Biljart kretologie

Index:

  • Libre-klein tafel;
  • biljartballen;
  • acquit trekstoot en acquitstoot;
  • biljartkeu, pomerans en soorten krijt;
  • cue rest (hark) en cue extensions (verlengstukken);
  • hoogte aanspeelpunten op de speelbal;
  • zijwaartse aanspeelpunten op de speelbal;
  • piqué en massé (pikeren en masseren);
  • termen en basis spelregels;
    • touché;
    • bewegende ballen;
    • uitgesprongen ballen;
    • biljardé;
    • vast aan band;
    • verboden zones.

Op deze pagina proberen wij u enigszins wegwijs te maken met de benamingen, termen en enige basis wedstrijdregels die u regelmatig tegenkomt in het (carambole) biljartspel. Hierbij zullen refereren naar het KNBB spel- en arbitragereglement (SAR), zoals oa. wordt gebruikt in de KNBB dagcompetitie.

Wij zullen ons hoofdzakelijk beperken tot het Libre spel op een Libre-klein tafel, maar zullen af en toe uitschieten naar het band- en het snookerspel

Onderstaande tekst is in de mannelijke persoonsvorm geschreven om de tekst enigszins leesbaar te houden, echter zijn wij ons er terdege van bewust dat ook de dames een grote rol vervullen in de biljartsport en de arbitrage ervan.

Libre-klein tafel





Dè Biljartmakers

3-delige leiplaat set

Libre-klein tafel

Biljartclub de Koepel heeft de beschikking over twee Libre-klein tafels. De maatvoering van een biljarttafel wordt gezien vanaf het daadwerkelijke spel-vlak tussen de banden. Een Libre-klein tafel heeft de afmeting van 115 x230 cm. en dient - gemeten vanaf de grond tot aan de bovenkant van de omlijsting 75 - tot 80 cm. te bedragen.

Op het speelvlak zijn diverse markeringen aangebracht, zoals de acquits en de zgn. verboden zones.

De acquits zijn merkpunten op het speelvlak ten behoeve van het plaatsen van de biljartballen. Ze zijn onder te verdelen in:

  • benedenacquit: middelste merkpunt op de afstootlijn;
  • linkeracquit: linker merkpunt op de afstootlijn;
  • rechteracquit: rechter merkpunt op de afstootlijn;
  • middenacquit: middelste merkpunt op de lengteas;
  • bovenacquit: bovenste merkpunt op de lengteas.

De denkbeeldige lijn die de benedenacquits snijdt wordt de afstootlijn genoemd. De denkbeeldige lijn die het beneden-, midden- en bovenacquit snijdt, wordt de lengteas genoemd.

De vier hoeken van het speelvlak zijn voorzien van een dunne (witte) grenslijn. Dit afgebakende gedeelte wordt een "verboden zone" genoemd. Hier wordt later op teruggekomen.

De omlijsting van de banden mag zijn voorzien van ingelegde witte merkpunten ( de zgn. diamonds). Deze merkpunten verdelen het speelvlak in 32 denkbeeldige gelijke vlakken, de lange banden in 8 gelijke delen en de korte banden in 4 gelijke delen.

De biljartbanden zijn voorzien van een natuurrubber profiel, waarvan de buigrand overeen dient te komen met de middenlijn van de biljartbal. De kwaliteit van het bandrubber is in hoge mate bepalend voor het aannemen en afgeven van het gegeven effect aan de biljartbal.

Zowel het band- als tafeloppervlak zijn bekleed met biljartlaken, dat oorspronkelijk uitsluitend uit kamgaren bestond, maar tegenwoordig vermengd is met bijvoorbeeld nylon of polyester.

Het tafelblad is gemaakt van natuursteen, meestal leisteen. De leiplaat bestaat soms uit een geheel, maar veelal uit twee of drie delen. De dikte moet minimaal 45 mm. bedragen, maar heeft meestal een dikte tussen de 50 en 60 mm. De leiplaat wordt elektrisch verwarmd om het door het laken (maar ook de enigszins poreuze lei) opgenomen vocht te verdrijven en zodoende de ballen minder rolweerstand te laten ondervinden.

Overige gangbare tafelmaten:

  • match tafel (ook wel wedstrijd- of grote tafel genoemd):
    • 284 x 142 cm. (+/- 5 mm.)
  • Cafè tafel:
    • 210 x 105 cm.

(carambole) ballensets

biljartballen

In het verleden waren biljartballen vervaardigd van ivoor. Door de vele protesten hierover, werd er gezocht naar alternatieve middelen. Tegenwoordig worden de biljartballen gemaakt van een kunsthars samenstelling . Een voordeel vaan het gebruik van kunsthars t.o.v. ivoor is, dat ivoren ballen zeer gevoelig zijn voor temperatuursverschillen. In de handel zijn biljartbal sets in vele kwaliteitssoorten beschikbaar. Een veel gebruikte soort zijn de Belgische Aramith ballensets.

Een biljartbalset bestaat uit drie ballen van gelijke diameter en gelijk gewicht. De diameter moet zich bevinden tussen de 61 en 62 mm. en het gewicht moet zich bevinden tussen de 205 en 220 gram.

Voor de spelsoort Libre bestaat een set uit een licht- of donkerrode bal, een witte gemerkte (pit) bal, en een ongemerkt witte bal. Ook wel wordt de gemerkte witte bal vervangen door een lichtgele bal, hetgeen wel problemen kan veroorzaken voor spelers met een mate van kleurenblindheid. (zie afb. A en B)

Bij de spelsoort Driebanden wordt veelal gebruik gemaakt van een "spotted" ballenset (zie afb. C)

Een biljartbal heeft uiteraard niet het eeuwige leven. Afhankelijk van de mate en manier van gebruik, verliest het de gunstige eigenschappen. Op wedstrijdniveau worden de ballensets dan ook regelmatig vervangen door nieuw.

De bal waarmee u afstoot, wordt met "speelbal" aangeduid.

De eerstvolgende bal waarmee uw speelbal contact heeft, wordt met "aanspeelbal" aangeduid.

acquit trekstoot

(1e) acquit stoot

acquit trekstoot en de acquitstoot

Om te bepalen welke speler de partij zal aanvangen, wordt vaak gebruik gemaakt van de acquit trekstoot. De beide ballen worden op de afstoot-lijn geplaatst, tussen linker/rechter acquit en linker/rechter lange band.

(zie afbeelding)

Op aangeven van de arbiter stoten Speler A en B hun speelbal, waarbij moet worden getracht hun speelbal - via de bovenband - zo dicht mogelijk bij de onderband te laten eindigen. De speler die zijn bal het dichts bij de onderband heeft laten eindigen mag bepalen wie de partij gaat aanvangen. Heeft de bal van speler A de bovenband al bereikt, voordat speler B heeft afgestoten, dan mag speler A bepalen wie gaat aanvangen, ongeacht het verdere resultaat van de acquit trekstoot.

De speler die begint, begint met een acquitstoot met de ongemerkte witte bal. De tweede speler vervolgt - nadat de beginnende speler is afgeteld - het spel met de gemerkte witte bal. Indien de beginnende speler zijn te maken aantal caramboles heeft behaald, heeft de tweede speler nog een "na-beurt" met de acquitstoot om aan een gelijk aantal beurten te komen.

Bij de (aanvang) acquitstoot wordt de rode bal op het bovenacquit geplaatst, de gemerkte witte bal op het middenacquit geplaatst en de (ongemerkte) witte bal - ofwel speelbal - op het rechteracquit ( of als de speler dat wenst, op de linkeracquit) geplaatst. De speelbal dient als eerste op de rode bal gespeeld te worden en vervolgens de gemerkte witte bal te raken. Hiervoor zijn meerdere toegestane mogelijkheden. (op de linker afbeelding ziet u de meest gebruikte acquitstoot.

Bij het Libre wordt van een carambole gesproken indien de speelbal - na het afstoten met de pomerans - contact heeft gemaakt met beide andere ballen. Met uitzondering van de acquitstoot is de kleur volgorde van beide overige ballen niet van belang en mag dit met of zonder gebruik te maken van de banden.




voor en na een bezoek aan Dé Biljartmakers

biljartkeu, pomerans en soorten krijt


De biljartkeu wordt gezien als het meest persoonlijke attribuut voor de speler. Biljartkeu's zijn verkrijgbaar in alle prijsklassen en kwaliteiten. We zullen ons beperken tot de categorie carambole keu's, welke o.a. worden gebruikt bij het Libre, Bandstoten en Driebanden.

De keu heeft een totale lengte van rond de 140 cm. en weegt tussen de 460 en 550 gram. Voor het Libre spel wordt veelal een gewicht gekozen tussen de 460 en 490 gram. De zwaardere keu's worden vaak gebruikt bij het Bandstoten en het Driebanden.

De keu bestaat uit twee in elkaar te schroeven gedeelten te weten, het ondereind en het topeind. Het ondereind is over het algemeen vervaardigd van een harde houtsoort, bv. haagbeuk en kan ingelegd zijn met overige materialen ter versiering.

Het ondereind van een keu ,die voor het Driebanden wordt gebruikt, is vaak nog voorzien van een kort afschroefbaar gedeelte waartussen extra ringen kunnen worden geplaatst ter verzwaring van de keu. Het topeind is over het algemeen gemaakt van een taaie en sterke houtsoort met de houtnerf in de lengterichting , bv. van esdoorn of essen.

Het topeind bevat aan het ondereind een schroefdraad pen, welke past in het inwendig schroefdraadgedeelte van het ondereind. Het schroefdraadgedeelte kan zowel in staal als in hout zijn uitgevoerd. Bi aanschaf van een extra topeind, dient men wel rekening te houden dat de gebruikte soorten schroefdraad per fabrikant verschillend kunnen zijn.

Het schroefdraadgedeelte is een kwetsbaar onderdeel en moet dan ook met zorg behandeld worden, zoals vrij houden van vuil, niet in elkaar geschroefd opbergen en vrij houden van vocht. Aan de bovenzijde van het topeind is de pomerans bevestigd. Om het splijten van het bovenste gedeelte van het topeind te voorkomen, is op het topeind - onder de pomerans - een tapse hard kunststof bus geplaatst. (het zgn. beentje).

De pomerans is gestanst uit leder en kan uit meerdere lagen bestaan. Men kan uit velerlei soorten pomeransen kiezen, zoals zacht / middelhard / hard leder , enkel- of meerlaags.

De pomerans wordt zuiver vlak op het topeind gelijmd met een contactlijm. De pomerans is onderhevig aan slijtage, vervorming en veroudering en dient dan ook regelmatig gecontroleerd te worden en zo nodig geschuurd of vervangen te worden. Indien het beentje gescheurd is dient deze ook vervangen te worden om het splijten van het topeind te voorkomen.

De diameter van het uiteinde van het topeind / pomerans varieert over het algemeen van 9 tot 13 mm. Voor het Libre wordt meestal een diameter van 10 tot 11,5 mm. gekozen. Om de grip tussen pomerans en de gladde biljartbal te verhogen, wordt voor en tijdens het spel de pomerans regelmatig van een laagje biljartkrijt voorzien. Ook in het biljartkrijt is er weer volop variatie, met name in hardheid en vetheid.

Het gebruik van snooker en pool krijt is nagenoeg bij alle (carambole) verenigingen niet toegestaan, omdat deze soorten krijt afwijkend zijn van kleur en door hoge mate van vetheid vlekken en strepen op het biljartlaken achterlaten.

Samenvattend kan worden gezegd, dat de keuze van een keu een zuiver persoonlijke zaak is. De een speelt liever met een iets zwaardere keu, de ander heeft het graag wat lichter. Dit zelfde geldt voor de pomerans soort en diameter en het soort biljartkrijt.

Een zeer kostbare keu garandeert niet, dat de gebruiker ervan automatisch "super" gaat spelen. De keu is slechts een hulpmiddel, de mate van vaardigheid, spel inzicht en uitvoering ervan in de praktijk, ligt geheel bij de gebruiker.


cue rest (hark) en cue extensions (verlengstukken)

Niet iedere carambole speler maakt er gebruik van, maar bij moeilijk toegankelijke speelballen mag er gebruik gemaakt worden van een cue rest (hark, vork of bok in de volksmond). De cue rest is ter vervangen van de voorhand en het gebruik hiervan vereist toch nog wel enige vaardigheid. De cue rest is afkomstig uit de snooker sport en kent diverse typen. Bij het carambole biljart wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de "cross" , de "low spider"en de "high spider". De snooker sport kent nog meerdere typen zoals, de "swane neck"en de "extended spider".


De gemiddelde lengte van een keu is 140 cm., terwijl de tafel een lengte heeft van 230 cm. Het komt dus nog wel eens voor dat u het idee heeft, dat uw keu te kort is bij moeilijk toegankelijke speelballen. Het gebruik van een cue rest is al besproken, maar een ander hulpmiddel is de cue extension (ofwel verlengstuk) Ook dit attribuut komt weer uit de snooker sport.

De universele extension wordt door middel van een klemverbinding op het ondereind van de keu geplaatst en is diverse lengten verkrijgbaar. Houdt bij aanschaf hiervan er rekening mee dat u geen snooker extension aanschaft, maar een carambole (keu) extension, omdat de diameter van het achtereind van een snooker keu kleiner is als die van een carambole keu.

Bij de longoni vaste extension wordt de rubberdop van het ondereind vervangen door door een aanpassingsdop met inwendige schroefdraad, zodat u op snelle wijze het bijbehorende verlengstuk kan plaatsen. Gangbare maten van de verlengstukken zijn 20 en 30 cm.

het KNBB spel en arbitrage reglement omschrijft het toegestane gebruik van een cue rest, maar het gebruik van een cue extension wordt niet genoemd.

hoogte aanspeelpunten op de speelbal

hoogte aanspeelpunten

De speelbal kan op diverse manieren een effect van de afstoot met de biljartkeu opnemen. Dit kan door middel van een hoogte aanspeelpunt op de speelbal, een zijwaarts aanspeelpunt op de bal of een combinatie van beide. We gaan nu uit van de hoogte aanspeelpunten (dus zuiver op de verticale hartlijn of middenlijn van de speelbal). Hierbij is wordt de biljartkeu zoveel mogelijk horizontaal gehouden bij de afstoot !

De aanspeelpunten op de speelbal vanaf de (horizontale) middenlijn of hoger beïnvloeden de voorwaartse snelheid gunstig. Als een speelbal op de horizontale lijn of hoger wordt gestoten, zal deze bal in eerste instantie willen voortbewegen zonder te rollen. Hierbij is de weerstand van het biljartlaken, de temperatuur en vochtgehalte en de conditie van de speelbal bepalend. Hoe hoger het aanspeelpunt is verwijderd (omhoog) van de horizontale lijn, des te sneller de speelbal overgaat van glijden naar rollen (zie het gebied rollen en doorstoten in de afbeelding). In het gebied "rollen" zal de speelbal nagenoeg direct beginnen te gaan rollen hetgeen gunstig is voor de snelheid van de speelbal. Stoten we hoger in de speelbal, dan bereiken we het gebied "doorstoten" . Hierbij behoud de speelbal na de stoot een mate van rol energie in de afstootrichting. Hierdoor zal de speelbal na contact met de aanspeelbal door blijven rollen in de gewenste richting. Dit effect wordt gebruikt voor het maken van een carambole in plaats van het heel dun moeten aanspelen van aanspeelbal, omdat de speelbal zicht in de afstootrichting (of nagenoeg in de afstootrichting) blijft voortbewegen. Dit wordt ook wel het "doorstoten/schieten "of "half-doorstoten/schieten" genoemd. Verplaatsen we het aanspeelpunt nog verder omhoog, dan komen we in het gebied "ketsen". Hierbij zal de pomerans van de speelbal glijden en mogelijk het beentje contact maken met de speelbal, waarna de afstoot als mislukt of zelfs ongeldig kan worden beschouwd.


De aanspeelpunten op de speelbal beneden de (horizontale) middenlijn beïnvloeden de voorwaartse snelheid ongunstig of creëren een negatief rolgedrag.

Het aanspeelpunt "amortiseren" wordt gebruikt om de speelbal - na contact met de aanspeelbal - stil te laten liggen of nagenoeg stil te laten liggen. De rol energie gegeven aan de speelbal zal - na contact - volledig (of nagenoeg volledig) overgegeven worden aan de aanspeelbal. Deze manier van effect geven wordt veelal gebruik om de aanspeelbal naar een gunstige positie te spelen en de speelbal op een gunstige positie houden voor het maken van de volgende carambole (het zgn. spelen op overhouden).

balans van Newton

Het effect "amortiseren" vindt u terug bij een bekend speeltje, "de balans van van Newton"

Wordt een van de buitenste kogels omhoog gehouden en vervolgens losgelaten, dan zal deze kogel na contact met de tweede kogel direct stil blijven hangen en zal slechts de buitenste kogel aan de andere zijde zich omhoog verplaatsen. Dit effect blijft zich dan nog enige malen herhalen.


Verlagen we ons aanspeelpunt onder de amortielijn van de speelbal, dan komen we in het trekstoot gebied van de bal. Als de speelbal in dit gebied wordt afgestoten, creëren we een "negatieve" rolenergie in de bal, zodat deze - na contact met de aanspeelbal - zich in achterwaartse richting zal gaan verplaatsen. We noemen deze techniek "de trekstoot" . De mate van het trekken van de speelbal wordt mede bepaald door het kiezen van het aanspeelpunt in het trekstoot gebied. (dichter naar de amortielijn = minder effect, lager in de bal = meer effect). Bevindt zich het aanspeelpunt echter onder de trekstoot lijn, dan bestaat er wederom een groot gevaar van het ketsen. Een ander zeer belangrijk punt bij het trekken van de aanspeelbal is de afstoot techniek (hetgeen ook geldt bij het doorstoten en amortiseren van de aanspeelbal). Het extreem hard afstoten verhoogt de mate van het effect juist niet. We zien dit regelmatig gebeuren bij beginnende spelers, waarbij men probeert te trekken door hard te stoten maar waarbij het gegeven effect volledig verloren gaat. Ten eerste moet het gewicht van de keu het werk doen en niet de spierbal kracht van de speler, de verplaatsing van de keu moet uit de pols komen en niet vanuit de bovenarm van de speler. Ten tweede dient de voorhand van de speler (de hand het dichtst bij de pomerans) voor, tijdens en net na de afstoot altijd contact met het laken te houden en tevens het topeind goed te begeleiden. Ten derde dient men de stoot af te maken, dus niet meteen na het contact met de aanspeelbal, de keu terugtrekken. In de volksmond wordt het afmaken van de stoot wel "het door de bal stoten"genoemd. Kortom... doorstoten, amortiseren en trekken van een speelbal vereist vaardigheid, welke alleen door goede uitleg en veel oefenen wordt verkregen. Een goed begin om deze vaardigheden eigen te maken is het goed kijken naar de doorstoot- trek- en amortiestoten van een geoefend speler.

zijwaartse aanspeelpunten op de speelbal

Bij de zijwaartse aanspeelpunten kijken we zuiver vanaf de horizontale hartlijn (middenlijn) van de aanspeelbal. De keu dient wederom zoveel mogelijk horizontaal gehouden worden bij de afstoot !

Vaak wordt ten onrechte gedacht dat afstoten met een zijwaarts effect direct van invloed is op de looprichting van de speelbal. Het gegeven zijwaartse effect komt pas tot uiting, als de speelbal contact heeft gemaakt met de band van het biljart. De linker afbeelding geeft de basis aanspeelpunten van het zijwaartse effect weer. Ook geldt hierbij weer, dat aanspelen buiten het maximale zijwaarts effect gebied, het gevaar van ketsen oplevert.

Met het geven van zijwaarts effect bereikt men twee doelen:

    • men beïnvloedt de uitvalhoek van de speelbal, na contact met de band. Geeft men zijwaarts effect (aan de zijde van de richting waar de bal naar toe gaat, na bandcontact) dan vergroot men de uitvalhoek. Geeft men zijwaarts effect (aan de zijde tegengesteld aan de richting waar de bal naar toe gaat, na bandcontact ofwel tegeneffect) dan verkleint men de uitvalhoek.
    • men beïnvloedt de aanspeelbal na contact met de speelbal (mede afhankelijk van de aanspeel dikte). Geeft men een links zijwaarts effect op de speelbal, dat veroorzaakt dit - na contact - een rechts zijwaarts effect op de aanspeelbal. In dit geval kunt u de speelbal en aanspeelbal vergelijken als twee in elkaar grijpende tandwielen. (draait de ene rechtsom, dan draait de andere linksom). Dit effect wordt gebruikt om de aanspeelbal naar een gunstige positie sturen (het zogenaamde "overhouden" na het maken van een carambole).

Een geoefend biljarter kenmerkt zich onder andere door gebruik te maken van het juiste effect. Hierbij maakt hij veelal gebruik van een combinatie van hoogte en zijwaartse aanspeelpunt op de speelbalk. Voor beginnende biljarters is het vaak zeer verleidelijk om gebruik te maken van hoogte en/of zijwaarts effect, maar vaak wordt dit op verkeerde wijze en in veel te grote mate toegepast.Ook hierbij geldt weer: laat het u uitleggen en demonstreren door een geoefend speler, om vervolgens dit zelf te gaan oefenen .


piqué en massé

De piqué en massé zijn afstoot technieken, waarbij het aanspeelpunt zich aan de bovenzijde van de speelbal bevindt. Beide technieken vereisen een goede vaardigheid en zijn zeker niet bedoeld voor beginnende biljarters. Beide technieken worden vaak toegepast als de speelbal zich in een moeilijke positie bevindt ten opzichte van de overige ballen en/of ten opzichte van de band.

De piqué (ofwel het pikeren) kan worden vergeleken met een trekstoot en wordt dan ook toegepast als er geen voldoende ruimte bij de speelbal is om een normale trekstoot uit te voeren.

De massé (ofwel het masseren) kan worden gebruikt als de speelbal te dicht bij de aanspeelbal ligt en men ook de derde bal niet rechtstreeks kan aanspelen. Bij deze techniek zal de speelbal na de geven massé in eerste instantie een rechte looplijn krijgen en vervolgens (afhankelijk van de mate van het effect) een curve gaan volgen.

termen en basis spelregels

Waar een wedstrijd wordt gespeeld gelden wedstrijdregels. Om de gestelde regels te kunnen gebruiken en te handhaven, dient men op de hoogte te zijn van de gebruikte (biljart) termen. We zullen de meest voorkomende termen en regels behandelen . Er zijn vele reglementen voor de diverse takken van de biljartsport. Wij zullen ons echter hoofdzakelijk beperken tot het spelsoort Libre (klein) en refereren hierbij naar het KNBB spel- en arbitragereglement.

Het KNBB spel- en arbitrage reglement (ofwel SAR) vindt u terug op de pagina [KNBB dagcompetitie],

Een biljartwedstrijd kunt u in diverse situaties spelen, als een vrije partij met een maatje, in een interne competitie van uw biljartclub, op KNBB districts niveau enz. Bij een vrije partij heeft u zelf met uw medespeler de handhaving van de spelregels en score in handen. In clubverband wordt er al vaak een gecombineerde arbiter/schrijver aan de partij toegevoegd en op KNBB districtsniveau gebruikt men een arbiter en een schrijver bij de partij.

De arbiter heeft de leiding over de te spelen partij en draagt zorg voor handhaving van het spelreglement. Op club en KNBB districtsniveau volstaat veelal een speler die zelf niet deelneemt aan de partij, maar wel op de hoogte is van de gebruikte regels. Naarmate de partij zich op een hoger niveau gaat bevinden, wordt er gebruik gemaakt van een KNBB arbiter ( een door de KNBB opgeleide speler/KNBB lid op het niveau 1, 2, 3 of 4 )

De schrijver houdt de score van beide spelers bij en noteert de voortgang hiervan op de tellijst. Tevens houdt hij het scorebord bij en waarschuwt hij de arbiter indien een van de spelers (of beide spelers) bijna de partij beeindigd heeft (of hebben). Bij het Libre is dit indien men bij de laatste vijf te maken caramboles is aangekomen.

Gaat u aan een club of district wedstrijd deelnemen, dan moet eerst uw aanvangsgemiddelde (ofwel start moyenne) bepaald worden. Hierbij speelt u een aantal partijen van bv 25 of 30 beurten tegen verschillende spelers, waarna uw gemiddelde (caramboles per beurt) wordt bepaald. Uw start moyenne is bepalend voor het aantal caramboles dat u moet gaan maken. (hoog start moyenne is hoop caramboles, laag start moyenne is minder caramboles)

We gaan nu een aantal veel voorkomende termen verduidelijken:

touché

Dit is een ongewenste aanraking van een van de ballen met bv. de hand of een kledingstuk niet zijnde de eerste aanraking van de pomerans met de speelbal. Ook kan de situatie ontstaan dat men door een reflex, de speelbal voor de tweede maal raakt met de pomerans. De arbiter telt in beide gevallen de speler af, waarna de tegenspeler de partij vervolgt. De arbiter annonceert dit met: noteren ...... touché ! Wordt in beide bovenstaande situaties een carambole gemaakt, dan wordt deze als ongeldig beschouwd en wordt de speler door de arbiter afgeteld. De speelbal mag alleen bij het afstoten contact krijgen met de pomerans anders is er eveneens sprake van een touché. Het komt wel eens voor dat de pomerans van de keu af is gespeeld zonder hier erg in te hebben en vervolgens (zonder pomerans) wederom gaat afstoten.

bewegende ballen

Een speler mag het spel pas vervolgen als, na zijn voorgaande stoot (of die van de tegenspeler), alle ballen volledig stil liggen. Stoot hij af terwijl een of meerdere ballen nog niet geheel stilliggen, dan wordt de speler afgeteld en is een eventuele carambole - gemaakt uit deze stoot - ongeldig. De arbiter annonceert dit met: noteren ...... bewegende ballen ! Let wel op, dat een bal op zijn positie stil kan liggen, maar nog aan het rondtollen is. Bij de ongemerkte ballen is dit soms lastig te zien, maar men moet wachten tot de bal volledig uitgetold is.

uitgesprongen bal(len)

Er wordt van een uitgesprongen bal gesproken als een bal of meerdere ballen - na de afstoot - het speelveld hebben verlaten. Onder het speelveld wordt verstaan: het gedeelte van het biljart dat met biljartlaken is bekleed. Indien er sprake van een uitgesprongen bal of uitgesprongen ballen, dan wordt de speler afgeteld en worden de ballen in beginpositie gelegd (opnieuw opgezet) . De tegenspeler gaat dus het spel vervolgen met de acquitstoot, echter met de hem toegewezen speelbal (gemerkt of ongemerkt).

Noot: bij het driebandspel zijn andere regels van toepassing !

Overigens mogen handelingen, zoals het opnieuw opzetten van de ballen of het reinigen van de ballen, alleen door de arbiter worden verricht.

vastliggende ballen

Indien de speelbal (na de voorgaande stoot van de speler of tegenspeler en alle ballen stilliggen) direct contact maakt met een van de overige ballen, dan spreekt men van een vastliggende bal. De arbiter annonceert dit met: vast aan wit ! of vast aan rood ! De speler heeft nu de keuze om:

  • het spel opnieuw op te zetten (acquitstoot), waarbij de speler afstoot met de hem toegewezen speelbal (gemerkte of ongemerkte witte bal)
  • zijn speelbal los te spelen van de andere vastliggende bal zonder een biljardé te maken. het eerste contact met de vastliggende bal wordt niet geteld, dus deze bal (en natuurlijk ook de derde bal) nogmaals geraakt worden om een carambole te maken.

Noot: bij het driebandspel zijn andere regels van toepassing !

biljardé

De term: biljardé is voor menig speler / arbiter een hekel punt. Niet zozeer de theoretische uitleg van wat een biljardé is, maar het - in de praktijk - vaststellen van een biljardé geeft wel eens problemen en discussies. Wel dient opgemerkt te worden, indien een arbiter de partij arbitreert, hij bepaald of er sprake is van een biljardé en niet de spelers of toeschouwers.

Er is sprake van een biljardé als de pomerans nog in contact is met de speelbal op het moment dat deze speelbal contact maakt met de aanspeelbal of de band.

A: afstoot B: correcte situatie C: Biljardé

In de afbeelding situatie A ligt de speelbal (geel) dicht bij de aanspeelbal (rood).

In situatie B is de speelbal gestoten en de pomerans is los van de speelbal voordat deze contact maakt met de aanspeelbal. Dit is een correcte en geldige situatie.

In situatie C is de speelbal gestoten, maar heeft de pomerans nog steeds contact met de speelbal, terwijl deze al contact maakt met de aanspeelbal. Nu is er sprake van een biljardé en is de stoot ongeldig ongeacht het verdere resultaat van deze stoot.

Vervangt men de aanspeelbal (rood) door een band, dan gelden dezelfde regels.

De arbiter annonceert dit met : noteren ...... biljardé !

De arbiter dient er volledig zeker van te zijn, als hij een biljardé constateert. Twijfelt hij, dan dient hij het voordeel aan de speler te geven en de stoot goed te keuren.

vast aan band

Ligt de speelbal strak tegen de band, dan annonceert de arbiter met: vast aan band ! In deze situatie mag de speelbal niet langs deze band naar de aanspeelbal gespeeld worden, aangezien er dan sprake is van een biljardé. De speelbal dient eerst los van de band gespeeld te worden door bv. een massé of door eerst gebruik te maken van een andere band.

verboden zones

Zoals al eerder besproken, heeft het speelveld van het biljart vier afgebakende hoeken, de zgn. verboden zones .

De naam: verboden zone is discutabel, omdat er wel in deze zones gespeeld mag worden. Dit is echter wel aan regels gebonden.

De positie van de speelbal (op afbeelding: wit) is niet van belang voor deze regels. In de uitleg wordt met: overige ballen de aanspeelbal (geel) en derde bal (rood) bedoeld.

Bevinden zich na de voorgaande stoot de overige ballen zoals in situatie A wordt weergegeven, dat annonceert de arbiter: entrée !

In deze situatie mag u nog één carambole maken, zonder dat de overige ballen (stilliggend, na de stoot) de verboden zone hebben verlaten. (zie situatie B) De arbiter annonceert nu: dedans !

Maakt u vervolgens nog een carambole, zonder de overige ballen (stilligend, na de stoot) de verboden zone hebben verlaten, dan is deze laatste stoot ongeldig en wordt u afgeteld. De arbiter annonceert: réstee dedans ....... noteren ! Zie: situatie C1.

Maakt u echter een carambole, waarbij een van de overige ballen de verboden zone verlaat (mag eventueel na bandcontact wel weer terugkomen in de verboden zone), dan is dit een geldige stoot en carambole. Zie situatie C2.

U vervolgt u verdere spel.

Een bal (niet zijnde de speelbal) ligt in de verboden zone indien het steunpunt (raakvlak bal met laken) van de bal zich in het afgebakende gebied bevindt. Ligt de bal exact op de witte lijn, dan wordt deze bal beschouwd zich in de verboden zone te bevinden. Bevindt een bal zich in de verboden zone en de andere overige bal met zijn steunpunt net buiten de witte lijn, dan maakt de Arbiter dit kenbaar door te annonceren: à cheval ! Dit is slechts een waarschuwing om aan te geven dat er (nog) geen sprake is van entrée.