Berend Willem Hietbrink. Foto: Ermindo Armino
beste vliegende postduif, het is allemaal zo overvallend voor mij en komt er nu ook niet heeel veeeel op jou af? ik ben 40 jaar bezig hiermee heb drieduizend onuitgegeven teksten met en zonder rijm. en besef dat op het einde iemands leven in een stroomversnelling komt. hoe lang mogen de teksten zijn en houdt het ook de aandacht van de mensen vast? is het niet spannend om ze iedere keer opnieuw te lokken? daarom dacht ik dat ik jou de teksten stuur van der dieren diets. alle de dieren dragen de naam naar hun gedrag of voorkomen. en dan kun je zelf met mondjes maat en interesse vast houdende keuzes maken en het leukste nog zou zijn dat bij deze beroemde dieren uitleg nog steeds plaatjes of tekeningen van die dieren komen. het is voor mij zelf het beroemdste projekt ooit. maar ik kreeg het maar niet uitgegeven. daarom misschien langs deze weg. besef jij zelf wel dat er in vele opzichten zeer origineel werk naar jou toekomt, moderaadheer?
en het dier heeft de mens getekend. daarmede bedoelde lucebert dat het dier de mens alles heeft voorgedaan, zogenaamd van de dieren afgekeken.
schildpad, schildpoot, je ziet alleen zijn schild en zijn poten, en schild betekent dan ook nog weer eens schuilt.
de wezel, die wisselt. wisselt der seizoenen twee maal van vacht. winter wit of een bruine vacht als zomerdracht. schutkleuren, om te zich te beschutten tegen, hebben de meeste dieren zodoende aller wegen.
insekt, inzuigt. en waarom zouden er dan wel enge beesten zijn. alles wat leeft, moet kunnen eten, en drinkt zich vol. hevige jeuk soms, af en toe klein beetje ergens pijn. alles bestaat uit happer de hap en eist zo zijn tol. eten, uit in, alles van buiten naar binnen. het sleurpt en slorpt, slikt en slokt brokken. elke dood elk einde is een nieuw beginnen. ontbinding is vernieuwend tot spijzen lokken.
stront, stuur rond, alsmaar onze afvalresten. poep, pies, en noem het maar geen viezigheid. daarmee kan de aarde zich steeds bemesten. zo afval bestaat eigenlijk niet in de eeuwigheid.
de maaier maait mede klaproos en korenbloem, ons koren de werkelijke roem. alle korrels samen ongeteld, brood op de plank het enige dat telt. en opgegeten, uitgescheten via mond en kont, is er nimmer ook maar één rest der evolutie, moeten wij weten, is enkel stront en mest.
puppies, poep pies, moeder, mens of dier, verschoont het. het eigen nest wordt ter gezondheid niet bevuild. de gehele natuur in alles een ongeschreven wet. een mensenkind eigenlijk nog het meeste huilt.
zelfs al wat mank is of mislukt, niet of half tot wasdom komt… blijft ergens tot wellust der totale bioindustrie. niets eigenlijk rotzooi en mengt zich toch als mest, delft tot hernieuwing, ook al was het een kadaver, het wurmt zich tot leven, blijft voeding voor voedsel voor altijd en altijd.
denk aan al die ontelbare eieren die even smakelijk te verorberen zijn ook als ze niet uit komen en zo wel de kippen boer de haantjes de nek om draait daar hij kippen boer en mest haantjes weer aan ander beroep
ei heet ei, men nergens weet van te voren of het een hij of zij is, alles een loterij
een kweek of een kwakje zaad nergens verloren gaat, telkens weer geil komt tijd komt wel klaar, niets als verloren beschouwd en wacht ook het roofdier zijn kans af sleept eieren uit het nest
terwijl de koekoek haar ei in het lege nest dropt, der ganse natuur in even wicht vereeuwigd. roof dier en roof mens in het gelijk het hele eieren eten. kijk, kijk, daar hebben we de koekoek, moet zeker zijn ei weer kwijt, zoekt een nest, ook gooit zij gewoon de andere eieren zoek. uitbroeden en voeren de andere vogels rest.
de spin spant een web en dat is weven. ook hier in heeft het dier de mensen voorgedaan. het dier doet vaak voor, hoe de mens kan leven. slachten zij dieren af en trekken hun kleren aan.
wol fijn komt van deze wolven huid. trekken wij hun lang harige jasje aan. ja zo kleden wij de meeste dieren uit. zo ook nog trots voor een spiegel staan. de wolf zelve is des mensen niet gevaarlijk. de wolf is zelfs zeer angstig voor de mens. ja zoveel dieren nonsens is er onbedaarlijk. te dragen een wolvenhuid is de ware wens.
daarom vele dieren een slechte naam gegeven. eng, gevaarlijk, wreed en veelvraat, beestachtig. draai maar rustig om, mensen van dieren leven, nee, die sprookjes zijn werkelijk niet waarachtig.
de olifant, al heffend, pakt met zijn slurf boomstammen. met zijn slagtanden, hef voor, ivoor, in juist evenwicht. door de mens hem aan geleerd in temmen en te tammen. trouwens al het sjouwen schijnt dit dier zo wonderlijk licht.
op de pappegaai, babbel ga je, en de parele kiet na, kunnen dieren nu ten enemale geen medeklinkers vormen. koppie krouw is kopje krabben, want dat heeft ze zo graag. goeie morgen, hoorde eens een inbreker, en deze sloeg hevig geschrokken toen op de vlucht.
zo u wilt, vertalen we alle dierengeluiden in onze menselijke taal. bijvoorbeeld het blaten der schapen, bij laten, omdat het ooi, oude, en het lam bij elkaar willen om te zogen, zuigen.
zo mak als een schaap, spreekt het woord. in een ogenblik te vangen en te slachten, schaap is gauw hap, onschuldige moord. houd de kudde groot, het eten kan wachten.
lammeren, laat maar rennen met hun dartel, door het dollen gedoe. het onschuldig lam is ook het symbool van vele geestelijkheden, islam, us lam, hier aan etenswaar verbonden in zijn natuurlijke oersprong.
hoe lelijk ze ook schreeuwen die meeuwen. hier zien we pas echt wat een naam wel bedoelt. voortaan zult u nu de meeuw ook heel anders bezien. kijk eens hoe ze zich mee laten drijven op de termiek van de wind. met de wind werd mee wind, meeuwen, en dat is hun kunstig spel. mee u wint, en zo alles gewonnen.
ook de valk heeft aan zo iets dergelijks zijn naam te danken. zwevend speuren zij over de landen naar prooi. opeens val ik.
ook de sperwer, speurt waar iets valt te halen. de kraai graait en de raaf rooft, vogels en vleugels, vlieg en vlug, alles van een en de zelfde afleiding in woordbeelden.
het boeren dialekt in limburg zegt nog steeds bosarend. de arend beherend het ganse lucht ruim. adelaar, had aller. geen enkel ander dier kan hem aan. havik, heb ik, have ik. hier dialekt diets, engels saks en hoog duits van alles door elkaar. vooral de limburger heeft geen enkele moeite om de vele dieren namen in hun oersprong te begrijpen. zwaan, schoon, schouw aan, sjwaon en de sjon sjeint sjoen sjeng, ook van het zelfde.
heem sta er, zegt de hamster en blijft thuis. zoveel mogelijk voedsel proppen ze in hun wangen. hamsteren leerden wij van hen, zoveel mogelijk in huis de voorraden op peil, wat kan men nog meer verlangen.
thuisblijver is thas, das zonder zorgen. zeldzaam om ook maar ergens soms te zien. eten en slapen in zijn burgt, bergt en geborgen. hem als das omdoen is minder fraai misschien.
altijd haast de haas, geen tijd om een hol te graven. zijn leger ligt er open en bloot in het veld. eten en drinken en als maar door te moeten draven, ontvluchtend heel de wereld vol van jagersgeweld.
de bevers zijn de bouwers bij uitstek. we kennen ed en willem van de fabelenkrant, maar dat fabeltje is nog niet zo gek, want ze hebben altijd wel iets aan de hand. hele bomen tand beitelen ze zomaar om, sjouwen en bouwen hun waterburgtverblijf, takken vlechtend recht of zelfs krom. werken samen aan een groot bouwbedrijf.
albatros, al boot trouw, is deze zeevogel soort ter hoeden, volgt het schip alle dagen en nachten over zee, komt alleen aan land om zijn eieren uit te broeden. zij waaien zonder vleugelslag met alle winden mee.
specht is pikt en weer geeft zij een roffel op de boomstam. woudpikker is woody pecker als zij een hol uitholt
kikker, kwaker durft zich wel te kikken. ik waak, ik waak is kwaak kwaak kwaak. wie blijft er niet wakker van deze kwakker. hij wil maar niet komen, onze klaas vaak.
mol, om woel, mol in den blinde, op de tast hun wegen wel te vinden. de molshoop verraadt echter hun aanwezig zijn. maar de terreinknecht vindt dat dan niet zo fijn. hij staat klaar met zijn schop of spade boven op zijn kop en kent geen genade.
de gazelle, ga zo helle, ga zo snelle, ongedwongen zwevende sprongen. kunnen we het nog mooier vertellen? al eeuwen lang deze naam gezongen.
de pinguin, pen wink. spits met hun gepinde vleugels wenken lopend in de houding der mensen gaan ons vertellen wat ze van ons wel denken je zou er misschien nog versteld van staan
de rat, rot dat kan wel zijn, maar de mens maakt meer kapot. de rat leeft in zijn riolenhol, maar de mens die schijt hem vol.
de ram en zijn berucht rammen, deelt ter verdediging kopstoten uit, door rammen is drammen, de jager ontgaat dan de buit .
ook de bok bukt zo bokkig en pakt je als het moet pok pak. bovendien zijn heel erg hokkig, staan het liefst op hun eigen dak .
de muggen die zijn mager. in hun lijf een streepje bloed, zuigen zij toch zo graag er aan ons te goed waarom moet
wormen, zij warmen, zetten om in mest, zijn levende darmen, de natuur doet de rest.
alligator, al ik eet door. kan niet schelen rijp of rot, alles gaat door zijn strot. wijd open gesperd zijn muil, werkelijk een levende valkuil.
lachen ons kreukels, wij krekels, kreten kreiten de ganse dag door. haast onzichtbare kleine rekels liggen snerpend in al het gehoor. onderkruipsels, insluipsels. leg ze onder een microscoop, griezels, u gaat op de loop.
vlooien luizen en de neten, allemaal familie van elkaar, slechts uit zuigen en eten, maken al deze schepsels waar.
vlooien vol laaien met bloed, in levend vlees vast gebeten, vermenigvuldigend met spoed, uitzuigend zonder enig weten.
luizen, lui zijn parasiterend, wonen vastgebeten in uw huid. met niets doen al presterend het zelfde liedje zuigen uit.
neten, in eten, en ongemerkt schurften en scheuren los, schilfers naar binnen werkt. argeloos zijn wij de klos.
lintworm, lengte worm enorm. hoe meer u eet, te meer zij eet. zo blijven ze steeds in vorm, totdat de arts zijn lengte meet.
mot, moet eet, motten wij eten, maken uw stoffen tot nesten. gaten zijn er zo in gebeten. u houdt de stoffelijke resten.
mijt, mee eet, u zult het weten. huis en stofmijt wemelt overal en overal wordt er mee gegeten, juist waar u het niet merken zal.
parasieten, paren als eten, maar in ontelbare soorten en maten vermenigvuldigen en komen klaar. zou niets zijn, als we niet aten.
parasiteren, paren als eet teren, te vreten, desnoods te vermoorden, elk in eigen belangen af te weren, moet eten en anders gegeten worden.
doch ieder moet hap hapjes doen, de een aan de ander te sterven .de schepping altoos in fatsoen. blijft over de larven als erven.
zijn het aapmensen of mensapen, is nog lang geen uitgemaakte zaak. om aan verstand te kunnen geraken, de evolutie heel lang in de maak.
de aap geluidnabootsend spreekt warempel de haa hoe hoe hoe uit en kan wat miljarden mensen niet meer kunnen, de letter ha als hijg- en opwindingsletter goed uitstoten.
en zoals ieder dier ook de aap wil gaarne happen en is daartoe bereid zelfs ongevraagd overal het voedsel weg te grissen.
aap, hap, desnoods ga happen, gappen. de wildernis geen enkel probleem. als ding of speeltje aan te pappen past geen enkel natuurlijk systeem.
waarom dan zo gaarne aapjes kijken of het naäpen, wie aapt wie daar na? daar mens en aap op elkander lijken, om ‘t vreten zegt ieder dadelijk ja.
en breng je mij dan een aapje mee, toneelspel de jantjes laatste zin. levend speelgoed van over de zee, miljoenen aapjes vermakelijk gewin.
monkey, monnik, daar de missionaris bracht als eerste dit dier hier, als bijverdienste, echt waar, is slechts tot tijdelijk speelplezier.
chimpansee, slim peinze. op hun intelligentie zover getest, ach toe, wat een gesol toch, mensen, ondertussen werd deze aap verpest.
gorilla, ga rillen, blijf uit de buurt, bokito blijdorp heeft het ons bewezen. een aap in een kooi alsmaar begluurd. dierentuin uit de tijd, laat wel wezen.
oerang oetang, oranje huid aan. met prins bernard, familie van de oranje, ook dit soort bedreigd in zijn bestaan. niets aan de hand, zuiver oranjeklant.
de makakken, maak kakken, schijten overal, lopen los, pakken wat ze kunnen pakken. de makakken het wel geen zorg wezen zal, daar waar ze eten, zullen ze maak kakken.
de baviaan, papen ioon, der griekse papen. ook hun missiewerk bracht aller soorten kapucijnaapjes, monniken, de naam der apen, al die dieren in het ongeluk te storten.
het gebons der gibbons of de klauw aap, smal en breed neus apen, hap loeren en ja, welke aap loert niet op happen of kaap, een aap loopt gewoon het eten achterna.
der dieren diets, geen latijnse namen. manderil, mantel ruil, ruilhandel toen. de paap en de aap leefden toen samen, dan dacht men met de duivel van doen.
afrika, affenrich, dat is het apenrijk. dit werelddeel dus naar de aap genoemd en is er met de aap niet eeuwen lang gesold en al naapend in het artiestendom opgetreden.
soms als huisdieren niet welkom, toch blijven ze steeds wel komen, al dat gepiep doch zijn niet stom, leven liever in huizen dan in bomen.
muizen, mussen, mee huizen, en zo al deze dieren ongevraagd mee huizen en daarin de terechte naam dialekt diets gekregen.
zitten overal waar het wat kruimelt, ongevraagd tot huisdieren behoort, schamel en meehuizen zo onbeduimeld, ach als de kat het maar niet hoort
kat, ik had, kaats, catch, kat, geklauw, geklooi ons spelen, weten wel niet, mooi omdat we ons anders zo vervelen.
de koe en de stier doen niets anders dan kouwen cow kou ik, kaak hun kaken malende muil, koeien, die loeien, willen hooi laaien, gras en grazen, gras in, vee, vei, wei.
melken, mij likken, zo krijg je melk. melk is wit, omdat er kalk in zit. kalk al onze beenderen en botten. ik al lik, kalk, wit, wit, wit, altijd wit, glanzend wit niet snel zal rotten.
sta er, stoer, stay er, stier, en heus, toch zo jammerlijk, die ring in je neus, je kudde zo selektief te bespringen, tienduizend keer klaarkomend zingen.
kalf, koehalf, vaars, vers, ook nog jong, je bovenstuk, biefstuk, bief in het kort, ossenstaartsoep en zelfs taaie tong, pens, huid en haar, alles verwerkt wordt.
brabants bont, brabant, ook in jouw naam, veel wereldse fok van hollandse school, te hooi en te gras als huisdier bekwaam
ik zag twee mensen zich voor beren smeren. o dat was geen wonder! beren, laat je benen rennen. maak dat je weg komt, want wie wil eigenlijk vechten met de beer, de beer is los, alleen in de natuur kennen ze hun ware kunsten. en hoe griezelig is dan wel die grizzlie beer? en de prachtige ijsbeer zonder vijanden, de pandabeer door de witte banden zijn naam verbonden, de bruine beer, de zwarte beer, de teddybeer, teder beertje.
de ezel, dit schitterende dier, eigenlijk een scheldnaam, achterste hol werd aarshol, werd asshole, werd ezel. omdat het dier zo koppig lijkt en niet werken wil. dan gaat de domme mens op zijn achterste slaan, maar het dier is slimmer dan menigeen denkt.
daarvan doe ik hier een ooggetuigeverslag. jerusalem 1964. de arabier en het slimme ezeltje. aan twee kanten bepakt kwam door de nauwe poortstraatjes van het oude jerusalem een arabier met zijn lastezel. de ezel bleef echter voor het te smalle poortje gewoon weg staan. hoe de man ook sloeg en schopte en manouvreerde, de ezel verzette geen poot. wat de man namelijk wou, de vracht er niet af en weer op laden en diagonaal proberen eerst de ene helft en dan de andere helft langs het poortje te wringen. dat liet de ezel dus niet toe. het tieren en schelden hield even op, toen de man na 10 minuten dan toch maar de last even op de grond liet zakken. en hup! meteen liep de ezel door het poortje heen en bleef vervolgens braaf staan. de ezel wist dat hij klem zou komen te zitten en dan hoe kwam dat dan wederom weer los zeker 24 uur niet vreten? gemakzucht maakt de mensen dom. een ezel schuurt zich zelfs niet eenmaal langs steen.
maar gelukkig ook het dier zo duur en velen toch dierbaar. hoe duur is dat? hoeveel dier krijg je van mij. of hoeveel kost mag het wel kosten?
voor dick bruna. konijn, kouw en in, grassprietenknabbelaar. laat je de ko weg, dan krijg je nijntje. kinderachtig, maar volwassen waar. zo houden ze kinderen aan het lijntje.
het gordeldier en de nerts, omdat de mensen er mooie gordels van maken. pelsdieren voor pelzen, de nerts, en eerst, de eerste onder de pelsdieren. jammerlijk louter om het bont te fokken, leven zij in geen enkel natuurlijk land. op de vierkante centimeter in hokken, af en toe is daar een bevrijdende hand.
hermelijn, hou er mij lijn, slank en wel gevormd pelsdier. hoeveel hermelijnen gaan er in een koninginnemantel? en dat terwijl zij deze mantel een enkele keer draagt.
fuut, ook wel waterhoentje, foet is de fuut. daar gaat ze onder en waar komt ze uut? onvoorspelbaar, dat valt nergens te lezen. foet zijn is limburgs wegwezen.
de voren, vooraan zwemt deze vis. van voren wordt ze gevangen, omdat de voren de voorste is, zal zij ook als voorste hangen. iedere visser smijt haar terug als een waardeloze vangst, aast wederom van voren vlug en leeft zij zo toch het langst.
de tapier is een tapdier, aftappen van de grote hoop. slachtoffer is de nijvere mier, smaakt als zoete mierenstroop.
bijen, bij een hangende in een tros, tam of wild, de koningin nooit los. honing, hanging, honey, hang, in raat door de imker, om keer, omgedraaid.
sommige dierensoorten zijn genoemd naar wat de mens er mee uitspookt, in die zin van veebedrijven, vee bij drijven, het woord zegt het al.
hiervan laten we er nu een aantal volgen.
het varken voer ik aan, als maar blijven voeren, ook als spaarpot symbool vet gevuld of gemest. het zwijn, zo win, maak winst, denken de boeren. de slachter die lacht er en rekent op een rest.
haringen, hou ring in, dat was de vangmethode. deze houw ring sleepte men naar de haven toe. vlaggetjes dag was dan de blijde haringen bode en men werd het leeg te scheppen nimmer moe.
gekweekt tussen palen een gespannen net, palingen hangen als het ware tussen de palen, paal hangen, palingen gerookt in eigen vet. bij nico van wijk op de kermis zijn ze te halen. duiven, te hou van, liefkozend koeren. zoveel lusten, maar soms ook overlast, zelfs van af je schouders te voeren. is dat een sport? hen op hokken vast. klepperen weer naar huis van zo ver, de ongekroonde duivenpost helden. de duivenmelker, duiven meld ik er, in wedstrijd verband op tijd melden.
giraffe, oerspronkelijk sierhoofd, sierlijk getekend zijn nek en hoofd. deze dieren zijn uniek boomgrens etend, op onaantastbare hoogte kabbelend groen. de schepper zeer goed uitgerekend wetend wat en waarom dierenmanieren zo van doen.
de kanarie, kan en rie, kan hele aria’s laten horen, een riedel geven. de kanarische eilanden, ik heb er nog nooit een kanarie gezien.
kakketoe, kakken totaal alles vol. ja, en ze zijn met zo vele en ze hebben een lol. de natuur kan het niets schelen.
kolibries, honderd en zoveel vleugelslagen per minuut, dat zorgt dan voor een koele bries
de ooievaar in het haagse wapenschild, ooivaar, oude vader, den haag dat zo wilt. heel het vaderland onder haagse hoede der haagse vaderen ons zo bevroeden.
lepelaar, klep al hoor, hun klepperende snavels, snap alles.
de ooivaar ook als kinderen brengend symbool, ja, maar natuurlijk! want ze komen van de ooie, oude, brengt de jongen. de man bevrucht de vrouw, ouwe, het kind is ook van jou.
luister naar de lijster, naar de merel, die mare al, de nachte galm der nachtegaal.
de vink vank, viva la vink, via het vinken touw gevangen. vinkenslag. jammerlijk nog onbeschermd in het verleden. en gevankelijk af te voeren om twee redenen, eten of voor de sier verzamelaars.
blinde vink, slagershandel, slavinken, slachtvinken, en daar konden ze wel van alles blind tussen stoppen.
luistervink, door af te luisteren, iets proberen op te vangen.
de hyena, hou een, blijf bij elkaar. zeldzaam zulke sociaal in familieverband levende dierengroep. dat kunnen we maar al te goed op films zien en heeft verder geen woord van node.
de jakhals, familiair, doch een andere betekenis. jaagt op alles wat ook maar even beweegt, en dat met zulk een vasthoudendheid, dat menig dier, hoeveel ook groter, het afleggen zal. jankhals, ook dat zou nog kunnen, want zich aanstellen kunnen ze ook nog als de beste.
kevers en kakkerlakken, wat doen ze anders? voedsel kouwen met hun kever kaken. alleen is het voor de mens geen plezier, als ze onze voedselvoorraden opmaken. kever, kouw voer, en kakkerlak, kaker al, hakken. ze hakken alle plinten en vloeren tot pulp om ons bewaarde voedsel te kunnen pakken. ongedierte bestrijdingsmiddelen dan ter hulp.
kwartels korthals, zichtbaar zonder oren. zo doof als een kwartel. ze scharrelen tussen het koren.
ik he je, hapt de haai gehaaid. gij haalt het met grote brokken. vraatzuchtig, liever niet geaaid, schrokt, ja, zo onverschrokken.
dolfijn, tol fijn, buitelt en tuimelt tuimelaar.
zeer duntjes sardientjes, deze klein uitgevallen vis. nog kleiner de ansjovis, onsje vis, een handje vol voldoet.
met zijn scharen scheurt en schaart zijn prooi. kreeft grijpt met zijn werktuig, krab kruipt. ontelbaar is het leven in die ganse waterzooi. veel kennen we nog niet van wat daar rond stuipt.
de langouste, langs kusten is ze te vangen. kennen we de eigenschappen van de inktvis? kennis van het latijn is niet perse te verlangen, want octopus gewoon acht poot is.
kijk, daar gaan ze, de ganzen. hadden we er maar eentje van, eentje, eentje in de pan met ze, vette ganzenlever vreten dan.
wie snapt de snip bij z’n snebbel, hup, wie hapt het eerste en snapt al. kwik, kwek en kwak, hou je kwebbel, vertel eens, wie er niet happen zal.
precies de hollander dat is de reiger, de rek heer en reikhalsend zijn hals. het is een zeer geduldig visjes krijger, doch als de hollander zo mager als. grijs, grauw, zoals het hollandse weer, ja, zo plechtig statig zijn vleugelslag. in alle rust flikken zij het keer op keer, dat nog menig visje verschalken mag. wat valt er uit de les van dit dier te leren? tering naar de nering in het poldermodel, niet volgevreten vet of maar iets riskeren, mager onopvallend het dominees spel.
dat is een snaak van een snoek, roofvis van sloten en de plassen. ligt op de loer en altijd is in hoek, moeilijk te vangen of te verrassen. droom trofee van de sportvisser, ik had hem bijna, hij was zo groot. geloof mij, maar echt waar, hij is er, volgende keer wordt het zijn dood.
flamingo, sieraad aller dierentuinen, om er prachtig rond te struinen. maar ondertussen lopen zij mank, want men houdt ze liever in gevank.
blaf, blijf af, keffen, ga even, gegrom, keer om, blijf hier weg. mijn huis is mijn hondenleven. kom niet aan onze spullen zeg. een hond, geen dier voor de sier. ze willen wachten, gaarne waken, niet de mens, maar honden plezier. leer ze en ze kennen hun taken.
de genoe, genoeg in overvloed, in miljoenen wilde exemplaren. mens en dier doen zich te goed. genoeg, niets behoeft te sparen.
panter, bont dier, zeer gezocht om zijn vlekkende bonte huid, ofschoon het wat minder mocht, kleedt de mens veel dieren uit.
ik zocht iets exotisch zeldzaam, een dier dat nog nimmer is gevonden. het heeft dan ook nog geen naam, het ontdekken toch eeuwig zonde.
mieren immer ren heen en weer, zes poten, die dragend rennen, overvallen als een leger heer, sjouwen wat ze gebruiken kennen.
termieten, ter mee eten alles, niets te veel of hen te zwaar. hun kaken de eigenlijke val is. collektief het grootste gevaar .
wesp, wee is pijn, en dat doet zeer, omdat ook dieren wel kwaad worden, doch zij steekt slechts ene keer, doch om zich zelve te vermoorden. de naam, aan dit diertje gegeven, waarschuwt ons wat er gebeuren kan, geheel eigen met de aard van dit beestje. zo nu kunnen we alle dierennamen of zelfs dingen terug naar hun oerspronkelijk ontstaan herleiden. o wee is pien. dat zegt de nederlandstalige spreker misschien niets, maar je moet wel weten dat toch zo al onze woorden over het dialekt diets heen in onze standaardwoordenboeken zijn terecht gekomen. maar je moet ook weten dat op het platteland deze betekenis nog steeds wordt verstaan.
kijk dan ons lieve heerlijk beestje. negen maal per dag komen ze klaar, copuleren, hun leven een sex feestje. gelooft u het niet, toch echt waar.
jaguar, jager, doch jager de mens maakt het te bont dus verbruidt. handel vervult hun liefste wens, zo altoos vraag naar bonte buit. trofee, ’t roof vee, ach, verdriet. tijger, take keer, omkeren pas op, doch wie het eerste ziet, schiet een gaatje in zijn prachtige kop. wel ja, schiet ook giraffe maar af, gieraffe, sier hoofd, van chieraffe. ondanks al het verbieden en straf, de mens zal zich zelf nog straffen. zebra, strepen raar, tapijt, tophuid. genoe, genoeg, trekken ongeteld rond. serengeti, zie er en gaat die vooruit. alle beesten door elkaar beste bont. slang, is al eng, zijn gif en slangenleer, de krokodil, kraak het, kaaiman, kouw man, alligator, al ik eet er, en nog veel meer, zoveel leer als men maar verwerken kan. de leeuw, kleeuw, klauw, moeizaam jaagt, halen er uit door de honger gedreven, maar de huidenhandel alsmaar vraagt voorraden stapels precies opgeschreven. in de jungle, jankt al, van geluiden, schreeuwt, giert en snerpt tot gillen. handel ziet slechts bomen en huiden. vooruitgang is achteruitgang willen. totdat opeens ophoudt met al dat gegil. de zon gaat onder, overal loert gevaar. het is er plotseling zo akelig en stil, maar slechts één gevaar, de mens is daar.
zoals het eekhoorentje, eik ho rent ja, rent omhoog de eik in, is zelf te eiken. mijn ogen kijken ons pluimstaartje na, hoe het dier doet, uit zijn naam zal blijken.