Liedsuggesties‎ > ‎

3e zondag in de veertigdagentijd - B

Intredelied: 
    ZJ 302 Gij hebt met groot geduld
    ZJ 304 Evenals een moede hinde
Antwoordpsalm: 
    P 232 • download • beluister 
Vers voor het evangelie: 
    ZJ 3c Barmhartig de Heer
    ZJ 3d Lof een eer zij U 
    ZJ 320 Erbarm U God (alleen str. 3 + refrein)
Bij de bereiding van de gaven: 
    ZJ 594 Wie oren om te horen heeft
Communiezang: 
    ZJ 301 Veel hoger dan Abraham klom
    ZJ 355 Wie zal voor God verschijnen (vooral str. 2+5)

Gregoriaans: Graduale Romanum pg. 96-99

TOELICHTING

Psalm 42 (41) spreekt het heimwee uit van de ballingen naar de tempel van Jeruzalem: Evenals een moede hinde ... schreeuwt mijn ziel om God te vinden ...  Ik gedenk hoe ik vooraan in de reien op mocht gaan om mijn dank Hem op te dragen in zijn huis (tempel) op hoogtijdagen! Met deze psalmzang (304) als intrede beginnen we deze zondagsviering, waar Jezus zichzelf in het evangelie de nieuwe en levende tempel noemt. Zoals vorige zondag kan men de viering eventueel ook starten met een lied dat reeds verwijst naar de centrale figuur uit de eerste lezing. Vandaag is dat Mozes. Lied 302 zingt: Gij hebt met groot geduld uw heerlijkheid onthuld … door Mozes uw profeet.

De Oudtestamentische lezing duidt een derde etappe aan in de geschiedenis van het oude Israël op zijn tocht naar het beloofde land. We beluisteren enkele verzen uit de Wet die God via Mozes aan zijn Volk geeft. De antwoordpsalm 19B bezingt de heerlijkheid van Gods geboden: Heer, Gij hebt woorden van eeuwig leven (P 232-234). Een alternatief is lied 567 Een smekeling, zo kom ik voor uw troon. Dit lied is gebaseerd op psalm 119 waarin de lof van Gods Wet het centrale thema is.

Vóór het evangelie kunnen we vandaag eventueel strofe 3 zingen uit psalm 51 Erbarm U God (320).

Voor de communiezang kan men denken aan het Mozeslied Veel hoger dan Abraham klom (301) of aan lied 594: Wie oren om te horen heeft, hore naar de wet die God hem geeft. Ofwel voorziet men nog een echo op het verhaal van de tempelreiniging met lied 355. Daarin wordt verwoord hoe de Heer Jezus met zijn eigen bloed de nieuwe tempel is binnengetreden: De Heer is voortgevaren, de grote tempel door; daar plengt Hij onze schuld. De tempel is gereinigd, de voorhang is gescheurd. Men zinge dan alleszins de tweede en vijfde strofen, die herinneren aan de evangeliewoorden van deze zondag: ‘Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herbouwen’ (Joh. 2, 19).