De leefwijze van mensen veranderde voortdurend en tegelijkertijd veranderde hun leefgebied. Zo verschenen na elkaar de jager in het bos, de herder in de weide, de boer in het dorp, de burger in de stad en tenslotte de wereldburger in de metropool. De geschiedenis van elk kan beschreven worden als het ontstaan, groei, bloei, verzadiging, afname en uitsterven van een bepaalde leefwijze. Verzadiging is de limiet die is gesteld aan het gebruik van ruimte bij een bepaalde leefwijze.
Er is bij elke leefwijze een groei van de bevolking en toename van het bodemgebruik. Steeds meer mensen maken gebruik van een steeds kleinere ruimte, totdat het te druk wordt. Overbezetting is het sein tot verandering. In de bloeitijd van de jagers kwamen de herders op. Het gebied dat een jager nodig had om te kunnen bestaan was groter dan wat een herder nodig had om zijn kudde te weiden.
Stel je een jagersfamilie voor, die zich toevallig bevond in het grootstedelijke gebied, waar nu Luik ligt. Als ik de jagers mag vergelijken met wolven, ze jagen in groepen, net zoals mensen waarschijnlijk ook hebben gedaan, dan kan de omvang van het territorium van deze familie,
afhankelijk van de voedselsituatie, op 15 x 15 kilometer worden geschat. Dat is een gebied dat bijna zo groot is als de huidige agglomeratie van Luik en daar wonen nu zo'n 700 duizend mensen.
Toen er op een gegeven moment in het gebied van Luik te veel jagers waren, kwamen sommigen, die waarschijnlijk van elders waren gekomen, op het idee, om de jacht, in plaats van erop te schieten, te temmen. Ze werden herders, die zich bezighielden met het hoeden van vee. De herders hadden niet meer zo'n groot gebied nodig. Anderen, die er ook bij gekomen waren, kwamen op het idee, om planten te kweken in tuinen. Daardoor kon men op een enkele plaats blijven wonen. Een nieuw type mensen deed zijn intrede: boeren, dorpelingen. De boer had om zijn gewassen te telen weer minder land nodig dan wat een herder nodig had om het vee te weiden.
Een dorp was per definitie een klein gebied, niet meer dan enkele vierkante kilometers groot. Handel, over grote afstanden verplaatsen van landbouwproducten, was er niet bij. Het aantal mensen dat van de opbrengst van het land kon leven, was beperkt tot een paar families. De dorpen waren op zekere afstand van elkaar gelegen.
De dorpen namen in omvang en aantal zo sterk toe, dat er tekort aan grond ontstond. In de dorpen gingen sommigen naast het agrarische bedrijf een ambacht beoefenen, smid, timmerman, slager, bakker, molenaar, leerlooier, linnenwever, mijnwerker en andere. Hierdoor kon een dorp groter worden dan in een pure landbouweconomie mogelijk was. De ambachtslieden hadden veel grondstoffen, maar veel minder land nodig dan een boer of herder. Sommige dorpen ontwikkelden zich tot een kleine landstad, weinig stad met veel platteland eromheen. In de periode van landsteden zien we de steden ontstaan die nu nog steeds te zien zijn: Luik, Aken, Maastricht, Tongeren, en andere.
Met de steden ontstond een nieuwe maatschappelijke groep, die van de burgers, een derde stand naast de adel en de geestelijkheid.
De eerste stichtingen van steden zoals Keulen, Trier en Tongeren, vonden plaats in de Romeinse tijd.
Door de Grote Volksverhuizing was er, in de vroege middeleeuwen, een verval van steden.
Steden begonnen te ontstaan, toen kooplieden, die tot dan toe als avonturiers zonder vaste woonplaats handel over lange afstand hadden bedreven, zich permanent vestigden in de beschermende nabijheid van een ommuurde bisschopszetel, versterkte abdij of burcht. Deze permanente vestiging wordt vaak gedateerd in de tiende of elfde eeuw, onmiddellijk na de Noormannentijd, maar, op basis van opgravingen, is het waarschijnlijker, dat de stedelijke ontwikkeling zonder grote onderbreking teruggaat tot in de vroege middeleeuwen. In een aantal gevallen was er zelfs continuïteit van bewoning sinds de Romeinse tijd en in enkele Maassteden, Huy en Maastricht, was er zelfs continuïteit van stedelijke functies.
De eerste stadsstichtingen waren vooral het initiatief van de steden zelf. Het stadsrecht moest vaak op een onwillige heer bevochten worden. Bij latere stadsstichtingen, toen in plaats van de handel over lange afstand functies als die van regionale markt, bestuurlijk streekcentrum of burcht meer op de voorgrond traden, was de rol van de stadsheer groter. De stadsheer had ontdekt dat de stad hem grote voordelen kon bieden als geschikte zetel van bestuur, als bron van inkomsten, als middel om mensen aan te trekken of vast te houden en als sterk militair steunpunt. Stadsrechten waren bijzondere rechten en privileges die aan een plaats werden toegekend. Hoewel hier vaak meerdere rechten, zoals marktrecht en tolrecht, onder werden verstaan, ging het vooral om het recht van de stad op eigen rechtspraak. Aan burgers werd het recht verleend hun zaak te bepleiten voor een rechtbank van gelijken in plaats van onderworpen te zijn aan het recht van de landheer. In een afzonderlijk privilege kon ook het recht op wetgeving, genaamd keur, worden verstrekt evenals het recht om een eigen schout en stadsbestuurders te benoemen. De rechten werden rechtstreeks van de keizer verkregen. Een voorwaarde was, dat de stad in staat was zich te verdedigen door het aanleggen van verdedigingswerken en een stadswal.
Burgers of poorters, zoals ze werden genoemd, vormden een minderheid van de stadsbevolking, het waren mannen met bijzondere rechten en plichten, zoals het recht om ambten te bekleden en lid van een gilde te worden of de plicht om de stad te verdedigen als lid van de schutterij. Het poorterschap was erfelijk, maar kon ook worden verkregen door huwelijk met een poortersdochter of door koop.
De manufactuur ontwikkelde zich naar industrie: de industriële revolutie.
In de nieuwe industriële maatschappij was bezit van grondstoffen belangrijker dan landbezit. Naast de traditionele grondeigenaren kwamen de grondstoffenbezitters op. Voor de industrie waren veel half geschoolde arbeiders nodig, die zich rond de fabrieken vestigden.
De ontwikkeling van de industrie in het gebied rond Luik, Aken en Maastricht is te volgen door een brede lijn te trekken van het gebied van oorsprong, bij Luik en Verviers, dat zich vooral in de eerste helft van de 19de eeuw heeft ontwikkeld, naar het gebied bij Aken, dat in de tweede helft van de 19de eeuw tot ontwikkeling is gekomen, en vandaar naar de gebieden bij Heerlen en Genk, die zich als laatste hebben ontwikkeld in de eerste helft van de 20ste eeuw. Gelijktijdig met de fasen van de industriële ontwikkeling en in dezelfde volgorde nam de bevolking in de steden toe in aantal, zo sterk, dat de steden te krap werden. De steden gingen zich uitbreiden buiten de oorspronkelijk aangelegde muren en groeiden samen met omliggende dorpen, waardoor zich in die gebieden stedelijke agglomeraties hebben gevormd.
De moderne steenkolenmijnbouw op het Europese continent is begonnen in Luik. In de Late Oudheid werd er al steenkool gebruikt. Dit gebruik is in de vroege Middeleeuwen weer in vergetelheid geraakt. Rond 1200 werd de brandbare terra nigra, zwarte aarde, opnieuw ontdekt. De zoektocht naar steenkool had te maken met het duurder worden van hout. De eerste gebruikers waren smeden, andere handwerkers en arme mensen.
De Maas als transportweg was gunstig voor de groei van de handel in steenkool. Al rond het midden van de 13de eeuw exporteerde Luik steenkool naar de noordelijke Nederlanden. De bevolkingstoename, verstedelijking en de uitbreiding van de nijverheid beloofden toen een duurzaam toenemende behoefte aan brandstoffen.
Met haar talrijke stiften en kloosters was de bisschopsstad Luik een klerikaal centrum. De grond en ondergrond waren voor een groot deel in het bezit van geestelijke instellingen. De grondbezitters beschikten volgens het principe ‘Qui possède le comble possède le fonds’ ook over de ondergrond. Zo kwam de clerus aan de steenkool.
Vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw ging men ertoe over de mijnbouw tegen betaling van de terrage, een vijfde van de winning, door derden te laten uitvoeren. Er werden concessies verleend aan particuliere ondernemers of maatschappijen om steenkool te winnen op nauwkeurig vastgelegde stukken grond. Als deelnemers van groeven meldden zich mannen en vrouwen, leken en geestelijken, burgers. Vanaf de 17de eeuw exporteerden de talrijke mijnen van de regio Luik steenkool naar Vlaanderen, het noorden van Frankrijk en de Verenigde Provincies. Verschillende factoren beperkten echter de mijnbouw: transportkosten, afwezigheid van kanalen, handmatige exploitatie. Vanaf het midden van de 18de eeuw intensiveerde de steenkoolmijnbouw zich en profiteerde, onder andere, van de aanleg van nieuwe wegen, die onmisbaar waren voor de handel.
Behalve naar steenkool werd in de grond naar galmei, zinkspaat, gegraven. Volgens geograaf Olaf en biologe Lisa Op den Kamp waren grote galmeivoorkomens te vinden in het Maasdal, rond Dinant. Daar was veel messingindustrie te vinden. Messing is een legering van koper en zink. Het koper moest van elders worden aangevoerd. Dinant ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot het centrum van de messingindustrie. Toen Dinant in 1466 verwoest werd, vluchtten veel messingmakers uit de stad weg en vestigden zich in Aken. De belangrijkste mijn bij Aken was de Altenberg in Kelmis. Er waren al in de 14de eeuw twisten tussen de hertog van Limburg en de stad Aken over het bezit van de mijn. Philips de Goede, Hertog van Bourgondië, Limburg en Brabant, nam in 1439 ‘den alden kalmynberge’ in beslag voor de landsregering. Daardoor moesten de Kupfermeister van Aken voor de galmei uitwijken naar andere voorkomens ten oosten en ten zuiden van Aken. Veel koperslagers verlieten vanaf het begin van de 16e eeuw Aken en vestigden zich in het nabijgelegen Stolberg.
In de omgeving van Stolberg waren koperertsen vrijwel niet voorhanden, waardoor koper over grote afstand moest worden aangevoerd. Het koper, dat in Stolberg werd verwerkt, kwam voornamelijk uit Mansfeld in de Harz. Zinkerts daarentegen kwam rijkelijk voor in de omgeving van Stolberg. Hier ontstonden langs de vele beken, Münsterbach, Iterbach, Inde en Vicht, de ‘Kupferhöfe’. Dit waren versterkte panden waarin de werkplaatsen en de kostbare grondstoffen beschermd konden worden. De beschermende werking van de stadsmuur die de koperslagers in Aken hadden gehad, was hier niet aanwezig. Niet alleen het feit dat men in Stolberg dichter bij de galmeimijnen zat, maar ook de grotere hoeveelheid waterkracht en de omliggende bossen waaruit men houtskool kon krijgen, waren van belang bij de keuze voor Stolberg.
In de omgeving van Aken bestonden messingen ijzerindustrie evenals de fabricage van naalden, naai-, borduur- en breinaalden naast elkaar. In de omgeving van Luik waren bedrijven voor metaalbewerking actief, vervaardiging van bestek, ijzerwaren, wapens en spijkers.
In de 18de en in de loop van de eerste helft van de 19de eeuw was de textiel belangrijk: de lakenindustrie van Verviers concurreerde met die van Monschau, Aken en Burtscheid.
In 1720 werd bij Luik de eerste stoommachine van het continent neergezet: een model van Thomas Newcomen, dat tot doel had om in een kolenmijn het mijnwater naar boven te brengen. Het gebruik van de stoommachine bleef in de 18de eeuw echter nog beperkt.
In de jaren 90 van de 18de eeuw veroverde Napoleon het land. Zijn heerschappij gaf impulsen aan de economie: hij liet de gilden opheffen en voerde een grotere vrijheid voor de nijverheid in. Tegelijkertijd ontstond er in Frankrijk een grote nieuwe markt, niet in de laatste plaats voor de steenkool.
Een Brit opende de weg naar de Industriële Revolutie, in Verviers. In 1799 tekenden twee machtige patroons van manufacturen van wollen lakens, Iwan Simonis en Jean François Biolley, een exclusief contract met de Engelse technicus William Cockerill voor de levering van verschillende soorten spinmachines. Binnen een decennium werd de vallei van de Vesdre op zijn kop gezet. Langzaam werd in alle etappes van het fabricageproces geïnvesteerd. Terwijl William Cockerill zich nog bezighield met de fabricage van producten in verband met het spinproces zelf, legden zijn zonen, John en James, en zijn verwant, James Hodson, zich toe op de fabricage van spinmachines en stoommachines. De laatste leverde aan lokale textielmanufacturen, maar evenzeer aan die van Düren, Burtscheid en vooral Monschau.
Gransire, Gezicht op de etablissementen van Cockerill in Seraing.
In januari 1817 kochten de gebroeders Cockerill van Willem I, koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, het vroegere kasteel van de prins-bisschoppen, gelegen te Seraing. Tot 1823 werden in Seraing al 43 stoommachines geproduceerd. De eerste stoomboot verliet in 1829 de werkplaatsen.
Een hausse in het aanleggen van kanalen zorgde voor een duurzame verbetering van het transportwezen. Na de oprichting van de Belgische staat in 1830 werd België ook pionier op het gebied van de spoorwegbouw. Met het uitgebreide transportwegennet profiteerde het land van de handel met de minder ontwikkelde buren. Niet in de laatste plaats was er in Duitsland een intensieve vraag naar Belgische producten, en Belgische financiers en industriëlen droegen aanzienlijk bij aan de opbouw van de fabrieken aan de Ruhr en Emscher. Na 1830 kende het industriegebied van Luik een lange periode van welvaart. In 1873 kwam verandering in, als gevolg van de invoering van het Bessemerprocédé voor het maken van staal. Deze nieuwe productiewijze maakte een herstructurering van het Luikse gebied noodzakelijk.
Vanaf 1873 kelderden de prijzen van industriële maar ook agrarische producten als gevolg van overproductie. Vroegere klanten, Duitsland en Frankrijk, hadden zich aangesloten bij de nog steeds gesloten groep van geïndustrialiseerde landen. Hun producten verspreidden zich over de internationale markt, die daardoor verzadigd raakte. De recessie duurde tot rond 1895.
Het economische herstel dat optrad aan de vooravond van de twintigste eeuw legde aan de Luikse staalindustrie twee voorwaarden op: ten eerste, de uitbreiding van mogelijkheden buiten Europa en over de oceanen, en ten tweede, fusies tussen ondernemingen die actief waren in een relatief klein gebied, om de productiekosten te verminderen.
Vlak na de tweede wereldoorlog werden subsidies verstrekt aan de Luikse steenkoolmijnen, om een herstructurering van de sector te faciliteren. Tussen 1953 en 1980 werden 35 mijnzetels gesloten en verdwenen 30 duizend arbeidsplaatsen. De fusiegolf in de staal die begonnen was aan het einde van de 19de eeuw zette zich gedurende de hele 20ste eeuw voort. Uit opeenvolgende fusies van de naamloze vennootschap Cockerill met andere maatschappijen ontstond in 2006 ArcelorMittal, de grootste producent van staal ter wereld.
Gedwongen door het economische isolement, waarin Maastricht na de Belgische Opstand was terechtgekomen, ontwikkelde Petrus Regout in korte tijd een industrieel imperium. In 1834 kocht hij een stoommachine en ronselde hij slijpers uit Wallonië en Frankrijk. Aldus begon hij aan de Boschstraat in Maastricht een kristalslijperij. Eveneens in 1834 begon hij met anderen een spijkerfabriek en in 1836 een aardewerkfabriek. In 1838 werd een glasblazerij geopend, in 1840 een geweerfabriek en in 1847 een gasfabriek. Zo werd hij de eerste grootindustrieel van Nederland en werd Maastricht de eerste Nederlandse stad waarin de industriële revolutie zich voltrok.
Het kanaal Maastricht-Luik werd tussen 1845 en 1850 aangelegd. Het verbond het Bassin in Maastricht met Luik. Langs het kanaal vestigden zich nieuwe ondernemingen: de papierfabriek Lhoest-Weustenraedt en de keramiekfabriek van Clermont en Chainaye. In de 60er jaren van de
19de eeuw werd een spoorwegverbinding aangelegd tussen Maastricht en achtereenvolgens Aken, Hasselt, Luik en Eindhoven.
De regio Eupen werd gekenmerkt door een intensieve textielnijverheid, maar evenzeer door de industriële exploitatie van galmei in Moresnet door de Luikse maatschappij Vieille-Montagne, de vervaardiging van machines bestemd voor de lakenindustrie in Eupen, keramiek in Raeren, leerbewerking en papierproductie in Malmedy. In 1908 werd de kabelmakerij van Eupen opgericht, toen de grootste industrie van Oost-België. In het begin van de twintigste eeuw, werd Sankt Vith een belangrijk spoorwegknooppunt, waarlangs erts van Lotharingen werd vervoerd naar de Ruhr en steenkool in de tegenovergestelde richting, en gaf het onderdak aan enorme reparatiewerkplaatsen.
Vanaf de vroege negentiende eeuw werden in de regio Aken met hulp van Engelse maar ook Luikse technici, eerst enkele stoommachines bestemd voor de mijnen geïnstalleerd, daarna werd gewerkt aan de bouw van het spoorwegnet tussen België en het Rijnland. De familie Cockerill- Pastor vestigde zich in Aken. Verder namen Luikenaren deel aan de oprichting van de Société des charbonnages de la Wurm. In de tweede helft van de negentiende eeuw, verplaatste het zwaartepunt van de Duitse industrie zich van de regio Aken naar de Rijn en de overkant van de Rijn. Ondernemers zoals Thyssen, Hoesch en Poensgen, die in de regio Aken hun activiteiten waren begonnen, verplaatsten zich eveneens. Toen in de 60er jaren van de 19de eeuw door de invoering van het Bessemerprocédé fosforarm ruwijzer nodig was, dreigden de Hoesch-fabrieken vanwege hun ongunstige verkeersligging hun concurrentiepositie te verliezen. De industrieel Leopold Hoesch, van een Dürense fabrikantenfamilie, besloot daarom de hoofdfabriek naar het door goedkoop vervoer over water en kolenrijkdom begunstigde Ruhrgebied te verplaatsen. Hij richtte in 1871 in Dortmund in de destijds Pruisische provincie Westfalen de Eisenund Stahlwerk Hoesch AG op, de latere Westfalenhütte. Friedrich Honigmann was een Akense mijnbouwondernemer. Hij begon met proefboringen bij Heerlen en Simpelveld en kon aantonen, dat tussen het Nederlandse steenkoolgebied en het Wurmrevier geologisch een samenhang bestond. In 1893 verkreeg hij samen met zijn broer Carl evenals de Nederlandse spoorwegingenieur Henri Sarolea de concessie tot oprichting van de Oranje-Nassau-Mijnen bij Heerlen.
Friedrich Honigmann verkreeg ook nog 29 concessies in velden bij Hückelhoven. Verder bezat Friedrich Honigmann samen met zijn broers Carl en Moritz aandelen in de mijn Nordstern in Merkstein. Met onder zijn leiding verder ontwikkelde schachtbouwtechnieken werden drie nieuwe schachten gebouwd.
Henri Sarolea was een Heerlense spoorwegaannemer, die plannen maakte voor de aanleg van de spoorlijn van Jobin naar Herzogenrath via Heerlen. In 1896 werd de spoorlijn plechtig geopend. André Dumont, een Belgische geoloog en mijnbouwkundige, was gefascineerd door de mogelijkheid dat zich steenkool in de ondergrond van de Limburgse Kempen bevond. Hij besloot, samen met anderen, een zoektocht naar steenkool in de omgeving van Genk te starten.
In de nacht van 1 op 2 augustus 1901 ontdekte de in zijn opdracht werkende boormeester Koton de eerste Limburgse steenkool.
In het Luikse gebied stagneerde de ruwe steenkoolproductie vanaf de jaren 1890, terwijl deze in Belgisch en Nederlands Limburg steeds meer opbrengsten begon te leveren.
Sectoren van de economie die gedurende bijna twee eeuwen domineerden, kolen, ijzer en staal zijn het slachtoffer geweest van structurele crises die zich hebben voorgedaan als gevolg van fundamentele veranderingen in de technologie.
In het begin van de 21ste eeuw is de tijd van de zware industrie voorgoed voorbij, maar de industrie als zodanig verdwijnt niet. Ze evolueert en kiest nieuwe locaties. Ze bereikt zelfs productierecords. Ze is gebaseerd op technologische innovaties zodanig dat van een nieuwe industriële revolutie kan worden gesproken, gebaseerd op automatisering, telecommunicatie en netwerkdiensten.
Er is een grens aan de mate waarin mensen leefgebied met elkaar kunnen delen, en genoegen nemen met nog minder leefgebied. Bevolkingsdichtheid en dichtheid van bezetting van de ruimte zullen niet eindeloos toenemen.
Ik denk aan het idee van global village van Marshall McLuhan. Massamedia hebben de beperking door tijd en plaats van de menselijke communicatie weggenomen. Daardoor kunnen mensen op een mondiale schaal communiceren. Door het internet is de wereld een groot dorp geworden. Een consequentie van het idee van McLuhan is dat het zijn van een grote stad geen voorwaarde meer is om met de wereld in verbinding te staan. In principe kan ieder dorp met de wereld communiceren. Het verschil tussen stad en dorp vervalt.
Verder zullen agglomeratievoordelen, zoals nabijheid van een arbeidsmarkt en van kennisinstituten langzaam verdwijnen. Door telecommunicatie, internet en dergelijke, is nabijheid van onderzoeksinstituten niet noodzakelijk. En datzelfde geldt voor personeel. Het economische handelen wordt niet meer beheerst door een vaste plaats. Werken op afstand zal steeds meer toenemen.
Daar komt bij, dat in deze nieuwe industrieën de behoefte aan ruimte sterk afneemt. Het oppervlak van kennisintensieve bedrijfsterreinen is aanzienlijk kleiner dan de grond die vroeger gebruikt werd voor mijnbouw en industrie. Dus hoe dan ook: er treedt krimp op. Daar valt niet aan te ontkomen. Niet noodzakelijkerwijs economische krimp of bevolkingskrimp, maar krimp van het stedelijke bodemgebruik.
De voorspelling is dat er een steeds intensiever gebruik van een steeds kleinere ruimte komt. Symbolisch hiervoor is de flexibele werkplek. Meer mensen delen dezelfde werkplek. Carpooling, meer mensen gebruiken dezelfde auto. Dit zijn veranderingen in het gedrag van mensen, die in de toekomst steeds meer te zien zullen zijn.
Anders gezegd: een steeds grotere concentratie van bevolking in een steeds kleiner gebied. De steden worden kleiner, maar er lopen steeds meer mensen rond, steeds andere mensen.
De verwachting is, dat terwijl de stad qua bezette ruimte zal krimpen, de bedrijvigheid en de concentratie van mensen, steeds andere mensen, zal toenemen. Kortom: de stad wordt kleiner, maar het wordt er steeds levendiger.
Daarom zal het begrip metropoolregio, als een beschrijving van een plaats, verdwijnen, in plaats daarvan komt een dynamisch begrip van een metropoolregio. De metropoolregio wordt een plaats waar men tijdelijk verblijft. Een metropoolregio is een plaats waar een voortdurend wisselende bevolking verblijft.
Verder denk ik, dat je, zonder te kunnen zeggen waar de congestiegrens precies ligt, toch kunt zeggen dat zo’n grens er is. Het zou wel eens kunnen zijn, dat in de toekomst een maat voor die grens bedacht wordt. Een maat of congestiemeter voor optimale omvang van verkeer, bedrijvigheid en bevolking en dat deze maat gebruikt gaat worden als norm voor kwaliteit van metropolen. Metropoolgebieden die de grens overschrijden zullen maatregelen moeten nemen, om weer onder die grens te komen. Een theoretisch model om te gebruiken zou kunnen zijn:
In een kleine stad is er geen balans van inkomend en uitgaand economisch verkeer; er is meer uitgaand dan inkomend economisch verkeer; de economische massa van de kleine stad zit onder een kritische grens.
In een grote stad, die ik als een kleine metropool zou willen zien, is er een balans van inkomend en uitgaand economisch verkeer; er is ongeveer evenveel uitgaand als inkomend economisch verkeer; de economische massa van de kleine metropool bevindt zich op de kritieke grens.
In een zeer grote stad, of grote metropool is er geen balans van inkomend en uitgaand economisch verkeer: er is meer inkomend dan uitgaand economisch verkeer; de metropool bevindt zich in een voortdurende toestand van economische congestie.
Uit het model valt af te leiden, dat kleine metropolen in het voordeel zijn in vergelijking met grote metropolen.
Karl-Heinz Lambertz, minister-president van de Duitstalige Gemeenschap in België, tijdelijk voorzitter van de Euregio Maas-Rijn, sprak in de toekomststrategie van de Euregio Maas-Rijn voor 2020 over de derde generatie van grensoverschrijdende samenwerking.
In die toekomststrategie werden de kennis en de ervaring beschreven die gedurende 35 jaar grensoverschrijdende samenwerking waren opgebouwd.
Na een eerste periode, waarin grenshindernissen werden afgebouwd, en een tweede, waarin compatibiliteit tussen de deelregio’s werd gecreëerd, begon voor de Euregio Maas-Rijn een derde periode, waarin ze naar verwachting zou samengroeien tot een grensoverschrijdende metropoolregio.
Maurer architecten hebben voor de Euregio een andere naam bedacht: Eutropolis (een contaminatie van Euregio en Metropolis), en een krachtig mentaal beeld, een metrokaart. Je legt de plattegrond van de Londense metro over de drielandenregio rond Aken, Luik en Maastricht, dan kun je, met een andere kijk en het leggen van de juiste verbindingen de regio zien als een enkele stad met een omvang als die van Londen. Dat regionale metronetwerk, de Eutropolitaan, is een mentaal beeld, het zal nooit echt bestaan, maar het helpt om de drie landen van de stad met elkaar te verbinden.
Op 7 februari 2012, niet toevallig de dag waarop het Verdrag van Maastricht zijn 20ste verjaardag vierde, verscheen The Eutropolitan Newspaper for a non-existing polis.
Patrick Italiano: De Euregio is een ruimte die daadwerkelijk wordt gebruikt, zowel voor uitoefening van een beroep als voor uitgaan en winkelen. Er is een geschiedenis van migratie tussen de drie landen binnen de stad, vroeger vooral in verband met werkgelegenheid in de industrie. Tegenwoordig zijn verplaatsingen in verband met uitgaan en winkelen belangrijker. Zij vormen de belangrijkste reden om zich naar een andere regio te begeven. Maastricht, Aken en Luik vormen de belangrijkste polen van aantrekking. De aantrekkingskracht van Hasselt is minder, maar vooral de Duitstalige regio rond Eupen mist een magnetische pool. De Duitstalige Gemeenschap trekt de minste kopers en toeristen aan, waarschijnlijk wegens het ontbreken van een echte stad, terwijl haar bewoners zich zelf het meest over de grens verplaatsen, vooral naar Aken. Daartegenover staat, dat de Luikenaren het minst als toerist of koper de grens overschrijden.
Romeinse villa
In dit huis waar woont, heeft in de achttiende eeuw een molenaar gewoond.
O, voor zover ik weet, is dit huis gebouwd in het begin van de vorige eeuw.
Dan zal het het huis hiernaast zijn geweest, waarin die molenaar toen woonde. Zijn naam was Reinier Hagens, hij is degene geweest die het initiatief heeft genomen voor de bouw van de kerk.
Ik heb die naam wel eens gehoord. Ik weet het niet, een straat misschien. Is er niet een straat naar hem genoemd?
Dat zou kunnen. Ik ken de namen van die nieuwe straten niet zo goed. Ik kom vaker met mijn fiets in Sweikhuizen, niet alleen voor de sport, maar ook voor de geschiedenis.
Ja, ja, de geschiedenis.
Interesseert jou dat niet?
Dat wel, maar voor de geschiedenis hoef je hier niet te komen. De geschiedenis, dat is geweest, vroeger, weet je wel, het dorp dat er vroeger was, dat is er niet meer, het is veranderd in een wijk buiten de nieuwe stad Sittard-Geleen, daar beneden in het dal. Er zijn veel nieuwe huizen gebouwd op deze berg, goedkope woningen en dure villa's. De nieuwe bewoners hebben het idee, dat ze terug zijn gegaan in de geschiedenis, terug naar de natuur, maar dat was ooit, dat is er niet meer. Schinnen, de gemeente waar Sweikhuizen onder valt, is een tussenland, ingeklemd tussen Sittard-Geleen en Heerlen. Alleen, als je erdoorheen rijdt, merk je daar niet veel van. Schinnen oogt landelijk. De open ruimte is nog aanzienlijk en deze wordt vooral ingenomen door akkers en weilanden, en, spaarzaam, door bossen. Het land heeft waarde niet zozeer als agrarisch gebied, maar als recreatiegebied voor de bewoners van de steden waar het tussen in ligt. Mensen die vanuit een stad in het dorp zijn komen wonen hebben misschien het idee, dat dit het vroegere landschap was, dat behouden is gebleven. Maar wie een beschrijving leest bijvoorbeeld van Henri Pijls, oud-burgemeester en geschiedschrijver van Schinnen, zal onmiddellijk merken dat er niet zoveel is overgebleven van wat er vroeger was. De open ruimte is sterk versnipperd door een aantal grote verkeerswegen. Zo is het kasteel Terborg van het meest nabijgelegen dorp Hegge afgesloten door een spoorweg en een autosnelweg die door het dal van de Geleen lopen. En daar ligt een basis van het U.S. Army Garrison bij. Dit is een ander beeld dan het idyllische plaatje dat wordt geschilderd door de schrijvers van Natuurmonumenten en andere verenigingen.
Misschien heb je sinds je in Sweikhuizen woont ook al historisch onderzoek gedaan. Het zou mij, jou kennende, althans niet verbazen.
Ik heb me inderdaad al een beetje verdiept in de geschiedenis van Sweikhuizen, prehistorische en Romeinse vondsten. Bij de bouw van het retraitehuis op de Moorhei in 1923 is een Romeinse begraafplaats blootgelegd. Bij het graven werden gave Romeinse voorwerpen gevonden, potten en pannen maar ook dakpannen. Die voorwerpen zijn in 1942 verloren gegaan. In de nacht van 5 op 6 oktober van dat jaar werd het huis per vergissing gebombardeerd door Engelse vliegtuigen. Bij de herbouw in 1944, zijn weer verschillende belangrijke vondsten gedaan, zoals scherven, een met lauweren gekroond borstbeeld en een munt met de volgende legende: IMP. CAES. NERVA TRAIAN. AUG. Daaruit kon men afleiden, dat die munt geslagen was tijdens de regering van keizer Trajanus, die in 117 na Christus stierf. De gebruiksvoorwerpen, de grafvondsten en de dakpannen wijzen, volgens de historicus Arthur Schrijnemakers, erop, dat er dichtbij Romeinen moeten hebben gewoond. De Romeinen bouwden hun villa's bij voorkeur dichtbij stromend water en tegen de zonnige zuidflank van heuvels. Deze plek voldoet aan die voorwaarden.
Wat moet ik me bij zo'n villa voorstellen?
Een villa op het platteland heette bij de Romeinen een villa rustica. Bij een villa rustica hoorden landerijen, die bewerkt werden door slaven of pachters. De villa bestond uit gebouwen en vertrekken die bestemd waren voor landbouw en nijverheid. Er waren slavenverblijven, stallen, silo's, schuren, maalinrichtingen, wijn- en olijfpersen. Werktuigen en gebruiksvoorwerpen werden op het terrein van de villa vervaardigd. Er was dan bijvoorbeeld een schoenmakerij, een smederij of een pottenbakkerij. De villa leverde producten voor de markt, voornamelijk olie, wijn en fruit. Men hield zich ook bezig met het kweken van vis en het fokken van paarden, gevogelte en vee. De villa was een agrarisch bedrijf, met een hoofdgebouw en een stelsel van gebouwen eromheen.
En zo'n villa stond hier?
Ja, dat wil zeggen, het gebouw dat hier heeft gestaan was waarschijnlijk niet het hoofdgebouw. Ik neem aan dat het hoofdgebouw heeft gestaan waar nu kasteel Ter Borg ligt. Daarnaast waren er andere gebouwen, zoals een kapel waar nu de Oude Kerk van Spaubeek is.
En hier was een begraafplaats?
Ja, tenminste dat wordt meestal aangenomen. Het gebouw dat erop stond zou dan een functie hebben gehad die daarmee in verband stond. Je mag de vraag stellen of het gebouw nog een andere functie kan hebben gehad.
Dan stel ik de vraag: welke andere functie kan het hebben gehad?
Ik denk, dat het gebouw dat hier heeft gestaan een wijnhoeve was.
Een wijnhoeve?
We moeten er rekening mee houden, dat dit al bestond in de tijd van de Romeinen. Ik stel me voor hoe dat hier moet hebben uitgezien. Daarachter, waar nu het asielzoekerscentrum ligt, lag een Romeins gebouw, daar begon de wei, die zich uitstrekte tot de weg die hieronder langs de berg loopt, en misschien stonden er op de berg, waar nu het bos is, wel wijnstokken. Deze weg liep in de eerste en tweede eeuw misschien langs wijnbergen. Het was een aan- en afvoerroute voor alles wat met wijnproductie te maken heeft.
Er wordt aangenomen dat er al sinds de Romeinse tijd druiven verbouwd worden in Nederland, maar ik heb er nooit aan gedacht, dat dit wel eens hier gebeurd zou kunnen zijn.
Ja, dat is te begrijpen, maar denk er eens aan dat het milde klimaat in de tijd van Trajanus zeer gunstig was voor de wijnbouw. De plek met hellingen op het zuiden was zeer geschikt voor druiventeelt. Bovendien was een Romeinse villa zonder druiventeelt vrijwel ondenkbaar. Waarschijnlijk was hier nooit een Romeinse villa gekomen, als de wijncultuur er niet mogelijk was geweest.
Hoe groot moet ik me de villa voorstellen?
In de gebieden die door de Romeinse legioenen werden veroverd, werd de grond die voor landbouw geschikt was, verdeeld in centuriae, stukken van een halve mijl bij een halve mijl, die bij wijze van premie aan veteranen gegeven werden. Om je een idee te geven: het is de grootte van een vierkant waarvan Terborg, Ten Dijcken, het retraitehuis en Stammen de hoekpunten vormen. Waarschijnlijk had het oorspronkelijke gebied van Terborg, dat werd verworven door de veteraan, Pullus, ook ongeveer die grootte.
Pullus?
Ja, zo noem ik hem, het is gemakkelijker om over iemand te praten als hij een naam heeft.
Maar waarom Pullus?
Waarom niet? Het beestje hoeft maar een naam te hebben.
Kip?
Och ja, als latinist begrijp jij dat, maar misschien moet je Hoen zeggen, dan begrijp je het wat beter.
Bedoel je Hoen van Hoensbroek?
Ja, en Hoen van het Hoenshuis in Voerendaal. Ja, dat zou toch kunnen? Achter Stammen ligt een veld, dat het Hoenderbos wordt genoemd. Er is daar geen bos meer te zien, maar het moet er wel ooit zijn geweest. Nou zie je maar weer, die familie is hier in dit landschap nog steeds aanwezig.
Bedoel je, dat die familie hier al vanaf de Romeinse tijd aanwezig is geweest? Sweikhuizenaren staan bekend om hun sterke verhalen, maar ik wist niet dat nieuwe Sweikhuizenaren, zoals jij, deze kunst ook al meester waren.
Ik ben zo'n meester.
Ja, meester, weet je dan ook, hoe het landgoed van Pullus er in de Romeinse tijd uitzag?
Dat weet niemand, maar misschien kunnen we ons er met een beetje fantasie een voorstelling van maken. We kunnen van twee veronderstellingen uitgaan. De eerste is dat de situatie toen totaal anders was dan nu. Dit is aannemelijk, als je denkt dat alles wat er toen gebouwd is een keer helemaal is verwoest. Bij de latere herbouw wist men niet meer hoe de situatie oorspronkelijk was geweest. Dus de herbouw verliep volgens een totaal nieuw plan. De andere veronderstelling is dat de situatie toen meer leek op wat we nu zien, dan we misschien denken. Na de verwoesting bleven waarschijnlijk gedurende enkele eeuwen de oorspronkelijke bouwwerken als ruïnes in het landschap liggen, of in de vorm van sporen, zoals de heuvel waarop de burcht stond, zodat zelfs honderden jaren later nog zichtbaar was, waar deze had gestaan. Het belangrijkste gebouw kan hebben gelegen waar nu het kasteel ligt, met een burcht, in het Latijn een burgus genaamd, waar de naam Terborg van is afgeleid. Bij die burcht was een boerderij. Of misschien was er oorspronkelijk alleen een boerderij en werd de burcht er later, in minder veilige tijden, bij gebouwd. Misschien was er nog een gebouw in Hegge, bijvoorbeeld op de plaats waar nu Ten Dijcken ligt. Het is ook mogelijk dat er een heiligdom was, waar zich nu de Oude Kerk van Spaubeek bevindt. Zowel vanuit Terborg als vanuit Hegge ging er een weg naar de wijnboerderij op de Moorhei. Boven op de berg, vlak achter het Stammenderbos kan er een verzamelplaats voor het vee zijn geweest, waar nu Stammen ligt.
En deze weg, waarop we hier lopen, was die er toen ook al?
Ja, die was er toen ook al.
Ik heb me altijd al afgevraagd waarom deze weg ooit is aangelegd. Er zijn betere alternatieven om een verbinding te maken tussen Terborg en Jansgeleen. De weg is niet vlak. Hij gaat op twee plaatsen, bij de Kasteelderweide en de Moorhei, omhoog en weer omlaag. Het is helemaal geen handige weg, tenminste als je deze moet gebruiken voor vrachtverkeer.
Ja, dat is waar, maar vraag je eens af, heeft de weg er altijd zo bij gelegen als nu het geval is? Zijn die verhogingen bij de Kasteelderweide en de Moorhei er altijd geweest? Neem eens aan, dat deze zich hebben gevormd als gevolg van erosie, die is ontstaan, toen de wijnbergen werden verlaten en aan hun lot overgelaten, de wijngaarden op de helling verwilderden, en wind en water de grond naar beneden voerden naar het dal van de Geleen. De beek moest daardoor een nieuwe bedding zoeken, wat verder van de berg af.
Ja, maar dat is niet gebeurd op de tussenliggende berg.
Dat heb je goed opgemerkt. En als je die berg nader beschouwt, zie je dat hij ook steiler is dan de twee andere bergen. De tussenliggende berg bleef dus voor erosie gespaard. De verklaring daarvan zou kunnen zijn, dat op die berg geen wijncultuur is geweest.
Hoezo niet?
Dat weet ik niet. Het ligt voor de hand, aan te nemen dat ook op die berg druiven werden geteeld. En waarom niet nog meer bergen? In oostelijke richting liggen nog meer bergen, die voor de druiventeelt geschikt zijn.
Draaf je nou niet een beetje door?
Nee, zelfs nu is er in Schinnen druiventeelt. Kijk maar eens bij de weg van Puth naar Schinnen. Daar is tegenwoordig weer een wijngaard aangelegd.
Dat komt, doordat tegenwoordig nieuwe druivenrassen zijn gekweekt, die sneller rijpen, zodat deze ook in koudere klimaten kunnen gedijen. De Romeinen beschikten nog niet over deze nieuwe druivensoorten.
Desondanks slaagden de Romeinen erin de druiventeelt tot ver naar het noorden uit te breiden.
Dat is waar, maar in de oudheid was het een beperkte cultuur, net als nu trouwens.
Ja, dat is misschien wel zo, het valt niet uit te sluiten, dat er een uitgebreidere teelt plaatsvond, maar erg waarschijnlijk acht ik het ook niet.
Wat hield een grootschalige aanpak van de wijnbouw tegen?
De reden is niet de verslechtering van het klimaat geweest, want in de tijd dat het klimaat nog goed was, had de wijncultuur zich kunnen uitbreiden, maar dat is, naar ik aanneem, niet gebeurd. Er moet een andere reden zijn geweest.
Wat zou die reden kunnen zijn geweest?
Een reden kan zijn geweest een calamiteit. Om een voorbeeld te noemen: vanaf de jaren 165 tot 180 werd het Romeinse Rijk geteisterd door De Pest van Antoninus. De ziekte werd meegebracht door soldaten die aan het oostfront gevochten hadden. De importslaven brachten onbekende ziektes met zich mee. Men schat dat een tot tweederde van alle burgers om het leven is gekomen. Ten gevolge van deze epidemie kwam er een gebrek aan arbeidskrachten, slaven, die het werk moesten doen. Een andere reden, die ook wel wordt aangevoerd, kan zijn geweest, dat in de Romeinse Keizertijd, toen er geen nieuwe gebieden meer werden veroverd, de aanvoer van verse slaven uit de oorlogsgebieden begon te stokken. Ik stel me voor, dat dit tekort aan slaven, wat er ook de reden van kan zijn geweest, zich ook hier in het Geleendal heeft voorgedaan.
Was daar niks aan te doen?
Er waren wel oplossingen. De heer van Terborg ging toen bijvoorbeeld bevorderen dat de slaven op zijn plantage een gezin konden stichten, zodat de slavenpopulatie langs natuurlijke weg in stand kon worden gehouden. Of hij probeerde delen van zijn domein onder voorwaarden te verpachten aan lokale boeren.
Wie waren die lokale boeren?
Sunuci, zo genoemd door Tacitus (Historiae 4,66), een stam of misschien een verzameling stammen, in het gebied tussen de Maas en de Roer.
Komt daar de naam Schinnen vandaan?
Ja, naar men zegt.
Was er sprake van wisselwerking tussen de Romeinse familie op de villa en de lokale bevolking?
In het begin was de Romeinse villa waarschijnlijk een vreemd lichaam in de lokale omgeving. De plantage werd gevestigd, zonder veel rekening te houden met de bestaande omgeving. De villa was gebaseerd op slavenarbeid en had de inlanders niet nodig. De villa was gericht op productie voor de markt, die vooral werd bepaald door de behoeften van legerplaatsen, zoals Maastricht en Heerlen. In de nieuwe situatie die ontstond door het tekort aan slaven kwam er een wisselwerking tussen de familie Pullus, die de villa beheerde, en de Sunuci. Daardoor konden een lokale arbeidsmarkt en ruilhandel ontstaan. De villa ging ook meer voor lokale behoeften produceren.
Ontstond er ook zoiets als culturele uitwisseling?
Dat is heel moeilijk vast te stellen. Dat blijkt alleen al uit het feit, dat hierover totaal verschillende theorieën bestaan. Zo werd tot niet zo lang geleden uitgegaan van het concept van romanisering. Het werd daarbij als vanzelfsprekendheid gezien dat de inheemse cultuur elementen overnam van de Romeinse cultuur. Zo zijn de Romeinse resten die zijn gevonden op de Moorhei gezien als cultuur die door de Romeinen was meegebracht naar het gebied van de Sunuci, die daarmee geromaniseerd werden. Een eigen culturele identiteit van de Sunuci was zo goed als niet bestaande. Romanisering was dan een eenzijdig proces dat twee aspecten omvatte: cultuuroverdracht van de Romeinen en cultuurovername door de Sunuci. Maar het proces was tweezijdig. Het was een proces van acculturatie, een politieke, sociale, culturele en economische interactie tussen de Romeinen en de Sunuci.
Wil je daarmee zeggen, dat ze meer als gelijken met elkaar omgingen?
Dat niet. Het was natuurlijk wel een koloniaal systeem, met een duidelijk verschillende rol voor heersers en onderworpenen. Maar er was, gegeven deze ongelijkheid, wel sprake van wederzijdse beïnvloeding.
Kun je daar een voorbeeld van geven?
Nou bijvoorbeeld dit. Op de Moorhei werd een bord gevonden in terra sigillata, gestempeld aardewerk, met het merk ROPPVSFE (Roppus fecit). Wij zouden zeggen: made by Roppus. Dit aardewerk was in alle regio's van het Romeinse Rijk in omloop. Het werd lang beschouwd als een soort van graadmeter voor de romanisering - maar inmiddels is men hier anders over gaan denken. De betekenis die het aardewerk had was zeer variabel per regio en het kon zelfs gezien worden als uitdrukking van de inheemse regionale identiteit. Je kunt je voorstellen, dat mensen de vreemde herkomst van de voorwerpen die ze gebruikten niet herkenden, en ze beschouwden als producten van hun streek, om de eenvoudige reden, dat het voorwerpen waren die ze dagelijks om zich heen zagen.
Bedoel je dat de Romeinen, die hier woonden, dat zelf zo zagen?
Zeker. De familie Pullus, oorspronkelijk Romeinse familie, die de wijnhoeve exploiteerde, kreeg langzaamaan een gemengde Gallo-Romeinse identiteit. Misschien had de familie zelfs een regionale oorsprong, veel militairen in het Romeinse leger hadden immers een regionale afkomst. Zelfs de taal die ze spraken, het Latijn, ontwikkelde zich tot een regionale taal, een Romaanse taal, die als inheems werd ervaren.
Hoe moet ik me dat voorstellen?
Vergelijk het met Afrikaanse boeren, afstammelingen van de Nederlanders. Ze beschouwen zichzelf niet als Nederlanders, maar als autochtone Afrikanen, of Afrikaanders, zoals zij zelf zeggen.
Afrikaanders, ja, maar geen Afrikanen.
Dat is juist, en dat vind ik goed, dat je dat zegt, want dat was in de Romeinse tijd ook zo: dat waren Gallo-Romeinen, dat waren geen Galliërs.
We weten hoe het met de Afrikaanders is gegaan, maar hoe is het met die Gallo-Romeinen afgelopen?
Daar is weinig over bekend. Het tekort aan werkkrachten dat was ontstaan sinds de pest van Antoninus betekende een slag voor de wijnbouw, maar waarschijnlijk nog niet het einde, dat kwam pas in de tweede helft van de derde eeuw.
Wat gebeurde in de derde eeuw?
Verschillende gebeurtenissen. Een gebeurtenis was een klimaatverandering: vanaf 250 werd het klimaat strenger. Zwitserse onderzoekers van boomringen hebben ontdekt dat bomen zeer nauwkeurig de geschiedenis van het Romeinse Rijk vertellen: dikke boomringen van 200 voor Christus tot 250 na Christus, daarna steeds dunnere ringen. Van 250 tot 600 na Christus, toen het West-Romeinse Rijk in verval raakte en ten onder ging en de Grote Volksverhuizing plaatsvond, was het klimaat uiterst grillig. Pas rond het jaar 600 werden de ringen weer iets dikker, een teken dat het weer wat warmer werd in Europa. Een andere gebeurtenis was een nieuwe epidemie in 251: de zogenaamde Pest van Cyprianus, die zeker 20 jaar aanhield. Deze epidemie veroorzaakte overal in het Rijk een tekort aan mankracht in de landbouw en het leger. En dan de belangrijkste gebeurtenis, volgens sommigen als gevolg van de klimaatverandering en de epidemie: vanaf de 3e eeuw begon de macht van het Romeinse Rijk geleidelijk aan af te nemen en voerden groepen Germanen van buiten het Romeinse Rijk plundertochten uit. In die tijd maakten gewapende bendes Franken gebruik van de burgeroorlogen in het rijk om de Rijn over te steken. De grootste plundertocht vond plaats in 275-276. Waarschijnlijk is Terborg en aanhorigheden toen bij een inval van Franken in de as gelegd.
Betekende dat het einde van de Romeinse villa hier in het dal?
Dat is de vraag. In de laatste twee decennia van de derde eeuw werd de rust onder de nieuwe keizer Diocletianus hersteld. Het Rijk zou na 275 nog lange tijd stand houden, totdat het viel in 476. Dat zijn bijna twee eeuwen. In die periode werd op veel plaatsen veel van wat was verwoest weer opgebouwd, maar de vraag is, of dat ook hier in het dal van de Geleen is gebeurd. Ik denk van niet.
Ik heb altijd geleerd, dat na de val van het Romeinse Rijk in 476 er een vacuüm of krijgsherentoestand ontstond, een tijd van gezagsloosheid tot het gezag werd hersteld door de Franken.
Ja, dat is het gebruikelijke beeld, maar in dit gebied en het daaromheen liggende gebied ontstond deze toestand al veel eerder, tegen het einde van de derde eeuw. In de derde eeuw is de bewoning in dit gebied grotendeels verdwenen en dat wordt vaak met de invallen van de Franken in verband gebracht.
Was de ontvolking totaal?
Nee, maar wel aanzienlijk, ik denk dat niet alle gebruik van het land werd gestopt, bewoning en gebruik van een kleiner deel van het land is in die tijd doorgegaan.
Waarom denk je dat?
Ik denk dat, omdat sporen van het cultuurlandschap zoals het was voor dat rampzalige moment in 275 nog te zien zijn. Waar zulke sporen aanwezig zijn, moet er een zekere continuïteit van bewoning en landgebruik zijn geweest.
Aan welke sporen denk je dan?
Dan kun je denken aan: de sweik, een deel van de weilanden in het dal, en vooral de wegen, ze zijn gebleven waar ze waren, ze hebben de periode van chaos in de Late Oudheid overleefd, want al deze sporen kunnen we nu nog in het landschap zien. En dat is zo kunnen gaan, doordat ook gedurende die chaotische periode het land steeds zij het misschien minder intensief door een achterblijvende groep is gebruikt.
Waar is de groep die het land heeft verlaten naar toe getrokken?
De meesten nemen aan, dat tegen het einde van de derde eeuw een migratie van de Gallo-Romeinse bevolking heeft plaatsgevonden naar het zuiden. De vraag is alleen wanneer dat begonnen is: in de vierde of de vijfde eeuw. Ik hou het op de vierde.
Was er niets meer over van de Romeinse villa?
Wat in het Geleendal opgebouwd was door de familie Pullus, de plantage Terborg en aanhorigheden, was vernield, maar toch is na een kortere of langere tijd van chaos, het is onbekend wanneer, daar weer iets opgebouwd, een boerderij die werd versterkt met een fort.
Is er niets over te zeggen, wanneer de wederopbouw heeft plaatsgevonden?
De meest geaccepteerde opvatting is dat dit in de Karolingische tijd is gebeurd. De geschiedenis van Terborg zou beginnen bij Karel de Grote in Aken. Deze keizer beloonde een vertrouweling met een stuk grond in Schinnen, en die begon met de bouw van een burcht op een motte, een kunstmatige, door mensenhanden gemaakte heuvel, omgeven door een gracht. Over die gracht lag een houten brug die bij dreigend gevaar gemakkelijk opgehaald kon worden. Bij Terborg ligt deze motte achter het tegenwoordige gebouw. Van de burcht op de motte is alleen een ruïne over. Het gebouw dat er nu staat was een voorburcht.
Is dat ook jouw opvatting?
Nee, ik denk, dat die burcht veel eerder is opgericht. Als dit pas onder Karel de Grote is gebeurd, dan is er gedurende zo'n vijfhonderd jaar geen sprake geweest van een versterkt gebouw. Dat is een behoorlijk lange tijd. Ik acht dit onwaarschijnlijk. Het was natuurlijk een slechte tijd, het fort werd vaak verwoest, maar het werd telkens weer herbouwd. Vergeet niet, dat het een houten gebouw was. Het was niet zo moeilijk om het na een verwoesting in een paar maanden weer op te bouwen.
Wanneer is dan volgens jou zo'n fort aangelegd?
Ik weet het niet, ik denk in de zesde eeuw. Het is maar een gok. Volgens Frans Theuws worden in de tweede helft van de zesde eeuw in de Maasregio weer belangrijke aristocratische graven aangelegd. Dit wijst erop, dat toen weer een migratie van het zuiden naar het noorden op gang is gekomen.
Dan is er altijd nog een periode van zo'n twee eeuwen tussen de verwoesting van de villa en het moment waarop de burcht werd aangelegd. Dat is nog steeds een tamelijk lange tijd, dat de vallei niet werd gecultiveerd. In die tijd kon het bos het oude cultuurland gemakkelijk heroveren. Niet alleen de wijnbergen, maar ook de weilanden in het beekdal en de akkers eromheen veranderden in een natuurbos, waar niet de mensen, maar de dieren de baas waren. Toen zo'n tweehonderd jaar later mensen uit het zuiden hier naar toe kwamen om het land te ontginnen, troffen ze hier een moerasbos aan, waarin geen spoor meer te vinden was van de gebouwen die er vroeger hadden gestaan. Ze hadden het idee dat ze de eersten waren die hier ooit waren gekomen.
Ja, dat is mogelijk, maar dat beeld moet je misschien wat bijstellen. Er hebben hier altijd mensen gewoond, ook al waren dat er in de Late Oudheid veel minder dan voordien. Later, vooral onder de Karolingers, in de warme middeleeuwen, toen het klimaat verbeterde, begon de bevolking weer toe te nemen, en werd een begin gemaakt met de grote ontginning, eerst van de Kasteelder gewande op de helling en daarna van de Stammender gewande boven op het plateau. Er werd niet meer gedacht aan wijnbouw.