Liedsuggesties‎ > ‎

30e zondag door het jaar - A

Intredelied: 
    ZJ 310 Uit angst en nood
    ZJ 314 Uit diepten van ellende
    ZJ 591 Mensen, wij zijn geroepen om te leven
Antwoordpsalm: 
    P 17 • download  beluister
    ZJ 324 Waar is de plaats die vrede lacht
Alleluia-vers: ZJ 4i Geprezen de Heer
Bij de bereiding van de gaven: 
    ZJ 721 Wees niet verbaasd
    ZJ 569 God die leven hebt gegeven
Communiezang: 
    ZJ 759 Heeft niemand U gezien?
    ZJ 594 Wie oren om te horen heeft

Gregoriaans: Graduale Romanum pg. 357-359

TOELICHTING

Inhoudelijk aansluitend bij de evangelielezing:
    ZJ 594 Wie oren om te horen heeft 

Bij de aanvang van de eucharistieviering is het goed om ons er van bewust te worden dat het niet vanzelfsprekend is zich in gebed tot God te richten: wie zijn wij als wij voor God treden, als wij in het licht gaan staan van zijn alles doordringende tegenwoordigheid? Daarom heeft de intrede en de verzameling van de gemeenschap ook altijd iets van een hulpgeroep, erkenning van eigen kleinheid en zonde maar van nog groter vertrouwen op Gods barmhartigheid en eindeloos geduld. Als intredezang stellen wij op deze zondag een boetepsalm voor: Uit angst en nood stijgt mijn gebed ... Wanneer Gij op ons falen let, zijn wij verloren. Maar in uw eindeloos geduld delgt Gij de menselijke schuld (310). Men kan uiteraard ook de variant zingen: Uit diepten van ellende (314).

Overigens ligt al een opmerkzame verwantschap tussen deze intredezang en de eerste lezing waar de Heer zelf het opneemt voor vreemdelingen, wezen en weduwen, voor iedereen die Hem om hulp roept. De antwoordpsalm 18 is een echte reactie op het slot van de passage uit Exodus. We drukken het gebed uit van iemand die de nabijheid van God heeft ervaren: Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij (P 16-18). Een mogelijk alternatief vormt lied 324 Waar is de plaats die vrede lacht. Dan knoopt men aan bij de oproep die in de eerste lezing klonk.

Godsdienst en mensendienst gaan samen: het is het fundament van de Wet, het voornaamste gebod. In de communiezang 594 wordt deze kern van het oude en nieuwe Verbond zingend hernomen: Wie oren om te horen heeft, hore naar de wet die God hem geeft ...  Bemint uw Heer te allen tijde (2de strofe) ...  Biedt uw naaste de helpende hand (3de strofe). Een andere mogelijkheid is lied 759 Heeft niemand U gezien?, waarin Christus’ aanwezigheid herkend wordt in ieder mens die geeft of vraagt of die een kruis van zorgen draagt.