DE NEDERLANDSE 'WIELERKAMPIOENSCHAPPEN DER BALLINGEN' IN BELGIË (1913-1914)
DE NEDERLANDSE 'WIELERKAMPIOENSCHAPPEN DER BALLINGEN' IN BELGIË (1913-1914)
Inleiding
Traditiegetrouw worden in de meeste landen de nationale kampioenschappen wielrennen op de weg georganiseerd tijdens het weekend voor le Grand Départ, de Ronde van Frankrijk. De winnaar mag dan een jaar lang met zijn/haar kampioenstrui pronken bij alle wedstrijden waaraan hij/zij deelneemt.
In Nederland gingen de nationale wielerkampioenschappen reeds door vanaf eind de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Rond de eeuwwisseling begonnen zich de eerste moeilijkheden in het Nederlandse competitieve wielrennen te manifesteren en tijdens de jaren voor de Eerste Wereldoorlog moesten de deelnemers zelfs tot twee maal toe naar België uitwijken om hun nationaal kampioenschap te kunnen betwisten.
Splitsing van de wielerbond ANWB
De Algemene Nederlandsche Wielrijders-Bond (ANWB) organiseerde en ondersteunde initieel tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw wielerwedstrijden en wielerbijeenkomsten voor toeristen. Haar overwegend burgerlijke leden stonden echter weigerachtig tegenover de eerste tekenen van een naderend democratiserings-proces waardoor wielrennen net als voetbal een volkssport begon te worden. Het opkomend professionalisme en het grote geldgewin van de professionele wielrenners in de ANWB stonden immers haaks op de idealen van de gentlemen’s amateur sport. Bovendien hadden ze een sterke afkeer van de eerste vrouwenwedstrijden en de opkomst van weddenschappen tijdens wielerwedstrijden in de velodrooms, “... wat een moreel verval, eene verlaging der sport zou betekenen, waar ten slotte het publiek de dupe van zou worden".
In de zomer van 1898 gaven meerdere wedstrijdcommissarissen tegen de bondsreglementen in de toelating aan professionele wielrenners om deel te nemen aan wedstrijden voor amateurs. Deze en nog andere flagrante organisatorische overtredingen werden door de tegenstanders aangegrepen om de zaak aanhangig te maken binnen de sportieve commissie van de wielerbond. In november van hetzelfde jaar werd na meerdere vergaderingen tijdens een stemming met een overdonderende meerderheid van ja-stemmers besloten om de competitieve afdeling definitief af te stoten. Na de eeuwwisseling spitste de ANWB zich meer en meer toe op het fiets- en ontluikend gemotoriseerd toerisme en gaf uiteindelijk haar bestaan als sportbond op in 1905. Het competitieve wielrennen vond onderkomen in de nieuw opgerichte Nederlandsche Wieler-Bond (NWB), de voorloper van de in 1928 opgerichte Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU).
Acht jaar voordien in 1890 waren in Groot-Brittannië de wielerwedstrijden ook verboden ten gevolge van de vele ongelukken (soms met dodelijke afloop) en overlast voor de lokale bevolking, de hebzucht van de professionele wielrenners, het ongebreidelde geldgewin en frauduleuze woekerpraktijken door de gokkantoren, enzoverder. Het verbod werd zelfs door de Britse wielerbond, de National Cyclist Union, uitgevaardigd uit vrees dat de overheid het fietsen in al zijn aspecten zou verbieden. In hoeverre deze voorgeschiedenis de beslissing van de ANWB om de wielerwedstrijden af te stoten heeft beïnvloed, is tot op dit moment nog niet duidelijk maar met de mogelijkheid moet zeker rekening gehouden worden.
Velocipede-wedstrijden in het Utrechtse stadion Galgewaard naar aanleiding van het zestigjarig bestaan van de ANWB.
De Motor- en Rijwielwet van 1905
Enkele jaren later kreeg het competitieve wielrennen in Nederland een nog zwaardere klap te verwerken vanuit conservatief-religieuze hoek. De gereformeerde Vereeniging voor Zondagsrust voerde reeds voor de eeuwwisseling de druk op tegen de sportbeoefening op zondagen en beriep zich op de schending van de Zondagswet van 1815. Deze wet kent een eeuwenlange christelijke traditie en vindt zijn oorsprong terug in de wetteksten van het Oude Testament. In Exodus 20:3-17 en Deuteronomium 5:7-21 kondigt God de tien geboden af tot Moses op de berg Sinaï. In het vierde gebod over de sabbat zegt Hij het volgende:
“Gedenk de sabbatdag, dat ge die heiligt. Zes dagen zult ge arbeiden en al uw werk doen;
Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uw God; dan moogt ge geen arbeid verrichten: gij zelf, nog uw zoon of dochter, noch uw slaaf, uw slavin of uw vee, noch de vreemdeling, die binnen uw poorten woont.
Want in zes dagen heeft Jahweh hemel, aarde en zee gemaakt, met al wat er in is; maar op de zevende dag rustte Hij.
Daarom heeft Jahweh de sabbat gezegend, en hem voor heilig verklaard.”
In 321 n. Chr. werd in het Romeinse Rijk onder Constantijn de Grote de zondag reeds een verplichte rustdag als ‘de meest eerbiedwaardige dag van de Zon’, een dag om de zon(negod) te aanbidden. Rond dezelfde periode stelde Eusebius Pamphili, de bisschop van de voormalige Israelische havenstad Caesarea Maritima, dat voor christenen de sabbat was verplaatst naar de zondag. Later werd in het christendom de zondag als sabbat overgenomen in de ‘Vijf geboden van de Kerk’ als de dag ter herdenking van de verrijzenis van Christus.
De zondagswetgeving stelt dus dat de zondagsrust een dag van rust en gebed is en dat bijgevolg alle openbare vermakelijkheden verboden zijn. In het bijzonder werden de voetbal- en wielerwedstrijden geviseerd die meestal op zondagmiddag betwist werden. Bovendien zorgden de wegwedstrijden vaak voor overlast en wrevel bij de lokale bevolking, en de strakke wielerkledij en ontblote benen van de renners stonden volgens de tegenstanders garant voor moreel verderf. Ook de ANWB kreeg een veeg uit de pan omdat zij haar vergaderingen op zondag hield.
Na een initieel wetsontwerp met betrekking tot de verbetering van de algemene verkeersveiligheid in 1899 werd zes jaar later door het kabinet van minister-president Abraham Kuyper, de oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Motor- en Rijwielwet goedgekeurd. Onder invloed van de leden en aanhang van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die tachtig procent van de ARP-kiezers uitmaakten, werd de vrijheid van de fietsers, motorrijders en automobilisten sterk ingeperkt. Vanuit burgerlijke zijde werd de wet gesteund door onder meer de ANWB die zich door haar heroriëntatie als toeristenbond en na ernstige conflicten met de NWB volledig had gekant tegen het competitieve wielrennen. De ANWB was trouwens een van de stichtende leden van de moralistische Tucht-Unie, een in 1908 opgerichte koepelorganisatie geleid door Edo Bergsma, burgemeester van Enschede en tevens voorzitter van de ANWB, die volgens Artikel 1 van haar statuten zich ten doel stelde ‘de tuchteloosheid onder het Nederlandsche volk te bestrijden, ten einde zijne zedelijke, geestelijke en lichamelijke kracht te verhoogen’.
In Artikel 14 van de Motor-en Rijwielwet stond het volgende vermeld:
ART. 14.
Het is verboden op een weg een snelheidswedstrijd met motorrijtuigen of rijwielen te houden of daaraan deel te nemen. Als deelnemer worden beschouwd de bestuurder van een motorrijtuig of rijwiel, waarmede aan een snelheidswedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van het rijtuig of rijwiel, die aldus doet of laat deelnemen. Van het in het eerste en tweede lid vervat verbod kan ontheffing worden verleend:
1°. ten behoeve van snelheidswedstrijden met motorrijtuigen van gering snelheidsvermogen, door Onzen Minister voornoemd;
2°. ten behoeve van snelheidswedstrijden met rijwielen, voor Rijkswegen door Onzen Minister voornoemd, voor wegen, als bedoeld in art. 4, eerste hd, door Gedeputeerde Staten der provincie.
De minister van Waterstaat en de Gedeputeerde Staten der provincie konden dus eventueel toelating geven voor het organiseren van wedstrijden op de rijks- en provinciale wegen, wat zij onder druk van de plaatselijke overheden, hun politieke achterban of coalitiepartners overigens zelden deden. En voor het gebruik van de gemeentelijke wegeninfrastructuur schoof men de hete aardappel graag door naar de lokale overheden die korte metten maakte met dat ‘onzedelijk zootje ongeregeld’.
De gevolgen voor het competitieve wielrennen in Nederland waren desastreus. De wielerwedstrijden op de openbare weg werden verboden en geweerd uit het straatbeeld, er werden enkel nog wielertoeristische ‘betrouwbaarheidsritten’ of ‘oriëntatieritten’ aan een lage snelheid toegestaan. De organisatie van het nationale kampioenschap kreeg een zeldzame toelating of werd betwist op privéterrein. In 1906 en 1907 werd die zelfs georganiseerd op de hippodroom van Woudestein, het latere terrein van voetbalclub Exelsior Rotterdam. De wedstrijden in velodromen en voetbalstadions waren privéaangelegenheden, waar de macht en invloed van de (over)ijverige tegenstanders en ordehandhavers gelukkig beperkt bleef tot net aan de ingangspoorten. In 1913 en 1914 werd de wielerbond zelfs de organisatie van het nationaal kampioenschap ontzegd.
De Nederlandse kampioenschappen van 1913 te Antwerpen
Begin mei 1913 werd in de Nederlandse pers aangekondigd dat “... de minister van Waterstaat met het oog op de veiligheid van het verkeer geen toestemming kon verlenen voor den wedstrijd om het wegkampioenschap op den weg van Nijmegen naar Roermond”.
Daarop richtte de bondsleden van de NWB zich tot de Belgische Wielrijdersbond en Sportwereld met de vraag om het nationaal kampioenschap in België te mogen organiseren. Het was hen niet ontgaan dat er heel wat organisatietalent bij Sportwereld aanwezig was. De krant verleende immers regelmatig haar medewerking aan tal van grote internationale wielerwedstrijden en haar eigen organisatie, de eerste Ronde van Vlaanderen, was een enorm succes geweest. Samen met de bondsleden van de Antwerpse afdeling van de BWB ging Sportwereld maar al te graag in op het aanbod om de Nederlandse ‘Kampioenschappen der Ballingen’ -zoals ze genoemd werden in de Nederlandse pers- te organiseren.
Foto: De velodroom van Zurenborg
Op maandag 25 augustus 1913 brachten de eerste secretaris P.T. De Jong en ondervoorzitter Fr. Berkhout een bezoek aan de burelen van Sportwereld in Brussel om de praktische kant van de organisatie te bespreken. Er werd beslist dat de Nederlandse kampioenschappen tijdens één wedstrijd voor alle categorieën (profs, onafhankelijken, liefhebbers en beginnelingen) zouden doorgaan op zondag 21 september in Antwerpen. De provinciale kampioenschappen zouden tevens op hetzelfde moment gehouden worden met hetzelfde deelnemersveld. Het parcours bestond uit twee ronden van vijftig kilometer die leidden langs Borsbeek, Wilrijk, Hemixem, Niel, Boom, Rumst, Mechelen, Duffel, Lier, Boechout en terug naar Borsbeek. De finish lag in de velodroom van Zurenborg in Antwerpen waar de renners nog twee ronden dienden te rijden.
Vijfenvijftig deelnemers (waaronder zes beroepsrenners, achtentwintig onafhankelijken, twaalf beginnelingen en negen amateurs), enkele Nederlandse bondsleden en bestuursleden van de grootste wielerclubs arriveerden zaterdagochtend 20 september in het station van Berchem en werden ’s avonds vergast op een receptie door de Antwerpse afdeling van de BWB. Op zondag vond de administratieve controle en het afhalen van de rugnummers plaats onder leiding van de organisatoren in Hotel des Sports aan het station van Antwerpen. Ondertussen arriveerden een vijfhonderdtal Nederlandse wielerfans die samen met de renners in groep naar de startplaats werden geleid. De wedstrijdstart werd in het bijzijn van een enorme menigte door John Stol om 12u00 aan Café Sportif De Hertog rechtover de Borsbeekse Poort gegeven. In afwachting van de aankomst van de renners werd in de velodroom een ploegkoers van tachtig kilometer verreden met onder meer de koppels Marcel Buysse-John Stol, Pierre Vandevelde-Henri Van Lerberghe en andere bekende wielrenners.
Door pech en valpartijen, grotendeels te wijten aan de slechte staat van de wegen en verkeerde bandenkeuze van de renners, werd het deelnemersveld reeds tijdens de eerste ronde gehalveerd. Na drie en een half uur koers kwam de onafhankelijke Amsterdammer Frits Wiersma met een voorsprong van acht minuten onder een daverend applaus de velodroom binnengereden. Nog voor hij na het overschrijden van de finish van zijn fiets kon springen werd hij door dolenthousiaste supporters opgetild en onder luid gezang van Wien Neêrlandsch Bloed, het Nederlands volkslied tussen 1817 en 1932, de driekleurige kampioenstrui aangetrokken.
Frits Wiersma, Kampioen van Nederland
in 1913, 1919 en 1920.
De Nederlandse kampioenschappen van 1914 te Brussel
Ook in 1914 werd de NWB na twee verzoekschriften de organisatie van het nationaal kampioenschap op de weg verboden en moesten zij de toevlucht zoeken bij hun zuiderburen. Oktaaf Free Steghers van Sportwereld schreef hierover twee dagen voor het evenement het volgende:
“Helaas, dat bij hen nog dat verouderde vooroordeel heerschen moet, waardoor hun alle recht op baankoersen wordt ontzegd op eigen bodem!... Dat wekt een stroef gedacht in ons, maar toch kunnen wij ons, van ons standpunt, niet onthouden dat ministrieel verbod te zegenen, omdat ons aldus de gelegenheid wordt verschaft onze Noorderbroeders dienst te bewijzen en onze wegen ter hunner beschikking te stellen!”
Het nationaal kampioenschap en de provinciale kampioenschappen werden net zoals het jaar voordien verreden in één wedstrijd met alle categorieën op zondag 28 juni met start en aankomst in Molenbeek. Eerst werd geopteerd voor een parcours van één ronde van Brussel naar Leuven, Mechelen, Dendermonde, Aalst en terug naar Brussel. Later werd een nieuw parcours van honderd kilometer uitgestippeld van Brussel naar Gent en terug via Asse, Hekelgem en Aalst met start op de Gentsesteenweg rechtover het kerkhof van Molenbeek en aankomst even verder in de velodroom van ‘t Karreveld waar nog twee ronden dienden afgelegd te worden. De bevoorradingscontrole in Gentbrugge werd op de Brusselsesteenweg aan de Velodroom van het Arsenaal georganiseerd door de medewerkers van Sportwereld waaronder Berten Carlier, de beheerder van de velodroom. Op deze ‘vaste’ controle moesten de renners stoppen en werd een stempel geplaatst op hun rugnummer.
Net zoals in 1913 werden de avond voordien een honderdtal Nederlandse wielrenners en bondsleden verwelkomt door Sportwereld en de Brabantse afvaardiging van de BWB, in de conferentiezaal van Hotel Cosmopolite op het Rogierplein. De hoofdredacteur van Sportwereld Karel Van Wijnendaele richtte zich tot de gasten met de volgende welkomstwoorden:
“Het is de tweede maal dat België het voorrecht heeft u op haar bodem vereenigd te zien om u de gelegenheid te bieden het kampioenschap te doen verrijden, zij reikt u op heden broederlijk de hand. België heeft haar mannen op wielergebied bij tientallen, zij zijn in hoog aanzien. Gij hebt ze eveneens doch de wielersport heeft in Nederland nog niet zijn rechtmatige plaats ingenomen, moge die dag spoedig aanbreken.
Namens gans België roept zij uwe bestuurderen hartelijk welkom, moget gij morgen de namen van Jaap Eden, Meijers, Stol en zoovele anderen eer aandoen, duizenden zullen u morgen op Karreveld toejuichen vooral degene die de kampioenstrui zal hebben veroverd.”
Na nog enkele sprekers sprak NWB-ondervoorzitter Fr. Berkhout zijn dankwoord uit aan Sportwereld en de BWB, met in het bijzonder Sportwereld-bestuurder en organisator van het kampioenschap Leon Van Den Haute.
Op zondagmorgen werd in colonne van het hotel naar de startplaats gereden waar om 11u15 voor eenenzeventig renners het startschot werd gegeven. Door de snelle start was het peloton reeds gehalveerd nog voor het Aalst bereikte door valpartijen, band- en kettingbreuken. Na bijna anderhalf uur koers bereikten veertien koplopers waaronder Wiersma, de Nederlandse kampioen van 1913, de controle in Gentbrugge. Op de weg terug naar Brussel werd de kopgroep verder uitgedund door materiaalpech of door renners die het hoge tempo niet meer konden volgen en moesten afhaken met krampen. Uiteindelijk bleven de Rotterdammer Chris Kalkman en Piet van der Wiel uit Amsterdam over. Het duo, dat de week voordien nog in een koppelkoers zegevierde op de Julianabaan van Groningen, bleef uit het vizier van de achtervolgers en kon haar voorsprong stelselmatig uitbouwen.
Samen kwamen ze de velodroom in Molenbeek binnengereden met een voorsprong van drie minuten en overschreden broederlijk hand in hand de finishlijn, tot diepe teleurstelling van het talrijk opgekomen publiek. De wedstrijdcommissarissen van de NWB beslisten dat zij de sprint moesten overdoen. Na twee extra ronden reed Kalkman als eerste over de eindmeet en werd kampioen van Nederland.
Voor de aankomst van de renners werd ‘het Gulden Rad’ gereden, een Frans-Belgische wedstrijd achter tandems over honderd kilometer in drie manches met de beste stayers van het moment zoals Léon Georget, Jules Miquel, Cyriel van Houwaert en Emile Aerts. En na de aankomst van het Nederlands kampioenschap werd de finale van de Ronde van Brabant voor liefhebbers op de velodroom beslist.
Kalkman Chris © dewielersite.be
Tot slot
Op dezelfde dag werden echter nog twee startschoten gelost. Op 28 juni 1914 ging in Parijs de twaalfde Ronde van Frankrijk van start terwijl in Sarajevo de Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo Princip in een hinderlaag het vuur opende op de troonopvolger van het Oostenrijks-Hongaars dubbelkeizerrijk. Door de aanslag werden aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie Chotek op slag gedood, wat de onmiddellijke aanleiding was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Enkele weken na het Nederlands kampioenschap werd door de Duitse bezetting ook het wielrennen op de weg in België voor vier lange jaren aan banden gelegd.
Het was trouwens niet laatste keer dat Sportwereld onze sportieve noorderburen een helpende hand toereikte. In 1936 mocht, dankzij de bemiddeling van hoofdredacteur Karel Van Wijnendaele bij Tourbaas Henri Desgrange, voor het eerst een Nederlandse selectie deelnemen aan de Ronde van Frankrijk onder leiding van de Nederlandse journalist Joris van den Bergh.
Tot op heden is het verbod op wielerwedstrijden in principe nog steeds van kracht, maar sinds de late jaren dertig werd er mettertijd meer en meer toelating gegeven. In 1953 werd ook de Zondagswet versoepelt, waardoor op zondag vanaf 13u00 vermakelijkheden georganiseerd mochten worden.
Artikel 2021 © Filip Walenta
Project Karelvanwijnendaele.be
Volledig artikel met bronvermelding op aanvraag via het contactformulier.