Search this site
Embedded Files
Aristoteles

https://sites.google.com/view/linguarium hb

Aristoteles


https://sites.google.com/view/linguariuml


Aristoteles bij de ingang van de Albert Ludwig Universiteit in Freiburg en David Hume langs de Koninklijke Mijl in Edinburgh.


Aristoteles (384-322 vC): "Enerzijds wordt een oorzaak genoemd datgene waaruit iets ontstaat (to ex hou gignetai ti enhuparchontos), bijvoorbeeld het brons waarvan een standbeeld en het zilver waarvan een beker wordt gemaakt. Anderzijds de vorm en het model, dat wil zeggen de essentie (ho logos ho tou ti èn einai) van iets, bijvoorbeeld van het octaaf (dia pasôn) de verhouding 2:1, en in het algemeen het getal." (Physica II.3).

De vorm van iets was bij Aristoteles (net als bij andere Griekse filosofen) abstract en niet (zoals men geneigd is te denken) concreet. De neiging om zich een vorm concreet voor te stellen is groot.

Aristoteles: "Verder de oorsprong van de verandering of de rusttoestand. Bijvoorbeeld de adviseur, en de vader van het kind en in het algemeen maker van het maaksel en de veranderaar van de verandering.Verder in de zin van doel of dat vanwege iets wordt gedaan. Bijvoorbeeld van het wandelen de gezondheid; want waarom wandelt men? We zeggen "opdat men gezond wordt", en als we zo praten, menen we de oorzaak te hebben aangewezen." (Physica II.3).

Aristoteles erkent dat er veel soorten oorzaken zijn, maar zegt dat ze alle te herleiden zijn tot de bovengenoemde vier oorzaken (Physica II.3).

In de zeventiende eeuw ontstond een onbehagen over de theorie van Aristoteles, de tot dan toe dominante klassieke natuurfilosofie.

Francis Bacon (1561-1626) constateerde dat de wetenschap van zijn tijd in een slechte toestand verkeerde en dat bleek uit de algemeen geaccepteerde termen (waarmee hij de vier oorzaken van Aristoteles bedoelde). Terecht wordt gesteld, dat kennis van oorzaken ware kennis is. En oorzaken zijn niet slecht verdeeld in vier soorten: materie, vorm, bewerking en doel (Materia, Forma, Efficiens, et Finis). Maar het nut van deze begrippen voor de wetenschap vond in zijn ogen geen genade. Van deze bederft de finale oorzaak eerder de wetenschappen dan dat ze deze vooruithelpt, behalve voorzover ze te maken heeft met het menselijk handelen. De ontdekking van de formele oorzaak wordt voor hopeloos gehouden. De effectieve en materiële oorzaak zijn oppervlakkig en dragen weinig tot niets bij aan ware en actieve wetenschap. Novum Organum, Liber secundus, Aphorismus II, 1620.

Tot aan de zeventiende eeuw zaten natuurfilosofie en metafysica aan elkaar vast als een Siamese tweeling. In de zeventiende eeuw werd de weg vrijgemaakt voor hun scheiding.

Francis Bacon vond dat het onderzoek van de formele oorzaken, die hij als eeuwig en onveranderlijk beschouwde, niet tot het terrein van de fysica hoorde, maar van de metafysica . De fysica moest zich bezig houden met het onderzoek van de stof en de beweging (die alle betrekking hebben op de gewone en ordelijke loop van de natuur, niet op haar fundamentele en eeuwige wetten). Hieruit volgde een verdeling van de wetenschappen. Bij beide hoorden twee praktische wetenschappen die er ondergeschikt aan waren: voor de fysica was dat de mechanica en voor de de metafysica was dat de magie (in de pure zin van het woord). Novum Organum, Liber secundus, Aphorismus IX, 1620.


David Hume maakte een definitief einde aan het schema van Aristoteles: "Alle oorzaken zijn van dezelfde soort, en er is geen speciale reden voor dat onderscheid dat we soms maken tussen efficiënte oorzaken en oorzaken sine qua non; of tussen efficiënte oorzaken en formele en materiële en exemplarische en finale oorzaken. Want de oorzaak is efficiënt, omdat ons idee van efficiëntie wordt afgeleid van de constante conjunctie van twee objecten; en waar hij het niet is, kan er geen oorzaak van welke soort dan ook zijn."

(In navolging van Seneca geeft hij vijf oorzaken.) Kortom, hij hield een enkele oorzaak over, de efficiënte oorzaak, door eenvoudigweg vier andere oorzaken te verwijderen.

Daar komt bij, dat hij de efficiënte oorzaak definieerde als "afgeleid van de constante conjunctie van twee objecten", wat ik eerder als een definitie van een formele oorzaak zou willen beschouwen. Anders gezegd: Hume haalde "reden" (formele oorzaak) en "oorzaak" (efficiënte oorzaak) door elkaar.

Hume kwam met een nieuw schema, dat maatgevend zou zijn voor de volgende eeuwen.

David Hume: We kunnen een oorzaak definiëren als een object voorafgaand aan en contigu met een ander, en waar alle objecten die lijken op de eerste worden gezet in gelijke relaties van prioriteit and contiguïteit tot die objecten die lijken op de laatste.

Wat bedoelen we als we zeggen, dat dit dat veroorzaakt?

Dit veroorzaakt dat, dan en alleen dan als (i) dit onmiddellijk wordt gevolgd door dat; (ii) dit eerder gebeurt dan dat; (iii) dit altijd wordt gevolgd door dat.

Non sunt idem causa et ratio, etsi non raro confundantur. Causa enim est unius rei, ratio axiomatis et sumitur ab omnibus argument. Ut Cur calet in hac domo?. Respondeo: Quia ignis ibi ardet. Ignis ardens est subjectum caloris et adjunctum loci. Ad formandum syllogismum, conclusio sit: In hac domo calet. Calet enim est praedicatum aliquid praecedens interrogationem. Sic formant: Quae causa est caloris in domo? pro: Quae ratio caloris in hac domo?.
Isaac Beeckman, C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634.

The principle of sufficient reason

Nothing happens without a reason why it should be so rather than otherwise.

Leibniz: Principium rationis sufficientis, vi cuius consideramus, nullum factum reperiri posse verum, aut veram existere aliquam enunciationem, nisi adsit ratio sufficiens, cur potius ita sit quam aliter

Cause and reason

Isaac Beeckman: Cause and reason are not the same, yet they often are confounded.

Non sunt idem causa et ratio, etsi non raro confundantur. Causa enim est unius rei, ratio axiomatis et sumitur ab omnibus argumentis. C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634.

Reason = Explanation e.g. John is allergic.

Cause = Actual cause e.g. John is exposed to an allergen.

Aristotle’s four causes

How does a work of art come to be?

Explanatory cause: Form (David defeats Goliath) ➜ Matter (marble) Actual cause: End (Palazzo Vecchio in Florence) ➜ Source (Michelangelo)

Regularity theory (David Hume, John Stuart Mill)

David Hume: We may define a cause to be an object precedent and contiguous to another, and where all the objects resembling the former are placed in like relations of precedency and contiguity to those objects that resemble the latter.

Example: The financial crisis

Contiguity and precedency: a series of events that immediately preceded the financial crisis. Regularity: the type of events always immediately preceding a financial crisis.

Any financial crisis is a subprime mortgage problem (like Fan and Fred’s) .

Fannie Mae and Freddie Mac.

In recent months (2003), the nation's two largest mortgage finance lenders have come under increasing scrutiny at the hands of Congress, the Justice Department and the Securities and Exchange Commission (SEC). The Federal National Mortgage Association, nicknamed Fannie Mae, and the Federal Home Mortgage Corporation, nicknamed Freddie Mac, have operated since 1968 as government sponsored enterprises (GSEs).

Fannie Mae was created in 1938 as part of Franklin Delano Roosevelt's New Deal.

Counterfactual theory

Conditionals theory (David K. Lewis: Counterfactual condition; John L. Mackie : INUS- condition) David Hume: “We may define a cause to be an object followed by another, (...) where, if the first object had not been, the second never had existed.” (Identified by David K. Lewis as counterfactual)

Regularity analysis often fails, especially in common cause situations. There might be a third cause, e.g. inequality of wealth and income, responsible for the subprime mortgage problem as well as the financial crisis

By asking questions like: Had Fan and Fred not done this, then would the financial crisis not have occurred? common cause fallacies can be avoided.

Common Cause Fallacy occurs when one phenomenon is assumed to cause another phenomenon, when in fact they do not influence each other, but occur together because they are influenced by a third phenomenon.

Probabilistic theory

Probabilistic theory of causation: A cause raises the chance of its effect

Had Fan and Fred not done this, the financial crisis would have had only a 0.4 chance of occurring.

The occurrence of a financial crisis is 0.4 correlated with a subprime mortgage problem (like Fan and Fred’s).


 Counterfactual antecedent + probabilistic consequent: Had Fan and Fred not done this, the financial crisis would have had only a .4 chance of being occurred.

Explanation

Regularity is strictly deterministic, chance and counterfactual are not.

Explanation of any kind (by causal law, counterfactual or correlation) is not actual causation. Strictly deterministic laws only in physics (e.g. Newton’s Second Law: F=dp/dt), not in behavioral sciences (like economics)

Correlation does not imply causation

Actual causation

Physical: it can be described by using some physical law or as spatiotemporally existing. Continuous: it can be described as a process - including conservation of some physical quantity (as in Phil Dowe’s Conserved Quantity Theory) or - transmission of some force from one object to another (as in Wesley Salmon’s Mark Transmission Theory) .

Continuous (discreteness illusion)

Wesley Salmon's Mark Transmission Theory: A causal process is a world-line of an object that transmits a nonzero amount of a conserved quantity at each moment of its history (each spacetime point of its trajectory).

The first detailed Conserved Quantity Theory by Phil Dowe, (Physical causation): A causal process is a world line of an object which possesses a conserved quantity.

A world line is the collection of points on a space-time (Minkowski) diagram which represents the history of an object.

Objection: If causation must involve a physical connection between a cause and its effect, then many everyday causal claims will not count as causation.

Example: carom billiards

The cue stick transfers its momentum to the ball

The cue’s momentum is conserved by the ball’s motion.

Change of object (from cue stick to ball), conservation of momentum (not: the cue stick causes the ball).

Actual causation (physical, continuous) has no explanatory power.

Can they be combined to form a unified theory of causation?

Collisions between hard spheres may be nearly elastic, so it is useful to calculate the limiting case of an elastic collision. The assumption of conservation of momentum as well as the conservation of kinetic energy makes possible the calculation of the final velocities in two-body collisions.

Unified theory.

A hybrid theory combining explanation with actual causation

Actual cause : John is exposed to an allergen (a physical phenomenon) Explanation: John is allergic (a behavioral phenomenon)

Unified: John is exposed to an allergen, because he is allergic.

Being exposed to an allergen is physical in nature. Allergen, physically interpreted as a conserved or transmitted amount of environmental substances affecting parts of the body not in direct contact with the allergen.

Being allergic is behavioral in nature. Allergic, also called hypersensitive, refers to undesirable reactions produced by the normal immune system.

Actual cause: Raymond Ceulemans made a long series of billiard shots (shots, physically interpreted as conserved or transmitted amounts of momentum)

Explanation: He was a magnificent position player (position play is behavioral in nature; on easy shots players can manage to score while ensuring that the next position will be favorable)


 Unified: Raymond Ceulemans made a long series of billiard shots, because he was a magnificent position player.

A long series of billiard shots is physical in nature. Shots, physically interpreted as conserved or transmitted amounts of momentum.

Position play is behavioral in nature. Position play, interpreted (by Mathieu Bouville) as a Markov process: on easy shots players can manage to score while ensuring that the next position will be favorable.

Markov process, named after Andrej Andrejevitsj Markov, is a mathematical model for the random evolution of a memoryless system, that is, one for which the likelihood of a given future state, at any given moment, depends only on its present state, and not on any past states.

Mathieu Bouville, Position play in carom billiards as a Markov process

Three possible solutions, all difficult

We consider behavioral magnitudes to be physical (objection: an easy shot is not a physical concept)

We consider physical magnitudes to be behavioral (objection: momentum is not a behavioral concept)

We keep them separate, but make them fall under the same law or theory (meaning that the physical and behavioral scientist use some common language)

We can make them fall under the same law or theory (semantic equivalence)

Nevertheless

A youtube video of a série américaine is the same for the physical as well as the behavioral.


Op 6 september 1618 schrijft Isaac Beeckman in zijn dagboek: Non sunt idem causa et ratio, etsi non raro confundantur.

Oorzaak en reden zijn niet hetzelfde. Toch worden ze niet zelden met elkaar verward. Een oorzaak verwijst naar een enkel geval, terwijl een reden iets afleidt uit alle gevallen. 

Waarom is het warm in dit huis? Deze vraag kan men op twee manieren interpreteren.

Ten eerste als: Wat is de oorzaak van de warmte in dit huis? Antwoord: Het is warm doordat daar het vuur brandt. Belangrijk is het woordje daar: de kachel bevindt zich op een bepaalde plaats. 

Ten tweede als: Wat is de reden van de warmte? Antwoord: Het is warm, omdat er vuur is. Hierbij maakt het niet uit waar het vuur zich bevindt; het gaat om het verband dat er in het algemeen is tussen vuur en warmte.

Veroorzaking is iets anders dan verklaring. Bij veroorzaking is de gebeurtenis die we oorzaak noemen gesitueerd in ruimte en tijd. Bij verklaring is de gebeurtenis die we reden noemen niet aan ruimte en tijd gebonden. 

In het Nederlands kunnen we om het onderscheid te benadrukken voor een oorzaak het voegwoord doordat en voor een reden het voegwoord omdat gebruiken. Een uitspraak met een doordat-zin erin wil de oorzaak van iets aangeven. Een uitspraak met een omdat-zin erin wil iets verklaren. 

Wie heeft papa doodgemaakt? Rechercheur: Mama gebruikte het vuurwapen. Natuurkundige: Nee, het was de vuurkracht. Zoveel kracht heeft mama niet. Rechercheur: oorzaak. Papa werd doodgemaakt, doordat mama het vuurwapen gebruikte. Natuurkundige:  reden. Mama gebruikte het voorwapen, omdat het dodelijke vuurkracht heeft.

Non sunt idem causa et ratio, etsi non raro confundantur. Causa enim est unius rei, ratio axiomatis et sumitur ab omnibus argument. Ut Cur calet in hac domo?. Respondeo: Quia ignis ibi ardet. Ignis ardens est subjectum caloris et adjunctum loci. Ad formandum syllogismum, conclusio sit: In hac domo calet. Calet enim est praedicatum aliquid praecedens interrogationem. Sic formant: Quae causa est caloris in domo? pro: Quae ratio caloris in hac domo?.
Isaac Beeckman, C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634.

ONEINDIGE EVOLUTIE

Australopithecus afarensis wordt op 24 november 1974 in Ethiopië door Donald Johanson en Tom Gray opgegraven. Er moet een naam worden gezocht. Tijdens de expeditie wordt Lucy in the Sky with Diamonds van The Beatles veelvuldig gedraaid. Ze noemen haar daarom Lucy,

Misschien is Lucy de eerste, die denkt, zoals nu nog steeds sommige mensen denken, dat alle lichamen een eigen geest hebben. Ze noemt dat goden. Dan komt er een man, misschien is het Mozes, die verklaart dat er maar één God is. Dit idee wordt later door Jezus over de aarde verbreid. Zijn leerlingen verklaren, dat God in hem mens geworden is. Daarna wordt dat weer betwijfeld. Er komt een man, Ludwig Feuerbach, die beweert, dat alles wat over God wordt gezegd, op de mensen betrekking heeft. Vanaf het eerste ogenblik zien Lucy en al degenen die haar opvolgen over het hoofd, dat er niemand anders is dan zij zelf en dat alle lichamen, steen, plant, dier of mens, niet meer zijn dan zichzelf.

Er is een vraag waarop ik een helder antwoord wil krijgen. Bestaat evolutie?

Deze vraag houdt me bezig, vanaf mijn jeugd tot nu toe. Evolutie is de basis van mijn filosofie, mijn nieuwe maar heel oude geloof, zo oud als de wijsheid van Heraclitus en Lao-tse, misschien ouder.

Als ik geloof, dat evolutie bestaat, dan geloof ik ook, dat alles verandert.


Wet van evolutie: alle materie is in een voortdurende toestand van evolutie.



 De natuur behoudt niets. Evolutie is een wet van de natuur.
 Panta chorei kai ouden menei. Alles verandert en niets blijft. Plato, Cratylus, 402a.


Panta rhei. Alles stroomt. Simplicius, Commentaar op Aristoteles’ Natuurkunde, 1313,11.

Alles heeft een oorzaak. Daaruit volgt dat er geen eerste oorzaak (een eerste gebeurtenis zonder oorzaak) is. Als alles een oorzaak heeft, dan moet de veronderstelde eerste oorzaak ook een oorzaak hebben. Hieruit volgt dat er geen eerste oorzaak is. Er is evenmin een laatste gevolg.

Een logische gedachte, in mijn ogen, en daarom verwondert het me, dat zovelen juist het omgekeerde denken, niet alleen de theologen, wanneer ze aannemen dat er een scheppingsmoment moet zijn geweest en dat de wereld ooit zal eindigen, maar ook de fysici, wanneer ze het heelal laten beginnen met een oerknal en eindigen met een eindkrak.

Natuurlijk weet niemand uit ervaring, hoe het is geweest, hoewel, als er een begin is geweest moet dat te merken zijn aan de huidige toestand van het heelal. De huidige toestand is te zien als een teken of een spoor van de oorspronkelijke toestand. Als dit spoor aan een kant gesloten is of eindigt, kan dit een teken zijn dat er werkelijk ooit een begin is geweest. Het moet te merken zijn of de dingen die er nu zijn ooit wel of niet een eerste oorzaak hebben gehad. Ieder ding draagt sporen van zijn voorgeschiedenis. Een tijdsbalk van die sporen zou ook een spoor van het allereerste begin van die voorgeschiedenis moeten bevatten.

Als er geen eerste oorzaak is, is het heelal een lange keten met veel schakels; iedere schakel wordt in stand gehouden door de schakel die eraan voorafgaat, maar de hele keten wordt door niets in stand gehouden.


 In boek VII van zijn Physica schrijft Aristoteles over de vraag of de tijd een begin kan hebben. Zijn antwoord is: nee. Zijn redenering is tweeledig. In de eerste plaats verdedigt hij de opvatting dat de tijd niet los van veranderingen kan bestaan. Veranderingen kunnen nooit op enig ogenblik beginnen; noch kunnen zij op enig ogenblik eindigen. En de tijd dus ook niet.

Illustratie van  Dante's Paradiso, canto X, eerste kring van de 12 leraren van wijsheid onder leiding van Thomas van Aquino. Manuscript: British Library, Yates Thompson 36, fol. 147 (tussen 1442 en ca.1450). Dante en Beatrice ontmoeten twaalf wijze mannen in de Bol van de Zon (miniatuur van Giovanni di Paolo), 


Averroës zegt in zijn commentaren op Aristoteles, dat de aarde niet is geschapen, maar altijd al heeft bestaan. 

Alles heeft een oorzaak. Als alles een oorzaak heeft, dan is er geen eerste oorzaak, geen eerste gebeurtenis zonder oorzaak. De veronderstelde eerste oorzaak moet ook een oorzaak hebben. Er is geen eerste oorzaak. Er is evenmin een laatste gevolg. 

Een logische gedachte, in mijn ogen, en daarom verwondert het me, dat zovelen juist het omgekeerde denken, niet alleen de theologen, wanneer ze aannemen dat er een scheppingsmoment moet zijn geweest en dat de wereld ooit zal eindigen, maar ook de fysici, wanneer ze het heelal laten beginnen met een oerknal en eindigen met een eindkrak. 

Natuurlijk weet niemand uit ervaring, hoe het is geweest, hoewel, als er een begin is geweest moet dat te merken zijn aan de huidige toestand van het heelal. De huidige toestand is te zien als een teken of een spoor van de oorspronkelijke toestand. Als dit spoor aan een kant gesloten is of eindigt, kan dit een teken zijn dat er werkelijk ooit een begin is geweest. Het moet te merken zijn of de dingen die er nu zijn ooit wel of niet een eerste oorzaak hebben gehad. Ieder ding draagt sporen van zijn voorgeschiedenis. Een tijdsbalk van die sporen zou ook een spoor van het allereerste begin van die voorgeschiedenis moeten bevatten, als die er is. 

Als er geen eerste oorzaak is, is het heelal een lange keten met veel schakels. Iedere schakel wordt in stand gehouden door de schakel die eraan voorafgaat, maar de hele keten wordt door niets in stand gehouden.
Heeft de wereld een begin in de tijd, of is de wereld eeuwig, dat is het probleem. Het probleem wordt het middelpunt van een debat, wanneer sommige werken van Aristoteles in het Latijnse westen worden herontdekt. De aristotelische theorie over de eeuwigheid van de wereld wordt verboden in de Veroordelingen van 1210–1277.
In boek VII van zijn Physica schrijft Aristoteles over de vraag of de tijd een begin kan hebben. Zijn antwoord is: nee. Zijn redenering is tweeledig. In de eerste plaats verdedigt hij de opvatting dat de tijd niet los van veranderingen kan bestaan. Als er niets, helemaal niets gebeurt, kan er geen tijd zijn, maar zodra er verandering is, is er natuurlijk tijd. Aristoteles is een aanhanger van een relatief, niet absoluut tijdsbegrip. En, zo redeneert hij verder: veranderingen kunnen nooit op enig ogenblik begonnen zijn; noch kunnen zij op enig ogenblik eindigen. En de tijd dus ook niet. Het is algemeen bekend, dat ik deze theorie over de eeuwigheid van de wereld verdedig, en dat brengt me in conflict met Thomas van Aquino.  

Uit de zogenaamde godsbewijzen van Thomas blijkt, dat hij God als allereerste oorzaak interpreteert. Het uniek zijn van deze oorzaak neemt hij als vanzelfsprekend aan. 

De bewijsvoering is gericht tegen de stelling van Aristoteles betreffende de eeuwigheid van de wereld. De theorie van Aristoteles is in strijd met de op de bijbel gebaseerde opvatting van de katholieke kerk, dat de wereld een begin heeft in de tijd. 

Dit brengt me op het idee, om de bewijzen voor het bestaan van God om te zetten in bewijzen voor het bestaan van de eeuwigheid van de wereld. 

De eerste en meer manifeste manier is het bewijs uit beweging. Het is zeker, en waarneembaar met onze zintuigen, dat in de wereld alle dingen in beweging zijn. Welnu wat in beweging is wordt in beweging gebracht door iets anders, want, een object blijft ofwel in rust of blijft bewegen met een constante snelheid, tenzij er een externe kracht op werkt. Niets kan van rust naar beweging gaan, behalve door iets anders dat in beweging is. 

Op dezelfde manier kan energie worden getranformeerd van de ene vorm in een andere, maar niet worden gecreëerd of vernietigd. Zo wordt hout getransformeerd in as, roet en licht, als het verbrandt. De totale hoeveelheid energie in het hout voordat het brandt is gelijk aan de energie van as, roet en licht na het branden. 

Daarom moet alles wat in beweging is in beweging worden gebracht door iets anders. Als datgene waardoor het in beweging wordt gebracht zelf in beweging is gebracht, dan moet dit ook door iets anders in beweging zijn gebracht, en dat weer door iets anders. Dit kan tot in het oneindige doorgaan, want er is geen eerste beweger, en bijgevolg bewegen volgende bewegers alleen voorzover ze in beweging worden gebracht door voorafgaande bewegers; zoals de stok beweegt alleen omdat hij in beweging wordt gebracht door de hand en de hand in beweging wordt gebracht door de man enzovoort. Daarom is het niet noodzakelijk om uit te komen bij een eerste beweger, die niet door iets anders in beweging wordt gebracht; en deze altijd durende reeks van bewegingen begrijpt iedereen als de eeuwigheid van de wereld. 

De tweede manier is uit de aard van de werkende oorzaak. In de wereld van de waarneming vinden we dat er een orde van werkende oorzaken is. Er is geen geval bekend en evenmin is het mogelijk dat een ding de werkende oorzaak is van zichzelf; want dan zou het aan zichzelf voorafgaan, wat onmogelijk is. Welnu in werkende oorzaken is het mogelijk tot in het oneindige te gaan, omdat in alle werkende oorzaken die op elkaar volgen, de eerdere de oorzaak is van de intermediaire oorzaak, en de intermediaire oorzaak de oorzaak is van de latere oorzaak, het maakt niet uit of er verschillende intermediaire oorzaken zijn of maar een. Als het in werkende oorzaken mogelijk is tot in het oneindige te gaan, dan zal er geen eerste werkende oorzaak zijn en evenmin zal er een laatste gevolg zijn, er zullen alleen eerdere, intermediaire en latere werkende oorzaken zijn. Dat is zonder meer juist. Daarom is het niet noodzakelijk om een eerste werkende oorzaak aan te nemen, er is alleen een oneindige reeks oorzaken waaraan iedereen de naam de eeuwigheid van de wereld geeft. 

De derde manier is genomen van mogelijkheid en noodzakelijkheid, en gaat als volgt. We vinden in de natuur dingen die er kunnen zijn en niet zijn, aangezien men vaststelt dat ze ontstaan en vergaan, en bijgevolg kunnen ze er zijn en er niet zijn. Ze kunnen niet altijd bestaan, want datgene wat er niet kan zijn is er op zeker moment niet. Daarom, als alles er niet kan zijn, dan brengt dit niet met zich mee dat er ooit niets kan hebben bestaan, omdat tegelijkertijd dingen ophouden met bestaan en tot bestaan komen, wat impliceert dat er altijd iets bestaat. Dat is logisch. Daarom zijn alle dingen louter contingent, er bestaat niet iets waarvan het bestaan noodzakelijk is. Welnu het is mogelijk door te gaan tot in het oneindige met contingente dingen, zoals al is bewezen met betrekking tot werkende oorzaken. Daarom kunnen we niet anders dan het bestaan van een oneindigheid van contingente dingen postuleren. Hierover spreken alle mensen als over de eeuwigheid van de wereld. 

De vierde manier is genomen van de gradatie die in dingen is te vinden. Onder de zijnden zijn sommige meer en sommige minder goed, waar, edel en dergelijke. Maar de woorden meer en minder worden gezegd van verschillende dingen, al naar gelang ze op verschillende manieren lijken op iets dat het maximum is, zoals een ding heter wordt genoemd wanneer het meer lijkt op datgene wat het heetst is. Maar er is niet iets dat het meest waar, het best of het edelst is. Er is noch een maximum noch een minimum van waar, goed of edel zijn, er is alleen maar een oneindigheid van graden van perfectie; en dit noemen we de eeuwigheid van de wereld. 

De vijfde manier is genomen van de inrichting van de wereld. We zien dat zowel dingen die intelligentie missen, zoals natuurlijke lichamen, als intelligente wezens, zoals planten, dieren en mensen, niet doelgericht handelen, en dit wordt altijd of bijna altijd op dezelfde manier duidelijk uit hun handelen, om het beste resultaat te verkrijgen. Vandaar is het duidelijk dat ze niet opzettelijk, maar toevallig, vooruitgaan. Welnu, wat intelligentie heeft of mist kan niet vooruitgaan, tenzij het zich aanpast aan nieuwe omstandigheden; zoals veren van vogels kunnen zijn ontstaan in verband met aanpassing aan het vliegen. Daarom bestaat er een lange lijn van aanpassingen waardoor alle natuurlijke dingen vooruitgaan; en dit voortdurende proces van aanpassing noemen we de eeuwigheid van de wereld.

Heb je dan een nieuwe kracht uitgevonden? Nee, net zoals Mozes, toen hij zijn ingeving kreeg, God niet uitvond, er alleen een algemeen principe van maakte, en zoals Newton, de zwaartekracht niet uitvond, maar er een algemene natuurwet van maakte, zo is evolutie niet een natuurkracht, die niet bekend was, maar wordt deze nu gezien als een kracht die algemeen werkt.

Is evolutie dan iets anders dan God? Nee, hetzelfde. Alleen heb ik een einde gemaakt aan het begrip van God als een discrete entiteit of bovennatuurlijke persoon. In de plaats daarvan beschrijf ik God als een natuurkracht en wel met de kennis van de natuur die we nu hebben.

En toch: stel je eens voor dat de Eiffeltoren niet door mensen was gebouwd, maar als een boom gegroeid was, hoe zou je hem dan zien? Zou je hem dan zo gewoon


 vinden als een boom of zou je hem juist met meer ontzag bekijken? Ik denk, dat het ontzag voor het ontwerp groter is, als er geen ontwerper was.

Eeuwenlang denken theologen God als onveranderlijk. De natuur is veranderlijk, maar God verandert niet. Daarom baart Spinoza opzien, als hij spreekt van het oneindig zijnde dat wij God ofwel Natuur noemen. Infinitum ens, quod deum, seu naturam appellamus. Maar hij denkt bij de natuur aan natuurwetten, die net zo onveranderlijk zijn als God. Ik zou het beter vinden, als hij zou zeggen: het oneindig veranderlijke dat wij God ofwel Natuur noemen, of nog beter: het oneindig zijnde dat wij God ofwel Evolutie noeme

Aristoteles bij de ingang van de Albert Ludwig Universiteit in Freiburg en David Hume langs de Koninklijke Mijl in Edinburgh.

Oorzaak en gevolg

Aristoteles (384-322 vC): "Enerzijds wordt een oorzaak genoemd datgene waaruit iets ontstaat (to ex hou gignetai ti enhuparchontos), bijvoorbeeld het brons waarvan een standbeeld en het zilver waarvan een beker wordt gemaakt. Anderzijds de vorm en het model, dat wil zeggen de essentie (ho logos ho tou ti èn einai) van iets, bijvoorbeeld van het octaaf (dia pasôn) de verhouding 2:1, en in het algemeen het getal." (Physica II.3).

De vorm van iets was bij Aristoteles (net als bij andere Griekse filosofen) abstract en niet (zoals men geneigd is te denken) concreet. De neiging om zich een vorm concreet voor te stellen is groot.

Aristoteles: "Verder de oorsprong van de verandering of de rusttoestand. Bijvoorbeeld de adviseur, en de vader van het kind en in het algemeen maker van het maaksel en de veranderaar van de verandering.Verder in de zin van doel of dat vanwege iets wordt gedaan. Bijvoorbeeld van het wandelen de gezondheid; want waarom wandelt men? We zeggen "opdat men gezond wordt", en als we zo praten, menen we de oorzaak te hebben aangewezen." (Physica II.3).

Aristoteles erkent dat er veel soorten oorzaken zijn, maar zegt dat ze alle te herleiden zijn tot de bovengenoemde vier oorzaken (Physica II.3).

In de zeventiende eeuw ontstond een onbehagen over de theorie van Aristoteles, de tot dan toe dominante klassieke natuurfilosofie.

Francis Bacon (1561-1626) constateerde dat de wetenschap van zijn tijd in een slechte toestand verkeerde en dat bleek uit de algemeen geaccepteerde termen (waarmee hij de vier oorzaken van Aristoteles bedoelde). Terecht wordt gesteld, dat kennis van oorzaken ware kennis is. En oorzaken zijn niet slecht verdeeld in vier soorten: materie, vorm, bewerking en doel (Materia, Forma, Efficiens, et Finis). Maar het nut van deze begrippen voor de wetenschap vond in zijn ogen geen genade. Van deze bederft de finale oorzaak eerder de wetenschappen dan dat ze deze vooruithelpt, behalve voorzover ze te maken heeft met het menselijk handelen. De ontdekking van de formele oorzaak wordt voor hopeloos gehouden. De effectieve en materiële oorzaak zijn oppervlakkig en dragen weinig tot niets bij aan ware en actieve wetenschap. Novum Organum, Liber secundus, Aphorismus II, 1620.

Tot aan de zeventiende eeuw zaten natuurfilosofie en metafysica aan elkaar vast als een Siamese tweeling. In de zeventiende eeuw werd de weg vrijgemaakt voor hun scheiding.

Francis Bacon vond dat het onderzoek van de formele oorzaken, die hij als eeuwig en onveranderlijk beschouwde, niet tot het terrein van de fysica hoorde, maar van de metafysica . De fysica moest zich bezig houden met het onderzoek van de stof en de beweging (die alle betrekking hebben op de gewone en ordelijke loop van de natuur, niet op haar fundamentele en eeuwige wetten). Hieruit volgde een verdeling van de wetenschappen. Bij beide hoorden twee praktische wetenschappen die er ondergeschikt aan waren: voor de fysica was dat de mechanica en voor de de metafysica was dat de magie (in de pure zin van het woord). Novum Organum, Liber secundus, Aphorismus IX, 1620.


David Hume maakte een definitief einde aan het schema van Aristoteles: "Alle oorzaken zijn van dezelfde soort, en er is geen speciale reden voor dat onderscheid dat we soms maken tussen efficiënte oorzaken en oorzaken sine qua non; of tussen efficiënte oorzaken en formele en materiële en exemplarische en finale oorzaken. Want de oorzaak is efficiënt, omdat ons idee van efficiëntie wordt afgeleid van de constante conjunctie van twee objecten; en waar hij het niet is, kan er geen oorzaak van welke soort dan ook zijn."

(In navolging van Seneca geeft hij vijf oorzaken.) Kortom, hij hield een enkele oorzaak over, de efficiënte oorzaak, door eenvoudigweg vier andere oorzaken te verwijderen.

Daar komt bij, dat hij de efficiënte oorzaak definieerde als "afgeleid van de constante conjunctie van twee objecten", wat ik eerder als een definitie van een formele oorzaak zou willen beschouwen. Anders gezegd: Hume haalde "reden" (formele oorzaak) en "oorzaak" (efficiënte oorzaak) door elkaar.

Hume kwam met een nieuw schema, dat maatgevend zou zijn voor de volgende eeuwen.

David Hume: We kunnen een oorzaak definiëren als een object voorafgaand aan en contigu met een ander, en waar alle objecten die lijken op de eerste worden gezet in gelijke relaties van prioriteit and contiguïteit tot die objecten die lijken op de laatste.

Wat bedoelen we als we zeggen, dat dit dat veroorzaakt?

Dit veroorzaakt dat, dan en alleen dan als (i) dit onmiddellijk wordt gevolgd door dat; (ii) dit eerder gebeurt dan dat; (iii) dit altijd wordt gevolgd door dat.

Het komt eigenlijk door een boekje. De wet van........... heet het. Ik ben er 's avonds laat om me een beetje te ontspannen in aan het lezen. Het lijkt me een hele eer zelf ook mijn naam aan een wet te mogen geven. Met die gedachte in mijn hoofd slaap ik in. Ik word als het ware op mijn wenken bediend, want de volgende morgen droom ik: Alles wat ertussen in zit kun je interpreteren met behulp van twee uitersten. De uitspraak is geformuleerd als een wet, maar valt toch wat tegen. Hiermee kan ik beslist niet de wereld veroveren. Ik geef die dag les filosofie. Ik schrijf, om de reacties te testen, de wet op het bord. Pas aan het einde van het korte onderzoek vertel ik dat ik dit gedroomd heb. De verwondering over het feit dat je zoiets kunt dromen is groter dan het respect voor de wet zelf. Het is een tautologie. Het is alsof er twee keer hetzelfde wordt gezegd.

Wat er tussen in zit. Je kunt hierbij denken: tussen de top en de basis van een hiërarchie, tussen de hoogste en de laagste waarde van een schaal, tussen bevestiging en ontkenning van iets, tussen twee keuzemogelijkheden, enzovoort.

Intussen heb ik besloten met heimelijke trots de wet, en dat is ook wel een beetje logisch, de wet van Searle te noemen. Men kan me niet verdenken van grootheidswaan, aangezien de wet niet indrukwekkend is en misschien zelfs verbeterd moet worden.

Hierna krijg ik de smaak te pakken. Ik heb een wet op mijn naam geschreven. Heel iets anders is het om een machine uit te vinden. Ik lees in deze tijd veel over de turingmachine. Alan Turing, de bedenker ervan, stelt de vraag: kunnen we een machine maken die zo op vragen kan antwoorden dat het onmogelijk is om uit te maken of een mens of een apparaat antwoord geeft?

Een moeilijkheid is, dat ik helemaal geen verstand van machines heb. Maar dat is bij nader inzien geen probleem. Het lijkt me dat het uitvinden van de bedoelde machine net zo gemakkelijk moet zijn als het voor Socrates is een slaaf van Meno een vierkant te laten construeren van acht vierkante voet.

Ik begin met meteen een antwoord te geven op de vraag die Turing stelt. Het is me wel duidelijk dat de zogenaamde turingmachine niet het antwoord kan zijn op de vraag. Dus ik bedenk een andere machine. Ik noem haar de taalmachine. Het ligt voor de hand dat ik zal proberen de mogelijkheid van een taalmachine te bewijzen, maar ik sla een andere weg in. Ik probeer door het ontkennen van de mogelijkheid van een taalmachine tot een tegenspraak te komen, een zogenaamd bewijs uit het ongerijmde. Ik probeer aan te tonen dat een taalmachine niet mogelijk is en te bewijzen dat zo'n machine niet geconstrueerd kan worden. Ik werk deze hypothese uit en ontdek een reeks van wonderlijke eigenschappen. Er is geen speld tussen te krijgen, maar ongewoon is het wel. Zo ongewoon dat ik verklaar dat de door mij afgeleide eigenschappen wel fout moeten zijn. Achteraf blijkt dat ik een origineel antwoord op de vraag van Turing heb gegeven.

Een turingmachine bestaat uit een controle-orgaan, een oog en een schrijfapparaat. Het controle-orgaan kan zich in eindig veel toestanden bevinden. De machine wordt geconfronteerd met een band van onbeperkte lengte; de band is in cellen verdeeld; in de cellen kunnen symbolen geschreven worden; de drie toegestane symbolen zijn 0, 1 en blanco. De machine doet niets anders dan afzonderlijke symbolen één voor één vervangen volgens een eindig stel werkregels. De regels zijn van de aard: als het controle-orgaan zich in een zekere toestand bevindt en het oog een zeker symbool leest, verricht de machine een bepaalde handeling. De handelingsmogelijkheden zijn: naar rechts of links bewegen of symbool vervangen. In volgorde: huidige toestand, symbool, handeling, nieuwe toestand.

Betekenis is een triade van betekenend ding, betekend ding en een bepaalde kontekst. Ik zoek een wiskundige beschrijving van betekenis en vind steun in een idee van Max Bense. Hij maakt voor de beschrijving van betekenis gebruik van de grafentheorie.

Een teken T kan door drie niet-lege verzamelingen A, B, C en twee daarvoor gedefinieerde operaties b en c worden vastgelegd: T=T(A, B, C, b, c)

Het teken (T) laat zich als gerichte graaf voorstellen, waarin betekenend ding (A), kontekst (B) en betekend ding (C) als knopen en verwijzing naar de kontekst (b) en verwijzing naar het betekende ding (c) als takken gedefinieerd zijn. Het betekenend ding is in dit voorbeeld een stapel planken. Het betekende ding is een blok. De kontekst is een voorschrift dat de stapel als een blok moet worden geïnterpreteerd.

Ik stel mezelf nu de vraag: onder welke voorwaarden is een taalmachine mogelijk? Ik kom er niet uit. Ik word weer op weg geholpen door een droom. Misschien begint u dit wat vervelend te vinden, maar dit gaat echt zo. Ik ben nou eenmaal een dromer en ik kan het niet helpen, dat ik mijn belangrijkste ingevingen uit dromen verkrijg. In het dagelijkse leven ben ik heel wat minder vindingrijk. De droom bevat de volgende wat vreemde uitspraak: In het kader van machine. Je zult twee machines als het ware moeten aanschaffen.


Ik denk hierover na en kom tot de volgende conclusie. Een taalmachine, als deze mogelijk is, moet uit twee machines bestaan. De ene machine laat tekens verwijzen naar dingen (operatie c). De andere machine verwijst naar konteksten (operatie b).

De ene machine ziet een stapel planken, wist vervolgens de stapel en drukt een blok af. Je kunt de machine zo maken dat zij ditzelfde doet bij een stapel boeken en alle andere zaken die stapelbaar zijn. Je kunt haar ook nog zo maken, dat zij dit kan doen in alle dimensies. De machine zal dan, als zij een voorwerp met n dimensies ziet, dit voorwerp wissen en een voorwerp met n+1 dimensies afdrukken. Een stel stippen drukt zij dan af als een streep, een stel strepen als een vlak en een stel vlakken als een blok.

De vraag is: hoe weet de machine, dat een voorwerp met n dimensies als een voorwerp met n+1 dimensies moet worden geïnterpreteerd?

Dat weet zij van de andere machine, die de volgende kontekst aanbiedt: een voorwerp met n dimensies moet als een voorwerp met n+1 dimensies worden geïnterpreteerd.

Hebben we, als een taalmachine uit die twee machines bestaat, met een turingmachine te maken? Ik heb me voorgenomen om aan te tonen dat dit niet zo is. Een turingmachine werkt volgens de regels van de binaire logica. In de binaire logica zijn er maar twee mogelijkheden: waar of niet waar. Bijvoorbeeld: de machine interpreteert een stapel als een blok of niet. Een andere mogelijkheid is er niet. Een taalmachine is zo geconstrueerd, dat zij een stapel als een blok interpreteert, in een bepaalde kontekst. Als de kontekst verandert, verandert ook zijn interpretatie. Er zijn, als we het over betekenis hebben, altijd meer dan twee mogelijkheden, tenminste drie en vaak veel meer. Kijkt u maar eens in een woordenboek, hoeveel betekenissen er achter een woord staan. Of laat eens een groep mensen naar een schilderij kijken. Het zal voor geen van hen hetzelfde betekenen. De regels van de binaire logica zijn niet van toepassing op een taalmachine. Dus is zo'n machine niet mogelijk. Is het waar? Ik wil dit toch eerst zeker weten.

Neem bijvoorbeeld een lachmachine. Een druk op de knop betekent lachen. Het is de vraag of het echt grappig is. Een lachmachine kan niet vragen: Is dit echt grappig? Als de lachmachine als een taalmachine geconstrueerd is, kan zij dat wel. 
Austin heeft bedacht dat een taalhandeling bestaat uit een uitspraak (locutionary act) en een strekking (illocutionary act). Een strekking is een manier waarop een uitspraak gebruikt wordt. Elke uitspraak, bijvoorbeeld de uitspraak lachen, heeft een strekking . De strekking van deze uitspraak is bijvoorbeeld dat er een grap komt.

Ik herbouw nu de lachmachine een beetje, maak er twee machines van, zodat het een taalmachine wordt en zet deze aan het werk. Op de vraag wat het geval is, kan de ene machine kiezen uit drie antwoorden:

ja, er komt een grap
nee, er komt geen grap
annuleren, geen van beide

Afhankelijk van het antwoord, dat de machine geeft, zal de andere machine kunnen kiezen uit de volgende drie antwoorden:

knop aan, lachen
knop uit, niet lachen
annuleren, geen van beide

Ik heb nu een eenvoudig model van de manier waarop de lachmachine, herbouwd als taalmachine, een beslissing neemt. Er is, alles wel beschouwd, weinig verschil met de manier waarop een mens een beslissing neemt. In beide gevallen is de logica binair. Een mens heeft bij het nemen van een beslissing de keuze uit drie mogelijkheden: Ja, nee, niet beslissen. Dit gaat ook zo als er een keuze gemaakt moet worden in een open situatie, die heel veel keuzes toelaat. Er moet toch een keuze worden gemaakt. Dit kan volgens de wet van Searle door alle mogelijke keuzes terug te brengen tot twee. Eerst worden de derde, vierde en volgende keuzemogelijkheden geëlimineerd. Het is een zich herhalend proces waarbij telkens tussen twee en niet meer dan twee mogelijkheden wordt gekozen. Tenslotte wordt uit de twee overgebleven keuzemogelijkheden de definitieve keuze gemaakt. Zouden er geen machines of, als je wilt, programma's gemaakt kunnen worden, die zulke operaties kunnen uitvoeren? Het is duidelijk dat je een machine die in een open situatie moet opereren complexer moet maken. Toch is zo'n machine in principe mogelijk.

Een mens handelt, een machine werkt. Bijna niemand betwijfelt dat. Toch is de grens tussen mens en machine flinterdun geworden. Dit in tegenstelling tot wat ik probeer aan te tonen.

Bron: https://web-archive.southampton.ac.uk/cogprints.org/7150/1/10.1.1.83.5248.pdf 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse