Met gesloten ogen beweeg ik langzaam door het deurkozijn. Mijn handen glijden langs muren, zoekend naar houvast, terwijl de vingertoppen over herkenbare contouren strijken. Plots tast ik het koude metaal. De deur opent.
Een flits belemmert mijn zicht en een zwaarte nestelt zich in de maag. Visioenen en herinneringen die langdurig diep in het achterhoofd sliepen worden fors tegen het voorhoofd gedrukt. De zwakte in mijn knieën wordt alsmaar sterker.
Ik bevind me nu in de kamer van mijn bewustzijn. Een archief van onzichtbare littekens, een plek waar schemerzones zich uitstrekken tussen lagen van bestaan. Kamers ademen een dreiging, een verlangen naar wat niet aanwezig is. Een gevoel dat ons uit balans brengt, een fatale spanning. Ze smachten naar kwelling en confrontatie en willen hetgeen wat we geheimhouden blootstellen. Hetgeen waar we ‘s nachts uren over piekeren of over liegen in ons dagboek, iets wat we nooit luidop zullen zeggen, wordt geëtaleerd. ‘Wat verstopt zich achter de muren? Kan ik in de kamer mijn geheimen toevertrouwen?’ Bij een slechte nachtrust, een woede-uitbarsting of een moment van stilte worden we uit ons bestaan gerukt en verplaatst naar de kamer. Iets smeekt om onze aandacht.
Langzaam begeef ik me naar een podium die de zwaarte van talloze optredens draagt. De schaduwen vormen een zwijgend publiek. Ik zet mijn masker op en verdwijn achter een façade.
De kamers spreken: ”Open jezelf aan het universum of verstik in je eigen nietigheid. Pel jezelf, snoei het verrotte, plant het goede.” Diep vanbinnen voel je het, een waarheid die blijft hangen, zelfs wanneer twijfel alles overschaduwt.
Een fragiel landschap, een paringsdans, de vroege ster, een blikseminslag; een schouwspel van de natuur? In tegendeel. Natuur is rauw, is zichzelf, zonder enige verontschuldiging. Ze heeft geen spijt, geen schaamte, geen verzet, geen terughoudendheid.
Waarom draag ik dan een masker? Waarom kan ik niet zijn zoals de natuur als ook ik er deel van ben? Ik voel me zo uitgezonderd, bijna vernederd. Waarom wordt het ‘mezelf’ zijn van me ontnomen?
Ik word op het podium geroepen. De vibraties van mijn gedachten en gevoelens begeven zich naar de oppervlakte. Ze zijn bijna tastbaar, maar ze raken verloren tussen mijn lippen. Helaas zal de echte waarheid nooit bekend gemaakt worden. Niemand zal ooit werkelijk op dezelfde golflengte zijn en woorden zullen worden ingeslikt of weggeblazen door de wind. Net een sluier voor ogen. Ik smeek voor verandering. Ontwaak dat borrelend gevoel. Ik voel het in mijn vingertoppen, een verschuiving in bewustzijn. Wil ik wel begrepen worden?
Het dringt tot me door. Door de samentrekking van mijn lichaam word ik duizelig. Mijn toewijding naar het vinden van mezelf staat op het spel.
Het is tijd voor mijn optreden.
Ik focus op elk klein detail. Ik weet zelf niet wat er achter het masker schuilt. Het iets onbetreden, net de Grote Oceaan of de diepe jungle. Is de ‘mezelf’ zichtbaar voor iedereen behalve voor mij? Ik heb een drang om te vluchten, vluchten van het door mezelf gemaakt podium. Ik ben bang van wat ik zal ontdekken.
Ik bezoek graag verlaten plaatsen. Dagdromen over hoe en waarom het vervallen is geraakt en wie er allemaal geleefd heeft, maakt daar deel van uit. Volledig overgenomen door de natuur, staan ze vaak eenzaam verschuilt waar niemand ze zo maar kan vinden. De wind die door de gaten van de muren dwaalt laat mij zeer sereen voelen, alsof de tijd even stopt. Het overwoekerende klimop toont vastberadenheid. De huizen lijken zo moe, maar tegelijk ook tevreden. Ik vind er vaak achtergelaten voorwerpen. Dat zijn de momenten waarop het verleden zich even tastbaar maakt. ‘Waarom waren ze niet waardevol genoeg om mee te nemen?’. Soms, wanneer ik een kamer binnenstap waar alles nog lijkt te liggen alsof iemand elk moment terug kan komen, bekruipt me een vreemd gevoel. Alsof ik de laatste ben die deze ruimte ziet voordat ze voorgoed verdwijnt. Alsof ik even iemands herinnering mag aanraken, voordat de tijd ze volledig uitwist. Soms voel ik me zelf als zo’n huis. Een verzameling van losse fragmenten. Een identiteit die niet altijd vastomlijnd is. Een ruggengraat van vervallen muren, zonder een duidelijk beeld op het volledig plaatje. Een anonieme gedaante die ergens verschuilt in een bos, of eentje in het centrum van de stad tussen het andere krioelende leven.
Ik voel me aangetrokken tot deze plekken, ook vanuit het standpunt van een kunstenaar. In mijn werk probeer ik de vergankelijkheid vast te leggen—niet als een tragisch gegeven, maar eerder iets wat vrijheid biedt. Voor mij is er een zekere schoonheid aan het verval. Roest vormt patronen die geen mens had kunnen schilderen, afgebladderde verf onthult lagen van het verleden en natuur vindt langzaam haar weg terug. Soms moeten dingen iets hebben doorstaan om de schoonheid ervan te kunnen zien. Zoals met de mens, maken moeilijke ervaringen en herinneringen deel uit van het geheel.
Van de huizen waarin ik heb geleefd, zijn er waarschijnlijk een aantal die in deze staat zijn terechtgekomen. Ik zou ze graag zo eens terugzien, in volledige stilstand.
Zo is de Duitse fotograaf en kunstenaar Sven Fennema (1981) even gefascineerd door verlaten plaatsen en hun charme. “Eén gedachte dook op in mijn hoofd: ongeacht de chaos en het van verval dat ik aantrof, heerste er in de kern een onvergelijkbare kalmte en vrede. Het hectische menselijke gejaag lijkt plotseling ver weg, de werkelijkheid lijkt vertraagd – hier heerst een andere tijd. Als mens voel ik me plotseling van weinig belang en al helemaal niet als heerser over de aarde”, zegt Fennema.
Hij kijkt met ontzag naar de kracht van de elementen en de grootsheid van de natuur. Uiteindelijk zijn we de getolereerde gasten en dienen we respect te tonen aan de ware heerser van deze wereld, de natuur. Zijn werken zijn voor mij ook een blik naar de potentiële/ hoogstwaarschijnlijke toekomst van de aarde. Duizenden door de mens gebouwde eeuwenoude constructies, allemaal opgeslokt door de tijd en natuur. Maar zijn werk heeft volgens mij ook een sensibiliteit van het alledaagse, even genieten van de toestand waarin die gebouwen zich nu bevinden. De vaak warme tinten van zijn werken geeft een verwelkomend nostalgisch gevoel. Heel af en toe is er een vleugje bizzariteit aanwezig.
In mijn werk gebruik ik vaker koudere tinten, daarmee wil ik ook nostalgie uitstralen, maar eerder met een dosis melancholie. Net zoals bij Fennema ligt mijn focus op het serene, de overname door de natuur en de architecturale overblijfselen, maar ik probeer mij ook expliciet te focussen op sporen van menselijk leven. Die objecten laten mij ergens zweven tussen het verleden, heden en toekomst. Vaak zullen zo’n objecten associaties oproepen met objecten uit het eigen leven, ze tonen aan dat we als mens allemaal gelijkaardige emoties ervaren.
De beelden zijn een soort verbintenis tussen de huizen en plaatsen die ik herinner uit mijn verleden. Het is in een zekere zin paradoxaal. Door dingen uit het verleden te willen ophalen, ga ik vaak blikken naar dingen die ik vind in het heden en te dromen over wat de toekomst zal brengen aan de hand van vergelijkingen en samengangen.
Augustus 2014. Om onze papieren te laten verlengen moesten we na tien jaar terug naar Oekraïne. Mijn grootouders en ik vertrokken op een lange autoreis van 3000 km. We reden door Duitsland, Polen en door Oekraïne zelf, want Artemivsk ligt bijna aan de grens met Rusland. Het was rustgevend, alsof de tijd even stilstond en ik me geen zorgen moest maken over andere dingen. Dromend op de achterbank luisterde ik naar mijn favoriete liedjes op de Mp3-speler. Stoppen aan een klein hutje langs de baan om een door een oud vrouwtje gekookte maaltijd te eten is werkelijk onbeschrijfbaar.
De eerste nacht zijn we verdwaald geraakt in een dorpje in Polen. De kronkelende straten diep in de bergen kwamen net uit een middeleeuwse mythe. We moesten toen overnachten in de auto. Het was een maanloze nacht en mijn blik verdwaalde in de diepte van de nacht. Ik kon niet wegkijken.
De volgende avond was zeer warm, dus stopten we aan een klein kerkje met een verse waterbron. Het was gemaakt me oude stenen en met een prachtig beschilderde koepel vanbinnen. We dronken ijskoud water uit de pomp en baadden in de binnenruimte. De warmte van de zonsondergang op mijn huid voelde als een knuffel.
Toen we eindelijk op onze bestemming kwamen voelde het vreemd om mijn familieleden terug te zien. Een lange tijd hoorde ik enkel hun stem via de oude telefoonbox aan het treinstation. Ik kan me niet inbeelden hoe het voor mijn grootouders voelde. Toen mijn grootmoeder haar mama en zus zag barste ze in tranen uit. Helaas kon ik niet goed opmerken of haar moeder haar herkende. Ze had geheugenproblemen ontwikkeld na meerdere beroertes te hebben meegemaakt. Het is bedroevend hoe ons brein ons in de steek kan laten. Ze hebben toen tot laat in de nacht gepraat. Daarna hadden we ook mijn grootvaders moeder bezocht.
In het terugkeer reden we door Boedapest en de Alpen.
Deze reis hadden mijn beide grootouders hun moeders voor het laatst gezien.
Ik klemde mijn zwetende hand rond de hare, ook al kenden we elkaar slechts een paar dagen. Eerst wandelden we door het riviertje in het centrum en daarna door het vereenzaamde dorp. We volgden het schrille geluid van de verroeste kermis attracties. De hitte van het asfalt maakte ons suf en liet de gebouwen versmelten met de lucht.
Hoe zag ze er ook alweer uit? Zwarte haren en een bleke huid?
De bezorgdheid in haar blik is nog het enige dat blijft hangen.
We lagen op het bed. De deur van de kamer stond wagenwijd open, en de zomerwind droeg de geur van rododendron binnen. Luisterend naar het geluid van een zeeschelp, genoten we van de tijd die even leek te stoppen.
Helaas kan ik herinneringen niet helemaal vertrouwen. Ze ontglippen me te vaak. Ze vervormen, verdwijnen en reconstrueren zichzelf zonder dat ik het opmerk, alsof e een eigen wil hebben. Soms heb ik zelfs ‘valse’ herinneringen. Beelden en gevoelens verbonden aan mensen die ik nooit heb gekend.
Daarom voel ik de drang om te verzamelen. Door fragiele draden te weven tussen objecten, herinneringen, woorden, beelden en blikken, hoef ik niet bang te zijn om te vergeten. Door nostalgie uit te nodigen, vragen we het ons te vergezellen, te troosten.
Wellicht zal je iemand voor een langere tijd herinneren dan dat je die gekend hebt. Of kan je iemand niet herinneren, maar ook niet vergeten. Hun aanwezigheid zwerft ergens op een onontgonnen terrein in je hoofd rond. Ze behoren tot een onontgonnen binnenruimte, waar fictie en herinnering in elkaar overlopen.
Die ervaring wordt bijzonder tastbaar wanneer je bladert door oude familiealbums, langs de stille gezichten van mensen die je nooit hebt gekend, dringt zich een vraag op. Hoe zou het zijn geweest om hen te kennen? Hoe zou het voelen om hun naam hardop uit te spreken en antwoord te krijgen? In de stilte tussen de foto’s droom je hun aanwezigheid tot leven. Een fictieve herinnering die desondanks diep emotioneel aanvoelt.
De Amerikaanse docent-onderzoeker en schrijver Marianne Hirsch introduceerde de term postmemory om te spreken over (vaak traumatische) herinneringen die niet uit directe ervaring voortkomen, maar via verhalen, beelden en stilte doorgegeven worden van generatie op generatie. Wanneer mijn grootmoeder vertelt over haar vader zie ik altijd een verlangen in haar blik. Een verlangen om terug te keren naar een tijd met hem, ook al was die niet zo makkelijk. Op zo’n momenten overvalt mij een vreemd gevoel. Ik besef dat ik van deze persoon hou, zonder hem ooit gekend te hebben. Ik wil hem troosten, begrijpen, vasthouden. Zijn afwezigheid is mij doorgegeven en zijn gemis heeft wortel geschoten in mijn hart. Hij wordt gemist, zelfs door mensen die hem nooit hebben gezien. Hirsch beschrijft postmemory als “even diepgaand als die van persoonlijke herinnering,” maar “gestructureerd door beelden, verhalen en affectieve resonanties” (Hirsch 2012, 5).
De herinneringen aan mijn thuisland zijn van dezelfde dubbele aard. Toen mijn nonkel ernstig ziek werd, ging ik samen met mijn oma naar het houten kerkje met de groene koepel om te bidden. Ik was toen drie jaar, hoe is het mogelijk dat ik dit herinner? Toch zijn er fragmenten die blijven hangen. Niet de feiten, maar vooral de zintuigelijke ervaringen. De geur van wierook die in ons haar bleef hangen en de kramp in mijn benen van het lange knielen. Deze herinneringen zijn niet narratief, maar lichamelijk; ze leven voort in geuren, texturen, houdingen.
In mijn artistieke praktijk zoek ik naar manieren om deze vluchtige vormen van geheugen en emotionele overdracht te verbeelden. Ik wil geen lineair verhaal vertellen, maar een gevoel oproepen – een atmosfeer waarin persoonlijke geschiedenis, collectief geheugen en fictieve herinnering samenvloeien. Zoals een geur plotseling een moment uit het verleden kan oproepen, zo probeer ik via beeld, materiaal en tekst iets van die tijdelijke resonantie tastbaar te maken. Niet om te bezitten, maar om te delen.
Bij het bekijken van de film Elegy of a Voyage (2001) van Alexander Sokurov, werd ik onmiddellijk meegevoerd in een mijmerende, melancholische droom. Sokurov schetst een introspectieve reis, waarin hij zijn verplaatsing van Rusland naar Rotterdam verkent. De film fungeert als een poëtische verbeelding van zijn levensverhaal, waarin thema’s als verlies van identiteit, religiositeit, de dood, geheugen, vervreemding en de complexe relatie tussen tijd en ruimte centraal staan. Wat me bijzonder raakte, was de manier waarop Sokurov via zijn trage, slepende camerabewegingen, vervreemdende kleurenpalet en monotone, hypnotiserende voice-over het publiek in een soort sluimerende toestand brengt. Zijn beelden voelen aan als herinneringen of flarden van een droom – niet volledig tastbaar, maar heel intens. De film nodigt niet uit tot rationeel begrijpen, maar tot zintuiglijk ondergaan.
Op een gegeven moment bevindt het hoofdpersonage zich in een verlaten herenhuis, vol met oude schilderijen. Deze scène voelde voor mij als een symbolische overgang naar het hiernamaals, een plek buiten tijd, waar verleden en heden elkaar kruisen. De manier waarop hij documentaire beelden vermengt met fictieve elementen, en hoe hij bestaande realiteit transformeert tot iets tijdloos en spiritueels, werkt bijzonder inspirerend.
Die aanpak en thematiek sluiten sterk aan bij mijn eigen artistieke praktijk. Net als Sokurov tracht ik in mijn werk een gevoel van nostalgie en tijdsvervreemding op te roepen. Mijn beelden vertrekken vaak vanuit plaatsen en landschappen die een zekere herkenbaarheid in zich dragen, maar zonder dat er expliciet een hoofdpersonage aanwezig is. Door het gebruik van reflecties, schaduwen en wisselende lichtinval probeer ik een tussenruimte te creëren, waarin de toeschouwer zichzelf verliest.
Via korte tekstfragmenten geef ik indirect richting aan de beleving van het werk, zonder die te sturen. Mijn keuze voor fragiele materialen zoals dun papier, ruwe texturen en natuurlijke elementen draagt bij aan een zintuiglijke, haast tastbare uitstraling van het beeld.
De materialiteit van het werk speelt een belangrijke rol in het activeren van het geheugen van de kijker: het roept een wereld op die tegelijk intiem en ongrijpbaar is.
De grens tussen fictie en realiteit is daarbij bewust vaag gehouden. Net zoals Sokurov beelden vervormt om tot een innerlijke waarheid te komen, combineer ik in mijn praktijk verschillende beeldlagen die al dan niet verbonden zijn met mijn persoonlijke ervaringen en levensgebeurtenissen. Door deze benadering ontstaat er ruimte voor een subjectieve vorm van waarheid: een die niet per se historisch correct is, maar emotioneel waarachtig aanvoelt. Het is dus niet louter een visuele weergave van een landschap of herinnering, maar eerder een uitnodiging tot introspectie en emoties.
Mijn grootvader legt élke speciale gelegenheid vast door middel van foto’s en video’s. Verjaardagen, Nieuwjaar, vakantie, dagje aan zee, bezoek, etc. Hij zegt dat hij een archief wil creëren die we jaren later kunnen herbekijken. Hij praat er niet vaak over, maar na zijn diagnose heeft mijn familie eens samen gezeten om wat hij allemaal heeft opgenomen te bekijken. Het was een grote hoeveelheid en dus jaren van opnames. Ik denk dat hij zo ook tot rust kan komen, een soort ritueel. Na het filmen/fotograferen, brandt hij de footage op een cd of een harddrive en sorteert hij het tussen zijn andere opnames.
Oma heeft liever analoge foto’s. Die bewaart ze in tientallen fotoboeken. Toen we nog maar net aankwamen in België kocht mijn familie vaak een wegwerpcamera waarmee we foto’s van reizen en het alledaagse vastlegden.
Zelf ben ik ook verliefd op fotografie. In februari 2025 kocht ik een instant camera. Soms word ik overspoeld door de hoeveelheid digitale foto’s die ik kan nemen met een digitale camera of telefoon. Bij analoge fotografie moet je even stilstaan en nadenken over elk moment dat je wil vastleggen. Er is een bepaalde connectie tussen jou en het toestel. Een onmiddellijke tactiele portaal naar een herinnering. Een bepaalde onzekerheid en verlies van controle over het resultaat dwong mij meer te durven. Een fysieke foto zal jaren later verkleuren of verdorren, maar het zal het moment die het opgenomen heeft iets langer laten bestaan, zelfs al zijn we het eventjes vergeten. Het is vergelijkbaar met ons, als we vergaan zal de herinnering aan ons even blijven verder leven, tot men ons uiteindelijk ook vergeet.
Toch, hou ik ook nog steeds van het tot op detail te bewerken van digitale foto’s. Dan krijg ik de volledige vrijheid over hoe mijn beeld er moet uitzien en kan ik bijna oneindig veel nieuwe beelden produceren. Door opgenomen te zijn in het digitale bestaan (het internet) zullen deeltjes van onze gedachten en momentopnames blijven rondzweven. We zullen verder leven in JPEGS en chats, onze energie is getransporteerd naar een andere dimensie en zal zich verplaatsen door draden en servers. We zullen ons verschuilen in digitale archieven. Net uitgestrekte wortels of een netwerk van mycelium. Een oneindig digitaal bestaan.
In de experimentele film As I was moving ahead occasionally I saw brief glimpses of beauty (2000) viert Jonas Mekas de realiteit, relaties en omgeving over meerdere decennia. Het dient als een soort dagboek, een notitieboekje. De film is een meditatieve reflectie over tijd, herinneringen en vluchtigheid van de mooie momenten in het leven. Bestaat er zelfs zoiets als toeval? Is alles voorbestemd, of is het leven een reeks van continue beslissingen? Hij probeert deze thema's poëtisch te benaderen aan de hand van een voice-over.
Net zoals mijn grootvader filmde Mekas vooral familiebijeenkomsten, bezoek bij vrienden, wandelingen, verjaardagen en het stille huiselijke leven. Het verloop van de film is non-lineair en intuïtief, wat een dromerig gevoel uitlokt. Er is geen duidelijke verhaallijn, maar komt eerder als een stroom van herinneringsfragmenten. Het voelt net als een omhelzing of een laatste zucht.
Tijd en omgeving zijn dus belangrijke onderdelen mijn werk. In What Has Changed is een selectie van beelden te zien uit filmfragmenten die mijn grootvader gefilmd heeft met een digitale camera. Na tien jaar weg te zijn geweest van zijn geboortestad is er veel veranderd. De beelden tonen een bezoek aan de stad, hun zomerhuisje en een bezoek aan het graf van zijn vader.
De dood is voor mij een gevoelig onderwerp. Dat is het nadeel van het leven met je grootouders. Als kind zou ik ‘s nachts wenen wanneer ik eraan moest denken. Desondanks, praat mijn grootmoeder er heel normaal over. Ze zegt dan vaak dat ze graag in haar thuisland begraven wil worden, samen met haar ouders. Helaas weten we niet zeker of de graven daar nog intact gebleven zijn. Mijn grootvader, daarentegen, zegt niet veel over zijn diagnose. Wanneer ik voor hem moet tolken in het ziekenhuis probeert hij zijn emoties niet te tonen. Ze stelden een behandeling voor. “Als het moet, dan moet het.” zei hij.
Ze praten vaak over het verleden. Hun lievelingsverhalen gaan vaak over hun tijd in Siberië. Grootmoeder verteld dan vaak over de warme zomers en de koude winters. Over de paddenstoelen en de besjes. De opdracht van mijn grootvader was rijden met de grote terreinwagen. Ik heb het gevoel dat ze daar eventjes weg konden glippen van het alledaagse leven in Oekraïne. Tot op vandaag praat oma nog met mensen die ze daar heeft leren kennen. Velen van hen leven niet meer, anderen zijn niet meer terug te vinden. Een vriend waarmee ze nog contact heeft, leeft daar nog steeds en stuurt haar veel foto’s die ze dan vol enthousiasme laat zien. Vaak komen de verhalen over de oorlogstijden van mijn overgrootouders ook aan bod. Hoe mijn overgrootvader oorlogstreinen vol gewonden bestuurde en hoe mijn overgrootmoeder haarzelf moest verminken om te ontsnappen aan Nazi soldaten. En hoe mijn grootmoeders favoriete nonkel vermist is geraakt tijdens de Winteroorlog (1939-1940).
Ik wil graag hun ervaringen en herinneringen bewaren en koesteren. Daarom betrek ik ze graag in mijn kunst en maak ik graag oneindige replica's van die foto’s en verhalen. Mijn bedoeling is ook om met mijn werk mensen gerust te stellen over verloren herinneringen of ideeën over de dood en het hiernamaals.
Vergankelijkheid onthult zich hier als een zachte zekerheid: een pad naar vrijheid en een uitnodiging om los te laten. In de dood schuilt geen einde, maar een nieuw begin, zwevend tussentijd en ruimte.
In mijn weken gebruik ik vaak ‘found objects’ of beelden die ambigue associaties opwekken met mijn omgeving/ relaties. Daarmee wil ik bepaalde connecties leggen tussen de wereld rondom mij en mezelf. Het idee van een onzichtbaar ‘netwerk’ zichtbaar te maken vind ik intrigerend, een netwerk waar misschien dingen misplaatst of afwezig voelen. Een blik naar tijden die al voorbij zijn.
Een zekere afwezigheid is ook voelbaar in de Vitrine de référence (1971) van Christian Boltanski. Vaak zijn de dingen die hij plaatst in de vitrines anoniem of gevonden. Ze doen denken aan archieven, gedenktekens en altaren: ruimten die sporen van menselijke aanwezigheid en afwezigheid bewaren. De grens tussen autobiografie en fictie vervaagt, waardoor het persoonlijke universeel wordt. Ze worden een soort reservoir voor herinneringen, die een gevoel van ‘anemoia’ prikkelen, een gemis naar een plaats of tijd die men nooit gekend heeft (Koenig, 2021). De anonimiteit van de inhoud suggereert hoe gemakkelijk identiteiten in de loop der tijd verloren gaan. Boltanski worstelt met collectief versus persoonlijk geheugen, identiteit en de spanning tussen herinneren en vergeten. Hij had een Joodse vader die de Tweede Wereldoorlog in het geheim overleefde, dit gaf in veel van zijn werk blijk van de ernst van deze erfenis en historische trauma.