Simon Vestdijk - een Huisbewaarder
Anne Wadman - Afscheid van S. Vestdijk
Anne Wadman - de Grote Explosie
Willem Brakman - Gegoeden
Majoor Breunese en Vestdijk
Majoor Breunese alias "Majoor Bruinhorst" in het boek Een Huisbewaarder van Simon Vestdijk.
Dit boek gaat over de arts Aad Oosthoek, 26 jaar. Hij heeft zijn oude vriend Louis Bijtel beloofd om op diens woning en gezin te passen tijdens de wintersportvakantie van Louis. Het gezin bestaat uit Louis' echtgenote Jikke, hun zoontje Derkje, de hond Joy en de poes Thomas. Het verhaal speelt c. 1932 in de villa van Louis gelegen dichtbij de Haagse duinen. Het boek is geschreven in 1965.
Op p. 26 komt majoor Bruinhorst al in beeld. Hij is de majoor die Jikke paardrijles geeft. Louis zegt dat hij 'aardig'is "Zoals majoors zijn. Als je majoors aardig vindt, vind je hem ook aardig". Hij maakt een toespeling dat de majoor wel erg veel vrije tijd heeft om de paardrijlessen te geven.(p. 27).
Aad vraagt zich af waar de paarden zijn "Ik zou mij van een majoor kunnen voorstellen, dat hij zijn leerlinge van huis komt halen te paard, met het andere paard aan de toom", maar misschien wil Jikke dat niet...(p. 36)
Op p. 87 is Louis tijdelijk teruggekomen van de wintersport. Jikke verteld dat "Bruinhorst heeft opgebeld, dat hij vanavond komt borrelen". Louis heeft twijfels over hoe Bruinhorst kon weten dat hij thuis was van de wintersport. De vriendin van Jikke, Zwaantje wordt eveneens uitgenodigd. "Bruinhorst", zegt Louis, 'is een man, die van de sport een religie maakt. Het liefst zou hij in een voetbalbroekje rondlopen als majoor". Louis zegt dat hij met Bruinhorst "heel goed is"(p.89)
In het hoofdstuk "Borrelen met het leger" komt majoor Bruinhorst op de borrel. "Hij is een kleine, stevig gebouwde veertiger met brede schouders en een bruin gezicht, waarop de glimlach en de lach gemakkelijk hun plaats vinden, steeds in begeleiding van een half cynische gemeenzaamheid, waar ik het mijne nog van hebben moet. Hij draagt een goed gesneden colbertkostuum, waarin de pochette niet ontbreekt" ... Hij negeert Jikke, is vol aandacht voor Zwaantje en weet in het gesprek de aandacht naar zich toe te trekken en de onderwerpen te bepalen. Over hoe het met zijn vrouw gaat zegt Bruinhorst: "Ja, wat moet ik je daarvan zeggen...Niet goed natuurlijk. Volgens de dokter is er een nieuwe inzinking gekomen, maar daar raak ik de tel van kwijt"... Hij lijkt mij opeens oud, om niet te zeggen afgeleefd. Tegen mij zegt hij: "Mijn vrouw heeft een gevaarlijk soort bloedarnmoede". (Aad): "Pernicieuze anemie?" "Zoiets. Ja, ik geloof van wel". (Aad): "Dat is tegenwoordig wel te behandelen". "O ja, daar ontbreekt het niet aan..." Hij maakt een afwerend gebaar. (p. 105). Het gesprek gaat verder over inbrekers die in het huis van de majoor zijn binnengedrongen en die hij betrapt heeft.
Aad vindt de majoor niet sympathiek. Het gesprek gaat verder over sport, over paarden, over honden. De majoor forceert Louis om de angstige hond Joy het kunstje van een poot geven te laten doen, maar omdat de hond niet wil wordt het een uiterst ongemakkelijke situatie. (p. 120)
Aad hoort van het dienstmeisje Ellie: dat Jikke eens met de majoor was thuisgekomen. Ellie wilde thee brengen, juist toen Jikke naar de wc was. De majoor was alleen in de kamer. .."met zijn broek open" (p. 135). Zou hij een oogje op Ellie hebben? Zwaantje en Aad bespreken het jaloerse karakter van Louis. Er wordt gesuggereerd dat Jikke een huisvriend als minnaar heeft (p. 154). Bruinhorst?
Aad vindt de majoor niet sympathiek, maar is wel onder de indruk van hem. In een fantasie over een huwelijk met Ellie fantaseert hij dat de majoor getuige zal zijn (p. 209).
Zwaantje zinspeelt er in het bijzijn van Aad en Jikke op, dat de majoor een echte charmeur is, een Casanova. Jikke houdt zich op de vlakte (p. 230) en gaat zich klaarmaken voor haar rijles. Aad verbaast er zich opnieuw over dat hij haar nooit ziet rijden op de het ruiterpad in de buurt.
In het voorlaatste hoofdstuk, Een Onthulling verteld Zwaantje over de verhouding tussen Jikke en de majoor. Hun ontmoetingen vonden plaats in de kamer van Zwaantje in het centrum. Louis was er achter gekomen en had zelfs een soort detectives in de hand genomen die de majoor en Jikke tot twee maal toe betrapten toen ze samen op weg waren naar de kamer. Maar de majoor reageerde onverwacht. Hij sloeg de man die hem volgde neer en zei doodleuk tegen een passerende agent: "ik geloof dat dat de twee heren zijn, die laatst bij mij ingebroken hebben, neemt u ze even mee". De andere keer toen Bruinhorst en Jikke onderweg betrapt werden, ging hij op een militaire manier zo verschrikkelijk tegen de achtervolgers te keer, dat zij hem niet verder durfden te volgen. Louis was er echter bij, in vermomming, en Jikke viel door de mand. (p. 249). De volgende dag heeft Bruinhorst nog geprobeerd om Louis op andere gedachten te brengen, maar de scheiding was een feit.
Anne Wadman schrijft over Een Huisbewaarder in Afscheid van Simon Vestdijk, p. 7 e.v.: "Het verhaal van Aad Oosthoek over zijn jeugdvriend Louis Bijtel is te herleiden tot het verhaal van Simon Vestdijk over zijn jeugdheld Jaap Hammer en over een aantal figuren uit diens Haagse omgeving. Alle personen en situaties zijn opgetekend naar de werkelijkheid: de jaloerse Jaap Hammer (=Louis Bijtel ), de paardrijlustige Trijn Palsma (=Jikke), het geadopteerde kind Patty (=Derkje), de collega Coeleman (=Koudijs), diens vriendin het Engelse tekenaresje Jean Shepeard, inmiddels een gerenommeerde kunstenares (=Jeanne de Lattre), Trijns vriendin Titia van Maurik, een nakomeling van de schrijver Justus (=Zwaantje). En dan de majoor Bruinhorst. In de aantekeningen van Vestdijk van mei 1945 wordt zijn ware naam verzwegen". In een ander document van Vestdijk, een droomverslag over het huis van Jaap Hammer, gedateerd op 26 januari 1932, heeft Wadman een aantekening van de naam Breunese gevonden. Wadman stelt vast, dat Vestdijks "Sonnet voor den joligen kapitein" op niemand anders dan op hem, maar vrij zeker niet voor hem geschreven is".
Er zijn drie Sonnetten voor den joligen kapitein geweest, maar twee zijn door Vestdijk niet in een bundel opgenomen.
In het boek De grote explosie schrijft Wadman: "Het is onduidelijk wat Vestdijk met het woord 'voor' in de titel van drie sonnetten heeft willen zeggen; het valt moeilijk aan te nemen, dat hij ze aan de man zelf heeft aangeboden".
Verder noemt Wadman het gedicht De Dienaar "dat weliswaar geen directe aanduidingen op de half- of quasicharmante majoor bevat, maar ontegenzeggelijk op dezelfde persoon betrekking heeft, al lijkt deze een tikje weggeretoucheerd, bv. door het gebruik van het woord 'luitenant".
Tweede sonnet voor den joligen kapitein.
Geschreven in 1932.
In: S. Vestdijk - Nagelaten gedichten. 1986.
Hoofdstuk 1932, p. 302.
Vroeger schatte men voor 't verleiden maagden
Hoog, maar de kap'tein noemt elkeen 'mevrouw'!
Hij zoekt geen ijs, geen vuur, liever een lauw
Klaarstaand bad, dat een ander reeds behaagde
Zoo trad hij op háar toe met 't zelfde flauw
Verwend glimlachje, waarmee hij meer plaagde
Dan wondde, - en zich ook niet dichter waagde
Dan waar mijn blik botste op zijn veldgrauw.
Waarom werden die voorbereide lonken
Aan haar, die 'k zoo niet geven kon, besteed?
Waarom niet éenmaal 'n dieper teug gedronken?
'k Stond als soldaat, tot sneuvelen gereed,
Die hoopt, dat geen kwartier meer wordt
geschonken, -
En dien met tergend-zacht een knoop afsneed.
S. Vestdijk - Sonnet voor den joligen kapitein.
Geschreven in 1932.
In: A.Wadman - De grote explosie. 1987. p. 74.
De hakken bij elkaar in 't echt'lijk bed,
Kap'tein, neemt weinig plaats: de echtgenoot
Zal, als in veldtochtstroo, uw bijgezet
Lichaam niet voelen, of hij houdt zich groot.
De dagtaak ligt weer dichter bij den dood,
Kap'tein, als de barak niet wordt ontsmet,
Waar gij vanwege 't rapport onder 't snood*
Ziekenregister uw handteek'ning zet...
De dood gaat weer voorbij, de liefde blijft,
Kap'tein, ge kunt gerust den oorlog hoonen!
Er is geen druppel zweet die lang beklijft
In 't zand, in 't kamp, in 't land van jubeltonen....
*oudere variant op; "op 't ontbloot".
S. Vestdijk - Sonnet voor den joligen kapitein.
Geschreven in 1932.
In: S. Vestdijk - Verzamelde gedichten I. p. 38.
De kapitein breekt zich de lange beenen,
Zoo moet ik denken, telkens als hij buigt;
Hij hoest den rook, dien hij naar binnen zuigt
Omdat hij voor de dames is verschenen.
Wellicht droomen zij: "Makk'lijk te verleenen
Rijen medailles, tusschen 't wapentuig
Opgehangen, maakten hem minder ruig:
Door zilverglans werd 't moedig hart beschenen!"
Ik zit tusschen de divan en een stoel
Als in een loopgraaf, wanneer 't khakigrijs
Opspringt en samenklapt voor 't zoete doel:
Minzaam brengt hij de dames van de wijs,
Biedt vuur aan, lacht en schertst, -tegen mij koel
Omdat 'k, verstijfd, niet in de houding rijs.
S. Vestdijk - De dienaar.
Geschreven in 1932.
In: S. Vestdijk - Verzamelde Gedichten I, p. 379.
Luit'nant of filmheld, onverschillig: 'k steek
Hem bij mij in een handig zakformaat,
Ied'ren keer, dat mij iets te wachten staa-
Bij vrouwen-waar 'k niet graag te lang om smeek;
Een spiegeltje kaatst mij dan in 't gelaat
Zijn favori's, zijn glans, en soms den streek
Van 'n kitt'lig snorretje, dat in de week-
Ronde welving met zijn woorden meepraat.
Luitenant, filmheld, charmeur, troubadour,
Te dienen slechts, tot veroov'ring vervoerd,
Schenkt hij zijn jeugd en zijn verleid'lijkheid.
En 'k weet hem af te schudden, na 't afscheid,
Als, overmoedig door dien goocheltoer,
Zijn meesterschap naar mijn bewond'ring vrijt...
Majoor Breunese en Brakman
Majoor Breunese alias "Majoor Hoezee" in W.P.J. Brakman - De gegoeden. Utrecht, Reflex, 1980. 35 p. Een man (=Brakman) verblijft in een vakantiehuisje in een bungalowpark. Op een dag ontmoet hij zijn nieuwe buurman. Het blijkt zijn vroegere jeugdvriend Gerrit Slagter, inmiddels met een gezin met 6 kinderen. De man neem wraak op de kinderen die in het huisje naast hem zijn komen wonen. "Zijn oom was de majoor Hoezee, een man die de arbeidsdienst op poten heeft gezet in de oorlog en ook een sportcentrum bij Kijkduin." Lees het volledige verhaal....
Brakman was een tijd lang bevriend met Gerrit Slagter omdat ze samen de machinistenopleiding in Scheveningen volgden. In hun vrije tijd werkten ze oa. in de groententuin van de boerderij waar Gerrits'oom (J.N. Breunese) zijn rijpaard gestald had.
(Met dank aan: Gerrit Jan Kleinrensink, Neerlandicus en Brakman-kenner)
Majoor Breunese en De Bock
In: Boudewijn van Houten - Hout. Antwerpen, 1987. Isbn 9022310625
"......Mijn grootvader De Bock was tot 6 september 1944 - Dolle Dinsdag- leider van de Nederlandsche Arbeidsdienst gebleven. Hij werd ontslagen, omdat hij weigerde manschappen in te zetten voor militaire werkzaamheden.
Al eerder had hij onwil getoond zich al te veel met de Duitsers in te laten. Dat was in 1941, toen hij nog districtscommandant van Brabant was. Generaal van de Arbeidsdienst was toen Breunese - de organisator van de Vierdaagse, een populair man. Deze zou kort hierop uit de Arbeidsdienst stappen en zelfs nog als een soort held en verzetsstrijder de eindstreeep van mei '45 halen. In 1941 lagen de zaken evenwel nog een beetje anders. Er werd een congres in Braunschweig gehouden waar de Nederlandse districtscommandanten moesten komen om de Duitse lijn te leren. Mijn grootvader voelde er niet voor erheen te gaan.
Breunese zei:
"Je hoort erheen te gaan."
Mijn grootvader:
"Ik heb geen zin".
Breunese:
"Het is een bevel!"
En mijn grootvader ging naar Braunschweig.
Maar op zijn proces na de oorlog was hij wel verbaast toen hij zijn vroegere chef, die zich kennelijk nog eens extra schoon wilde wassen, tegen de rechters hoorde verklaren over dat bewuste congres:
"En ik zei nog zo: De Bock, De Bock, ga toch niet!"
Volgens mijn moeder, die op de zitting aanwezig was, moet mijn grootvader een gezicht hebben getrokken dat uitdrukte: "Nou breekt m'n klomp."
Het werd trouwens wel duidelijk tijdens het proces dat Breunese gelogen had. Want er waren andere mensen die getuigden hoe het werkelijk gegaan was. Maar Breunese werd niet van meideed beschuldigd. Schuldigen waren er toen maar aan één kant..."