VAN SPORTEVENEMENT TOT SCHANDAAL VAN HET JAAR:
DE MILITAIRE RAID BRUSSEL-OOSTENDE (1902)
VAN SPORTEVENEMENT TOT SCHANDAAL VAN HET JAAR:
DE MILITAIRE RAID BRUSSEL-OOSTENDE (1902)
Voorwoord
Tijdens mijn onderzoek over de roots van de Ronde van Vlaanderen werd het duidelijk dat een deel van het parcours van de eerste editie in 1913 was overgenomen van een andere wielerwedstrijd, de Groote Leieprijs, die op zijn beurt gebaseerd was op Gent-Blankenberghe-Gent die van 1905 tot 1908 door de Gentse Velosport werd georganiseerd. Over de voorgaande periode vond ik enkele artikelen over Brussel-Oostende, een wielerkoers voor amateurs en toeristen dat in 1903 ingericht werd door het sportblad l’Etoile Sportive, een wedstrijd voor toeristen en amateurs waarbij nota bene ook ene Karel Steyaert uit Wijnendaele bij Torhout aan deelnam. Toen ik in het digitaal krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek verder terug in de tijd zocht naar mogelijke voorgangers van die wielerwedstrijd kreeg ik in het jaar 1902 tot mijn verwondering plots bijna tweehonderd hits op de sleutelwoorden ‘Brussel-Oostende’ en ‘Bruxelles-Ostende’. Bij nader inzicht bleek dat Brussel-Oostende van 1902 geen wielerkoers was, maar wel een paardenwedstrijd voor militaire ruiters in één lijn van de Belgische hoofdstad naar de kust. Net zoals de wielerwereld voorheen grotendeels de paardensport kopieerde, was de wielerwedstrijd die een jaar na datum georganiseerd werd, hoofdwaarschijnlijk geïnspireerd op dit evenement.
De sleutelwoorden ‘militaire raid’, zoals de wedstrijd genoemd werd, bracht nog meer hits op. Honderden krantenartikelen over een Belgische sportwedstrijd van rond de eeuwwisseling, dat was ongezien. De sportverslaggeving in de reguliere pers was toen immers nog quasi onbestaande. Dit evenement was blijkbaar van een andere grootteorde. De huidige bronnen scheppen een heroïsch beeld van de wedstrijd, maar de kranten die kort na het evenement gepubliceerd waren tonen aan dat er weinig heroïsch aan deze paardenwedstrijd te bemerken viel, integendeel.
Genoeg elementen dus om alle alarmbellen te doen rinkelen: hier was beduidend veel meer aan de hand en een uitgebreid en diepgaand onderzoek drong zich op.
De Oostendse gemeentefeesten
Oostende profileerde zich op het einde van de negentiende eeuw als een bruisende badplaats. De verfraaiingswerken die Koning Leopold II in de stad en aan de terreinen van het Koninklijk Chalet had laten uitvoeren, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de beau monde. De internationale jetset en hogere adel resideerde regelmatig in Oostende waardoor de badstad naar Engels model een mondaine uitstraling kreeg. Jaarlijks werd tijdens de zomermaanden een uitgebreid en cultureel hoogstaand programma aangeboden dat varieerde van kunsttentoonstellingen en muziekconcerten in het Maria Hendrikapark en het Kursaal tot allerhande internationale sportevenementen met de daaraan verbonden gokcultuur.
Ook in het voorjaar van 1902 werd in de Koningin der Badsteden een breed gamma aan vermakelijkheden samengesteld door het gemeentelijk feestcomité. Met het vernieuwde programma van verklede en gemaskeerde bals, avonden die feestelijk afgesloten werden met vuurwerk op het strand, en een Vlaamse kermis met traditionele kraampjes en volksspelen, had het comité het idee opgevat om meer sportactiviteiten te organiseren. Er werden meerdere regatta’s voor allerlei soorten nautische sportdisciplines ingericht en in de Wellington Hippodroom had men maar liefst achttien wedstrijddagen voor paardenkoersen gepland met deelname van de beste paardenstoeterijen uit Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland. En als kers op de taart wou men tijdens de laatste week van augustus het seizoen beëindigen met een meerdaags programma met enkele spectaculaire paardenwedstrijden en -evenementen. Een van die geplande evenementen was een militaire raid met start in Brussel en aankomst in Oostende.
De scheidsrechters van de wedstrijdcommissie met v.l.n.r. Lt-Kol Baron de Crombrugghe, Baron A. van Loo, Lt-Gen de Coune, Graaf Wrangel (Zweden-Noorwegen), Cdt Varin (Frankrijk), Lt-Kol Gallet (Frankrijk), Majoor Baron van der Capellen (Nederland), Col Kouzmine Korowaiew (Rusland), Lt-Kol Barnardiston (Groot-Brittannië).
De voorbereidingen
Het doel van deze paardenwedstrijd was het bestuderen van verkenningspatrouilles te paard over lange afstanden aan tamelijk hoge snelheid. De raid werd georganiseerd door een internationaal militair comité onder de hoge bescherming van koning Leopold II en met medewerking van het ministerie van Oorlog. De wedstrijdcommissie stond onder leiding van de vleugeladjudant van de koning luitenant-generaal Bricoux, en elk deelnemend land werd vertegenwoordigd door minstens één hoger officier die tevens de rol van scheidsrechter tijdens de raid kreeg toebedeeld.
De organisatie ontving maar liefst honderdachtenvijftig inschrijvingen uit tien Europese naties. De totale selectie die uiteindelijk aan de start mocht verschijnen bestond uit eenenzestig officieren: eenendertig Belgen, zeventien Fransen, zeven Nederlanders, twee Zweden, een Noor, een Rus, een Zwitser en een Brit. Natuurlijk waren de beste Belgische officieren uitgenodigd, maar omdat ze enkele maanden voordien geen toelating hadden gekregen om deel te nemen aan de internationale militaire raid van Turijn, weigerden sommigen zich in te schrijven door het verzinnen van allerlei uitvluchten. Dit doet vermoeden dat er minder ervaren jonge officieren aan de start stonden. Deze veronderstelling wordt bevestigd door het feit dat heel wat deelnemers enkele weken voor de wedstrijd nog vlug hun paard moesten kopen.
De wedstrijd startte op het Saincteletteplein in de Brusselse deelgemeente Sint-Jans-Molenbeek en finishte na een tocht van honderd vijfendertig kilometer op de Wellingtonrenbaan in Oostende. Buiten Brussel was het parcours heuvelachtig, de ondergrond bestond uit zware kleigrond dat bij regenweer glibberig werd. Vanaf de linkeroever van de Schelde richting de kust werd de ondergrond zanderig en werden de wegen vlakker en beter berijdbaar. Bovendien waren de wegen grotendeels met kasseien aangelegd, wat zeer belastend was voor de hoef- en kniegewrichten van de paarden. Het traject passeerde langs Koekelberg, Ganshoren, Zellik, Asse, Erembodegem (eerste controle na 25 km), Aalst, Erpe, Burst, Hundelgem, St-Maria-Latem, Nederzwalm, Zingem (tweede controle na 60 km), Lozer, Kruishoutem, Olsene, Dentergem, Tielt, Pittem, Koolskamp (derde controle na 100 km), Lichtervelde, Torhout, Wijnendale, Gistel, Snaaskerke en Steene. Bij aankomst te Oostende dienden de combinaties nog twee ronden in de hippodroom te lopen. Voor de beveiliging van het parcours werd beroep gedaan op de plaatselijke politie en het rijkswachterpersoneel dat in de omgeving van het parcours gekazerneerd was. Op de drie controleplaatsen moesten de ruiters tien minuten halt houden en konden de paarden verzorgd worden door een dierenarts en hoefsmid.
Het parcours over 135 kilometer (Bron: Mappedometer.com)
De prijzenpot bedroeg naast enkele kunstwerken ruim twaalf duizend frank aan geldprijzen en werd verdeeld als volgt:
1. de Prijs van de Koning voor de overwinnaar: een kunstwerk en 4000 frank
2. de prijs van de minister van Oorlog en de stad Oostende: een kunstwerk en 2500 frank
3. de prijs van het internationaal comité: een kunstwerk en 1800 frank
4. de prijs van Mariakerke: een gouden medaille en 1200 frank
5. de prijs der Duinen, een gouden medaille en 1000 frank
6. de prijs van het Staketsel, een gouden medaille en 500 frank
Verder waren er nog de speciale prijs van de Belgische Staat: een gouden medaille en 1000 frank, de prijs van de Jockey Club, de prijs van de Koninklijke Belgische Ruitersportfederatie, en andere. Bovendien mocht de Franse luitenant-kolonel Gallet, militair attaché van het Franse consulaat in Brussel en vertegenwoordiger van de Franse deelnemers, in naam van de Franse krijgsmacht een speciale prijs uitreiken voor de eerste Belgische combinatie die de hippodroom bereikte. Deze prijs bestond uit de vierjarige volbloedmerrie Omnipotence, uitgekozen door de garnizoenscommandant van de veldartillerieschool in Saumur.
De meeste buitenlandse deelnemers en hun paarden arriveerden tijdens het weekend van 23 en 24 augustus in het Zuidstation te Brussel, waar een menigte van duizenden nieuwsgierigen hen stond op te wachten. Op dinsdagochtend 26 augustus werden de laatste voorbereidingen getroffen in de grote hallen van het Jubelpark waar de paarden gestald waren. Iedere deelnemer kreeg er een plaats toegewezen en werd samen met zijn uitrusting gewogen, de paarden werden gekeurd door de veearts, en de paspoorten, stafkaarten en armbanden werden uitgedeeld.
In de media Het evenement kreeg bijzonder veel aandacht in de pers, nog nooit werd een sportevenement op een dergelijk grootschalige manier in de media gebracht. Er verschenen reeds een maand voor het evenement in de binnenlandse en buitenlandse pers dagelijks krantenartikels, dikwijls gedrukt op de frontpagina en soms zelfs twee artikels per editie. Honderden krantenartikels voor één sportevenement was ongezien, dat zal elke (sport)historicus die de periode rond de eeuwwisseling bestudeert beamen. En dit tijdens de periode toen de Belgische sportjournalistiek nog in haar kinderschoenen stond. In de reguliere pers was er toen nauwelijks sprake van een sportrubriek en als er een meldenswaardige sportactiviteit op het programma stond werden daar hooguit enkele regeltjes over geschreven. De auteurs van de artikels waren meestal vrijwilligers die persoonlijk actief of passief bij de evenementen betrokken waren en puur uit idealisme verslag uitbrachten. De uitgebreide artikels die soms een halve bladzijde bestreken bewijzen dat hier geen beroep werd gedaan op amateurschrijvers, maar wel op professionele journalisten. Het toont tevens aan dat het evenement een bijzonder belangrijk en prestigieus project was dat werd aangestuurd vanuit hogere kringen.
Toen het evenement na haar afloop een gruwelijke keerzijde bleek te vertonen keerde diezelfde pers zich met hetzelfde enthousiasme tegen de organisatie.
De wedstrijd
Ondanks de druilerige regen stond er op woensdagochtend 27 augustus een enorme menigte op het Saincteletteplein van Sint-Jans-Molenbeek dat naar aanleiding van de raid opgesmukt was met vlaggen van de deelnemende landen. Op de Leopold II-laan stonden duizenden toeschouwers rijendik om een glimp op te vangen van de vertrekkende ruiters en verder op de Vrijheidslaan stond een houten tribune opgesteld voor de militaire overheden en hun echtgenoten. Ook verder langs het parcours was er door de uitgebreide persaandacht een enorme belangstelling van de plaatselijke bevolking. Voor diegenen die de wedstrijd van dichtbij wilden zien waren er speciale treinen ingelast van Gent en Oudenaarde naar de controleplaats aan het station van Zingem, en wie de finish van de ruiters wou bijwonen kon naar Oostende reizen met een van de extra ingelaste treinen vanuit Brussel.
Onder aanwezigheid van de burgemeesters van Molenbeek en Sint-Gillis, schepenen, officieren en andere prominenten, weerklonk klokslag om zeven uur in de verte een kanonschot en werd de start aan de eerste groep van vijf ruiters gegeven. Daarna vertrokken om de vijf minuten telkens groepjes van vijf combinaties.
De controle na 60 kilometer aan het stationsgebouw van Zingem (Bron: postkaart).
Tijdens het eerste wedstrijdgedeelte was de regen gestopt en tegen dat de ruiters de tweede controle in Zingem rond tien uur in de voormiddag hadden bereikt verschenen de eerste zonnestralen van achter het wolkendek. Iets na half twaalf kwam de eerste deelnemer in de derde en laatste controlepost in Koolskamp binnengereden. De rest volgde druppelsgewijs met telkens een tiental minuten vertraging. Ondertussen was de Franse luitenant Madamet met Courageux in de streek van Gistel aan de leiding gekomen om die niet meer af te staan. Onder luid gejuich van de massale menigte die naar de Wellingtonrenbaan was afgezakt kwam hij na zes uur en vierenvijftig minuten hardrijden als eerste over de eindstreep. Een half uur later arriveerde de tweede Franse officier, luitenant Deremetz, gevolgd door luitenant Haentjens tien minuten nadien. De eerste Belgische ruiter, luitenant Joostens, eindigde als zevende in de Wellington hippodroom na acht uur en tien minuten in het zadel te zitten en mocht daarmee de speciale prijs van de Franse krijgsmacht in ontvangst nemen. De negenentwintigste en laatste deelnemer haalde uiteindelijk bijna vijf uur na de winnaar de finish in Oostende.
Het bloedbad
Reeds tijdens de wedstrijd werd het duidelijk dat, met de reeks incidenten die zich opstapelden, de raid een fysiek bijzonder zware wedstrijd was. Het eerste gedeelte van het traject was bemoeilijkt door de modder ten gevolge van de langdurige regen, terwijl vanaf de derde controle in Koolskamp de hoge luchtvochtigheid en de brandende zon er voor zorgde dat het laatste stuk naar Oostende een ware calvarietocht werd. De gemiddelde snelheden van meer dan twintig kilometer per uur vielen fel terug, al de deelnemers die de finish haalden reden meer dan twee uur over de laatste dertig kilometer. Bij de tweede controle halverwege het parcours in Zingem werden de eerste opgaves gemeld en bij de derde controle in Koolskamp was al een kwart van het deelnemersveld uitgevallen. De meeste overgebleven paarden kwamen beslijkt en uitgeput met het schuim op de muil Koolskamp binnengelopen. Daar werden ze verzorgd en gewassen door enkele soldaten terwijl bij sommige dieren met geweld een fles porto in de keel gegoten werd of een flinke dosis ether en cafeïne geinjecteerd kregen door de veeartsen. Enkele paarden vertoonden diepe verwondingen in hun flanken door het overdadig gebruik van de sporen op de laarzen van de officieren. In Gistel moest de burgemeester zelfs optreden en een ruiter verplichten om de raid te voet naast zijn paard verder te zetten, het bloed liep uit diepgeslagen wonden in de beide flanken. Op meerdere plaatsen werden de officieren door de menigte uitgejoeld en sommigen begonnen zich aggressief tegen hen op te stellen.
Uiteindelijk zouden tweeëndertig van de eenenzestig vertrokken paarden de finish in Oostende niet halen. Het precieze aantal paarden dat tijdens en kort na de raid stierven is tot op heden nog steeds onduidelijk, en de organisatoren wilden daar ook liever niet over communiceren gezien de commotie die reeds ontstaan was. Om dit uit te zoeken waren we genoodzaakt om de overgebleven bronnen te raadplegen, maar die bleken ook niet zo betrouwbaar. De Doornikse krant Le Courrier de l’Escaut meldde bijvoorbeeld dat het paard van de Nederlandse luitenant Nierstrasz kort na de start in Ganshoren uitgeput de wedstrijd moest verlaten, terwijl in het gedetailleerde uitslagenbord van het Franse sportmagazine Le Sport Universelle Illustré duidelijk geschreven staat dat de combinatie niet gestart was. En volgens de Truiense krant De Tram had bijna de helft van de deelnemende paarden -zevenentwintig in totaal- het niet overleefd, terwijl Het Handelsblad slechts een dozijn gestorven paarden noteerde.
Er zijn wel enkele gebeurtenissen die gedetailleerd in meerdere bronnen terug te vinden zijn. Zo werden heel wat paarden die onderweg niet verder konden ter plaatse aan een boer of slager verkocht voor de slacht. De paarden van de Belgische officieren Kastelein, de Kerckhove, Haegeman en de Franse luitenant Lepick waren doodgevallen in de streek rond Koolskamp. Deze laatste werd door de plaatselijke menigte uitgejouwd omdat “de brokken vleesch van zijn paard aan zijne sporen hingen”. De Franse luitenant Bausil had met vijfentwintig minuten voorsprong als eerste de laatste controlepost in Koolskamp verlaten, maar net voorbij Lichtervelde viel zijn paard neer en werd ter plaatse door de officier doodgeschoten. Het paard van de Zweedse onderluitenant Carl Silversward was dermate geschrokken van een auto dat het in het kanaal Plassendale-Nieuwpoort te Snaaskerke sprong en verdronk. Iets verder gebeurde hetzelfde met het paard van de Franse luitenant De Chomereau. Omstaanders konden het arme dier nog terug op het droge trekken, maar een kwartier nadien viel het om en overleed. Het uitgeputte paard van de Engelse luitenant Gibbon gaf op vijfhonderd meter van de finish de geest waarop de officier met het zadel op de nek de rest van het parcours te voet aflegde. Na de afloop van de raid vielen in de stallen van de hippodroom ook nog enkele slachtoffers te betreuren, waaronder die van de Zweedse en Franse officieren Gibson en Valder. En het paard van de Belgische onderluitenant Albert overleed enkele dagen na de raid in de stallen van het garnizoen in Luik. Volgens Het Laatste Nieuws stierven vijftien paarden in de stallen van Wellington, dat is ruim de helft van de paarden die Oostende gehaald hebben. Samengeteld met het dozijn in Het Handelsblad dat onderweg overleed zou het totaal geschatte cijfer van zevenentwintig dodelijke slachtoffers dus wel eens kunnen kloppen. Zevenentwintig gestorven paarden, dat is bijna de helft van het deelnemersveld!
Na de raid werden de kadavers aan een autopsie onderworpen door veeartsen. Een verdikking van een gedeelte van de hartspier en de aanwezigheid van zwartgekleurd bloed liet hen besluiten dat de meeste paarden stierven ten gevolge van een apicale hypertrofie veroorzaakt door een uitzonderlijk zware fysieke inspanning. De andere dieren waren bezweken aan uitputting en nodeloos lijden door de sporen die diepe wonden in hun flanken hadden geslagen.
De Franse overwinnaar van de militaire raid, luitenant Madamet met Courageux (Bron: postkaart).
In de pers
Reeds enkele weken voor de aanvang van de militaire raid Brussel-Oostende beroerde het evenement de politieke wereld. In Klokke Roeland, het in 1896 opgerichte politiek orgaan van de jonge Christene Volkspartij met als volksvertegenwoordigers Pieter en Adolf Daens, trok men scherp van leer tegen “de wilde onbeschaafdheid, erge wreedheid en barbaarschheid” van dergelijke evenementen: “Hebben wij niet reeds te veel wreede schouwtooneelen? Duivenschietingen, kampstrijden met blindgemaakte vogelen, hanengevechten en dergelijke meer!“. De Vooruit hield zich eerder op de vlakte maar vroeg zich toch sarcastisch af hoeveel paarden er zouden doodvallen.
La Flandre Libérale had twee weken voor de raid haar bedenkingen geuit bij de paraatheid van de ingeschreven Belgische paarden en ruiters. Deze waren getraind om maximaal een afstand van vijftig kilometer per dag af te leggen met een gemiddelde snelheid van tien tot twaalf kilometer per uur zoals gebruikelijk was bij verkenningsopdrachten in vijandig gebied. De Belgische officieren moesten hun dagelijks militaire programma verder afwerken, terwijl de Franse combinaties naast hun reeds genoten langeduurtraining een maand voor de raid vrijgesteld werden van alle opdrachten om voldoende voorbereid aan de start te kunnen verschijnen. Bovendien moesten de Belgen de aankoop van hun paard zelf bekostigen, in tegenstelling tot de Franse officieren die hun paarden van de overheid ter beschikking kregen en ook nog een subsidie van tweeduizend franken ontvingen voor gemaakte onkosten. Het mag dus niet verwonderen dat de Franse deelnemers, die men als professionele wedstrijdruiters kon beschouwen, favoriet waren voor de eindoverwinning en dat heel wat slecht voorbereide combinaties zichzelf in gevaar konden brengen door het op te nemen tegen dit afgetrainde geweld.
De dag na de wedstrijd verschenen de eerste klachten in de pers. Bij heel wat kranten werd de redactie aangeschreven door lezers die geschokt hun verhaal deden over de wanpraktijken van sommige ruiters. De lokale bevolking in dorpen en de boeren op het platteland waar de raid voorbij trok reageerden zwaar verontwaardigd en beweerden dat ze “nooit zulke wildemanstooneelen hadden bijgewoond”. De hanengevechten waren reeds meer dan twintig jaar verboden, maar deze “paardenmoorderijen” konden onder de bescherming en zelfs met aanmoediging van de overheid doorgaan, zonder tussenkomst van de wet. Daarmee werd ook het nalatig optreden van de rijkswacht gehekeld, die buiten de ordehandhaving op geen enkele manier hun verantwoordelijkheden hadden opgenomen en melding hadden gemaakt van de mishandelingen, laat staan waren tussen gekomen om ze te doen stoppen. En bovendien werden volgens Het Laatste Nieuws in Oostende en Brussel duizenden franken verwed op de wedstrijd waarmee ook de wet op kansspelen met de voeten werd getreden. Enkele dagen nadien verscheen een ander artikel in dezelfde krant met een analyse van het eerste wedstrijdgedeelte tot aan het controlepunt in Erembodegem. Daaruit bleek dat er heel wat combinaties ondanks de regen en de slechte staat van de wegen een gemiddelde snelheid van meer dan vijfentwintig kilometer per uur hadden gehaald en dus veel te snel van start waren gegaan. Er werd de jonge officieren dan ook een gebrek aan kennis en ervaring over paardentraining verweten om een dergelijke uitputtende wedstrijd tot een goed einde te brengen.
De Vooruit was iets genuanceerder en verwees tevens naar andere vormen van dierenmishandeling waar nooit over gesproken werd zoals bijvoorbeeld de zware arbeid en mishandeling van paarden en pony’s in de steengroeven en mijnen. Maar ook bij de katholieke pers gingen er stemmen op dat men een brug te ver was gegaan. Het Nieuwsblad van Gheel vermeldde enkele schokkende voorvallen tijdens de raid in detail en voorspelde dat twee derde van de paarden kort na de wedstrijd zou overlijden of voorgoed buiten dienst zou moeten gesteld worden.
In de Nederlandse en Britse pers werd zwaar uitgehaald naar de organisatie van de raid. Anderzijds tilde men in Frankrijk blijkbaar niet zo zwaar aan de feiten. In de Franse pers werd de heroïsche wedstrijd van de Franse officieren breed uitgesmeerd en werd de winnaar luitenant Madamet de hemel ingeprezen. Hij zou volgens geruchten onder de deelnemers door zijn overwinning zes jaar vroeger tot kapitein bevorderd worden.
Ook onder de deelnemers ging de mishandeling van de paarden niet onopgemerkt voorbij. In de De Stad Eecloo deed de Nederlandse eerste luitenant G.J. Maris, liaison-officier in het cavaleriegarnizoen van Amersfoort en tiende in de eindrangschikking, zijn opmerkelijk verhaal. “Jammerlijk was tusschenbeiden te zien de wijze waarop velen onder buitenlandsche collegas met hunne paarden te werk gingen, hoofdzakelijk omdat zij in veel te snel tempo waren afgereden, zoodat zulks voor de arme dieren niet lang was vol te houden. Om dan niet alles waar te nemen reed ik soms maar met de oogen dicht, tot ik uit het gezicht was, mijn bruin op zijnen tijd de noodige rust en verzorging gevende. Over het algemeen gingen de Fransche deelnemers het ruwst te werk. Zij bereden allen rijkspaarden, gekozen uit de verschillende regimenten, en hadden van hunne oversten de order gekregen, ten koste wat dan ook, eerste aan te komen. Hierin ligt dan zeker ook wel een der grootste oorzaken van die afbeulerij, waarin zij bijzonder goed geslaagd zijn en die bij het publiek afkeer verwekte. Een Fransche oppasser zeide na afloop gewoon weg aan ieder die het hooren wilde, dat het hem zou verwonderen zou als hij van de 17 deelnemende paarden een vijftal mede zou kunnen terugbrengen.” Hij bekloeg zich tevens over de sportiviteit van sommige Franse officieren. Maris werd tijdens de raid meermaals gehinderd door een van hen en toen hij de vrije doorgang verzocht achtte de Franse officier het nodig om hem met de zweep van antwoord te dienen. Na Maris aankomst in Oostende werd bij de wedstrijdleiding een klacht tegen de Fransman ingediend.
De verklaringen van de organisatie en de deelnemende officieren in de pers waren meestal gefocust op de zware omstandigheden waarin de militaire raid Brussel-Oostende had plaats gevonden. De aanhoudende regen de nacht voordien hadden de wegen veranderd in modderpoelen, en de kasseien lagen dermate slecht dat heel wat paarden blessures kregen aan de gewrichten. In het tweede gedeelte na de controle te Zingem lagen de wegen er beter bij, maar dan waren de warme temperaturen de verzwarende factor die de paarden verder uitputten. Ook de te snelle start van de meeste combinaties, en een groot verschil in fysieke conditie tussen de Franse delegatie en de andere deelnemers door een gebrek aan doelgerichte voorbereiding, waren heel wat paarden fataal geworden.
Maar al die verklaringen zijn toch deels naast de kwestie. De vraag waarom men paarden zonder degelijke voorbereiding toch heeft laten starten werd nooit gesteld, laat staan beantwoord. Hiervoor is ongetwijfeld de legerleiding, die toch wel enige ervaring ter zake moet gehad hebben, verantwoordelijk.
Het waren natuurlijk andere tijden en men moet de zaken in hun historisch perspectief proberen te plaatsen. Maar als men constateert dat zelfs plattelandslui die een ruwer bestaan leidden dermate geschokt waren bij de aanblik van wat zich afspeelde en zich agressief begonnen op te stellen tegen de ruiters, dan betekent dit dat men bepaalde normen en waarden ver had overschreden.
De dierenbescherming
De dierenbelangenverenigingen hadden reeds enkele weken voor de aanvang van de wedstrijd protest aangetekend. Na de raid reageerde de Koninklijke Maatschappij tot Bescherming der Dieren ontsteld met een aanklacht tegen de gebeurtenissen en een oproep aan getuigen om zich kenbaar te maken.
En het bleef niet enkel bij woorden. Enkele dagen na de raid werden bij de parketten van Brussel en Luik door de voorzitters van de plaatselijke dierenverenigingen een formele aanklacht ingediend met vraag op vervolging tegen de ruiters van de gestorven paarden. En op vrijdag 5 september was er te Brussel een bijeenkomst gepland van de Koninklijke Maatschappij tot bescherming der dieren, onder leiding van haar stichter Jules Rühl, met aanverwante verenigingen uit het ganse land. Een twintigtal gedelegeerden debatteerden langdurig en soms rumoerig over de mogelijke gerechtelijke stappen die konden ondernomen worden. Een belangrijk punt van discussie was tegen wie een klacht zou worden ingediend, tegen de organisatoren of de ruiters. Uiteindelijk werd na een lange deliberatie het volgende besloten:
“Tijdens een vergadering van de voorzitters en afgevaardigden van alle verenigingen voor de bescherming van dieren in het land, gehouden in Brussel op 5 september, werd unaniem besloten om namens al deze verenigingen de bevoegde autoriteiten te verzoeken om gerechtelijke stappen tegen de daders van de gruwelijke feiten te ondernemen waartoe de raid Brussel-Oostende aanleiding gaf”.
In de Kamer
Na de verkiezingen van 25 mei 1902 had de katholieke partij haar meerderheid in de Kamer kunnen versterken ten koste van de andere partijen. Het is dus niet onlogisch dat de bloedige afloop van de raid maar al te graag politiek gerecupereerd werd door de oppositiepartijen, in zoverre dat het een staartje tot in de Kamer van volksvertegenwoordigers kreeg.
Reeds op 2 september verscheen een artikel in de Vooruit dat de socialistische volksvertegenwoordiger Eugène Berloz aan de voorzitter van de Kamer had laten weten dat hij bij de heropening van het parlementaire jaar de minister van Oorlog wou interpelleren over de schandalige afloop van de militaire raid.
Na de opening van de plenaire vergadering in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op dinsdag 25 november 1902 door voorzitter Frans Schollaert nam Berloz het woord en begon aan zijn betoog die drie doelstellingen beoogde:
1. luid protesteren tegen de brutale wreedheden die in ons land te dikwijls voorvallen, en in het bijzonder tegen het bloedbad waarmee de bevolking geconfronteerd werd tijdens de internationale militaire raid Brussel-Oostende.
2. met aandrang vragen dat er voldoende maatregelen genomen zouden worden om dergelijke voorvallen, die een geciviliseerd volk onwaardig zijn, in de toekomst kunnen te voorkomen.
3. de vraag stellen aan justitie, speciaal wat de feiten betreft die aanleiding gaven tot deze interpellatie, om de verantwoordelijken te vervolgen, ongeacht de sociale klasse waartoe ze behoren.
Hij voegde er aan toe dat hij de schandalige feiten, die het land hadden onteerd, publiekelijk aan de kaak zou stellen. Na de opsomming van een reeks feiten geconstateerd door duizenden ooggetuigen en journalisten langs het parcours loofde hij de gezamelijke nationale pers van alle politieke strekkingen, die volgens hem op onafhankelijke wijze verslag had uitgebracht van de voorvallen tijdens de raid en die unaniem de stelling nam dat dergelijke evenementen beter niet meer zouden worden georganiseerd. Berloz beweerde dat de raid geen enkel nut diende behalve om een bende leeglopers te amuseren en volk naar Oostende te lokken.
De minister van Oorlog, luitenant-generaal Cousebant d’Alkemade, verweerde zich door te stellen dat de oppositie de zaken op zijn minst sterk had overdreven. Hij erkende wel dat er een vijftiental paarden overleden waren, maar citeerde enkele rapporten die opgesteld waren op de controlepunten tijdens de wedstrijd waar nergens melding was gemaakt van enige brutaliteit ten opzichte van de paarden of dieren die moesten verzorgd worden voor verwondingen toegebracht door de ruiters, laat staan dat er zich een bloedbad had voorgedaan. De minister beweerde dat de militaire raid van zeer groot wetenschappelijk belang was geweest voor de verkenningstroepen.
Dierenemancipatie binnen het kader van humanitarisme
De manier waarop de bevolking en de pers reageerde op de afloop van de raid kan als een mijlpaal beschouwd worden in de geschiedenis van dierenrechten en de dierenrechtenbeweging in België. Nooit werd in de publieke opinie op een dergelijke massale en verontwaardigde manier gereageerd op de mishandeling van dieren. De reden hiervoor is dat de gebeurtenissen zich op de openbare weg afspeelden pal voor de ogen van tienduizenden toeschouwers en de opmerkzaamheid van de ganse Belgische en internationale pers. De feiten waren overduidelijk zichtbaar en konden niet geminimaliseerd of verloochend worden.
En opvallend is dat later bij elke poging tot het organiseren van een dergelijke wedstrijd door de dierenrechtenorganisaties telkens verwezen werd naar de desastreuze afloop in 1902. De raid werd steeds opnieuw als referentiepunt gebruikt om enerzijds de bevolking te herinneren aan het verleden en anderzijds om het verzet van dierenrechtenverenigingen tegen dergelijke organisaties toe te lichten en kracht bij te zetten. De publieke opinie was op gebied van ethiek en moraliteit duidelijk aan het veranderen en bijgevolg kan de militaire raid Brussel-Oostende als een kantelpunt beschouwd worden op de manier waarop men dacht hoe er in de toekomst met dieren moest worden omgegaan. En bij de bevolking groeide meer en meer de overtuiging dat de wetten voor iedereen van toepassing waren, in de eerste plaats voor diegenen die de wetteksten hadden ontworpen.
Deze sociale omwenteling was het gevolg van een groeiend zelfbewustzijn bij de lagere sociale klassen. De opkomst van allerlei emancipatiebewegingen, waaronder ook de dierenrechtenverenigingen, kan men positioneren binnen het ruimere kader van het humanitarisme die op het einde van de negentiende eeuw de gelijkberechtiging van achtergestelde groepen nastreefde.
Conclusie
De militaire raid Brussel-Oostende was ongetwijfeld de meest spraakmakende sportgebeurtenis van rond de eeuwwisseling. Lang voor het ontstaan van de professionele sportjournalistiek werden naar aanleiding van deze gebeurtenis honderden krantenartikels geschreven. Nog nooit was in België een sportevenement op een dergelijke grootschalige manier in de actualiteit gekomen. Maar wat als een groot sportfeest was gepland ter afsluiting van het Oostends zomerseizoen, eindigde in een catastrofe en zadelde de organisatie met een zware kater op die lang en tot in de hoogste politieke kringen nagalmde.
De militaire raid Brussel-Oostende heeft in historisch perspectief als sportevenement bijgedragen tot de evolutie van de dierenrechten en hun verwante verenigingen. Het publiek aspect van de wedstrijd en de bijzondere aandacht in de media droegen bij tot het ontstaan van een breed gedragen burgerlijk besef dat dieren het recht hebben om respectvol behandeld te worden. De raid was hierin een kantelpunt en werd zelfs een referentiepunt dat bij latere pogingen om nieuwe wedstrijden te organiseren steeds gebruikt werd om te verwijzen naar de mogelijk fatale afloop van dergelijke evenementen.
Vandaag worden nog steeds endurance wedstrijden georganiseerd, met het verschil dat zowel de paarden als hun ruiters op alle gebied veel beter voorbereid zijn. De basistraining van een fysisch geschikt paard voor een wedstrijd van dertig tot vijftig kilometer bestaat uit een voorbereidingsfase van drie maanden. De verdere trainingsopbouw voor langere endurance-wedstrijden tot boven honderd kilometer omvat een langdurig trainingstraject van drie tot vijf jaar.
BRONNEN
Koninklijke Bibliotheek https://belgicapress.be
Digitaal krantenarchief - Stadsarchief Aalst https://aalst.courant.nu/
Bibliothèque Nationale de France https://gallica.bnf.fr
Bibliothèque Nationale de France https://retronews.fr
British Newspaper Archive https://britishnewspaperarchive.co.uk/
Digitaal Historisch Archief Delpher https://delpher.nl/
Erfgoed Brugge https://erfgoedbrugge.be/
Historische kranten https://historischekranten.be/
Kempens Erfgoed https://www.kempenserfgoed.be/
National Library of Wales https://newspapers.library.wales
Artikel 2023 © Filip Walenta
Project Karelvanwijnendaele.be
Volledig artikel (13.000 woorden) met bronvermelding op aanvraag via het contactformulier.