Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

Gerlach

https://www.st-gerlach.nl/pages/vita/cap1.htm     


Vita Beati Gerlaci Eremytae 


Geboorte en jeugdjaren van de Heilige Gerlach

Gerlach werd geboren te Maastricht, waar de relieken van de Heilige Servatius vroom vereerd worden. Hij stamde af van ouders die, naar de maatstaf van de wereld, in aanzien stonden. Tijdens zijn jeugd leerde hij militaire vaardigheden. Een tijdlang nam hij, zoals gebruikelijk in die tijd, succesvol deel aan militaire expedities en hij verwierf daarbij een grote faam. Hij was inderdaad groot en krachtig, dapper en zeer energiek.

Omdat tijdens de jeugd - we kunnen verwijzen naar het werkelijke leven - het menselijk hart in gevoelens en gedachten naar het kwade neigt, gebeurde het, dat Gerlach tijdens de eerste jaren van zijn jeugd, door voorspoed en succes gedreven, door de warmte van zijn jeugdig bloed aangevuurd, door de levenswijze en de vriendschap van zijn medestrijders aangezet, op het zijspoor van een verdorven leven terechtkwam en met lichte tred door het leven ging over de brede en gemakkelijke weg van de wereld. Wij geloven evenwel dat dit niet gebeurde zonder de toestemming van God, die aldus een belangrijk en verborgen plan uitvoerde. Zijn bedoeling was het klaarblijkelijk deze man, die voorbestemd was om een befaamd belijder en trouwe dienaar van Christus te worden, voor allen tot voorbeeld van oprecht berouw te stellen. Hij wilde voorkomen dat iemand, hij moge de zwaarste misdaden begaan hebben, zou wanhopen over de vraag of ook hij van de goddelijke barmhartigheid vergeving kan verkrijgen door de waardevolle vruchten van boetedoening.
Daartoe het voorbeeld van Gerlach, die uit de diepe afgrond bevrijd werd, die door de ingreep van het goddelijk medelijden onttrokken werd uit de ingewanden van het oude serpent, zodat hij een hoge graad van deugdzaamheid bereikte, en verheerlijkt werd door het uitzonderlijk voorrecht van heiligheid en vermaardheid. Inderdaad: reeds tijdens de eerste tijd van zijn legerdienst joeg hij de lichtzinnige genoegens die de wereld dierbaar zijn zo sterk na, dat hij in de jacht op aardse winst, in het afpersen en uitbuiten van arme mensen, in het genot van aanlokkelijkheden van deze wereld, haast zijn gelijke niet had, hoe bedreven de anderen daarin ook waren. Aan de stem van de goddelijke waarschuwing, die in het evangelie haar volgelingen aanmaant tot waakzaamheid in de eerste en in de tweede nachtwake, ging hij met dichtgestopte oren voorbij, omdat hij in de tijd van zijn kinder- en jeugdjaren - de eerste en de tweede nachtwake -- met betrekking tot het eeuwige heil van zijn ziel geestelijk niet voldoende waakzaam was. Maar toen Gerlach in de kracht van zijn mannenjaren was gekomen - de derde nachtwake - wekten de genade en de onmetelijke goedheid van onze Verlosser Zijn dienaar uit diens dodelijke slaap met de krachtige donderslag van de vreesaanjaging.
Hij sterkte hem met een zo grote geestelijke tucht in het naleven van de goddelijke voorschriften, dat hij, zich verheffend op de vurige vleugels van de deugden, in de genade van heiligheid de meesten overtrof, die vanaf hun eerste jaren aan het godsdienstige leven toegewijd waren, en dat aan hem, dank zij het milde goddelijke geschenk dezelfde verdiensten en dezelfde beloning ten deel vielen als aan vroegere Vaders, die in de herinnering van alle oprechte zonen van de Kerk niet ten onrechte hoog in aanzien staan.



Over de eerste fase van zijn bekering

 Toen het aan de Hemelse Gratie behaagde om Haar dienaar Gerlach uit de slavernij van Babylon te bevrijden, en hem te Jeruzalem tot een kranig verdediger en trouw dienaar van onze hemelse moeder te maken, gebeurde het dat Gerlach op zekere dag, zoals hij dat vaker deed, zich met zijn medestrijders begaf naar een ridderlijk steekspel - in de volkstaal toernooi geheten. Hij bekleedde in het leger inderdaad een funktie die in onze taal ridtmeister, dat is soldatenmeester, wordt genoemd, een funktie die eertijds met de naam krijgstribuun werd aangeduid.

Op een afgesproken dag stonden de afdelingen voor een militaire oefening opgesteld aan de voet van een vesting van Julius Caesar - naar hem trouwens Gulik genoemd - en Gerlach reed in volle wapenrusting aan het hoofd van de soldaten die onder zijn bevel stonden naar de plaats waar de kamp zou plaatsvinden.

 Reeds stond hij klaar om het gevechtsterrein te betreden, reeds hield hij zijn schild voor de borst en bracht hij zijn lans in gereedheid, toen hij door het bericht van een grote tegenslag - het overlijden namelijk van zijn echtgenote - werd getroffen en een diepe zucht slaakte. Maar geraakt door de dauw van de hemelse genade gingen weldra de ogen van zijn verstand open en hij begreep dat rijkdom vergankelijk is, dat ereposten voorbijgaand zijn, dat ze niets anders betekenen dan ijdelheid en bedrieglijke illusie.

Dadelijk en ten aanschouwe van de grote menigte strijders die daar bijeengekomen was, legde hij zijn bandelier af. De borstplaten en het tuig van zijn paarden, de luister en de glans van zijn wapen offerde hij aan de Heer, zoals de vrome koning en profeet David dat deed met water van Betlehem. Plechtig verklaarde hij voor die dingen voortaan geen belangstelling meer te hebben, ze niet meer ter hand te zullen nemen, nu zijn aandacht gevestigd was op een waardevoller leven. Naar het voorbeeld van de Verlosser, op weg enkele dagen vóór zijn passie, nam hij plaats op de rug van een nederig ezeltje en keerde aldus terug naar zijn eigen streek. Deze onverwachte en belangrijke beslissing wekte een niet geringe verwondering bij eenieder die er getuige van was




Over het begin van zijn pelgrimage

 Na zijn huis te hebben weggeschonken en zijn zaken te hebben geregeld vertrok Gerlach vervolgens blootsvoets, zijn lichaam gehuld in een haren kleed, waarover hij een ijzeren harnas droeg. Hij maakte er een bedevaartstocht van naar verscheidene plaatsen waar heiligen rusten, en bereikte uiteindelijk Rome. Daar bracht hij een bezoek aan de kerken van de apostelen, beleed er zijn zonden en vroeg aan de paus en de kardinalen dat ze hem de weg van de boetvaardigheid zouden wijzen en hem de passende geneesmiddelen van de penitentie ter beschikking zouden stellen om zijn wonden te helen. De paus legde hem op gedurende zeven jaren - anderen zeggen gedurende vijf jaar - boete te doen door in een hospitaal te Jeruzalem de armen te gaan verzorgen. Hij aanvaardde het devoot, ontving de pauselijke zegen en vertrok. Bij zijn aankomst op de heilige plaatsen zocht hij het hospitaal waar armen en zieken werden opgevangen.

 Toen zijn medebroeders in het hospitaal de reden van zijn komst achterhaalden en beseften dat hij een man van aanzien was, wilden ze hem met de minder zware taken belasten. Maar daarop antwoordde de man Gods dat hij juist de zware inspanning zocht en er niet aan wilde ontsnappen, dat hij geen eer, maar vernedering zou betrachten in dienst van de armen, ter ere van Christus, die zich voor ons vernederde. Wat nog meer te vertellen? Na lang aandringen kreeg hij het eindelijk gedaan, dat hem de taak werd opgedragen de dieren te weiden. Hij nam dus de hem toevertrouwde verzorging van het vee op zich en ononderbroken gedurende zeven jaren zorgde hij nauwgezet voor zwijnen en ander vee, terwijl hij intussen vastend en biddend zich wijdde aan de dienst van God en ononderbroken en onverbiddelijk zijn lichaam kastijdde.

 Niet onvermeld mag blijven het feit, dat hij op zekere dag, terwijl hij de kudden hoedde, bij toeval zijn voet - die ongeschoeid was - verwondde aan een venijnige doornstruik. Toen die verwonding tot een ontsteking verergerde leed hij hevige pijnen. Toen de man Gods zich evenwel herinnerde dat hij in zijn jeugd, in een vlaag van woede eens naar zijn moeder had geschopt, bracht hij dank aan de Schepper, omdat deze hem een verdiende straf had bezorgd en wel juist in dat lid van zijn lichaam waarmee hij zich tegen zijn moeder had misdragen. Toen dan de tijd van de hem opgelegde penitentie - namelijk een periode van zeven jaar - verstreken was, keerde hij naar Rome terug, over dezelfde weg, waarlangs hij gekomen was.


Hoe Paus Adrianus hem uit Rome liet heengaan

 In die tijd zetelde Paus Adrianus IV op de Apostolische stoel en regeerde Keizer Frederik over het Roomse Rijk. Deze laatste had zijn wijding of zalving van de voornoemde paus ontvangen. Deze Keizer Frederik was de grootvader van de huidige Frederik die na het overlijden van zijn vader, Keizer Hendrik, en na een successieoorlog tussen Filippus en Otto, die in het rijk grote verwarring veroorzaakte, tenslotte de wettige opvolger werd en thans het gezag in handen heeft. De man Gods, Gerlach, begaf zich dus naar Rome bij de paus en deelde hem mede dat hij de opgelegde termijn van zeven jaar boete tot een goed einde had gebracht. Nederig smeekte hij hem om richtlijnen over de aard van het religieuze leven dat hij voortaan zou kunnen leiden en over de weg die hij daarheen moest volgen.

 De paus stelde hem nu verscheidene regels voor die heilige mannen ten behoeve van zowel monniken als van kanunniken hebben opgesteld. De man Gods gaf ten antwoord, dat hij zich reeds door bepaalde geloften onverbrekelijk tot enkele verplichtingen had verbonden; hij legde hem uit, dat hij het gebruik van paardentuig, het nuttigen van wijn en vlees had afgezworen, dat hij steeds, zowel in de zomer als in de winter, de vasten in acht zou nemen, dat hij voorts het ongemak van een haren kleed en de beoefening van andere moeilijke taken zou blijven doorstaan met het oog op vergeving van Godswege. Dat zou hij volhouden gedurende de rest van zijn leven. Om die reden, zo verklaarde hij, kon hij zeker niet aansluiten bij vrome mensen die in gemeenschap onder een Regel leefden. De paus keurde de beslissing om in afzondering te gaan leven goed, rekening houdend met de voortreffelijkheid van de voorgenomen levenswijze, en stuurde de man Gods, in het bezit van de pauselijke goedkeuring, terug naar zijn streek. Hij gaf hem de richtlijn te leven in de overtuiging dat het zijn opdracht was heel zijn vaderlijk erfdeel uit te delen, niets te behouden, en dat hij, genoegen nemend met wat hij nodig had om te eten en om zich te kleden, de rest voor vrome doeleinden zou uitdelen aan kerken en aan armen. De man Gods aanvaardde deze levensregel en keerde naar zijn geboortestreek terug. De brief van de paus nam hij met zich mee en de bul, op naam van Adrianus IV, wordt als bewijs tot op de dag van vandaag in onze kerk bewaard.



Hoe hij in een holle eik een vroom leven leidde in de grootste onthechting

 Teruggekeerd op zijn eigen landerijen en beseffend dat alleen talrijke verstervingen voor ons de poort van het Rijk Gods kunnen openen, begon hij aan de uitvoering van een uitzonderlijk streng ideaal en aan een leven van ontbering, zoals wij dat in onze tijd niet meer kennen. Juist op de plaats in ons atrium waar thans zijn hoogheilig lichaam rust en er de glorie van de verrijzenis en van de zalige verheerlijking afwacht, op een terrein dat hem toebehoorde en waarover hij zeggenschap had, stond een oeroude eik, die aan zijn voet een geweldige omtrek bereikte. Daarin liet hij een ruime holte maken en een hoop stenen aanbrengen, waarover hij een matje legde. Dat vormde het rustbed waarop hij zijn ledematen de rust van de slaap gunde. Op zijn blote lichaam droeg hij een haren kleed en daarover een ijzeren harnas. In deze tijd leven nog oude mensen in onze buurt die hiervan getuigenis kunnen afleggen. Zij beweren ook dat ze voor de fundering van de kerk, die boven de resten van de zalige man gebouwd werd, van tussen de verdorde wortels van die eik zo’n massa stenen hebben weggehaald, dat ze nauwelijks in twee of drie beurten op goed gevulde wagens konden vervoerd worden. Ook beweren ze er nog resten van het matje te hebben gevonden, waarop de man Gods gewoonlijk rust nam.

 Wat moet ik nu vertellen over zijn soberheid en zijn onthechting en over de onvermoeibare volharding waarmee hij zich inspande in dienst van God? Zeker zou men mij met dit versje uit een gedicht kunnen brandmerken - zoals men dat doet met een zwaar brandijzer - : Dichters bezingen wel wonderlijke dingen, maar ze zijn niet betrouwbaar, indien er geen tijdgenoten uit de omgeving van Gerlach zijn engelachtig leven op aarde met eigen ogen hadden gadegeslagen en met hun handen betast. Deze inlichtingen gingen bij hun zonen niet verloren voor een volgende generatie, maar wat de vader aan de zoon vertelde, vertelde zijn zoon voort aan de kleinzoon. En zo hoorden wij over zijn lof en zijn deugden en over de wondere daden die God door zijn toedoen verrichtte. Een oude man, Johannes genaamd, (die nog altijd in onze buurt leeft), verzekert dat hij in zijn jeugd een heel oude nicht had, die hem meer dan eens het verhaal deed, hoe zij, in de tijd dat Gerlach zijn eenzaam leven leidde in de uitholling van een eik en toen zij zelf nog een kind was, hem het brood bracht waarmee hij zich dagelijks voedde, en dat door haar moeder, een bloedverwante van de heilige man, bereid en gebakken was. Dat brood was, naar wij vernamen uit het waarachtige verslag van deze Johannes en van vele anderen, gemaakt uit gerst die met as van hout was vermengd. Als enige drank nam hij water van de bron die nog altijd de naam draagt die ze aan hem te danken heeft: Bron van de Heilige Gerlach.

 Anderzijds, van de vruchten der aarde en van de dierlijke produkten die de seizoenen hem leverden, liet hij met voorkomendheid en met grote zorg lekkere spijzen bereiden waarmee hij de armen en de vreemdelingen die hij als gasten ontving, welwillend verkwikte, terwijl hijzelf onverbiddelijk trouw bleef aan de beoefening van de hierboven omschreven soberheid.




https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse