SPORT BINNEN EEN BEDRIJFSCULTUUR:
DE VELODROOM VAN LANGERBRUGGE - HERRYVILLE (1929-1996)
SPORT BINNEN EEN BEDRIJFSCULTUUR:
DE VELODROOM VAN LANGERBRUGGE - HERRYVILLE (1929-1996)
Voorwoord
In het najaar van 2021 werd een onderzoek opgestart over de geschiedenis van de velodroom van Langerbrugge-Herryville naar aanleiding van het erfgoedproject Evergem Ontrafeld, een burgerparticipatieproject door lokale hobbyhistorici en erfgoedvrijwilligers op initiatief en onder leiding van de dienst Cultuurcentrum en Bibliotheek van Evergem. Het doel van het project is het verzamelen, bestuderen en ontsluiten van lokale erfgoedobjecten op het provinciaal digitaal platform www.meetjes.land, en mensen samenbrengen rond het erfgoed in hun onmiddellijke omgeving. De resultaten en inzichten zouden later eventueel moeten dienen als hefboom voor volgende initiatieven en projecten.
Evergem Ontrafeld ging van start in de deelgemeenten Kerkbrugge en Langerbrugge nabij het Kanaal Gent-Terneuzen waar zich meerdere belangrijke industriële en architecturale erfgoedsites bevinden. De elektriciteitscentrale van de Centrales Électriques des Flandres et du Brabant (CEFB) en de tuinwijk Herryville met haar sport- en vrijetijdsinfrastructuur in het bijzonder waren de (sport)geschiedkundige erfgoedobjecten van onze keuze.
Inleiding
Tijdens de tweede industriële revolutie in de negentiende eeuw was er ten gevolge van de toenemende urbanisatie een verhoogde vraag naar gepaste huisvesting voor de ingeweken arbeiders en hun families. Speculanten kochten braakliggende gronden op en lieten er beluiken op bouwen. Ook industriëlen en bedrijfsleiders kochten de terreinen in de onmiddellijke omgeving van hun fabriek op, enerzijds met het oog op een mogelijke uitbreiding van het bedrijf in de toekomst en anderzijds als lucratieve investering in huisvesting. Bovendien had de bedrijfsleider een belangrijk drukkingsmiddel tegen opstandige werknemers die bij eventueel ontslag en bij gebrek aan inkomen ook uit het huis konden gezet worden.
De bijzonder armtierige leefomstandigheden en onhygiënische toestanden met regelmatig uitbraken van tyfus, cholera en pokken tot gevolg zorgden voor toenemende kritiek bij de stedelijke overheden. Na de Eerste Wereldoorlog werden in de steden onder politieke invloed van de arbeidersbewegingen de eerste uit het Verenigd Koninkrijk overgewaaide tuinwijken opgetrokken. Deze stadswijken met een dorpskarakter werden meestal door corporatieve, gemeentelijke of stedelijke huisvestingsmaatschappijen gebouwd. In sommige gevallen was de bouwheer een bedrijf dat een tuinwijk voor het (kader)personeel liet bouwen, zoals de Centrales Électriques des Flandres in Langerbrugge bij Evergem.
De Centrales Électriques des Flandres
Op initiatief van baron Floris van Loo, zoon van de voormalige burgemeester van Evergem Auguste van Loo, werd in 1911 de NV Centrales Electriques des Flandres (CEF) opgericht. Na een voorbereidende studie werd op een terrein van twee hectare gelegen langs het kanaal Gent-Terneuzen in Langerbrugge een elektriciteitscentrale gebouwd, die tijdens het voorjaar van 1914 operationeel werd. Na meer dan een jaar stil te liggen door de invasie van Duitse troepen volgde in 1916 een geleidelijke heropstart, maar tegen het einde van de oorlog kreeg de centrale nog een zware artillerieaanval te verduren. In de jaren twintig was er een constante toename in de productie van de centrale onder leiding van de directeur Léopold Herry.
De centrale aan het kanaal Gent-Terneuzen (postkaart).
De tuinwijk Herryville
Naar het voorbeeld van het Britse garden city movement liet directeur Léopold Herry in 1927 de Cité Jardin Herryville bouwen, een tuinwijk met een tiental tweegezinswoningen voor het kaderpersoneel. De plannen werden net zoals bij de centrale ontworpen door Eugène Dhuicque, een bekend Brussels architect op wie kort na de Eerste Wereldoorlog dikwijls beroep werd gedaan voor de inventarisatie en restauratie van beschadigde historische gebouwen in de frontzone van de Westhoek.
Een jaar later werd Dhuicque ook gevraagd voor de aanleg van een sport- en vrijetijdsinfrastructuur op het braakliggend terrein tussen de elektriciteitscentrale en de tuinwijk.
De velodroom van Herryville
Bedrijfssport was op het einde van de negentiende eeuw het Kanaal overgewaaid. Na de invoering van de achturige werkdag onder invloed van de arbeidersbeweging en de democratisering van meerdere sporttakken na de Eerste Wereldoorlog werd deze nieuwe vorm van recreatieve sportbeleving ook in ons land meer en meer binnen de bedrijfscultuur geïntroduceerd. Onder de noemer van ‘welzijn op het werk’ (Industrial Welfare) ondervonden sociaal voelende bedrijfsleiders dat sporten een positieve invloed had op de professionele prestaties van hun personeel. Bovendien stimuleerde het gezamenlijk sporten de algemene groepssfeer op de werkvloer en creëerde een loyale bedrijfscultuur bij de werknemers.
Naast de tuinwijk werd een sport- en ontspanningsinfrastructuur opgetrokken met onder meer tennisvelden, een zwembad, een cantine en een feestzaal (de Casino). En naar aanleiding van de oprichting van de bedrijfsgerelateerde wielerclub VC Herryville werd in 1929 een 333 meter lange betonnen velodroom opgetrokken op het braakliggend terrein tussen de elektriciteitscentrale en de tuinwijk. Het ontwerp van de velodroom die opnieuw door Eugène Dhuicque getekend werd was geïnspireerd op de Parijse Buffalo-velodroom. De wielerbaan had een breedte van zes meter en een dikte van twintig centimeter, bestaande uit twee lagen van gewapend beton. De ganse constructie steunde op dwarsbalken die op hun beurt gedragen werden door betonnen pijlers. Het middenplein was bezaaid met gras en werd als voetbalveld gebruikt.
In de meeste voorhanden bronnen wordt gesteld dat de tuinwijk Herryville, de sportvelden en de velodroom voorbehouden waren aan het kaderpersoneel en meestergasten van de Centrale. Het ganse project mag dan gerust als een selectieve en bedenkelijke vorm van bedrijfswelzijn beschouwd worden want terwijl tijdens de zomer van 1929 de werken van de velodroom gestart waren en het kaderpersoneel in blijde verwachting was van hun folieke, nam de sociale onrust bij het lager personeel toe. De vakbonden ontvingen klachten van werknemers over een uitgestelde loonsverhoging van vijf procent ten gevolge van de indexsprong in april en dreigden met acties. Na enkele samenkomsten met de vakbond ging de leiding van het bedrijf overstag en werden de looneisen van de werknemers een maand later ingewilligd.
Bovenvermelde argumenten doen dus vermoeden dat in dit specifiek geval die zogenaamde sociale doelstellingen met betrekking tot de huisvestingspolitiek en de sport- en ontspanningsinfrastructuur door de bedrijfsleiding evenwel toch wat genuanceerd dienen te worden. Na enkele incidenten eind de jaren twintig, waaronder een ontploffing en een brand met langdurige stroompannes tot gevolg, was directeur Herry er van overtuigd dat er bijkomende veiligheidsmaatregelen moesten genomen worden. De elektriciteitscentrale diende niet alleen op continue basis operationeel te zijn, maar was naast een personeelsbestand met een regulier werkpatroon ook nog genoodzaakt om een bijkomende permanentiedienst te organiseren. Herryville en haar sportvelden waren dus, ten gevolge van de toenmalige geïsoleerde ligging en bijgevolg moeilijke bereikbaarheid van de centrale, in de eerste plaats aangelegd voor ingenieurs en hoog opgeleide specialisten die deze permanentiedienst bemanden en bij eventuele belangrijke stroompannes snel ter plaatse konden zijn.
De bouw van de velodroom door Herry werd trouwens door de raad van bestuur zwaar op de korrel genomen en zou tot zijn vroegtijdig aftreden als directeur geleid hebben.
Herryville met bovenaan de tuinwijk, de velodroom in het midden, en onderaan de electriciteitcentrale aan het kanaal Gent-Terneuzen (Luchtfoto 1952_B3-LOKEREN_186 © Cartesius.be )
Een sportief moeilijke start
Ter bescherming van velodromen die bij de Belgische Wielrijdersbond aangesloten waren kreeg, volgens een reglement een nieuwe velodroom die binnen een straal van vijftien kilometer rond een bestaande velodroom opgetrokken werd, geen vergunning voor het organiseren van sportevenementen. De velodroom van Zelzate moest het al opnemen tegen die van over de grens in Sas-van-Gent en Kapellebrug (Hulst). De mogelijke verhoogde concurrentie ten gevolge van de constructie van een wielerpiste in Evergem-Langerbrugge zorgde in Zelzate uiteraard voor enige ongerustheid. Maar tijdens een bezoek van hoofdredacteur Karel Van Wijnendaele van Sportwereld aan de werken van de velodroom had de voorzitter van VC Herryville Maurice Cantineau verzoenend verklaard dat “... wij Selzaete in niets willen hinderen, of schade berokkenen” en ... “Als Selzaete zich niet tegen onze aansluiting verzet, dan laat ik hen de keus van de datums, en geef ik geen koersen op die dagen”.
Ondanks de aarzelende start door de aansluitingsproblemen bij de wielerbond kon de velodroom de eerste jaren toch rekenen op heel wat aandacht binnen de Vlaamse wielerwereld. Nu en dan werden er wielerevenementen georganiseerd en door de metershoge stijle bochten konden er ook stayer- en motorwedstrijden ingericht worden. Men kon er regelmatig bekende flandriens zoals Alfred Haemerlinck (Don Fredo), Romain Gijssels, Frans Bonduel, en baanspecialisten zoals Albert Buysse, Gerard Debaets en Roger De Neef aan het werk zien. De velodroom was ook de aankomstplaats voor enkele grote wielerwedstrijden voor onafhankelijke beroepsrenners, zoals de Ronde van Vlaanderen in 1932 en een rit in de Ronde van België in 1932 en 1938.
Het enige dodelijk ongeval dat in Langerbrugge te betreuren viel gebeurde tijdens een wielerevenement op zondag 24 juli 1932 (zie afbeelding). De koers werd plots ontsierd door een zware val op het hoofd van de jonge belofte Edmond Caus. Behalve symptomen van een hersenschudding had de renner geen zware kwetsuren en werd naar huis gebracht. De dag nadien verslechterde zijn toestand en werd hij alsnog naar het hospitaal afgevoerd waar men een zware schedelfractuur vaststelde. Caus werd nog geopereerd maar bezweek op dinsdagochtend aan zijn verwondingen. De 22-jarige jongeman uit Gent (Meulestede) die pas het jaar voordien prof geworden was werd op vrijdagochtend in het bijzijn van de Oost-Vlaamse wielerwereld en heel wat sympathisanten begraven op het Campo Santo te Sint-Amandsberg.
De moeilijke jaren dertig
Maar de naweeën van de Eerste Wereldoorlog, de economische crisis en de groeiende populariteit van het voetbal als kijksport hadden het Belgische baanwielrennen sterk verzwakt. Van de achtenveertig wielerbanen in 1925 bleven er eind de jaren dertig slechts een dozijn over. Ondanks de nood aan gekeurde velodromen in de streek en de hoge verwachtingen kwam het baanwielrennen in Langerbrugge niet echt van de grond. De betonnen piste werd wel beschouwd als een van de beste van Europa, en er zijn zeker nog plannen geweest om Langerbrugge te betrekken in allerlei nationale en internationale kampioenschappen. Maar de geïsoleerde ligging, gebrekkige accommodatie en een afwezige beheersstructuur weerhield organisatoren en bondsleden ervan om de velodroom als een volwaardig alternatief te beschouwen. Het onderhoud van de velodroom was quasi onbestaande, er waren geen tribunes met overdekte zitplaatsen voor de toeschouwers, geen afgebakende zone voor de wielrenners, organisatoren en koerscommissarissen van de wielerbond, en er was ook onvoldoende materiaal aanwezig om de wielerevenementen veilig te laten doorgaan. Bovendien was de leiding van VC Herryville reeds tijdens de bouw van de velodroom van mening dat er geen enkel winstgevend doel nagestreefd werd. De ganse sportinfrastructuur was in de eerste plaats bedoeld als trainingsfaciliteit voor het personeel van de centrale en wat de velodroom betreft zouden er jaarlijks slechts een viertal meetings in samenwerking met de Belgische Wielerbond gepland worden.
Na de aanstelling van de nieuwe directeur die in 1933 de leiding over de centrale van Leopold Herry overnam werden de wielerevenementen in de velodroom op een laag pitje gesteld.
Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog
Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er geen noemenswaardige wielerevenementen georganiseerd. Om tegemoet te komen aan de voedselschaarste tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen de arbeiders de toelating om rond de centrale en op het binnenplein van de velodroom groenten te kweken. Na de oorlog verdwenen de moestuintjes waardoor vanaf 1949 de voetbalclub FC CEFB (Centrales Electriques des Flandres et du Brabant) haar wedstrijden kon afwerken op het middenplein. En vanaf toen is er ook geen informatie meer te vinden over VC Herryville, dat reeds tijdens de oorlog haar werking had stopgezet. Een artikel in Het Volk in 1948 met een oproep voor een uitbater van de velodroom van Langerbrugge, doet inderdaad vermoeden dat de wielerclub niet meer bestond of dat deze niet meer in staat was om de velodroom te beheren en wielerevenementen te organiseren.
Toen eind de jaren vijftig voormalig wielrenner en directeur van ’t Kuipke Oscar Daemers de velodroom ‘herontdekte’ werd er terug volop getraind door de baanspecialisten zoals Patrick Sercu, Leo Sterckx en Willy Debosscher in voorbereiding op de wereldkampioenschappen of de Olympische Spelen.
Begin de jaren tachtig kende het competitieve baanwielrennen in de velodroom een korte heropleving. Van 1981 tot 1985 was Langerbrugge het strijdtoneel van de Belgische baankampioenschappen waaraan tal van bekende namen aan de start stonden zoals Michel Vaarten, Dirk Heirweg en Stan Tourné.
Met de voorbereidende werken van de wielerpiste op de Gentse Blaarmeersen, nu het Vlaams Wielercentrum Eddy Merckx, eind de jaren tachtig werd de velodroom van Langerbrugge aan haar lot overgelaten en kwam zwaar in verval. Het Bestuur van Monumenten en Landschappen (Agentschap van Onroerend Erfgoed) wou de velodroom nog beschermen als architecturaal erfgoed maar de kosten voor de restauratie zou volgens Electrabel opgelopen hebben tot miljoenen Belgische franken. Toen betonrot de piste dermate had aangetast dat deze een gevaar begon te vormen voor spelende kinderen en wandelaars, werd in 1996 overgegaan tot de sloop van de piste.
De overblijfselen van de velodroom maken nu deel uit van het parkgebied Langerbrugge-Zuid en zijn samen met de tuinwijk sinds 1996 beschermd als dorpsgezicht en bouwkundig erfgoed.
De overblijfselen van de velodroom in het parkgebied Langerbrugge-Zuid.
Tot slot
Ondanks een klein sportief palmares was de wielerpiste van Langerbrugge bij Evergem van (sport)geschiedkundig belang. De wielerpiste was een buitenbeentje in zijn soort en was ten gevolge van haar sociaal-economische insteek een unicum in Vlaanderen. In tegenstelling tot de andere velodromen die met het genereren van inkomsten directe economische motieven hadden, werd Langerbrugge opgetrokken met een totaal andere doelstelling. De velodroom van Herryville moest in de eerste plaats de belangen van de bedrijfscultuur van de Centrales Électriques des Flandres dienen, en had daarmee een indirect economisch motief. Toen VC Herryville van het toneel verdween en het middenplein enkel nog diende om voetbalwedstrijden te organiseren, werd de piste aan haar lot overgelaten. Het werkte uiteindelijk ook het roemloos einde van de velodroom van Langerbrugge-Herryville in de hand.
Artikel met annotaties op aanvraag.
Artikel 2022 © Filip Walenta
Project Karelvanwijnendaele.be
Volledig artikel met bronvermelding op aanvraag via het contactformulier.