https://sites.google.com/view/familieriga
Scire cupis lector quis codicis istius auctor?
Petrus Riga vocor, cui Christi petra rigat cor.
Wil je weten, lezer, wie de schrijver van dit boek is?
Mijn naam is Petrus Riga, voor wie de rots van Christus het hart bevloeit.
Een verwijzing naar Exodus 17, waar Mozes water uit een rots slaat met een stok.
Bibliotheca, de Bijbel of de bibliotheek, een bijnaam gegeven aan Petrus Riga, kanunnik van de abdij van Saint-Denis te Reims, die stierf in 1209, schreef een gedicht van vijftienduizend bijbelverzen in het Latijn. Hij noemde het Aurora. Bij zijn sterven zei hij, wat de engel zei tot Jakob: Aurora, dimitte me (Dageraad, laat mij gaan).
Domesticatie is het proces waarmee mensen planten en dieren (door telen en fokken) zodanig van eigenschappen veranderen dat deze dieren en planten steeds meer aangepast raken aan het leven dicht bij en in dienst van mensen.
Het tegenovergestelde is verwildering. Dit houdt in dat dieren bewust worden terug gefokt naar rassen die lijken op de oorspronkelijke, wilde voorouders. of dat uit gevangenschap ontsnapte dieren populaties vormen in de wildernis.
Domesticatie had niet alleen betrekking op planten en dieren, maar ook op andere mensen, die door krijgsgevangenschap of hongersnood gedwongen werden om zich als slaven te vestigen dichtbij en in dienst van een groep heersers.
De Romeinen gebruikten een systeem van drie namen: de voornaam, het gentilice (naam van een clan) en het cognomen (bijnaam, die zich tot familienaam heeft ontwikkeld).
Met de Romeinse expansie heeft het drienamensysteem zich verspreid over het hele Rijk, met name Gallië. De invasies van de 5de eeuw vernietigden het West-Romeinse Rijk en deden het Gallische drie-namen-systeem verdwijnen. HU
De Franken vormden een tribale samenleving (ergens ten noorden van de Rijn).
Belangrijkste kenmerken van zo'n samenleving: de rol van verwantschap in het sociale leven is groot; geloofsvoorstellingen zoals voorouderverering; tribaal gezag (politici zijn stamhoofden, familieoudsten); individueel eigendom van grond is onbekend; gewoonterecht is belangrijker dan het op schrift gestelde recht van de overheid; de landbouw is in hoge mate afgestemd op zelfvoorziening.
Toen de Franken de Rijn overstaken, en het Romeinse Rijk betraden, kwamen ze in contact met een boerensamenleving. Kenmerken: voedselproducenten zijn ingebed in een stedelijke cultuur met centraal staatsgezag.
Een belangrijke factor bij de onderwerping van de stammen was het christelijke verbod van voorouderverering. Voorouderverering speelde bij de Franken een belangrijke rol bij het handhaven van de grootfamilie of clan. Een clan was een groep, waarvan de leden meenden af te stammen van een gemeenschappelijke voorouder.
De Romeinen gebruikten een systeem van drie namen: de voornaam, het gentilice (naam van een clan) en het cognomen (bijnaam, die zich tot familienaam heeft ontwikkeld).
Met de Romeinse expansie heeft het drienamensysteem zich verspreid over het hele Rijk, met name Gallië. De invasies van de 5de eeuw vernietigden het West-Romeinse Rijk en deden het Gallische drie-namen-systeem verdwijnen. HU
De Franken vormden een tribale samenleving (ergens ten noorden van de Rijn).
Belangrijkste kenmerken van zo'n samenleving: de rol van verwantschap in het sociale leven is groot; geloofsvoorstellingen zoals voorouderverering; tribaal gezag (politici zijn stamhoofden, familieoudsten); individueel eigendom van grond is onbekend; gewoonterecht is belangrijker dan het op schrift gestelde recht van de overheid; de landbouw is in hoge mate afgestemd op zelfvoorziening.
Toen de Franken de Rijn overstaken, en het Romeinse Rijk betraden, kwamen ze in contact met een boerensamenleving. Kenmerken: voedselproducenten zijn ingebed in een stedelijke cultuur met centraal staatsgezag.
Een belangrijke factor bij de onderwerping van de stammen was het christelijke verbod van voorouderverering. Voorouderverering speelde bij de Franken een belangrijke rol bij het handhaven van de grootfamilie of clan. Een clan was een groep, waarvan de leden meenden af te stammen van een gemeenschappelijke voorouder.
Scire cupis, lector, quis codicis istius auctor?
Petrus Riga vocor, cui Christi vena rigat cor.
Wil je weten, lezer, wie de hhschrijver van dit boek is?
Ik word Petrus Riga genoemd, voor wie de ader van Christus het hart bevloeit.
Bibliotheca, de Bijbel of de bibliotheek, een bijnaam gegeven aan Petrus Riga, kanunnik van de abdij van Saint-Denis te Reims, die stierf in 1209, schreef een gedicht van vijftienduizend bijbelverzen in het Latijn. Hij noemde het Aurora. Bij zijn sterven zei hij, wat de engel zei tot Jakob: Aurora, dimitte me (Dageraad, laat mij gaan).
Bij de Franken bestonden namen gewoonlijk uit twee elementen (naamstammen) die samen een betekenis hadden (in verband met strijd, overwinning, wapens, en dergelijke).
De naam Riga, kan worden afgeleid uit de stammen /rik/ en /hard/ (Rikhard, gelatiniseerd Rigardus, verkort tot Rigard, Riga).
De ermee verwante naam Rigo kan verklaard worden uit de stammen /rik/ en /wald/ (Rikwald, gelatiniseerd Rigaldus, verkort tot Rigaud, Rigo).
Het combineren van naamdelen werd gebruikt bij de vernoeming naar familieden. Het kind kreeg dan een naam die werd samengesteld uit naamstammen van ouders of andere familieleden. Vader Richard en moeder Adelheid noemden hun zoon bijvoorbeeld Adelhard en hun dochter Richeid.
In de gewoonte van vernoeming, het overdragen van een voornaam van een familielid op een nieuwgeborene, schuilt oorspronkelijk de voorstelling van het herleven van een vroegere generatie. Voorouderverering. Vanuit dit denkbeeld ligt het voor de hand dat alleen overleden familieleden werden vernoemd. In de loop van de tijd als gevolg van christelijke veroordeling van de voorouderverering verdween die beperking. Daarna werd ook naar levende familieleden vernoemd.
In plaats van de voorouderverering kwam de heiligenverering.
De aanpak was subtiel. De voorouderverering werd op twee manieren bestreden: door kinderen te vernoemen naar heiligen en door de christelijke voorstelling van de gemeenschap van alle heiligen (die werden herdacht op het feest van Allerheiligen).
De invoering van namen van heiligen deed de oude naam niet verdwijnen.
De naam van de heilige werd eenvoudigweg voor het patroniem gezet: Jean Rigar, Collas Rigauld, Pascal Rigauld, Pierre Riga, en dergelijke.
De gewoonte om kinderen te noemen naar nog levende familieleden. Vaak werd een combinatie van namen gebruikt, waarvan een verwees naar de vader (een patroniem) en de andere naar een ander (bij de geboorte van het kind nog levend) familielid; er was een ongeschreven regel dat de volgorde werd bepaald door de graad van bloedverwantschap; bij de oudste kinderen was dat een van de grootouders en bij de volgende kinderen een oom, tante enzovoort; eerst die van vaderszijde en dan die van moederszijde.
Een koosnaam of vleinaam is een niet officiële naam die voor iets of iemand wordt gebruikt om genegenheid uit te drukken. De koosnaam Riga bestond al in de dertiende eeuw, mogelijk nog vroeger. De naam kan in verschillende families tegelijkertijd in een regionaal taalgebied of in verschillende delen van het Romaanse taalgebied ontstaan zijn, zonder dat er van directe verwantschap sprake was.
Tot de 10de eeuw bestond enkel de voornaam. Die werd niet bij de geboorte, maar bij de doop gegeven. Namen werden gebruikt om individuen aan te duiden. Het gebruik van meer namen voor een enkel individu was nodig om deze bij diens afwezigheid te kunnen onderscheiden van andere. Omdat mensen toen in kleine groepen leefden, was de verwarring tussen lieden met dezelfde naam eigenlijk niet mogelijk. In de tiende eeuw begon het proces van de vorming van familienamen. De steden kwamen tot bloei. Mensen gingen in grotere groepen samenwonen, dus was er meer kans op naamsverwarring. Met het oog op problemen ontstaan door een te groot aantal homoniemen, kreeg de eigennaam geleidelijk gezelschap van een bijnaam. Door het gebruik kreeg deze bijnaam de neiging erfelijk te worden. Dit fenomeen deed zich eerst voor bij de adellijke families, vervolgens verbreedde het zich vanaf de twaalfde eeuw tot het geheel van de bevolking.
Familienamen konden op verschillende manieren tot stand zijn gekomen: de naam kon verband houden met de aardrijkskundige plek waar men vandaan komt (toponiem), het beroep of verwijzen naar een karaktertrek of een uiterlijk kenmerk of betrekking hebben op de voornaam van een van de ouders, schoonouders of grootouders; dit heet een patroniem, als de naam is afgeleid van de naam van de vader; een matroniem, als de naam is afgeleid van een vrouwelijke roepnaam.
Riga werd in de Middeleeuwen gebruikt als patroniem. De naam kwam in verschillende varianten - Riga, Rigault, Rigaud, Rigald, Rigar, enzovoort - voor en werd door de pastoor in het Latijn als Rigaldus of Rigoldus in het doopregister genoteerd.
De naam Riga is vermoedelijk niet eerder dan ongeveer het midden van de zestiende eeuw als familienaam gebruikt. De vroegste aanwijzing voor het gebruik van de naam en verschillende varianten daarvan als familienaam heb ik gevonden bij een familie van molenaars die molens hebben beheerd ten zuidwesten van Verviers en enkele families die hebben gewoond in dorpen aan de Jeker.
Vanaf de vijftiende eeuw begon een lang proces van vastlegging van familienamen. De staat was steeds meer geïnteresseerd in de kwestie en regelde in toenemende mate het bestaan van familienamen.
In 1474 verbood Louis XI de naam te veranderen zonder koninklijke goedkeuring.
In 1539 vaardigde Frans I de ordonnantie van Villers-Cotterêts uit. Deze maakte het bijhouden van de registers van de burgerlijke stand verplicht. Deze taak werd toevertrouwd aan de geestelijkheid, die de enige administratie in heel het koninkrijk vormde. In feite maakte het koninklijke besluit een al sinds de vorige eeuw vooral in de steden in gebruik zijnde praktijk officieel en algemeen.
Tijdens de 24ste zitting van het Concilie van Trente, op 11 november 1563 werden de pastoors verplicht tot het aanleggen en bijhouden van de kerkregisters. De pastoors moesten een register aanleggen en bijhouden, waarin ze behoorden te noteren: plaats en datum van het huwelijk, namen van bruid en bruidegom, en namen van de getuigen. Het Concilie van Trente legde de pastoors niet alleen de verplichting op om huwelijksregisters aan te leggen, maar ook doopregisters. In de doopregisters worden ook peter en meter genoteerd. Opmerkelijk is dat het Concilie van Trente de pastoors geen verplichting oplegde om overlijdensregisters aan te leggen. Overlijdensakten werden pas verplicht vanaf 1614.
Pas toen bij vele humanisten de tendens ontstond antieke niet-christelijke namen opnieuw in te voeren en de Hervorming zich kantte tegen de heiligenverering - en bijgevolg ook tegen het geven van heiligennamen aan kinderen - nam de kerkelijke overheid stelling in de Catechismus Romanus (II,ii, 76):
Tenslotte geeft men een naam aan de gedoopte. Daarvoor zal men de naam kiezen van iemand die, om zijn uitstekende vroomheid en godsdienstigheid, onder het getal der heiligen opgenomen werd. Daarom zijn zij die, met de meeste zorg, namen van heidenen en vooral van boosdoeners uitkiezen en aan hun kinderen geven, ten zeerste af te keuren.
Met de Franse Revolutie verliet het bijhouden van de burgerlijke stand het kader van de parochie. Het werd een taak van de staat en werd gedaan door het gemeentebestuur.
De wet van 6 fructidor van het jaar II (23 augustus 1794) verbood het dragen van een andere naam en voornamen dan die welke waren ingeschreven in de burgerlijke stand.
In de loop van de eeuwen werd vernoeming een traditie die zo vanzelfsprekend was dat de namen van de kinderen bij het huwelijk als het ware al vaststonden. In veel families golden de volgende vernoemingsregels.
Het eerste kind, een jongen, werd naar de vader van zijn vader Gilles genoemd, het tweede kind, een meisje, naar de moeder van haar moeder Agnes. Het derde kind was weer een jongen, je zou verwachten, dat hij naar de vader van zijn moeder zou worden genoemd, maar hij werd naar de oom van zijn vader, Laurent genoemd. Het vierde kind, ook een jongen, werd naar de vader van zijn moeder Henri genoemd. Het is moeilijk te zeggen naar wie werd vernoemd vanaf het vijfde kind, wel kregen deze kinderen meer voornamen: Anne Marie, Anna Hubertina, Jan Joseph Frans, Jan Nicolas, Marie Anne en Jean Pierre.
De gewoonte om meisjes een combinatie van namen te geven (Anne Marie; Marie Anne) bestond al in de 18de eeuw. Voor jongens was dit nieuw.
Als gevolg van de Franse wetgeving was het verboden om de naam die als familienaam werd gekozen als voornaam te gebruiken. Vanaf dat moment was de naam niet meer beschikbaar als patroniem of tweede voornaam.
Het gebruik van de naam als familienaam was nieuw.
Het is niet zeker of de naam Riga in naamgevingen, zoals Jean Riga of Gilles Riga, in de tijd voorafgaande aan de Napoleontische tijd al als familienaam werd gebruikt, de naam kon als patroniem (of tweede voornaam) worden beschouwd.
Na de vastlegging van de naam als familienaam bleef de behoefte aan een tweede (of derde) voornaam bestaan. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het mode om kinderen twee of meer voornamen te geven.
De huidige generatie Riga luistert naar de volgende namen: Leilani, Arnold, Alvin, Erwin, Sander, Loek, Joris, Thomas, Caspar, Carina, Christian, Myriam, Stefan, Judith, Erik, Renee, Anne, Ingrid, Roland, Lara, Maritza, Kiki, Maurice, Natascha. Bijna geen van deze namen werd eerder gehoord in deze familie. Er is een einde gekomen aan de vernoemingsgewoonte.