva encore de vifs mécontentements, mais l'avènement du Consulat amena « des mesures d'apaisement et de modération qui commencèrent à rassurer les esprits ». Les décisions prises par Bonaparte, Premier Consul, pour le relèvement économique de notre pays, ses réformes administratives et judiciaires, sa politique religieuse — le Concordat et le rétablissement du culte catholique — réconcilièrent nos pères avec l'ordre nouveau. Cependant « il resta encore bien des dissidents; il subsista encore bien des partisans de l'ancien régime ou de l'autonomie ». 

Notre village connut de ces opposants, même à l'époque où la puissance napoléonienne — d'Austerlitz à Wagram — allait atteindre son apogée. 

La commune de « Grâce et Montegnée » (appellation courante : Grâce-Montegnée) avait été constituée après l'annexion par la réunion de trois juridictions distinctes. 

Sous l'administration du premier « agent », Henry Marcotty, de Montegnée, elle fut déchirée par des rivalités parfois sanglantes entre « royalistes » et républicains. Si, par la suite, les esprits se calmèrent, une opposition subsista, larvée, mais tenace. Ce fut Georges Wathieu, de Montegnée, le maire choisi par le premier Préfet de l'Ourthe, Desmousseaux, pour remplacer Marcotty destitué, qui souvent la représenta. Il manoeuvra avec circonspection et prudence, en évitant de heurter de front l'autorité et en résistant passivement aux ordonnances de la préfecture, qu'il estimait contraires à ses convictions ou aux intérêts de sa commune. Il sut être assez habile pour garder son mandat jusqu'à la fin de 1807. 

Le conseiller municipal, Léonard Renson, de Grâce, nommé en septembre 1804 instituteur de l'école primaire officielle, fut un des thuriféraires du régime nouveau. Ses protecteurs le curé de Grâce, François Joseph Detilleux et Jean Riga, également de Grâce, successeur de Wathieu à la mairie, partageaient ses convictions. Par contre Eustache Masset, nommé curé de Montegnée lors de la division en deux « succursales », montra moins de zèle que son confrère de Grâce. 

C'est à l'occasion de la création de l'école primaire officielle que l'attitude du maire Wathieu et celle de l'instituteur Renson se précisèrent. 

Le préfet Desmousseaux, par ses arrêtés du 26 prairial et du 11 fructidor an XI, avait prescrit aux maires d'organiser un enseignement primaire dans leurs communes. Wathieu se fit défenseur des écoles privées d'ancien régime ouvertes à Montegnée et à Grâce et retarda autant qu'il le put la création de la nouvelle institution. Il dut cependant s'incliner devant les ordres de la préfecture et céder au voeu de la majorité des conseillers municipaux, qui appuyaient la candidature au poste d'instituteur de leur collègue, L. Renson. Il montra la même répugnance à obéir aux ordres du préfet, lorsqu'il lui fut enjoint de fermer les écoles privées dont les maîtres ne respectaient point la loi. Il ne prit donc aucune part à l'installation à Grâce de l'école primaire, ni à la nomination de Renson comme instituteur. Toutefois après la fermeture des écoles privées, à laquelle il avait dû consentir, il crut de bonne politique d'inviter ses administrés, dans une proclamation publique, à envoyer leurs enfants à l'école de Grâce et de patronner les distributions des prix organisées par l'instituteur. 

Il voulut prendre sa revanche en cherchant noise à Renson. Il trouva des alliés dans les membres du Conseil, que l'attitude autoritaire et tracassière de leur ancien protégé, les sympathies agissantes qu'il affichait pour l'ordre nouveau, avaient indisposés. Il groupa les mécontents dans la maison du « chirurgien » Toussaint Marnette, conseiller municipal, où il réunissait habituellement le Conseil, ou dans le café tenu par Jacques Joseph Préalle, ancien adversaire de Marcotty, également conseiller. 

La maison Marnette et le café Préalle devinrent bientôt les lieux de rassemblement des mécontents et de tous ceux qui, malgré les victoires napoléoniennes, ne croyaient pas à la solidité du régime. Renson vit avec amertume et colère l'opinion se dresser contre lui. Instigués par Wathieu, les conseillers voulurent réduire des 2/3 l'indemnité de 140 f., qu'ils lui avaient votée l'année précédente. L'instituteur animé d'une indignation, que redoublaient les atteintes à ses intérêts personnels, s'éleva contre les procédés du maire et de ses « créatures » et le dénonça à la vindicte préfectorale. 

Le préfet eût remercié Wathieu, s'il avait à ce moment-là trouvé un homme capable, pour le remplacer. A l'instigation de Denizet, chef de la lre Division de la préfecture, qui s'érigea en protecteur de Renson, il défendit l'instituteur contre les attaques dont il était l'objet, le soutint dans ses revendications et, malgré les protestations indignées du Conseil, il porta son traitement à 300 fr. (7 juillet 1806). 

Le Conseil eut beau renouveler ses doléances (3) (22 jan- vier 1807) et s'élever contre cette augmentation abusive, « une exorbitance frappante », la décision fut maintenue. Wathieu dut s'incliner devant l'ukase préfectoral, mais pour « tracasser » Renson, il voulut le contraindre à changer de domicile en obtenant du préfet le transfert à Montegnée de l'école de Grâce. La manoeuvre échoua. Sentant qu'il n'était pas le plus fort, il cessa ses attaques. Mais il ne laissa pas pour autant de contrecarrer les initiatives de la préfecture. Il ne manifesta qu'un zèle fort tiède dans la recherche des conscrits réfractaires ou déserteurs. 

D'autre part, il montra une mauvaise volonté évidente à procéder au remplacement des conseillers, qui « pour cause de parenté ou d'alliance ne pouvaient rester au conseil ». Le préfet dut insister à plusieurs reprises et le menacer des foudres du Ministre de l'Intérieur pour qu'il s'exécutât. 

Renson se plaint également avec acrimonie du receveur communal Pierre Piron, ancien adjoint de Wathieu et son « intime ami », qui acquitte son indemnité avec beaucoup de retard. Mais il ne l'accuse pas d'être un ennemi du régime. 

Fatigué d'un fonctionnaire aussi peu docile, il profita du « renouvellement quinquennal » des maires pour le remplacer par Jean Riga, second adjoint depuis trois mois (2 septembre), en qui il trouva un instrument plus souple (30 décembre 1807). Le nouveau maire en effet, grand ami de Renson, ne chercha pas comme son prédécesseur à assurer l'indépendance du pouvoir communal et à le dégager de l'emprise de la préfecture. Il fut, au contraire, un chaud partisan du régime et jusqu'à la chute de l'Empire, il manifesta un zèle qui ne se démentit point. 

Cependant, dans les premiers mois de sa gestion, il montra plus de bonne volonté que de compétence. Il s'était adjoint Renson en qualité de secrétaire et Denizet avait fait ratifier sa nomination par le préfet, qui lui octroyait pour ce poste 250 frs de traitement (3 février 1808). Les opposants ne laissèrent pas passer une occasion aussi favorable de partir en guerre contre les tenants du régime. 

Dirigés par le premier adjoint Jacques Joseph Hellin, ils soulevèrent aisément l'opinion contre le secrétaire-instituteur, son esprit « arrogant et tracassier », son appétit à cumuler les charges lucratives et submergèrent les bureaux de la préfecture de leurs récriminations écrites et verbales pour obtenir sa destitution ainsi que celle du maire, qu'ils dépeignaient comme un administrateur incapable aux ordres de son subordonné (Le préfet ébranlé cassa, après enquête, les arrêtés du 7 juillet 1806 et du 2 février 1808 « pris clandestinement par Denizet » et « entachés d'irrégularité » ; il engagea le maire à se démettre, renvoya l'instituteur à ses élèves et réduisit son indemnité à 150 fr. 

L'opposition triompha, mais pas pour longtemps. Malgré les appuis « qu'elle se vantait d'avoir à la préfecture », elle n'obtint pas la place de maire qu'elle convoitait. 

Riga, dont la probité était reconnue par ses adversaires, fit amende honorable, renonça aux services de Renson et fut maintenu en fonctions. Entretemps, le parti français au conseil municipal avait été renforcé par la nomination, comme conseiller, du curé de Grâce, Detilleux. D'autre part Renson, ulcéré et indigné d'être la victime de « cabaleurs », qui « mettaient leurs espérances dans les Prussiens et les Russes », avait protesté avec véhémence contre le sort qui lui était fait. Denizet, un instant désarçonné, reprit l'offensive. Il parvint à arracher au préfet en faveur de son protégé la promesse d'une « gratification » (28 juillet 1808). Six mois plus tard, le préfet accorda à l'instituteur, avec l'approbation du maire et de Detilleux, une gratification de 150 fr. pour 1809 ; il lui en octroya une seconde du même import en 1810 et en 1811 il rétablit son indemnité à 300 fr. Mais pour ne pas provoquer de nouvelles dissensions, il ne le réintégra point dans son emploi de secrétaire. L'opposition ne fut qu'à demi satisfaite; mais le parti français au Conseil était le plus fort; elle se résigna à le supporter. 

L'autorité religieuse montra, elle aussi, quelque réticence à l'égard du régime. Alors que le curé de Grâce est tout à fait rallié, les vicaires et marguilliers de sa paroisse, Gaspar Renson et Georges Galand, ne manifestèrent pas une sympathie bien profonde pour le gouvernement. Ils avaient perdu les prébendes dont ils jouissaient sous l'ancien régime et voyaient en outre avec impatience l'état s'immiscer dans l'administration des biens des fabriques et édicter des règles strictes pour leur gestion. Renson, qui entra en conflit avec eux, après avoir été pendant deux ans leur collègue au conseil de fabrique de l'église de Grâce, attribuait à cette diminution de leurs prérogatives et de leurs revenus, la raison de la « haine profonde » qu'ils nourrissaient contre les institutions. Aussi comptaient-ils sur une victoire des ennemis de l'Empire pour retrouver leurs privilèges et leur liberté d'action (1807). 

L'attitude du curé Fr. Jos. Detilleux fait contraste avec celle de ses subordonnés. Il respecte les lois et obéit aux ordonnances de la préfecture. Déférant à l'invitation du préfet et de Riga, il donne lecture au prône, les dimanches, des instructions et arrêtés préfectoraux. Il lit en chaire de vérité les mandements de l'Evêque touchant la conscription. Il chante le Te Deum pour les victoires et, après la grand'messe dominicale, il chante le Domine Salvum fac Napoleonem imperatorem nostrum. Les événements qui marquèrent la rupture de Napoléon avec le Pape, l'excommunication de l'Empereur (10 juin 1809), l'enlèvement de Pie VII (5 juillet), ne modifièrent point son attitude. Au conseil municipal, le préfet n'eut pas de meilleur soutien ni Riga de plus ferme appui. Il resta fidèle à la ligne de conduite qu'il semble s'être tracée : servir l'autorité établie. Ses convictions déplurent à maints de ses compatriotes. Sans doute, comme le dit Renson avec quelque exagération, ne l'eussent-ils point « exterminé », ni Renson avec lui. Les violences à l'égard des ralliés au régime furent purement verbales ; il n'y eut point de tués ni de blessés pour fait de collaboration. 

Le comportement du curé de Montegnée plut davantage aux opposants. Eustache Masset en effet ne manifeste pas le même zèle. Il ne chante pas la prière pour l'Empereur. Il ne chante pas les Te Deum d'actions de grâce «ordonnés par sa Majesté pour les victoires». Il ne lit pas au prône les circulaires du Mémorial qui intéressent la conscription. Il permettait toutefois à son vicaire Lambert Coune de se charger de cette lecture. Mais après le débarquement des Anglais dans l'île de Walcheren, où ils s'étaient maintenus pendant près de deux mois (fin juillet-fin septembre 1809), il ne permit plus à Coune de les lire et refusa fermement à Riga « de publier dans son église ce qui a rapport au civil ». L'incident est curieux. L'apparition des Anglais si près de nos côtes avait diversement agité l'opinion. 

Chez Masset, il provoqua un raidissement de sa résistance et renforça en lui la conviction que la puissance de Napoléon n'était pas éternelle. 

Il serait intéressant, pour une enquête de ce genre, de pouvoir retracer les divers courants de l'opinion et de connaître les sentiments qui animaient la foule anonyme ou encore les propos que tenait « l'homme de la rue » dans les tavernes comme sur les places publiques. C'est là évidemment un but impossible à atteindre. Au reste nous pensons que pour une grande partie de la population de notre village, « pauvre commune rurale que le fléau de la guerre a particulièrement frappée », composée de « houilleurs presque tous nécessiteux », où le nombre de personnes réputées indigentes s'élevait à plus de 1100, où enfin plus des 3/4 des habitants ne savaient ni lire ni écrire, le souci du pain quotidien devait primer toutes les autres préoccupations. Les contingences de la politique extérieure ou intérieure ne l'intéressaient que dans la mesure où elle en était la victime ou la bénéficiaire. Les excès de la fiscalité la rendent nerveuse, comme le montrent les « attroupements séditieux » qui se firent à Montegnée les 25 et 27 avril 1809 à l'occasion de la saisie de ballots de tabac, opérée par des préposés aux droits réunis, chez Lambert Dupont, cabaretier demeurant sur la Chaussée. 

Mais c'est le fardeau de la conscription qui lui pèse le plus, fardeau que les exigences de l'armée qui allaient croissant rendent de plus en plus lourd. Alors qu'au 25 pluviôse an XII, il y avait 8 militaires sous les drapeaux (dont 7 de Montegnée et 1 de Grâce), on en compte 11, le 1er janvier 1806 ; 22, le 1er janvier 1807 et 27, le 1er jan-vier 1808; 33, le 1er janvier 1810 (22 de Montegnée, 7 de Grâce et 4 du Berleur) ;35, le 1er janvier 1811 (24 + 7 + 4) ; 46,1e 1er janvier 1812(31 + 10 + 5) (5) et enfin 68,1e 1er janvier 1813 (48+14 + 6) (6). Les volontaires sont peu nombreux : il y en avait 5 au 1er janvier 1807 (3 de Montegnée et 2 de Grâce) et au 1er janvier 1813, leur nombre n'avait pas augmenté. Ici comme ailleurs, les recrues cherchent à échapper à la conscription; nous relevons les noms d'une vingtaine de réfractaires ou de déserteurs appartenant aux classes de l'an XIII à 1810 inclus que la gendarmerie traque. Ici comme ailleurs, « elle patrouille en permanence à leur recherche ; des garnisaires sont logés au domicile des parents dont le fils a disparu, à leurs frais s'ils peuvent payer, aux frais de la commune s'ils sont insolvables ». Une demi-douzaine de ces recrues, voulant bénéficier des mesures de clémence prises par l'autorité à leur égard, se présentent pour rejoindre leur corps. Le sabotage qui, au cours de la dernière guerre, est devenu une forme hautement appréciée de la résistance civile à l'occupant, fut aussi pratiqué à cette époque. Nous relevons les noms de Jacques Thiry et de son fils Jean, de Montegnée, tous deux cordonniers qui, avec un certain Bovy, de Voroux, au service de l'entrepreneur J. J. Redouté de Liège, lui-même fournisseur d'un nommé Garreau « entrepreneur de la chaussure des troupes à Paris », confectionnent des souliers, dont les cambrures contiennent du carton, du bois ou des morceaux de feutre. On en saisit 84 paires contenant « des corps étrangers ». Ces civils furent-ils guidés uniquement par l'appât du gain ou voulaient-ils saboter, si l'on permet cet anachronisme, « la machine de guerre » napoléonienne? 

Quelle fut l'attitude de l'autorité municipale à l'égard des réfractaires à la conscription ? Wathieu ne secondait guère le préfet dans la recherche des conscrits; Riga, au contraire, mettait tous ses soins à les pourchasser, si bien qu'il nous apparaît comme un agent recruteur. Le préfet, plus d'une fois, se plaint de Wathieu qui ne fait pas toutes les démarches « pour s'assurer de la résidence des conscrits »; qui n'effectue pas « les perquisitions et diligences nécessaires pour découvrir leur lieu de retraite »; qui ne paie pas les garnisaires dont la commune doit supporter les frais de séjour ou qui demande que ces « militaires en exécution » soient retirés. Il n'encourage pas le volontariat : un certain Martin Malpas, âgé de 18 ans, avait contracté à l'insu de ses parents un engagement volontaire dans le régiment des chevau-légers belges du duc d'Arenberg. Wathieu, au nom du père Malpas, demande au préfet que cet engagement soit annulé. Il donne le moins de publicité possible aux circulaires préfectorales intéressant la conscription; il se borne à les afficher à la porte de l'église et ne demande pas au curé de les lire au prône le dimanche, ainsi que le préfet le recommande. Lorsque Riga lui succéda, il ne lui facilita pas la besogne: il ne lui remit « ni les listes, ni les tableaux des conscrits de toutes les classes — sauf la liste des conscrits de 1809 — qu'il prétendit ne pas avoir gardés, ni une ligne de la correspondance, ni aucun renseignement par écrit sur l'état des affaires ». 

Riga, poussé par le préfet, s'occupa de faire rentrer dans le devoir les réfractaires « si scandaleusement tolérés par son prédécesseur ». Tantôt il agit envers eux par la persuasion «pour qu'ils se rendent à l'obéissance». Il en conduit lui-même quatre au préfet dont les nommés Ramioulle et Remy Joliet (14 novembre 1808) et le surlendemain, il lui adresse un certain Joseph Renson en « le priant de le pardonner et de ne lui faire subir aucune peine que de le rendre à son corps ». Il donne « la plus grande publicité » aux arrêtés du préfet ; il rappelle à ses administrés « les dangers auxquels ils s'exposeraient en donnant asile aux déserteurs et aux réfractaires » ; il « publie et affiche » à la mairie et aux portes des églises les avis de désertion et invite le clergé paroissial à lire du haut de la chaire les arrêtés qui concernent les conscrits. Il ne paraît négliger aucun moyen de persuasion, car on le voit au cours d'une cérémonie exhiber un brave militaire blessé à Essling et « le présenter comme un modèle, pour inspirer à ses jeunes conscrits l'esprit martial» (23 avril 1810). 

Tantôt aussi, il excite le zèle de la gendarmerie, car « il ne veut souffrir aucun réfractaire ou déserteur dans sa commune ». Il les lance à la poursuite du déserteur Lambert Vandewelle et du réfractaire Michel Renson ; il les « fait guetter », car il cherche à tout prix à « les faire saisir ». Et lorsque ce Renson, qui est le dernier conscrit de Grâce-Montegnée à figurer sur l'état des réfractaires, est enfin capturé par les gendarmes (19 décembre 1810), il demandera au préfet que le nom de sa commune soit rayée de la liste donnée par le Mémorial: car il veut mériter le certificat accordé aux communes, « où il n'existe ni réfractaire, ni déserteur », qui doit servir de « monument honorable du zèle des maires et de l'obéissance des administrés ». 

Telle fut, à la lumière des sources que nous avons pu consulter, l'attitude de quelques « notables » pendant les années 1805 à 1810. Il resterait à connaître l'état des esprits au cours des événements qui marquèrent les dernières années de l'Empire: le mariage autrichien, la naissance du Roi de Rome, la campagne de Russie, la bataille de Leipzig et l'invasion du territoire par les armées alliées. 

L'opposition a-t-elle grandi à mesure que le régime « s'imposait plus lourdement ? ». Après la retraite de Moscou et la campagne d'Allemagne, les opposants furent-ils plus nombreux à douter de la stabilité de l'Empire? Il n'est pas interdit de le croire. Les textes sont muets sur ce point. Les noms des Wathieu et consorts n'apparaissent plus. Préalle d'ailleurs est mort au début de 1810 (le 13 février). 

Deux conseillers municipaux E. Thiry, remplaçant de Préalle, et H. J. Mathy démissionnent dans le courant de 1811. 

Mais, fait à noter, J. J. Hellin, qui mena en 1808 une lutte sévère contre Riga et son secrétaire, est toujours premier adjoint et le 31 décembre 1812, il accepte d'être prorogé dans ses fonctions. Riga, réélu maire, Detilleux et Renson, toujours membres du Conseil, continuent à collaborer avec le régime qu'ils ont si bien servi ; on ne surprend chez eux aucun signe de lassitude ou de désaffection. Par ailleurs que pensèrent les opposants, qui avaient fait des voeux pour la victoire des Prussiens, des Autrichiens et des Russes, lorsque les Cosaques cantonnèrent dans leur village et que l'artillerie prussienne s'installa dans leurs campagnes? La commune qui avait dû livrer des fournitures et du charroi aux troupes françaises en retraite, fut contrainte « de faire face aux dépenses extraordinaires et urgentes » causées par le passage des troupes « des hautes puissances alliées ». Pendant de longs mois, elle fut soumise à des réquisitions et des prestations de toute sorte. 

A l'époque de Waterloo, des cultivateurs furent tenus de fournir des voitures et des chevaux pour le transport des effets militaires et des troupes. Riga administra la commune pendant cette période difficile. Il resta maire sous le régime hollandais. La plupart des conseillers qui avaient siégé sous le régime précédent, restèrent en fonctions. 

Le 20 mars 1815, ils adressèrent un hommage au nouveau roi des Pays-Bas. Enfin, un an et demi plus tard, le 5 août 1816, — quatorze mois après Waterloo —, après une séance publique, au cours de laquelle maints habitants s'étaient bruyamment élevés contre la gestion de la commune et avaientmanifesté contre le gouvernement, ils rédigèrent une solennelle protestation de fidélité au monarque et au régime établi. Nous la reproduisons ici: « Les membres soussignés... déclarent qu'ils ne reconnaissent d'autre ordre de choses, que l'ordre établi par le gouvernement de S. M. le Roi des Pays Bas, leur auguste souverain, qu'ils ne veulent et ne voudront jamais être rebelles à ses ordres, à ses lois et à ses instructions, qu'ils se conformeront constamment à tout ce que ''autorité supérieure daignera leur prescrire à cet égard ». Au bas de la motion, on lit, parmi d'autres, les signatures de Riga, maire et de Renson, conseiller-secrétaire. L'Empire était bien oublié. Maurice PONTHIR. 

ANNEXE

LETTRE DE RENSON AU PRÉFET, 4 janvier 1806: 

...Les étranges procédés (i. e. du maire Wathieu) à mon égard sont l'effet d'un ressentiment injuste qu'il a conçu contre moi. Il est devenu mon ennemi parce que, comme lui, je ne me laisse pas influencer par des êtres qui conservent encore des espérances chimériques; parce que dans toutes les occasions, où m'ont appelé mes fonctions de conseiller municipal, je n'ai jamais voulu violer la loi, ni vosarrêtés; parce que je l'ai constamment, mais vainement, stimulé à se conformer à vos instructions et à faire disparaître cette négligence, cette coupable indifférence qu'il a coutume de manifester toutes les fois qu'il s'agit du bien public; enfin parce qu'il s'imagine que je suis du nombre de ceux qui vous l'ont fait connaître. Il m'a juré ainsi que toutes ses créatures qui composent le conseil municipal une haine implacable parce que j'ai fait et que je n'ai voulu faire que mon devoir; c'est un crime chez ces gens-là que d'être attaché au gouvernement... 


LETTRE DE RENSON AU PRÉFET, 4 septembre 1806: 

...Je ne suis tracassé que par le maire lié avec des cabaretiers et buveurs de genièvre qui sont membres du conseil municipal; il fréquente surtout les cabarets du sieur Préal et du sieur Toussaint Marnette tous deux conseillers. C'est là qu'il assemble le conseil municipal, c'est là qu'en haine de mon dévouement à votre autorité il médite et délibère avec ses cobiberons sur les moyens de me nuire et de me tracasser... C'est sous l'égide de votre autorité, Monsieur le Préfet, que j'exerce mes fonctions. Toute ma sollicitude est de travailler constamment à mériter par mon zèle et par une conduite sans reproche l'estime et la bienveillance dont vous voulez bien m'honorer... 


RIGA AU PRÉFET, 22 décembre 1809: 

J'ai l'honneur de vous informer que, pour donner la plus grande publicité à vos instructions et arrêtés, dont la connaissance intéresse les habitants de ma commune, je les ai non seulement publiés et affichés à la maire et aux portes des deux succursales, mais que suivant l'importance des affaires j'ai invité les ministres du culte à en donner lecture au prône les dimanches. Le curé de Grâce s'est constamment prêté à cette lecture ainsi que M. Coune prêtre à Montegnée, mais ce dernier n'a plus osé le faire dès l'époque où les Anglais se sont montrés sur les côtés, parce que M. Masset, desservant de Montegnée, lui fit alors défense de les lire. Vous avez souvent prescrit, M. le Préfet, ces sortes de lecture aux prônes dans les mémoriaux et il en résultoit tout l'effet désiré. En général les habitans de la campagne ne savent lire et occupés pendant la semaine à différents travaux, ils étoient instruits, les dimanches, par cette lecture, des choses qu'il leur importoit de savoir et cela dans le moment qu'ils étoient réunis pour assister à l'office divin. D'un autre côté M. Masset ne chantant pas les te deum ordonnés par Sa Majesté pour les victoires, tandis que cette cérémonie religieuse a toujours eu lieu dans la succursale de Grâce toutes les fois qu'elle a été prescrite, il en est résulté un mauvais effet dans la commune. Le curé de Grâce m'en a fait plusieurs fois des plaintes avec raison...


LETTRE DE RIGA AU PRÉFET, 30 avril 1810: 

...J'ai publié et affiché à la mairie et aux portes des églises la désertion du sieur Jean Bourdouxhe ...j'en ai donné particulièrement connaissance à mes adjoints et au garde champêtre, en le prévenant que vos arrêtés contre les déserteurs et les réfractaires, qui n'auront pas profité de l'amnistie, seront rigoureusement exécutés dans cette commune, où je ne veux en souffrir aucun, ainsi que je vous l'ai prouvé, M. le Préfet, depuis que vous m'avez fait l'honneur de m'appeller à cette mairie. Vous scavez avec quel empressement et diligence j'ai remis dans vos mains ces vieux réfractaires qui y avoient été si scandaleusement tolérés par mon prédécesseur. Je m'estime heureux, M. le Préfet, de pouvoir dire que parmi ces braves de ma commune que j'ai fait partir, qui sont sous les drapeaux, il en est revenu un qui pensionné pour ses services et pour une honorable blessure, qu'il a reçue sur la rive gauche du Danube, lorsque les ponts ont été emportés, a mérité les suffrages de la commission de ce canton pour participer aux bienfaits du décret impérial du 25 mars dernier. J'ai éprouvé, M. le préfet, une véritable satisfaction en le présentant en tout comme un modèle et en le comblant d'honneurs et d'attentions pendant toutes les cérémonies de la fête du 23 de ce mois; en me conformant en cela aux intentions de Sa Majesté, j'inspirois en même temps à mes jeunes conscrits l'esprit martial, pour qu'ils se piquent de suivre l'exemple de ce brave militaire, afin de mériter les mêmes honneurs et les mêmes avantages, que j'aime à leur faire espérer. J'ai donné, M. le préfet, ainsi que vous me l'avez prescrit, la plus grande publicité à vos arrêtés des 20 vendémiaire, 17 ventôse an 12 et 15 9bre 1808, à l'amnistie, et à tout ce que vous prescrivez à cet égard. En annonçant à mes administrés tous ces objets, je leur ai rappellé les dangers auxquels ils s'exposeroient en donnant asyle aux déserteurs et aux réfractaires, mais ils étaient déjà parfaitement instruits de toutes ces choses, que je leur ai souvent répétées et dont j'ai eu l'honneur de vous rendre compte plusieurs fois et à différentes reprises. J'ai l'honneur d'être... 


Extrait de: Maurice Ponthir, Contribution à l'étude de l'esprit public à Grâce-Montegnée sous le Régime français (1805-1810), Chronique archéologique du pays de Liège, 10me année, Publication de l'Institut Archéologique Liégeois 1949.

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse