Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

William Beveridge en Otto von Bismarck.

De sociale staat van Europa

De meeste Europese wetgeving is geïmplementeerd op basis van minimale harmonisatie. De lidstaten van de Europese Unie blijven voor een groot deel heer en meester over de sociale politiek. In de Europese Unie wordt het subsidiariteitsbeginsel toegepast.

Vanaf het allereerste begin, toen de verzorgingsstaten werden bedacht, bleek al hoe verschillend ze zijn. In de landen van Noord- en West-Europa worden ze heel anders toegepast dan in die van Oost- en Zuid-Europa.

De meest simpele indeling is die in twee modellen: het Continentale (of Rijnlandse) model aan de ene kant, en het Atlantische (of Angelsaksische) model aan de andere kant.

Het Continentale of Rijnlandse model.

De wortels van het Continentale model gaan terug naar de negentiende eeuw, toen Otto von Bismarck Duitsland regeerde. Bismarck was fel gekant tegen de opkomst van het socialisme in Duitsland en daarom introduceerde hij de socialistenwet, die bijeenkomsten en schriftelijke uitingen van de socialistische arbeiderspartij verbood. Tegelijkertijd probeerde hij de Duitse socialistische beweging een slag voor te zijn door te komen met sociale wetgeving op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en bejaardenzorg. Deze wetten kunnen worden beschouwd als de eerste Europese sociale wetten. De Bismarck-aanpak kenmerkt zich door het verstrekken van voorzieningen in overeenstemming met de bijdragen. 

Het Continentale model verwijst naar markteconomieën waarin de werking van de markt wordt afgedempt door enerzijds een hoogontwikkelde collectieve sector en anderzijds door harmonieuze samenwerking tussen de overheid en de sociale partners. Landen met een systeem van sociaal partnerschap hebben een matig tot sterk ontwikkelde burgermaatschappij; de regering ondersteunt de burgermaatschappij. De burgermaatschappij in deze landen is in het algemeen tamelijk groot, gemiddeld 7,8 procent van de economisch actieve bevolking en meer dan 10 procent in drie landen (België, Ierland en Nederland). Het meeste daarvan bestaat bovendien uit betaald werk. Het aandeel betaald werk is hoger dan gemiddeld in de wereld (5,4 procent van de economisch actieve bevolking; het gemiddelde van 35 landen in de hele wereld is 2,8 procent). In deze landen komt gemiddeld bijna 60 procent van de inkomsten van de burgermaatschappelijke sector uit de publieke sector. Bovendien zijn de meeste werkers in de maatschappelijke organisaties werkzaam in de dienstverlening (Onderwijs, Zorg en Welzijn). Deze kenmerken weerspiegelen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in deze landen. Net zoals in de Scandinavische landen, leidde het streven naar sociale bescherming tot uitgebreide en vroege bemoeienis van de overheid met zorg en welzijn. Hoewel dit gewoonlijk wordt gezien als een klassieke verzorgingsstaat, schijnt er toch iets anders te hebben plaatsgevonden. Grotendeels dankzij de macht van de georganiseerde religie, in het bijzonder de Katholieke Kerk, koos de staat ervoor om sociale bescherming op uitgebreide schaal te laten uitvoeren door particuliere vrijwillige groepen met een religieuze inslag, liever dan de dienstverlening zelf te leveren. Het resultaat was een systeem van partnerschap tussen de staat en de georganiseerde burgermaatschappij. In Duitsland werd dit partnerschap geformaliseerd tot het principe van subsidiariteit en ingebouwd in wetten van de verzorgingsstaat. Volgens dit principe zijn de autoriteiten van de staat verplicht zicht eerst te richten tot de maatschappelijke organisaties bij het oplossen van maatschappelijke problemen. In Nederland ontstond een soortgelijk systeem uit het conflict tussen voorstanders van openbaar onderwijs en degenen die het bijzonder onderwijs voorstonden in het begin van de twintigste eeuw. Het resultaat was een compromis waardoor de staat universeel onderwijs financierde maar subsidies verstrekte aan bijzondere scholen, waarvan vele met een religieuze of ideologische oriëntatie. Deze overeenkomst werd toen uitgebreid naar andere sociale voorzieningen, wat leidde tot een breed patroon van verzuiling wat inhield dat staatssubsidie werd verleend aan verschillende zuilen van particuliere instellingen.

Het Atlantische of Angelsaksische model

Het Atlantische model wordt teruggevoerd naar William Henry Beveridge, een Britse politicus, die in 1942 een rapport schreef, dat bekend is geworden als het Beveridge-rapport. Dit rapport vormde de basis voor de inrichting van de Britse verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog. De Beveridge-aanpak wordt gekenmerkt door uniforme voorzieningen.

Drie landen - het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië - delen een hoog niveau van economische ontwikkeling. De economische efficiëntie is hoog (hoge werkgelegenheidsgraad), maar daar staat tegenover dat er een hoog armoederisico is. Ze hebben dezelfde aanpak van het sociale beleid. Dit wordt gekenmerkt door een kleine rol van de staat, een relatief kleine omvang van maatschappelijke dienstverlening en een belangrijke rol voor maatschappelijke organisaties. De regering is terughoudend en daardoor is er ruimte voor de burgermaatschappij om maatschappelijke problemen zelf op te lossen. De gemiddelde omvang van het arbeidspotentieel in de burgermaatschappelijke sector is de grootste ter wereld - een gemiddelde van 8,2 procent van de economisch actieve bevolking.

Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen, zegt men, maar directe en toevallige observaties kunnen je misleiden. Statistieken kunnen directe observaties tegenspreken. Statistieken over de feitelijke ontwikkeling van de inkomensverdeling kunnen in tegenspraak zijn met toevallige waarnemingen. Men zegt bijvoorbeeld dat de topinkomens de laatste tijd enorm gegroeid zijn vergeleken met de groei van de lage inkomens. Het wordt als een schandaal ervaren, vooral als het gaat om personen die goed verdienen in de publieke sector of voetballers die onder de euro’s bedolven worden. De geniale voetballer Zinedine Zidane haalde in 2003 meer dan 13 miljoen euro binnen aan salaris, maar werd voorbijgestoken door het middelmatige talent David Beckham, die in 2004 naar schatting een inkomen van 15 miljoen euro verdiende. Zo zijn er topzakenlieden die tien keer meer dan de minister-president verdienen. Zulke voorbeelden suggereren dat de ongelijkheid van de inkomensverdeling ongekend is toegenomen. De statistieken van Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, laten echter zien dat de gemiddelde ongelijkheid van de inkomens tussen 1995 en 2005 nauwelijks is veranderd.

In statistisch onderzoek wordt de kans op vertekening (door steekproeffouten en dergelijke) zo klein mogelijk gemaakt. Statistieken zijn min of meer betrouwbaar als uitspraken over populaties, maar zeggen niet veel over individuele gevallen of concrete situaties. Bijvoorbeeld het gemiddelde inkomen van alle voetballers, zegt niet veel over het inkomen van deze of gene topvoetballer of het inkomen dat bij een bepaalde club kan worden verdiend.

Waar komen de statistieken die door de nationale statistische bureaus gepubliceerd worden vandaan? Ze komen uit verschillende bronnen. Demografische gegevens, bijvoorbeeld, komen uit de Gemeentelijke Basisadministratie waar persoonsgegevens in staan. Statistieken over incidentele loonontwikkeling komen uit enquêtes die worden afgenomen bij personen of bedrijven.

Een vraag is wat goede criteria zijn om de sociale staat van een land te beschrijven. Vaak wordt uitgegaan van een tweetal criteria: Het criterium van economische efficiëntie: meestal uitgelegd als de mate waarin de economie van het land de hoogste graad van werkgelegenheid realiseert. Het criterium van sociale billijkheid: meestal uitgelegd als de mate waarin het land het laagste armoederisicopercentage bereikt.

De missie van Eurostat is de Europese Unie te voorzien van een statistische informatiedienst van hoge kwaliteit. Het meest relevant voor het in beeld brengen van de sociale staat van Europa is de rapportage over de indicatoren op het terrein van werkgelegenheid en sociale cohesie .

De belangrijkste van de indicatoren van werkgelegenheid is de werkgelegenheidsgraad. Het is de meest gebruikte indicator niet alleen van de economische prestatie maar ook van de sociale staat van een land. De werkgelegenheidsgraad in de Europese Unie varieert in 2005 van 75,9% (Denemarken) tot 52,8% (Polen). Dit zegt niet genoeg over de sociale staat van beide landen. Andere parameters zijn nodig om de arbeidsmarkt in kaart brengen, bijvoorbeeld werkloosheid. Polen wordt gekenmerkt niet alleen door de laagste werkgelegenheidsgraad, maar ook door de hoogste werkloosheidsgraad van de Europese Unie (17,7%). Dit is hoog, vergeleken met Denemarken (4,8%). De werkloosheidsgraad meet het aantal werklozen als percentage van de economisch actieve bevolking, dit is het totale aantal werkenden en niet-werkenden. De werkgelegenheid representeert het productieve deel, werkloosheid een onbenut deel van het arbeidsaanbod. Studie van werkloosheidscijfers kan de ramingen op het terrein van de ontwikkeling van de werkgelegenheid versterken.

Ook andere factoren hebben invloed op de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Een voorbeeld daarvan is de armoedeval, het verschijnsel dat mensen die armoede lijden nauwelijks mogelijkheden hebben hun maatschappelijke situatie te verbeteren. Als ze een baan kunnen krijgen, is het loon zo laag dat werken uiteindelijk geen financiële vooruitgang inhoudt ten opzichte van een uitkering. Een ander verschijnsel, dat het cijfer dat wordt gevonden voor de werkgelegenheid kan vertekenen, is verborgenwerkloosheid.

Registratie van de werkgelegenheid vraagt om volledigheid van gegevens. Onvolledigheid van gegevens tast de validiteit ervan aan. Het zou kunnen dat verborgen werkgelegenheid (werkgelegenheid die niet door het Bureau voor de Statistiek wordt geregistreerd) het beeld vertekent. Het niet geregistreerde werk wordt verricht door zwartwerkers, vrijwilligers, werkende gepensioneerden of door mensen die een baan hebben banen in de informele sector. Ook verborgen werkloosheid (niet geregistreerde werkloosheid) kan voor vertekening van het beeld zorgen: werkzoekenden die zich niet meer laten registreren bij het arbeidsbureau, omdat ze zichzelf als kansloos beschouwen op de bestaande arbeidsmarkt; mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard, terwijl ze bij een minder krappe arbeidsmarkt een baan zouden kunnen hebben; werkzoekenden voor minder dan 12 uur per week; werkzoekenden ouder dan 57,5 jaar, die zich niet meer hoeven in te schrijven en geen sollicitatieplicht hebben; verborgen werkloosheid bij bestaande arbeid: wanneer iemand is aangesteld voor meer werk dan hij eigenlijk doet. Ook kan het zijn dat sommige banen kunstmatig gecreëerd zijn terwijl ze niet strikt nodig zijn.

Sociale cohesie (sociale samenhang in de maatschappij) als tegengestelde van maatschappelijke tweedeling of sociale uitsluiting.

Een blik op de indicatoren die Eurostat vat onder sociale cohesie, is voldoende om te zien dat het begrip sociale cohesie sterk gekoppeld is aan het hebben van werk en inkomen en de rechtvaardige verdeling daarvan. De belangrijkste en meest gebruikte indicator van sociale cohesie is het armoederisicopercentage. Andere parameters zijn nodig om de armoedebestrijding in kaart te brengen Een van de indicatoren van sociale cohesie is ongelijkheid van de inkomensverdeling. Volgens gegevens van Eurostat is de inkomensongelijkheid in de Europese Unie in het afgelopen decennium bijna niet toegenomen; het armoederisicopercentage vertoont hetzelfde beeld.

De mate waarin het een land lukt zijn burgers te beschermen tegen armoede is een indicatie van sociale rechtvaardigheid, rechtvaardige verdeling van de welvaart en instandhouding van een levensstandaard boven de armoedegrens. Er bestaat een verwachting en soms een overtuiging dat werkgelegenheid de beste remedie is tegen armoede (en de daarmee gepaard gaande sociale uitsluiting). Alleen duurzaam werk biedt ontsnapping uit armoede. Regeringen zetten uitstroom naar werk en aanpak vanarmoede centraal in sociaal beleid.

Evaluatie van 15 EU-lidstaten naar werkgelegenheid en armoederisico in procenten. Eurostat, 2005 en 2010.

De correlatie tussen werkgelegenheid en armoederisico heeft in 2005 een waarde van -0,795. De waarde in 2010 is -0,791. De waarden zijn nagenoeg aan elkaar gelijk. Beide waarden laten een sterke negatieve correlatie zien, wat wil zeggen dat in gemiddeld 8 van de 10 gevallen hoge scores voor werkgelegenheid gepaard gaan met lage scores voor armoederisico en vice versa.

Het is typisch te noemen, dat Eurostat onder de indicatoren van sociale cohesie er geen vermeldt, die verwijst naar actief burgerschap of participatie van burgers. Sociale cohesie wordt eenzijdig in de context van armoedebestrijding geplaatst. Armoede en sociale uitsluiting worden vaak in één adem genoemd, en dat is ook wel te begrijpen, omdat sociale uitsluiting wordt gezien als een implicatie van armoede en als zodanig is sociale uitsluiting van alle tijden. Een andere opvatting is dat sociale uitsluiting een moderne vorm van armoede is en als zodanig is het iets nieuws of tenminste een nieuwe interpretatie van een oud verschijnsel. Volgens weer een andere opvatting is er een verschil tussen de begrippen armoede en sociale uitsluiting. Armoede verwijst naar één soort tekort, namelijk een gebrek aan financiële middelen. Sociale uitsluiting verwijst naar allerlei tekorten, niet alleen een tekort aan financiële middelen, maar ook tekorten die met volwaardig burgerschap te maken hebben. Kortom, sociale uitsluiting verwijst niet alleen naar armoede, maar ook naar een gebrek aan actief burgerschap. Positief geformuleerd: sociale inclusie verwijst naar een toestand waarin burgers niet alleen delen in de welvaart maar ook participeren aan de samenleving. In een onderzoek naar de sociale staat van een land volstaat het niet te kijken naar indicatoren van werkgelegenheid en armoede. Het begrip sociaal verwijst niet alleen naar een waarde op de schaal van welvaart en armoede, maar ook naar sociale inclusie, een waarde die verwijst naar de mate waarin burgers deelnemen aan de samenleving. Een derde term (burgerschap) zou toegevoegd moeten worden, waardoor er een trits ontstaat van werkgelegenheid, vrijwaring van armoede en actief burgerschap.

Een indicator voor het meten vanactief burgerschap is ontwikkeld door het Center for Civil Society Studies. Deze wordt aangeduid als de Civil Society Workforce. De Civil society sector workforce wordt begrepen als het aantal maatschappelijk actieve burgers (personen werkzaam in organisaties van de burgermaatschappelijke sector) als percentage van de economisch actieve bevolking. De burgermaatschappelijke sector omvat enkel niet-gouvernementele organisaties van mensen die zich vrijwillig en zonder winstoogmerk erbij hebben aangesloten. Het kan gaan om formele en informele, religieuze en seculiere organisaties. Zonder winstoogmerk, dat betekent niet dat geld geen rol speelt. De vrijwillige inzet betekent niet dat er geen professionals aan deelnemen. Deelname aan maatschappelijke organisaties wordt uitgesplitst naar: professionals en vrijwilligers. De middelen waaruit de maatschappelijke organisaties putten worden verdeeld in subsidies, salarissen en liefdadigheid.

De burgermaatschappij valt niet samen met het vrijwilligerswerk. Het gaat bij vrijwilligerswerk om georganiseerde vrijwillige inzet. Ongeorganiseerde vormen van vrijwillige inzet, zoals mantelzorg en informele hulp vallen er niet onder. De tijd die mensen ongeorganiseerd besteden aan vrijwillige inzet, is niet te meten. Men schat dat daar veel meer tijd mee gemoeid is dan met het georganiseerde vrijwilligerswerk.

Een verwachting zou kunnen zijn, dat de burgermaatschappij een bijdrage kan leveren aan de bestrijding van armoede; maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke rol spelen in de zorg voor de minder bedeelden in de samenleving. Dit is echter niet altijd het geval. Er zijn landen (zoals het Verenigd Koninkrijk en Ierland) die eruit springen met een sterke burgermaatschappij; ze hebben veel maatschappelijk actieve burgers en er is een grote deelname aan maatschappelijke organisaties. Toch hebben ze te maken met een relatief grote groep van armen. Andere landen (bijvoorbeeld Tsjechië) hebben een zwak ontwikkelde burgermaatschappij, maar kunnen zich er tegelijk erop beroemen dat ze relatief weinig armen hebben.

Evaluatie van 15 EU-lidstaten naar actief burgerschap (vrijwilligers en professionals die werkzaam zijn in maatschappelijke organisaties als percentage van de werkende bevolking). CCSS, 2003

De correlatie tussen armoederisico (2005) en vrijwilligerswerk (2003) heeft een waarde van -0,655. Deze waarde laat een matige negatieve correlatie zien, wat wil zeggen dat in gemiddeld 6 tot 7 van de 10 gevallen hoge scores voor vrijwilligerswerk gepaard gaan met lage scores voor armoederisico en vice versa.

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse