De schepping van Adam, Michelangelo (de Sixtijnse kapel).
De compositie wordt bepaald door een parallellogram.
Ik heb altijd moeite gehad, niet met de artistieke prestatie van Michelangelo (niemand kan hem evenaren), maar met de voorstelling die hij van God heeft gemaakt.
Aanvankelijk waren de voorstellingen van God in de kunst symbolisch.
God werd voorgesteld als:
Α en Ω (begin en einde).
Het getal één.
De cirkel.
Het alziende oog in een driehoek geplaatst.
De uit de wolken reikende hand.
Het zogenaamde tetragram JHVH (Jahweh).
Vooral in de Middeleeuwen werden de voorstellingen van God anthropomorf. Michelangelo heeft hem afgebeeld als de grijsaard, de antiquus dierum (oude van dagen) van Daniël, in mijn ogen als God de blanke vader, tot wie ik in mijn jeugd geleerd heb dagelijks te bidden.
In de jaren '80 begon ik met deze voorstelling te experimenteren. Ik draaide alles precies om en verving de blanke vader door een zwart meisje, dat ik niet in de hemel maar in mijn dromen zag, een kind, dat ik mijn dochter noemde. Ik bad als volgt:
Ik bid tot mijn vader,
als ware hij mijn dochter,
als had ik haar voortgebracht.
Ik bid tot mijn dochter,
die mij niet heeft geschapen,
maar die ik heb voortgebracht.
Ik bid, dat zij mij geve
haar die ik me heb toegewenst,
maar niet mijn, haar wil geschiede.
Ik geloof, dat God opnieuw
van de hemel is neergedaald
en in het vlees is gekomen.
Zij is van overzee gekomen
in het zwarte kleed. Haar huid
is zachter dan het zachtste fluweel.
Mijn lieve dochter, mijn God,
ik wil geen nieuwe godsdienst.
Je moet een kind blijven.
Dit is een andere relatie,
die een lange tijd nodig heeft
om groot te kunnen worden.
Je komt tot mij in dromen,
zoals je vroeger hebt gedaan
en tot vandaag in Guyana.
In '86 hield ik een tijdje een dagboek bij. Ik schreef daarin toen het volgende:
Ik ben geen feminist, als ik zeg dat God een vrouw is, maar wat te denken als ik zeg: zij is een negerin? Het zwarte ras heeft vooral intuïtieve eigenschappen ontwikkeld. Dit zijn de ware eigenschappen van God. Je zou dus kunnen zeggen: als God een ras heeft (nogmaals: àls dit zo is), dan is zij een negerin. Hij schept niet met zijn verstand de dingen (zoals een mens iets maakt), maar hij schept de dingen, doordat ze zichzelf scheppen. De intuïtie schept de dingen. Het is ongeveer, zoals een negerin danst. Zij danst niet de dans. De dans danst haar. Zo is het ongeveer.
Is dit geen merkwaardige theologie, waarin God de vader wordt verlaagd tot een metafoor? Ik beweer dat dit niet zo is, en ziehier waarom. In Rome wordt God de vader afgebeeld als een blanke man met een baard. Zeer terecht, zeg ik, maar met even veel recht beeld ik hem af als een negerin. Zou God niet in staat zijn welke gestalte dan ook aan te nemen, niet omdat hij zo is, maar omdat wij op geen andere manier in staat zijn met hem in contact te komen? Ik geloof niet dat hij daardoor een ander wordt dan de vader van Jezus. Daarom zeg ik, zoals Jezus mijn vader zei, en zonder zijn gebed te betwisten, op dezelfde manier mijn dochter. Zij is daardoor geen ander dan de God van Israël, die ik ken uit mijn jeugd.
Ik probeerde deze voorstelling van een zwart meisje zichtbaar te maken in een geschilderd portret. Het ging me niet zo goed af. Op een dag (in '88) kreeg ik een slechte droom.
Ik zei in die droom als het ware tegen mezelf:
De vrouw is als God belichaamd.
Er is ook een zekere twijfel. Anders zou ik...
Verschrikkelijk! Ik heb twee schilderijen overgeschilderd....
Ik heb dat doek niet meer bewaard.
Waarom lukte het niet? Ik dacht: het is fout om God in een menselijke gestalte (welke dan ook) af te beelden. Het mag alleen in een abstracte voorstelling. Vanuit die gedachte heb ik De tent geschilderd. Het was een abstract werk, maar als je wilde kon je er een tent in zien of een zotskap met ogen, een neus en een snor. Er stond ook een teken op, een monogram gemaakt van de letters RN (res novae). Toen ik klaar was, voelde ik meteen al een onbehagen over wat ik had gemaakt. Ik maakte er een lijst omheen en zo heeft het schilderij een tijd gehangen.
Later veranderde ik de lijst. Ik bevestigde er twee theelichten, die in houders van zeepsteen waren verzonken, op. Verder een spiegeltje en een sleutelkastje. Het sleutelkastje had de vorm van een huisje. Ik bewaarde er zeven symbolen in, die zeven stromingen (humanisme, taoïsme, boeddhisme, animisme, islam, christendom en jodendom) voorstelden. Ze konden ook gezien worden als zeven figuren: Socrates, Lao-tse, Boeddha, de zwarte vrouw, Allah, Christus. Als laatste voegde ik de heilige geest toe. Ik noemde het de zeven geesten van God. Het schilderij was ineens in een huisaltaar veranderd. Het spiegeltje gaf aan, dat het altaar zich eigenlijk in mijn lichaam bevond.
Ik hield hetzelfde gevoel over als bij het schilderen: ik had een afgodsbeeld gemaakt, zoals het gouden kalf, dat de joden hadden opgericht in de woestijn.
Ik besloot om het schilderij te overschilderen met een zelfportret. Dat beviel me ook niet. Op een goeie (of was het een kwaaie?) dag heb ik het vernietigd.
Patrick vond het jammer en daarom vroeg hij: Heb je dat schilderij niet meer?
Nee, zei ik, ik heb er iets overheen geschilderd, een zelfportret.
Waarom heb je het overschilderd?
Dat schilderij. Het was niks, net als trouwens dat portret. Ik heb dat doek verscheurd.
Daarna (in '96) zag ik het schilderij in een droom. Er zat een touw onder de verflaag. Iemand rukte het touw los. Hierdoor ontstond een grote scheur in de verf. Je hebt de tent verscheurd, zei ik. Hij antwoordde: Je hebt te veel seinen gebruikt om die overmacht te schilderen. Ik geef je de opdracht je zelf te schilderen. Opdracht: als een 13.
Toen ik wakker werd, dacht ik: wat gek, ik ben nog maar net van dat zelfportret af en nou moet ik alweer mezelf gaan schilderen en nog wel als een 13. Hoe kan ik mezelf schilderen als een 13?
Toch denk ik (ik heb er wel lang over moeten nadenken) dat ik het een beetje begrijp. Bij die overmacht denk ik aan God, maar ook aan het getal 13. Het is het ongeluksgetal, dat wil zeggen: wat per ongeluk (of uit overmacht) gebeurt. Ik had te veel seinen, dat wil zeggen symbolen, gebruikt. Met andere woorden: ik was te kunstmatig bezig geweest. Ik had me bij het schilderen meer door die overmacht moeten laten leiden.
Door die droom werd ik gewezen op een fout in mijn manier van schilderen. Maar dat begreep ik toen nog niet. Ik dacht: het is alsof de tentgod tegen me zegt: Gij zult mij niet schilderen.
Ge zult geen godenbeeld maken, volgens Mozes. Aan dit gebod is tot de dag van vandaag vastgehouden door joden en moslims.
De joden vreesden dat het beeld zelf als God zou worden gezien. Het tweede gebod van Mozes betrof oorspronkelijk alleen een verbod van beelden die leken op die welke vereerd werden in de culturele omgeving waar de Israëlieten verbleven, pas later werd dit een verbod op elke artistieke voorstellling.
Onder de Romeinse bezetting werden de voorstellingen van dieren op oorlogsstandaarden van de legioenen als een belediging beschouwd, terwijl sommigen zelfs geen Romeinse munten gebruikten vanwege de afbeeldingen die erop stonden.
Onder de christenen kennen we de iconoclasten (beeldenstormers). Iconoclasten stonden tegenover iconodoulen (beeldenvereerders). Deze beeldenstrijd speelde zich in het Byzantijnse Rijk af gedurende de 8ste en de eerste helft van de 9de eeuw. Keizerin Irene liet de beeldenverering als rechtgelovig erkennen met de uitspraak: de verering geldt niet het beeld, maar degene die door het beeld wordt voorgesteld.
Els en Jaap zijn iconenschilders.
Toen ik Els voor de eerste keer zag, zei ze: Zeg maar Els.
Ik dacht: wat is er dan gebeurd dat ik zomaar Els mag zeggen?
Iconen mogen alleen worden nagemaakt, zei Jaap.
Ik kreeg van Els een kaart met een afbeelding van een door haar vervaardigd Ethiopisch icoon. Geschilderd met eigeel en tempera, schreef ze er niet zonder trots bij.
Ze gaf de volgende uitleg: Iconen zijn beeltenissen van historische heilige personen of van gebeurtenissen in het leven van die personen. Na de beeldenstrijd gebeurde dit volgens vastgelegde regels.
Christus heeft lange haren met een scheiding in het midden en een baard. Hij draagt een evangelieboek en maakt een getuigend gebaar. In de aureool bevindt zich een kruis met zijn goddelijke naam: de zijnde. Het rode onderkleed betekent: hij is Gods zoon. Het blauwe overkleed: hij is mens geworden.
Het blauwe onderkleed van de moeder Gods betekent: zij is mens. De rode mantel betekent: zij werd Gods moeder. De stertekens betekenen: maagdelijkheid vóór, tijdens en na de geboorte.
De heiligen hebben vaste kenmerken, ook hun beroep of functie wordt aangegeven.
De techniek is ei-tempera. Zuivere verfpigmenten aangemaakt met eigeel worden vermengd met water en wijnazijn, haarstrengen en bijenwas. De drager is een geschikt paneel bedekt met linnen en voorzien van krijtlagen, die gepolijst zijn.
Iconen spelen een onmisbare rol in de liturgie en het geloofsleven van de oosterse christen.
De Beeldenstorm (hoogtepunt in 1566) luidde de Reformatie in. Door de Reformatie werd de beeldenverering, evenals de heiligenverering, verworpen. Het aanbrengen van beelden tot instructie der gelovigen wordt door de Heidelbergse catechismus voor ongeoorloofd gehouden, daar God de christenen niet door stomme beelden maar door de levende verkondiging van zijn woord onderwezen wil hebben.
Doordat de christenen weer anthropomorfe afbeeldingen van God hebben toegestaan, heeft God om zo te zeggen een hoog Jupitergehalte gekregen.
We weten niet meer hoe devoot de Romeinen tot Jupiter en de andere goden baden. Misschien deden ze hierin wel niet onder voor de christenen. Zie: de stralend hoog verheven hemel, algemeen als Jupiter aanbeden(Cicero, De goden). Is er wel zo'n groot verschil tussen de goden van Cicero en Jahweh, de God van de bijbel (behalve dan het geloof dat de laatste de enige in zijn soort is)?
Heel veel van wat Cicero zei over de antieke goden, is later opnieuw gezegd over de christelijke God. Hoe kon zoiets zich voor de tweede keer voordoen? Het deed zich voor en misschien met de dezelfde uitkomst als de eerste keer. De theologie zou kunnen verdwijnen, net als de speculaties over de antieke goden.
Marianne heeft een andere mening: Jahweh werd niet afgebeeld, maar in tegenstelling tot de antieke goden wordt Jahweh nog steeds aanbeden. Het lijkt erop dat de antieke goden te dicht bij de mensen zijn gekomen. Doordat de goden anthropomorfe vormen kregen en ook hun gedrag menselijke trekjes vertoonde werden ze min of maar gelijkgesteld aan de mensen. De goden waren eigenlijk heel gewoon geworden, zo gewoon dat ze ook aan kritiek onderhevig waren en uiteindelijk gewoon verdwenen. De joodse godsdienst bestaat wel nog. Hierbij zou mee kunnen spelen dat door het niet afbeelden van God deze verheven blijft, hoog, heilig en onaantastbaar en daardoor verering waard. Misschien is afstand wel een vereiste voor geloven in God."
Er zit iets halfslachtigs in dat de joden geen afbeelding van God kenden, maar wel zijn naam gebruikten. Ze waren zich daar trouwens van bewust. Bij het lezen van de bijbel werd het uitspreken van de naam van God vermeden en maakten ze in plaats daarvan gebruik van de uitgesproken naam, een andere uitspraak van dezelfde naam of zelfs een andere naam.
Er is geen enkele reden, om een verschil te maken tussen woorden en beelden. Het zijn allemaal tekens.
Het gemak van het gebruik van tekens is dat je kunt verwijzen naar zaken zonder ze te hoeven aanwijzen. Het kunnen abstracte, afwezige of niet bestaande zaken zijn.
Aanwezige zaken kun je aanwijzen. Dat is niet altijd goed. Dat heb ik tenminste als kind zo van mijn oma geleerd. "Niet wijzen," zei ze altijd. Niet wijzen naar iemand die aanwezig is. Niet wijzen is voor een kind moeilijk. Het alternatief is: de naam noemen. In plaats van wijzen noemen.
Verwijzen naar iets dat aanwezig, maar niet aanwijsbaar is. Naaktheid bijvoorbeeld, naaktheid is geen waarneming. Dat het lichaam naakt is, is een gedachte. Heel mooi vind ik de vraag van God aan Adam en Eva: "Wie heeft u gezegd dat u naakt bent?"
En soms zelfs: niet verwijzen. Dit laatste speelt een rol in het denken over God.
Eigenlijk zei God tegen Mozes: Gij zult niet naar mij verwijzen. De formule is streng, niet halfslachtig.
Hoe zou je dan de schepping van Adam kunnen schilderen? Zo bijvoorbeeld, zou het zo goed zijn?