Bespiegelingen over de mogelijkheid van een vast fundament
Het grootste omslagpunt in de geschiedenis van het denken van de mens is het tijdperk van de Verlichting geweest.
(paradigma's)
Nadenken en debatteren over wereld- en levensbeschouwingen is slechts mogelijk vanuit een bepaald referentiekader. Objectieve funderingen van referentiekaders bestaan niet. Een referentiekader is per definitie de meest fundamentele positie/aanname vanwaaruit men denkt.
Een gevolg hiervan is dat ieder referentiekader een eigen autonomie heeft. Enkele voorbeelden:
1. Veel christenen verwerpen het referentiekader van een atheïstisch heelal, omdat het leven dan geen zin heeft. Maar wie zegt dat het leven zin moet hebben? Onze intuitie of behoefte aan zingeving is nog geen voldoende argument voor het bestaan ervan.
2. Er zijn allerlei verzoeningstheorieën: losprijstheorie, satisfactietheorie, substitutietheorie, enz. In elke theorie worden aannames gedaan over kwaad, zonde, recht, gerechtigheid, retributie, straf, vergelding. Ook al deze kaders zijn autonoom. In extremo is er een scenario denkbaar, waarin God na de zondeval een 'reset all' zou hebben gedaan of een herkansing of een verlossingsplan dat slechts één dag zou duren. Hoe logisch Anselmus zijn satisfactietheorie ook lijkt te ontwikkelen, er zitten onbewijsbare aannames is. M.a.w. het kan ook anders.
3. In de WdW is één van de aanname dat antinomieën zijn uitgesloten. Toch is er een heelal denkbaar dat qua natuurwetten niet homogeen is. Of een heelal waarin er geen constante logische wetten zijn. Als er verschillende logische systemen denkbaar zijn, dan is het ook denkbaar dat deze van tijd tot tijd zouden kunnen switchen. In dat geval zou het heelal niet 'betrouwbaar' zijn, maar in diepste betekenis 'chaotisch'.
Dat we in een geordend, gestructureerd heelal lijken te leven is contingent.
Theistische vs atheistische kosmogonie. Is het geloof in een theistisch universum minderwaardig t.o.v. de aanname van een materialistisch universum? Het lijkt me van niet. De aanname dat er uit het niets plotseling materie en energie ontstaat die beantwoorden aan bepaalde wetten (structuur, orde) is niet superieur aan de aanname dat er een eeuwige God bestaat, die alles geschapen heeft. Beide aannames zijn axiomatische dogma's. Geen van beiden kunnen zich beroepen op apriori gegevens. Er is geen kader waarbinnen we beide axioma's a priori ten opzichte van elkaar kunnen toetsen.