reisverslagen


Ingezonden avonturen in verre landen, sterke verhalen en andere ervaringen van onze leden. Nieuwe kopij is altijd welkom!


Schroefasanode ? Schroefaslager ? Schroefas ? Schroef ?


Na de wintercupwedstrijden op de Grevelingen moet de Parbleu Deux naar zijn thuishaven DE PUT op het Haringvliet gevaren worden. Dit moet voor 31 maart gebeuren, omdat er bij Marina Port Zélande weer gewoon liggeld geheven gaat worden. Om allerlei redenen gebeurt dit terugvaren niettemin pas in de tweede week van april en wel met behulp van medepensioengerechtigde Chris. Normaal gesproken moet dit in één dag lukken, ondanks dat er drie sluizen en de Haringvlietbrug gepasseerd moeten worden. Met name de wachttijden bij de beroepssluizen van de Krammer en het Volkerak willen wel eens roet in mijn eten gooien. Het begin verloopt in ieder geval goed, want de sluizen bij Bruinisse en de Krammer leveren geen problemen op. Bij het Volkeraksluis gekomen blijken de tijden weer eens anders te zijn dan in de almanak vermeld staan, want de brug bij de beroepssluis blijkt wegens problemen met de verkeerslichten van de rijksweg maar op 3 momenten per dag geopend te worden, en wel om 11.00 uur, 16.00 uur en om 20.00 uur. Daar we om 15.00 uur bij de Volkeraksluis aankomen, denken we dat we op tijd zijn.



Dat is echter verkeerd gedacht. Van onze kant zal de sluis pas na vieren ingevaren kunnen worden; te laat voor de brug. We hebben er goed de pest in want 20.00 uur vinden we een rottijd, omdat het dan al donker is en we dan ook nog 5 uur zouden moeten wachten. We besluiten een stukje terug te varen en een ligplaats in Dintelsas te zoeken. Bij het 3e telefoontje hebben we succes en kunnen we terecht bij wsv De Dintel. Ik vertel de havenmeester, dat ik de boot de volgende week kom afhalen, al weet ik nog niet welke dag. Dat is afhankelijk van wanneer mijn nieuwe bemanning kan. Vervolgens bel ik mijn zoon Robert dat hij ons hier kan komen afhalen.

Het volgende slachtoffer/bemanningslid is Ger Rossel. We vertrekken de week daarop op een donderdag om 10.00 uur uit Dintelsas en zijn dus ruim op tijd voor de brugopening om 11.00 uur. Als we contact met de sluis leggen blijkt de regeling met 3 doorgangstijden al weer vervallen te zijn. Jachten met een te hoge mast voor de jachtensluis kunnen weer de gehele dag door de beroepssluis. Als we de beroepssluis uitvaren doen we dit op een tijdstip, dat we de opening van de Haringvlietbrug om half twaalf kunnen halen en we een kleine twee uur later op een keurige tijd in de PUT liggen.

Tijdens de tocht met Chris kwamen we tot de ontdekking dat er problemen met de motor of de schroef(as) waren. Want wanneer ik harder wilde varen dan 5,5 knoop protesteerde de Parbleu Deux daar uit alle macht tegen door sterk te gaan trillen en een hoop herrie te gaan maken. Vooral bij het roer was dit goed te merken. Mijn lekenverstand vertelde me dat dit veroorzaakt werd door de schroef of schroefas. Toen ik deze problematiek per ongeluk aan Ger voorlegde, kon hij het niet laten de boel al tijdens het varen te onderzoeken. Hij dacht daarbij ook nog aan andere zaken zoals de rubbers onder de motorsteunen en de keerkoppeling. Na zijn onderzoek komt ook hij tot de conclusie dat het aan de schroef of schroefaslager moet liggen. De boot zal dus in Stellendam of Middelharnis de kant op moeten om de zaak verder te laten onderzoeken en te laten repareren.

Een weekje later bekijkt ook mijn vriendje Hans Sap, een zeer ervaren ex Opelmonteur en watersporter, de boel. Hij vindt dat dat wel in de box kan en zo moet ik een hoop gas geven om de druk bij 3000 toeren te bereiken. De twee palen, waar de PD aan afgemeerd ligt kunnen dit hebben evenals mijn afmeerlijnen. Gelukkig maar, want het staat natuurlijk wel raar als een nieuw lid zijn schip op het steiger parkeert. Ook Hans kan niets vinden.
Inmiddels nadert de datum van het Hemelvaartweekend van DCN-Zuid. Daar ik niets merkte als ik minder dan 5,5 knoop voer, besluit ik met de reparatie te wachten tot ik op de Grevelingen in de haven van Bruinisse of Port Zélande lig. Als ik Jelle Witmaar het een en ander vertel biedt hij aan daar met zijn snorkelapparaat te water te gaan om het zaakje te bekijken. Daarnaast vraagt Berta zich af of er niet gewoon iets in mijn schroef zou kunnen zitten. Tot nog toe heeft niemand dit als mogelijkheid genoemd, maar nu het wel genoemd is, blijkt men dit toch ook wel als mogelijkheid te zien.

Als ik een paar dagen voor Hemelvaartsdag met Chris de boot weer naar de Bruinisse breng, hebben we tijdens de reis geen last van trillingen of herrie en de PD ook niet. Als ik naar de havenmeester van Bruinisse ga, wil hij mij in een box van het eerste steiger stallen, terwijl alle andere deelnemers aann het laatste steiger geparkeerd zullen worden. Dat is balen. Voor de zoveelste keer word ik bij een groepstocht totaal ergens anders geparkeerd dan de rest van de groep. Als ik aan mijn ongenoegen uiting geef zegt de havenmeester, dat ik kan kijken of ik aan de kop van de P-steiger kan liggen. Hij denkt van niet, want er ligt al een groot zeilschip. Als ik het schip daar toch afmeer, steek ik met de kont nog 2 meter buiten het kopsteiger. Dit is wel wat veel, maar omdat het aan de buitenkant van het laatste steiger is en de PD er alleen even doordeweeks ligt, heeft niemand daar last van. Aan de voorkant ligt de neus van de PD tussen het kopsteiger en de neus van het andere schip. Daar we allebei stevig afgemeerd liggen en de stevens niet naar elkaar toe kunnen bewegen, vinden Chris en ik, dat we de PD daar kunnen laten liggen en gaan naar huis.

Als Berta en ik op Hemelvaartsdag rond het middaguur per auto in Bruinisse aankomen blijkt Alda daar ook al met de Bluff gearriveerd te zijn. Zij vertelt dat het bezoek aan de distilleerderij die avond niet door zal gaan. Er was wel iemand aanwezig, maar die wist niets van een bezoek door de Dehlerclub en had daar ook geen tijd voor. Ter vervanging wordt er een bezoek aan een plaatselijk café georganiseerd. Berta en ik waren daar niet bij, maar het schijnt desondanks erg gezellig geweest te zijn.

Het komt goed uit dat er voor de volgende ochtend niets gepland is. ’s Middags gaan de Dehlers op weg naar Marina Port Zélande. Berta en ik nemen er ons gemak van en varen alleen op de fok. Zo zijn we wat langer onder zeil, al duurt het maar iets meer dan 2 uur. Als Berta de fok oprolt, doet ze dat elektrisch, want er staat op dat moment een stevig windje. Als het daardoor even wat moeilijk gaat, doet ze er nog een slagje om de lier bij.
Daar kan de lijn van de fokoproller niet tegen; hij knapt. Als Berta de fok een beetje met de hand wil oprollen, krijgt ze een paar tikjes van de klapperende fok. Als ik het vervolgens overneem, krijg ik ook een paar tikken, maar gelukkig niet van het roestvrijstalen oog. Als we de fok dan maar willen laten zakken, lukt dat ook niet, omdat hij al een paar slagen om de stag zit gedraaid. Wat nu? Met zo’n klapperende fok kan ik niet tussen de steigers varen en de box invaren. Maar dan krijg ik een geweldige inval en rol mijn fok op door zo klein mogelijke rondjes te gaan varen. Omdat het een HA-fok is gaat dat prima. De andere Dehlers zien dit alles van een afstandje en vragen zich af, wat ik nu weer aan het bekokstoven ben. Als ze dichterbij gekomen zijn, kan ik ze dat vertellen en steken ze voor de verandering hun duim op. Als ik bij de mij toegewezen box kom, staan daar al een hoop Dehlernezen klaar om ons op te vangen, al vermoed ik dat ze ook graag willen zien en horen , wat er allemaal gebeurd is. Bij het invaren van de box merk ik dat mijn boegschroef het niet meer doet. Ik zeg daar verder niets over, want ik vind het zo wel genoeg. Dat is kennelijk van mijn gezicht te lezen, want ze helpen ook allemaal mee om de zaak weer in orde te brengen. De fok wordt weer afgerold en naar beneden gehaald. Als die uit het profiel verwijderd is kan de rest van de oude oprollijn verwijderd worden. 



Daartoe moeten een aantal luikjes in het dek verwijderd worden.
Onder een van die luikjes ligt een deel van de oude lijn met wat kronkels voor een doorvoer, terwijl het begin van de oprollijn bij de oproller voor de helft is doorgesneden. Met behulp van dit deel van de oude lijn en een trekveer trekken we de nieuwe lijn naar de oproller. Daar ook een paar leergierige vrouwen op mijn schip bezig zijn krijg ik regelmatig een zet met de opmerking: “Ga eens even opzij, je staat in de weg.” Wat kan ik anders doen dan kaptein gaan spelen en door mijn stuurwielen toekijken hoe alles verloopt.
Als dank stel ik voor, dat we het borreluur bij mij aan boord houden. Normaal wordt zo’n Rotjeknorborrel op een of twee Dehlers gehouden en neemt iedereen in principe zijn eigen drank en hapjes mee. Het is gebleken, dat deze borrels meestal heel gezellig zijn, omdat iedereen zit te drinken of te eten, waar hij of zij echt trek in heeft en degeen bij wie de borrel aan boord gehouden wordt niet voor (een deel van) de kosten opdraait. In dit geval wou ik dat juist wel. Doordat een aantal mensen onbekend is met de bedoeling van de Rotjeknorborrel en niet alleen hun eigen drankje meeneemt, maar ook nog extra drank, staat mijn kuip al vol drank voordat ik zelf ook maar iets uit mijn koelkast heb kunnen halen. En als een paar van de Dehlernezen dit teveel aan drank niet mee terugneemt naar hun eigen schip, blijf ik behalve met een keurig opgeknapt schip ook nog met een grote hoeveelheid drank zitten. Maar dat zal zich vanzelf wel oplossen. W
el wordt er van me verlangd, dat ik een Robbiaans verhaal voor het clubblad OP KOERS maak. Daar gaat mijn vakantie!

’s Avonds om 20.00 uur wordt er gebowld bij Centerparcs. Daar ik naast het probleem met de schroef nu ook met een probleem bij de boegschroef zit, heb ik niet zo’n zin in bowlen. En drank heb ik ook al genoeg gehad. Er moeten problemen opgelost worden.

De dag erop heb ik het wel met Ger Rossel, mijn steun en toeverlaat , over mijn boegschroef. Daar hij geen zin heeft in een rit met het RTM-treintje en een bezoek aan het bijbehorende museum, maar liever aan mijn probleem werkt, blijf ik ook maar aan boord, want ik wil mijn technische kennis graag vergroten. Hij loopt de elektrische leidingen na en bij een hoofdschakelaar gekomen, vraagt hij waar die van is. Ik zeg dat die van een van de twee verbruiksaccu’s is, waarvan de een achterin aan bakboord staat en de ander achterin aan stuurboord. Deze accu’s zijn om een of andere reden ook nog met elkaar verbonden. “Nou, die staat dan uitgeschakeld” zegt Ger.

De andere drie accu’s hebben een andere hoofdschakelaar. Ze hebben geen stalen stangetje met een kettinkje maar een rood plastic vleugeltje waar je ze mee kan in- en uitschakelen. Die hoofdschakelaars zijn voor de andere gebruiksaccu, de startaccu en de accu voor de ankerlier, dat staat tenminste op een strookje plakband bij de schakelaars vermeld. Daar twee plus twee vier is, zijn de twee hoofdschakelaars waarbij niets staat vermeld dus voor de verbruiksaccu’s.

De accu voor de boegschroef staat voorin en daar zit ook de hoofdschakelaar van die accu. Het is ook een schakelaar met een kettinkje. Als Ger met mijn spanningsmeter de boel bij de boegschroef nameet, is het signaal zwak. Ik moet de boegschroef van hem aanzetten, wat slechts eventjes een zwakke reactie geeft. Maar een seconde later reageert hij totaal niet meer. Als Ger de per ongeluk uitgeschakelde kraan weer inschakelt, loopt hij daarna met de spanningsmeter weer naar de boegschroef toe en meet nu wel voldoende spanning. Als ik op zijn verzoek de boegschroef opnieuw start reageert hij, de boegschroef, met een verheugd geluid en twee tellen later Ger ook. Daaruit valt de les te trekken, dat het hebben van vijf hoofdschakelaars en vijf accu’s niet automatisch betekent, dat iedere accu zijn eigen hoofdschakelaar heeft. Integendeel mijn boegschroef heeft twee hoofdschakelaars, een voor de min en een voor de plus kabel. Bovendien wijken deze hoofdschakelaars af van de andere hoofdschakelaars. Ze kunnen veel meer ampère hebben en ze hebben een kettinkje, dat je om een hoger bevestigd schroefje kan doen, waardoor ze niet meer per ongeluk met een lichaamsdeel uitgeschakeld kunnen worden. Want dat kan nare gevolgen hebben als je op je boegschroef rekent.

Als de RTM-deelnemers terug zijn wordt het tijd voor de terugtocht naar Bruinisse alwaar we in het nieuwe clubhuis gaan borrelen en dineren. Net als op de heenweg besluiten Berta en ik dit op de fok te doen om ook dit tochtje wat langer te laten duren dan twee uur. In Bruinisse aangekomen blijkt iedereen weer op zijn oude plaatsje aan de P-steiger te kunnen liggen. Behalve wij. Wij moeten nu echt aan de L-steiger gaan liggen, gelukkig wel in een box dicht bij de kant, want de steigers zijn zeer lang. Het is dan wel een heel eind weg van waar de groep ligt, maar daar ze me bij de L-steiger staan op te wachten, accepteer ik het dit keer maar. Bovendien zitten we nu wel dicht bij het clubhuis, zodat we zowel erheen als terug maar een klein eindje hoeven te lopen naar het clubhuis, waar we van een welverdiende borrel en maaltijd gaan genieten.

Er blijkt op het haventerrein ook een bedrijf te zitten, waar men duiklessen organiseert. Wellicht dat die iemand hebben, die naar mijn schroef kan kijken. Als die ook nog het euvel zou kunnen verhelpen scheelt me dat in de kosten van het op de kant halen van de Parbleu Deux. Dat is meer dan Jelle me met zijn snorkel kan bieden. Het blijkt een gezellig clubhuis te zijn met een prachtig uitzicht over de Grevelingen. Het diner en de borrel zijn ook prima in orde.

Op zondagochtend nemen de Dehlernezen van elkaar afscheid met koffie en een Zeeuwse bolus op steiger P. Iedereen gaat daarna op weg naar zijn thuishaven, Behalve wij, want wij willen de schroef laten onderzoeken en zo mogelijk laten repareren. Als Berta in de watersportzaak wat gaat kopen blijkt, dat ze ons daar ook aan het telefoonnummer van een duiker kunnen helpen, het is een ex-werknemer van de watersportzaak. Als we de duiker bellen, blijkt hij direct te kunnen komen, ondanks dat het zondag is. Als hij een uurtje later onder mijn boot bezig is, vraagt hij om een schroevendraaier en komt even later met de schroefasanode naar boven. Daar is niet veel van over en hij zat nog maar met een van de drie boutjes vast. Bovendien is de anode zover versleten dat er een paar gaten inzitten. Geen wonder dat de boel vanaf 5 knopen gaat trillen en herrie gaat maken. Ik mag nog blij zijn, dat hij niet los is geraakt en tegen de bodem van mijn boot is geslingerd. Zodra er een nieuwe anode besteld en geleverd is, kan de duiker hem monteren. Als hij weg is en ik wat in mijn bureaula zit te rommelen, kom ik een plastic zakje tegen, waarin een nieuwe schroefasanode met nylon boutjes zit. Als ik hem opbel, zegt hij, dat hij hem terstond komt monteren. En zo zit ik die zondagmiddag al met een gerepareerd schip.

De dagen erna is het prachtig weer, maar staat er (vrijwel) geen wind. We hebben nog genoeg te doen en blijven lekker in deze mooie haven van Bruinisse liggen. We hebben het er zeer naar onze zin en blijven uiteindelijk nog ruim 2 weken liggen. Pas op 26 juni zijn we zover, dat we verder willen ook al omdat er een redelijk windje staat. Eenmaal door de sluis zetten we er op de ZIJPE flink de vaart in. Als de snelheid de 5 knopen overschrijdt begint het schip weer te trillen en herrie te maken als een gek.

“ Jeetje! Jeetje ! Jeetje! Hier word je toch knettergek van! “

In plaats van naar Zierikzee gaan we maar naar st Annaland. Daar beschikt Mariteam Shipyard, (waar 4 jaar geleden na een keuring de beslissing werd genomen dit schip te kopen), over een mooie kraan en monteurs. Maar eerst bellen we de duiker om hem te vragen te onderzoeken, wat er aan de hand is. De schroefasanode blijkt nog steeds goed vast te zitten. Wel heeft hij wat speling tussen as en lager bespeurd, maar het is niet zoveel en hij weet daarom niet, of dat de oorzaak is van het trillen en de herrie. We bellen vervolgens de werf, die een monteur stuurt om de zaak te bekijken. Na vastgelegen aan de passantensteiger de motor à la Hans Sap gestart te hebben en de schroef in zijn werk naar 3000 toeren opgevoerd te hebben, kan hij horen en voelen wat ik al een paar keer heb gevoeld en gehoord. Hij denkt dat er teveel ruimte tussen schroefas en schroefaslager in de uithouder is.

Als hij terug is naar de werf wordt ik daarvandaan opgebeld, dat de Parbleu Deux (het is donderdag) daar de volgende dag de kant op kan, maar dat ze er pas maandag aan kunnen beginnen. Wij hebben echter geen zin thuis te gaan zitten en spreken af dat de PD maandag om 10.30 uur bij de kraan zal zijn. De bedrijfsleider denkt dat de PD misschien de woensdag daarna al klaar is.

Maandagochtend varen we de boot van het passantensteiger naar de kraan, waar even later ook twee mensen van de werf aankomen. De boot wordt eruit gehaald en op een wagen naar de werf gereden. Daar heb ik een gesprek met de bedrijfsleider, die mij uitlegt dat de speling tussen het lager in de uithouder en de schroefas inderdaad te groot is. Daarnaast is er ook een kans, dat er in het schip nog dingen gedaan moeten worden. Daarna kunnen wij met een gerust hart (voorzover dat mogelijk is na alles wat er gebeurd is) huiswaarts gaan en de woensdag afwachten.

Die woensdag krijgen we niets meer te horen, maar als ik donderdagochtend al vroeg bel, krijg ik te horen dat de schroefas er weer in zit. Als wij vroeg in de middag bij de werf aankomen , ligt de boot in het water en kunnen wij naar ons plekje bij de passantensteiger varen. We zijn van plan de volgende dag te vertrekken en naar Zierikzee of de Roompot te varen.

Als we op het Zijpe zitten proberen we het zaakje natuurlijk onmiddellijk uit. Als we de 5 knopen naderen beginnen Berta en ik zo hard te trillen dat onze tanden ervan gaan klapperen en. En als we de 5,5 knoop naderen gaan Berta en ik nog harder trillen en klapperen. En ja hoor, bij meer dan 6 knopen houden Berta en ik op met trillen en klapperen, want de motor blijft zoemen als een overmaatse bromvlieg.

Wordt hopelijk niet vervolgd.


Rob Kooijmans


Grevelingencup 2013-2014, deel II,  door Rob Kooijmans

Na de wedstrijd in januari, waarbij mijn halfwinder in het water terecht kwam en vervolgens dwars doormidden scheurde, omdat hij niet kon zwemmen, bleek wat een prima sfeer er in de Dehlerclub heerst. Alle door mij aangeschreven Dehler-43 bezitters reageren binnen 2 dagen op de vraag of ze wellicht een tweedehands gennaker of spinnaker te koop hebben; vaak met een opbeurend woord. En dat valt in goede aarde, want hoewel ik er inmiddels aan gewend ben, dat ik geen dag kan gaan zeilen zonder dat er wat gebeurt, is de aanslag op Berta’s huishoudportemonnee nu toch wel groot. Onder de reacties bevinden zich twee aanbiedingen: een slechts eenmaal gebruikte spinnaker uit ’92 en een gehavende maar gerepareerde gennaker uit ’92. 
En hoewel ik dan wel 50 jaar ouder ben, weet ik van mezelf, dat als ik iets in meer dan twintig jaar maar één keer gebruikt heb, er iets met me loos is, en ook dat als iets gerepareerd is maar er toch nog gehavend uitziet, je het wel kan vergeten. Uitgaande van die levenslessen besloot ik om verder te kijken dan mijn neus lang is en ook te gaan onderzoeken of een nieuwe gennaker tot de mogelijkheden behoorde. Want een spinnaker is dan wel sneller, maar zes keer met vriendjes drie uurtjes varen op de Grevelingen weegt toch niet op tegen het gemak van een gennaker bij een tocht van vier maanden met Berta naar het zonnige zuiden of het hoge noorden.


Een gennaker i.p.v. een halfwinder
En zo komen Hagoort en Sailselect in zicht, want dat zijn tenslotte de zeilmakers met de grootste advertentie in OP KOERS, het clubblad van DCN. Ik zou het dan wel kunnen vergeten, dat ik op 9 februari met mijn nieuwe gennaker kan varen. Als ik van hen de offertes toegestuurd krijg, vallen de prijzen me niet tegen, al snap ik niet, dat ze allebei met een offerte komen voor een gennaker van 95 m2, terwijl in het eigenarenhandboek staat, dat bij de Dehler-43 een topgennaker met een oppervlakte van 120 m2 hoort. Waarom komen ze met een offerte voor zo’n klein dingetje?
Als Sailselect aan de lijn heb, blijkt dat ik de fout gemaakt heb, om een offerte voor een gennaker te vragen, terwijl ik om een offerte voor een topgennaker had moeten vragen. Maar ja, als op de beschrijvingen van zeilmakers van  gennakers foto´s van topgennakers afgebeeld staan, vraag je gewoon om een offerte voor een gennaker. Uiteindelijk wordt er ook in de gesprekken tussen Dehlerzeilers alleen maar over gennakers gepraat en niet over topgennakers. En zo blijken die meevallende offertes wat toch wat tegen te vallen.
Nadat ik mijn schade aangemeld heb bij mijn verzekeringsagent krijg ik een reactie van een volkomen vreemde verzekeringsagent. Heb ik wat gemist, is mijn agent failliet of overgenomen, of word ik, nu ik de zeventig gepasseerd ben, vergeetachtig? Als ik later van mijn verzekeringsagent de rekening voor de premie over 2014 krijg en besef dat de expert en De Europeesche ook betaald moeten worden, vind ik dat ik een dure hobby heb.
Hoe het ook zij op een gegeven moment komt er een schade-expert thuis bij me langs, want ik heb de halfwinder naar huis gehaald om hem in de kelder te kunnen laten drogen. Daar er op deze halve halfwinder geen merk en/of datum meer staat, is het niet goed mogelijk de dagwaarde te bepalen. De expert komt tot een dagwaarde, die de helft van een nieuwe gennaker is; dat lijkt me niet slecht. Jammer is alleen dat mijn eigen risico er in zijn geheel afgetrokken wordt, terwijl de expert me verteld had, dat verzekeringsbedrijven dit soms niet of slechts gedeeltelijk doen. Deze tegenslag kan ik echter opvangen door bij Sailselect een voorraad-gennaker te kopen, waarop een flinke korting zit. Hij is dan wel niet geheel aan de maat; in plaats van 120 m2 is hij slechts 105,5 m2 , maar dat is nog altijd 10 meer dan 95 m2. Als ik mijn gennaker krijg zitten we inmiddels in half februari; een week na de datum, waarop de februariwedstrijd was gepland. Ik heb echter niets gemist want deze wedstrijd ging niet door wegens de zwaarste storm sinds jaren. 
Een week voor 16 maart gaan Chris en ik naar de Parbleu Deux om de gennaker in de snuffer (een hoes met onderaan een hoepel) te stoppen en het zaakje eens te hijsen om te bezien of alles goed functioneert. Als we naar de boot lopen zien we de YOHO op de kant staan, die er 450 kg lood onder zijn kiel bijgekregen heeft. Dit moet ervoor te zorgen, dat de YOHO tijdens het varen niet meer zo schuin gaat, zodat hij sneller wordt. Zou het hem lukken de laatste twee wedstrijden voor ons te blijven? Ik kan een grijns niet onder drukken bij het idee, dat ik hem de laatste twee wedstrijden vriendelijk wuivend voorbij vaar.

Als we bij de Parbleu Deux aankomen staat er inmiddels een stevige bries, zodat het niet zo simpel is de gennaker in de snuffer te krijgen en het zaakje te hijsen. Als we niet oppassen wordt de radar in de snuffer mee omhoog gehesen. Alles gaat goed en we kunnen de onderkant van de gennaker aan een lijn vastmaken, die via een oog naast het anker en vervolgens via een paar blokken in het gangboord naar de kuip loopt, zodat we de gennaker vanuit de kuip kunnen trimmen. De lijn waarmee we de snuffer omhoog en omlaag kunnen halen loopt in de snuffer door een slurf, zodat hij niet met de gennaker verward kan raken, wat bij de halfwinder af en toe wel gebeurde. Tevreden halen we de gennaker in zijn snuffer naar beneden, waarna we van een welverdiende borrel gaan genieten. 

De inhaalwedstrijd op 16 maart

Op deze inhaalwedstrijd kunnen we behalve de nieuwe gennaker ook Robert gaan uitproberen, die voor het eerst meevaart. Het hijsen van de 
gennaker in het ruimewindse rak verloopt vlekkeloos, maar als we een paar keer voor-de-wind moeten kruisen, gaat het niet altijd naar behoren en raken we steeds verder achter op onze concurrenten.  

Als we vervolgens in het in-de-windse rak bij Den Osse de lijn tussen de rode boeien naderen wil ik overstag gaan, wetend dat de ondiepte hier soms al een paar centimeter achter de lijn ligt. John vindt echter dat we nog wel een stukje verder kunnen varen. Als ik hem snel wil uitleggen, dat hij ongelijk heeft en dat mijn dieptemeter nog maar een paar centimeter onder mijn kiel aangeeft, is het al te laat. We lopen vast, ja, zelfs goed vast. We komen niet los, omdat de boot recht in de wind ligt en de neus zelfs niet een klein stukje wil draaien. Er passeren ons meerdere Dehlers uit andere groepen, die zich al wuivend het apelazerus lachen. Dat is niet te harden. Ten einde raad starten we de motor maar en geven flink gas. Nu lukt het wel. Daar we nu toch laatste zijn van onze groep gaan we gewoon verder met zeilen. We liggen echter zo’n eind achter, dat we ook de volgende boei maar overslaan en teruggaan om te finishen. De gennaker is de enige, die het naar zijn zin heeft, want die wil niet naar beneden als we in het aan-de-windse stuk het finishschip naderen; d.w.z. de snuffer wil niet naar beneden. Uiteindelijk lukt dit wel als we de gennaker met opgehaalde snuffer naar beneden halen. Als we daarna finishen komen we een 43 minuten na het eerste en 19 minuten na het een na laatste schip binnen, en dat na een baan van slechts 15 mijl. Het ergste van alles is, dat de Yoho twaalfde werd en 18 minuten voor ons is geëindigd. 
Als we in de kuip bezig zijn ons verdriet te verdrinken moet ik plotsklaps sassen. Ik kan nog maar net op tijd de toiletruimte bereiken, waar echter een paar centimeter water blijkt te staan evenals in de aansluitende doucheruimte. Het blijkt dat ik de afsluiterkraan bij de huiddoorvoer vergeten ben dicht te doen, zodat bij het schuingaan het Grevelingenwater in de wc kan lopen, over de rand van de wc in de toiletruimte loopt en vandaar in de douchecel en in de kajuit belandt bij het schuin gaan. Met het pompje van de douchecel en een grote spons kan ik het water snel verwijderen. Maar niet snel genoeg, want als ik in de kuip gekomen een welverdiende whisky wil nemen is de fles leeg. 

De finale wedstrijd.

Op 23 maart staat er weer een windje van 4 à 5 knopen, zodat we besluiten maar geen gennaker te gaan voeren. Dat is vragen om moeilijkheden. Die krijg ik toch wel, dus daar hoef ik niet om te vragen. John is er vandaag niet bij, zodat vastlopen vandaag misschien ook niet gaat gebeuren. 
Onze start is niet best en we liggen al gelijk achteraan. We zien de Yoho voor ons langs gaan, op de eerste plaats. Het lijkt erop dat het veranderen van de kiel een goede greep is geweest. In het in-de-windse rak lopen we lekker en liggen we al gauw weer met onze concurrenten te knokken. In de hitte van de strijd zeg ik tegen Chris, dat hij de fokkeval nog wat aan moet trekken, want het voorlijk vertoont rimpels. Dat moet mooi glad zijn. Daar dit met deze wind een zware klus is, zeg ik hem, dat hij de val maar op de electrische lier moet zetten. Dat had ik beter niet kunnen doen, want als ik vervolgens niet op tijd zeg dat het genoeg is, krult de neus van de Parbleu Deux omhoog en scheurt het geweven oog aan de top doormidden en komt de fok naar beneden. 
We varen op het grootzeil naar de jachthaven waar we de zaak op ons gemak verder bekijken. De valslee zit nog boven in het profiel en wil niet zakken. We hijsen Robert met de bootsmanstoel naarboven. Hij vindt dat te gek, vooral als ik hem vertel, dat dat eigenlijk mijn specialiteit is. Als hij bovenin zit, krijgt hij niet de gehele valslee naar beneden. Die blijkt vast te zitten. Als hij aan de valslee draait splitst deze zich in tweeën, waarbij het bovenste eindstuk in de top achterblijft en de valslee aan de val via het profiel naar beneden zakt. Even later komt Ger Rossel bij me aan boord, die ons vanaf de Yoho met de fok heeft zien tobben. Hij legt de anderen uit, dat hij liever nu even komt kijken, zodat ik hem de volgende dag niet al om acht uur  ’s ochtends uit zijn  bel. 
We kunnen het merk van de rolreefinstallatie niet vinden, maar hij denkt dat het Top Reff is, een Duits merk. Dat is ook wel logisch want het schip is van een Duitser geweest, die het schip in Duitsland heeft gekocht. Als hij me ook nog aangeraden heeft de afstand tussen de top en onderkant van het profiel te meten en te vergelijken met het voorlijk gaat Ger weer naar de Yoho terug. De anderen denken ook nog, dat er onderaan bij de fokoproller een bus, die om het profiel zit, omhoog is gekomen. Ze denken dit, omdat dit stuk zo mooi glimt en niet door vuil of zeewater is aangetast. Hoe kan het zover komen, dat mijn bemanning denkt dar er wat mis is als het mooi glimt? Als ik later thuis oude foto’s bekijk, blijkt die bus daar ook al te zitten. Ook word ik door mijn drie bemanningsleden aangeraden goed naar mijn fok te laten kijken, want het lijkt erop alsof hier en daar het zeilgaren loslaat. 
Kortom ook deze dag is er weer van alles gebeurd. Nu we maar twee van de zes geplande races voltooid hebben en ook nog eens een halfwinder verspeeld hebben kunnen we het zeilseizoen 2013-2014 rustig een rotseizoen noemen. 

Slechts twee keer hebben we lekker gezeild en de baan voltooid. Niettemin was het ondanks alle ellende een gezellig en sportief gebeuren. Het seizoen 2014-2015 zal daarom vast een veel beter seizoen worden, nu deze WSVR-bemanning de Parbleu Deux een beetje kent! 
Heb ik niet met mijn Parbleu, een Dehler-33 en een WSVR-bemanning vele prijzen verovert? Dat moet nog een keer kunnen voordat ik boven ga varen.

Rob Kooijmans

 


Grevelingencup 2013-2014, door Rob Kooijmans

Deze serie winterwedstrijden zal de 11e zijn waaraan ik meedoe. Vanaf de allereerste serie heb ik meegedaan en heb het evenement zien groeien naar 195 schepen in het afgelopen seizoen. Daarvoor waren er zomerwedstrijden, waarbij driemaal per jaar werd gestart, en wel bij drie verschillende verenigingen op het Grevelingenmeer. In tegenstelling tot de winterwedstrijden gingen deze wedstrijden als een nachtkaars uit. Van dat soort wedstrijden waren en zijn er al meer dan genoeg. We kunnen dus zeggen dat de omschakeling een geweldig succes is, wat mede te danken is aan Marina Port Zélande, die een actieve rol speelt in het geheel. Nergens in Nederland en misschien wel nergens in Europa vinden er iedere maand wedstrijden plaats met zoveel kajuitjachten. Ook het huidige seizoen is met 185 ingeschreven schepen weer een topper.

Kort voor de eerste wedstrijd in oktober ben ik bezig met Chris, een lid van mijn wedstrijdbemanning, de Parbleu Deux van Stellendam naar Port Zélande te brengen. Dit pakt echter verkeerd uit, want als we de Volkerakberoepssluis met brug willen passeren, komen we erachter, dat de brug niet  draait en in de week daarop ook niet zal draaien wegens reparaties aan de weg na een auto-ongeluk. Dit is knap vervelend, want nu kan ik niet aan de eerste wedstrijd deelnemen. Ik weet daarom één ding heel zeker voor de paar jaar, dat ik nog van de Parbleu Deux ga genieten: Als ik op of bij het Haringvliet een beweegbare brug moet passeren, ga ik voortaan eerst opbellen of en zo ja hoe laat ze draaien, want er is een goede kans, dat er wat aan de hand is, waardoor je de brug niet kan passeren. Daar hebben wij als DCN met ons rondje Tiengemeten ook al verschillende keren last van gehad. Bovendien is het me al eerder opgevallen dat de in de almanak genoemde tijden niet  overeenstemmen met de aan het Haringvliet gehanteerde tijden.

We laten de boot achter in marina De Batterij en gaan naar huis, alwaar ik mijn bemanning kan gaan afbellen. Het geluk is echter met de dommen. Gelukkig maar! Want op 12 oktober vermeldt de website van de Grevelingencup, dat de wedstrijd op 13 oktober wegens de verwachte harde wind niet door zal gaan. Het is voor het eerst dat een wedstrijd een dag van tevoren wordt afgeblazen. De wedstrijd wordt verschoven naar 16 maart 2014, de inhaaldag.

Berta en ik gaan vervolgens proberen de Parbleu Deux in het weekend van 2 en 3 november naar Marina Port Zélande te brengen, zodat ik op 17 november wel mee kan doen. Als alles een beetje vlot verloopt kunnen we misschien zelfs al op zaterdag in MPZ aankomen. Dit zou goed uitkomen, want voor zondag wordt weer eens slecht weer voorspeld. Gelukkig verloopt alles goed en gaan we om 14.30 uur door de sluis bij Bruinisse. Als we om 16.30 uur bij Port Zélande aankomen, is dat net voordat het donker wordt. Tevreden duiken Berta en ik onze kooi in. Vanwege de kou komt ze zelfs bij mij in het vooronder liggen. Wat is het leven toch mooi!  

Wanneer ik op zaterdag 16 november naar de Parbleu Deux ga om te zien of alles voor de bakker is voor zondag, zie ik, dat ik vergeten ben het schip op de walstroom aan te sluiten. Binnengekomen, zie ik dat dit hoognodig is, want mijn verbruiksaccu’s blijken zo goed als leeg te zijn. Of waren ze in Willemstad al leeggelopen en zijn ze op de tocht naar MPZ niet of nauwelijks bijgeladen? Of heb ik na het weekend van 2 en 3 november iets aan laten staan? Mijn koffieapparaat staat dan wel op het keukenblad met de stekker in het stopcontact, maar stond hij ook aan?  Of zou er iets anders aan de hand zijn?


Niets doet het, ook mijn instrumenten niet. Gelukkig staat de startaccu daar los van en is wel vol. Daar het al laat is, kan ik alleen nog maar de walstroom aansluiten en hopen dat de accu´s de dag erop bijgeladen zullen zijn. Zondag blijken de accu’s nog steeds leeg te zijn. Bijladen via de walstroomaansluiting lukt dus ook niet. Dat is vervelend, want nu kan ik mijn instrumenten niet gebruiken tijdens de wedstrijd. Misschien dat John, die naast een Valkenzeiler ook een motorbooteigenaar met veel technisch vernuft is, er wat aan kan doen. Maar als ik hem niet kan vertellen waar mijn zekeringen en laadapparaat zitten, kan hij niets uitrichten.

Het enige wat we op dat moment kunnen doen, is in de box de accu´s via de motor bijladen. Maar binnen de kortste keren komen de buren klagen dat hun longen zwart worden en gaan plakken, zodat ook dat ophoudt. Dan maar een half uurtje rondvaren in de buurt van het startschip. We zien op de meter dat de dynamo de accu´s goed bijlaadt. Als we het grootzeil gehesen hebben is daar echter niet zo veel meer van over en kort na de start houden de instrumenten er dan ook weer mee op. Daar er maar weinig wind staat kan mijn nieuwe bemanning zich mooi alle klemmen, lieren en lijnen eigen maken. Nu de instrumenten het af laten weten, worden ze daar ook niet door afgeleid, zodat ze goed aan mijn schip en aan elkaar kunnen wennen.

Wat wel vervelend is, is dat de wind steeds meer afneemt en uiteindelijk geheel wegvalt. Wij zijn dan al wel een heel eind op weg en hebben ook aardig wat concurrenten achter ons, waaronder tot mijn grote genoegen de YOHO, een Dehler 41 DS, waar wat DCN-vriendjes opzitten. Als de baan niet afgekort wordt, zullen we maandagochtend nog bezig zijn met naar de finish te varen. Maar als ik mijn bemanning voorstel er zelf maar een eind aan te maken, krijg ik geen antwoord. Daaruit maak ik op, dat ze behoorlijk fanatiek zijn en geen plaatsen willen verspelen aan concurrenten, die er niet mee ophouden. Er is gelukkig een schip, ver achter ons, dat het wel voor gezien houdt. De motor wordt gestart en de zeilen gaan naar beneden. Daar een goed voorbeeld doet volgen, komt er binnen de kortste keren een hele vloot op de motor op ons afgevaren. Als daar ook onze concurrenten bij zitten, laten we ze eerst passeren en gooien dan eveneens de zeilen naar beneden. Zo hebben we hen laten zien, dat dit de enige manier is om ons de baas te zijn, ook aan de YOHO. En daar de eerste klap een daalder waard is, voelen we ons rijk. De wedstrijdleiding schrijft later op de website de wedstrijd afgeblazen te hebben, maar dat hebben wij niet gehoord en al die schepen na ons dus ook niet. De hele wedstrijd scheuren er kleine rubberbootjes langs je, maar als ze zich nuttig kunnen maken is de benzine ineens op. Van de toerschepen, die een baan van rond de 20 mijl moesten varen, is niemand gefinisht. Dit betekent wel dat er niemand meer een aftrekwedstrijd heeft.

Aan het behandelen van de storing in de stroomvoorziening komen we op 17 november niet meer toe. In de week daarop gaan Chris Visser en ik de stroomvoorziening nader bekijken. Voorzien van een meetinstrument maken we de ruimte onder het bureaublad open, door het schot los te schroeven. Na een aantal zaken doorgemeten te hebben en hier en daar wat los- en weer vastgemaakt te hebben, doen mijn verlichting en instrumenten het weer zwakjes. We kloppen elkaar op de borst en voelen ons echte electroneuters. Dat is een fijn gevoel. Maar zoals altijd duurt zo’n orgastisch gevoel maar even, want als we vervolgens het schot onder mijn bureau afsluiten, vallen het licht en de instrumenten uit. Als we het schot weer snel opengooien blijft alles het niet doen. Wel blijven de accu’s bijgeladen worden door de walstroom.

Voor mij zit er nog maar één ding op: Ger Rossel opbellen, die zelf in een verschillende Dehlers heeft gevaren en ook veel weet over Dehlers, waarin hij niet heeft gevaren. Als ex-hoofdboordwerktuig-kundige op zeeschepen weet hij (bijna) alles. Hij geeft een aantal zaken op die ik voor hem na moet kijken. Als ik hem daarna weer opbel en hem vertel wat ik gevonden heb, wordt het hem niet duidelijker, wat er aan de hand is. Zoals door mij gehoopt maken we daarop de afspraak, dat we samen naar mijn schip gaan om de stroomvoorziening nader te onderzoeken. We spreken af dat we elkaar bij de McDonalds in Hoogvliet zullen ontmoeten. Kort nadat ik op weg ben gegaan, kan ik me niet meer voor de geest halen in welke Mc Donalds we hebben afgesproken, is het nu die in Barendrecht, of die in Hoogvliet, Spijkenisse of Rhoon. Joost mag het weten, maar die is niet in de buurt. Ik neem daarom aan, dat het wel die van Barendrecht zal zijn. Dat is waar Ger woont en kort na de Brienenoordbrug. Dit moet het wel zijn, want ik vind het onmiddellijk. Ik kom voor de ingang uit, maar moet nog stukje verder rijden om de auto te kunnen parkeren. Ik kan de toegang tot de parkeerplaats niet vinden en raak al zoekende steeds verder van de McDonald verwijderd. Als ik 25 minuten later in McDonald sta, blijkt Ger daar niet (meer?) te zijn. Of ben ik toch bij de verkeerde McDonald. Ik probeer hem mobiel te bereiken, maar dat lukt ook niet. Als ik na een kwartiertje naar zijn huis bel zegt Ria, dat hij niet, maar zijn mobieltje wel thuis is. Ze zal doorgeven dat ik gebeld heb. Als ik me vervolgens suf pieker of ik naar mijn boot of naar huis zal gaan, kies ik voor het laatste, want ik denk niet dat hij alleen naar mijn schip is gegaan. Thuisgekomen bel ik opnieuw en is hij inmiddels wel thuis. We spreken af dat ik hem daar af zal halen.

Bij  de Parbleu Deux aangekomen vindt er vervolgens een enorme zoekpartij plaats omdat in mijn eigenarenhandboek het elektrisch schema ontbreekt. Uiteindelijk vindt Ger de zekeringen in de bakboordhut en wel aan de andere kant van het schot waar de hoofdschakelaars van de accu’s zitten. We moeten dan wel even een grote accu van 200A opzij zetten. Een zekering van 50A heeft het begeven. Gelukkig heb ik nog een reservezekering van 60A. Als ik het eigenarenhandboek erop nasla, blijkt dat er voor de zware accu’s zelfs twee zekeringen van 100A aangegeven worden. Die moet ik dus nog gaan kopen, aangevuld met wat andere reservezekeringen.

Ook het laadapparaat wordt uiteindelijk gevonden. Dit zit in het midden aan de onderkant van het achterschot van de bak- en stuurboordhut, in de ruimte tussen de spiegel en dit schot. Het laadapparaat blijkt in orde te zijn. Alles is nu weer prima in orde. Tenminste, dat vind ik. Volgens Ger is het nog lang niet zover. Hij vindt het een warboel en raadt me aan er maar eens een monteur bij te halen, die alles opnieuw kan installeren.

Voor de wedstrijd in december moet ik mijn bemanning aanpassen, want Ricardo, zoon van John, is uitgevallen wegens een beschadigde nekwervel en daardoor beknelde zenuwen in het ruggemerg. Hij moet geopereerd worden en zal dan nog maandenlang niets mogen doen. Foeke Brouwer en Robert de Winter treden toe tot de vaste bemanning, die dan uit 5 man zal bestaan. Op de avond voor 15 december staat er weer veel wind (Bft 7). We spreken af dat ik zondagochtend om 8.00 uur op zal bellen of wij wel of niet gaan varen. Daar er dan wel iets minder wind staat, maar nog steeds een dikke 5 met uitschieters van 6 à 7 Bft bel ik iedereen af, ook al omdat drie van de 5 zeilers mijn schip niet of nauwelijks kennen. Daarnaast is het redelijk riskant met 150 à 185 schepen in de nauwe geulen van de Grevelingen te gaan varen, vooral als groepen schepen elkaar in die smalle geulen tegenkomen. Ook mijn bemanning, hoewel ervaren zeilers of wel juist daarom, vindt het een verstandig besluit.

Op zondag 12 januari is het mooi weer. Hoewel er op zaterdag voor zondag weinig wind wordt verwacht (1 à 2 Bft) staat er zondag toch 3 à 4 Bft, waarbij ook het zonnetje zich van de goede kant laat zien.  We varen ook nu met vier van de 5 bemanningsleden (nl: Chris, John en Foeke en ik), allen lid van wsv Rotterdam. (Robert is lichamelijke niet in orde en moet verstek laten gaan). Dat belooft wat, want zo ben ik ook 11 jaar geleden ook begonnen en met dat team heb ik toen niet alleen veel prijzen gewonnen maar ook erg veel gelachen. Zou ik dat nog een keertje mogen meemaken? Daar er licht weer verwacht wordt laat ik het bij die 4 man.

Mijn schip loopt lekker en de bemanning werkt goed samen. Dat is ook wel nodig, want er doen zich enkele keren situaties voor, waarbij een aantal 40-voeters zo dicht op elkaar zit, dat een aanvaring onvermijdelijk lijkt. Gelukkig weten we ons er steeds zonder problemen doorheen te wurmen, maar ik krijg er wel de bibbers van. Vlak voor de finish is er nog een ruimewinds rak te gaan, zodat we de halfwinder weer hijsen om een aantal concurrenten achter ons te kunnen houden en er misschien zelfs nog een paar in te halen. Als de halfwinder nog maar net staat, komt hij uit zichzelf naar beneden. Daar de val de top van het zeil omhoog houdt, loopt het snel vol met een grote hoeveelheid water. Het zeil  kan daar niet tegen en scheurt doormidden. Als daarna de top van het zeil zich van de val verlost ben ik de niet alleen bovenste helft kwijt maar ook mijn snuffer, die opgerold bovenin de halfwinder zat. (Dat zie ik overigens pas een paar dagen later, als ik de schade goed ga bekijken voor de verzekering).  Daar ik koste wat het kost de YOHO en andere concurrenten achter me wil houden, varen we door naar de finish, met het oogmerk de stukken zeil na de finish op te gaan halen. We behalen een redelijk resultaat, want ondanks dit getob  hebben we zowaar nog 5 schepen achter ons, waaronder de YOHO, die bij de start ver op mij voorlag. Als ik het getob met de halfwinder niet meetel, zou ik zeggen dat mijn dag goed was. Maar ja, daar er een hoop neergeteld zal gaan worden, telt dit wel mee.

Op maandag haal ik de ledenlijst van OP KOERS erbij om te zien wie van de leden een Dehler 43 CWS hebben. Het blijken er negen te zijn. Hen stuur ik een mailtje met de vraag of ze wellicht een gennaker of spinnaker te koop hebben, want als ik in februari en maart wil varen, zal dit nog wel niet met een “nieuwe” zijn. Binnen twee dagen heb ik van allen een reactie binnen, waaronder twee, die melden wel wat te hebben.

Wordt vervolgd.

Rob Kooijmans




“Sapristie, l’histoire se répète”

Deel 2

Deel 1 eindigde met het feit dat de Parbleu Deux kort na het verlaten van de haven van Norderney opnieuw met een verstopt brandstofsysteem kwam te zitten, nadat een paar dagen daarvoor bij het varen van Norderney naar Helgoland het brandstofsysteem ook al verstopt raakte. In beide gevallen kon een via de havenmeester ingeschakelde monteur niets vinden en bleef de reparatie beperkt tot het doorblazen van de leidingen met een hogedrukreiniger. Hoewel de monteur van Norderney zei, dat we met een gerust hart naar Nederland konden varen, hadden Berta en ik daar weinig zin in, want het is dodelijk voor je plezier in varen, als je met zijn tweeën zit te luisteren of de motor weer tekenen vertoont van uitvallen. We kwamen daarom met de monteur overeen, dat de tank leeggemaakt en gereinigd zou worden, alle rubberen brandstofleidingen vervangen zouden worden en er een brandstofvoorfilter gemonteerd zou worden. 



Reeds de volgende dag komt de monteur bij ons langs, met in zijn handen een nieuw brandstofvoorfilter. Hij wil dit zo dicht mogelijk bij de tank plaatsen, maar dat lukt niet, omdat er daar te weinig ruimte voor is. Uiteindelijk komt hij in het motorruim terecht. Als hij daar een plekje voor het voorfilter zoekt, komt hij het voorfilter tegen, dat hij een dag eerder niet kon vinden. Nadere inspectie leert dat het brandschoon is.


Over het wegpompen van de vervuilde diesel heeft hij het nu niet meer. Als wij hem daaraan herinneren, zegt hij dat hij garandeert dat het brandstofcircuit voorlopig niet verstopt zal raken, m.a.w. hij vindt het niet meer nodig de tank leeg te zuigen en schoon te maken en de brandstofslangen te vervangen. Dit bevreemdt me, omdat hij de havenmeester heeft verteld, dat de tank vol rotzooi zit. Kennelijk vindt hij, dat hij dat niet meer kan zeggen, nu het voorfilter schoon blijkt te zijn. Hoewel Berta en ik weinig vertrouwen in de gang van zaken hebben, besluiten we toch maar op weg te gaan, want wat moet je met een monteur die er geen zin in heeft.


Als we de volgende twee dagen trips maken van rond de 60 mijl (Norderney-Lauwersoog en Lauwersoog- Vlieland) en de motor zonder problemen blijft lopen, beginnen we er weer wat vertrouwen in te krijgen. Helaas blijkt het noodlot ons wederom een loer te draaien, want als we hierna van Vlieland naar Den Helder willen varen, zijn we nog maar net buiten de haven als de motor begint te haperen. Ik neem wat gas terug en draai een paar rondjes. De motor blijft nu goed lopen. Gerustgesteld geef ik wat meer gas, waarop de motor opnieuw begint te stotteren. Met een gelaten gevoel varen we de haven weer binnen en gaan terug naar de box. Het duurt eventjes voordat we deze teleurstelling verwerkt hebben, maar dan gaan we maar weer naar de havenmeester toe om te vragen of hij misschien een monteur kent, die ons kan helpen. En ook hier kennen ze er natuurlijk een. We krijgen zijn telefoonnummer en als we hem bellen, zegt hij dat hij na de lunch langs zal komen.

Twee uur later komt er iemand met een brommer over het steiger aangereden, waarop een bord staat, dat er niet gefietst mag worden. Dat zal hem dus wel zijn. En ja hoor, als hij zijn pet voor markies de Canteclaer van Barneveldt afneemt, begrijp ik dat dit de monteur is. Nou ja, monteur! Hij begint met eerlijk te vertellen, dat hij een ex-kraandrijver is, die aardig wat van dieselmotoren weet. Hij heeft dan ook alleen een gereedschapskoffertje bij zich. Wat overigens meer dan genoeg is om de slangen los te maken en door te blazen, want ook hij kan verder niets vinden. Het enige verschil met de andere monteurs is, dat hij zijn fietspomp voor het doorblazen gebruikt. Het is een behulpzame man, die eerlijk zegt, dat zijn garantie niet verder gaat dan tot de uitgang van de haven. Hij raadt ons daarom aan naar de Volvo Penta-dealer in Harlingen te gaan, waar hij een goede band mee heeft. We bedanken hem en zeggen dat we ons gaan bezinnen op de vraag, hoe we de zaak verder zullen aanpakken.


Onze stemming is natuurlijk behoorlijk gedrukt nu men ons ook op Vlieland niet verder kan helpen. De duizenden langsparaderende lichtbruine jongedameslijven en het mooie weer zorgen er wel voor dat ik mijn latente zelfmoordneigingen kan onderdrukken. Het gepieker heeft tot resultaat, dat we het idee krijgen zeilend via Den Helder en Den Oever naar de officiële Yanmar-dealer in Andijk (IJsselmeer) te gaan. Deze heeft ons vorig jaar, toen we met een verstopt brandstofsysteem in Den Helder lagen, prima geholpen. Daar we een paar dagen moeten wachten voordat er een goede wind uit de goede richting zal staan, besluit Berta naar Rotterdam te gaan, terwijl ik contact met de dealer in Andijk zal zoeken.


Hij herinnert zich de reparatie van vorig jaar nog goed. Dit is te danken is aan een Dehlerclub-lid, die een paar maanden na deze reparatie bij hem langskwam en hem vertelde, dat hij in OP KOERS over de reparatie gelezen had, waarop de dealer hem om een kopie van het verslag gevraagd heeft. Enthousiast raadt de dealer me aan via Kornwerderzand naar hem toe te komen. Als ik hem vertel, dat Berta en ik inmiddels wel tijdens het varen om de minuut naar ons horloge kijken, om te zien hoe lang een nieuwe verstopping al wegblijft, raadt hij me aan een met behulp van een noodtank naar hem te komen. Daar ik op Vlieland niemand kan vinden die dat kan maken, gaan we de volgende dag op de motor naar buiten om dan zeilend naar Den Helder te gaan. Daar er een forse wind staat, waardoor we naast de wind ook flinke golven tegen hebben en ik niet al te veel gas wil geven om zo een verstopping tegen te gaan, komen we nauwelijks vooruit. We gaan maar weer terug de haven in. De volgende dagen staat er ook veel wind. In deze periode vul ik mijn diesel bij met mijn 25-liter jerrycan, die ik bij een pompstationnetje in het dorp kan vullen. Doordat ik 3x heen en weer moet lopen en op de terugweg steeds wat alcoholische versnaperingen bij het havenrestaurant neem om mijn verloren gegane lichaamsvocht weer bij te vullen, krijg ik tijdens zo’n rustpauze een helder idee: “Waarom maak ik van mijn jerrycan geen noodtank?”


Ik bel de monteur van Vlieland weer op. Hij is stomverbaasd, dat ik nog niet weg ben. Maar als ik hem uitleg, dat ik dat bij deze wind niet goed aandurfde en hem verder uitleg, dat ik van een jerrycan een noodtank wil maken wordt hij enthousiast en wil mij graag helpen bij het vervaardigen van de noodtank. Als hij de volgende dag bij me komt blijkt hij de hele installatie al bij zich te hebben, inclusief een 10-litertank met diesel.


Daar het motorruim zich tussen de twee scheepshutten in het achteronder bevindt, komt de tank aan het hoofdeind van Berta’s bed te staan. Zij slaapt daar, omdat zij door het klotsen van het water tegen de onderkant van het schip lekker kan slapen en dan ook geen last heeft van mijn bezoekjes aan het toilet. Als het een beetje meezit komt mijn vrouw misschien weer bij me slapen in het vooronder, want ze zal mij toch wel boven de geur van dieselolie verkiezen? Ik ga mijn hut feestelijk met slingers versieren terwijl Berta naar de verrichtingen van de monteur zit te kijken.


De aan- en afvoerslangen aan het brandstofpompje op de motor worden losgemaakt en afgesloten terwijl een roestvrijstalen pijp met daarin twee stukken slang, in de opening van de jerrycan wordt gestopt. De aanzuigslang is wat korter, zodat die zich niet aan de bodem van de jerrycan kan vastzuigen en geen diesel meer kan opzuigen. De andere kant van de twee stukken slang worden aan het brandstofpompje bevestigd. Zo wordt de schone diesel uit de jerrycan door het brandstofpompje opgezogen, en het niet verbruikte deel van de diesel weer in te noodtank teruggevoerd. Eenvoudig, maar zeer efficiënt. Voor de zekerheid vul ik ook mijn 25-liter jerrycan en koop nog een 10-liter tank met diesel. Dit moet meer dan genoeg zijn om van Vlieland in Harlingen te komen, waar we zonodig opnieuw kunnen tanken. Nu nog op beter weer wachten, zodat we kunnen vertrekken.


Tijdens dit wachten krijgen we een mailtje uit Andijk, dat ze het erg druk hebben en dat het wel een paar dagen kan duren, voordat ik geholpen kan worden. Daar door al deze toestanden het op tijd in De PUT aanwezig zijn voor het Rondje Tiengemeten steeds moeilijker wordt, besluiten we dan toch maar te kijken of we bij de Volvo Penta-dealer terecht kunnen. We schakelen de monteur van Vlieland hiervoor in, die ons later meldt dat we welkom zijn in Harlingen. Als we de dag daarop met rustiger weer vertrekken, verloopt alles vlekkeloos, omdat de noodtank prima voldoet. In Harlingen meren we aanvankelijk in het eerste deel van de Noorderhaven af, waar we langs de kademuur moeten afmeren en een trapje beklimmen om op de kant te komen. Probleem is, dat je door de wisselende waterstand steeds de meerlijnen moet aanpassen, wat nog moeilijker wordt als je zoals wij als eerste en driedik tegen de kant komt te liggen. We nemen contact op met de havenmeester en vertellen hem, dat ons brandstofsysteem in orde gemaakt moet worden en dat het voor een monteur dan een stuk makkelijker is als we langs een steiger liggen. Hij stelt ons voor in de volgende haven te gaan liggen, waar we een box met zijsteiger kunnen krijgen. We liggen daar prima. We nemen nu contact op met de Volvo Penta-dealer, die zegt, dat hij een

monteur langs zal sturen. Wat later op de dag komt die langs. We moeten allereerst uitgebreid verslag doen van onze ervaringen met het brandstofsysteem en de verstoppingen. Als we daar eindelijk mee klaar zijn, zegt hij geen idee te hebben, wat er aan de hand is of waar de verstopping kan zitten, terwijl hij toch al tientallen jaren dieselmonteur is. Uiteindelijk begint hij met het brandstofsysteem bij en in de tank te onderzoeken, waarbij hij in het mangat van de tank kijkt maar ook in het veel kleinere gat van de brandstofleiding van de kachel, dat achter het slingerschot zit. Ook hij constateert dat er geen bacteriële vervuiling in de tank zit, ook niet in het deel achter het slingerschot. Wel ontdekt hij door in de leiding te blazen, dat de verstopping in de rubberen leiding tussen de koppeling aan de koperen leiding en de onderkant van de van de tank zit.


Als hij dit deel verder onderzoekt komt hij tot zijn grote verbazing een gaskraan op de aanzuigslang tegen. Hij legt me uit dat de brandstof daar met een U-bocht doorheen gaat en dat er in de doorgang ook nog een versmalling zit. Hij snapt niet wat dat ding daar doet. Als hij de kraan er vervolgens afhaalt blijkt deze bij de ingang van het kanaal vervuild te zijn. Hij laat het me zien en ik zie inderdaad wat kleine glanzende bolletjes. (Als hij weg is, pak ik een lucifer, die ik er doorheen haal. Er blijft inderdaad zwarte troep op de lucifer zitten). Hij haalt de kraan uit de brandstofslang, vervangt de rubberen leidingen en vervangt de filters, hoewel hij daarin geen vervuiling kan

ontdekken. Hij verzekert me dat alles nu prima in orde is, maar raadt me wel aan bij de voorjaarsbeurten alles steeds goed te laten onderzoeken en het brandstofsysteem ook in de rest van het seizoen bij te houden. Als hij weggaat krijg ik een kaartje van hem. Dat levert weer eens een verrassing op. Hij heeft niet alleen tientallen jaren ervaring als dieselmonteur, maar ook een bedrijf genaamd Jacht & Interieurbouw Hiemstra. Wat is dat toch met die dieselmonteurs? Waarom denkt-ie dat ik mijn interieur wil veranderen? Heeft hij geroken, dat mijn echte gaskraan lekt?


Als ik later Ger Rossel opbel en hem het verhaal van de kraan vertel, zegt hij, dat hij hartstikke blij voor me is, want dat dit inderdaad zeer beslist de oorzaak van de verstoppingen moet zijn. Hij zegt er echter wel bij, dat alle Dehlers zo’n kraan hebben. Op de vraag waarom ik er dan niet meer in ons clubblad of op de website over gelezen heb, blijft hij het antwoord schuldig. Nou dan weten Dehlerzeilers dank zij mij dus, dat ze, als ze geen vervuiling van bacteriën kunnen vinden, als eerste naar dit kraantje moeten kijken. Misschien wordt ik nu wel erelid of wordt de kraan voortaan de Kooijmanskraan genoemd. Tenslotte zijn er mensen om minder erelid geworden of vernoemd! Voor André Christiaan komt deze boodschap helaas te laat zo heb ik in de vorige Op Koers gelezen. Allemachtig, en dan dacht ik nog wel, dat ik veel last van verstoppingen van het brandstofsysteem heb gehad! Maar inderdaad, van de 3 tochten, die ik met hem meegemaakt heb, kreeg hij 2x een verstopping in zijn brandstofsysteem en ik geen enkele.


Al met al is hebben we weer een aantal dagen minder tot onze beschikking om op tijd in De Put te komen voor het Rondje Tiengemeten . Dat wordt op de motor varen. Want het is wel mooi zeilweer, maar de wind is te zwak om de gewenste afstanden zeilend af te leggen. Nou ja, als we verder alles op de motor moeten varen om op tijd in de Put te komen, weten we gelijk of het euvel werkelijk verholpen is. En zo gaan we via Kornwerderzand naar Enkhuizen en vandaar naar Durgerdam. Van Durgerdam gaan we naar IJmuiden, zodat we het laatste stuk over zee kunnen afleggen. Dat lijkt ons het snelst te zijn. In de twee sluizen van het Noordzeekanaal (Oranjesluis en Zuidersluis is het stil, we zijn in allebei de sluizen het enige schip.

Een paar mijl van IJmuiden lijkt het erop alsof we weer door de Duitsers bezet zijn, als er een heel stel Duitse oorlogsschepen (vnl. mijnenvegers) ons voorbij vaart, maar ze worden voorafgegaan door een Nederlands oorlogsschip. Daar maak ik uit op, dat ik mijn schip er niet dwars voor hoef te gooien om ze tegen te houden, want misschien steken ze over naar Engeland om ze daar onder druk te gaan zetten om op de Euro over te gaan. In IJmuiden moeten we een paar dagen wachten tot de wind uit de goede richting komt en minder hard waait. Als we eindelijk naar buiten gaan worden we voorafgegaan door een grote driemaster. We kunnen zien dat er behoorlijke golven staan, want hij maakt geweldige sprongen, waarbij we dan weer de voorste helft en dan weer de achterste helft bovenwater kunnen zien. Even later zitten we in rustiger water en besluiten we maar weer eens te gaan zeilen. Als we de zeilen gehesen hebben maken we een draai van 90o, waarna we met ruime wind naar Scheveningen kunnen varen. Hè, hè, eindelijk weer eens een dag heerlijk zeilen. In Scheveningen moeten we weer een paar dagen wachten vanwege te harde wind uit de verkeerde richting . Berta gaat onze auto halen, die nog steeds in Stavoren staat. Daar onze dochter Lisette inmiddels weer werkt, kunnen we haar en onze kleindochters Puck en Jazz niet meer op een doordeweeks dag ontmoeten. Het gaat echter goed met ze en Puck heeft dan wel een groot litteken van de operatie aan haar schedel, maar ze lacht weer volop.

Als duidelijk wordt dat we zoveel dagen in Scheveningen moeten blijven dat we niet meer op tijd in DE PUT kunnen zijn voor het Rondje Tiengemeten, gaan we een paar dagen naar huis. Op zaterdagmiddag gaan we met de auto naar De PUT, waar we kunnen genieten van een gezellig borreluur met sterke verhalen, de prijsuitreiking en een prima diner. Ondanks de harde wind zijn de 14 inschrijvers gekomen, al vaart de bemanning van 2 boten met anderen mee. Het leuke is dat de al wat oudere schippers Frits Wille en Kees Bal 1 en 3 geworden zijn, omdat ze zo verstandig waren flink te reven.


Op 17/9 varen we naar Stellendam. Dit doen we weer op de motor, dan hebben we de gehele weg het tij en de wind mee. Hoewel we niet harder dan 5 mijl varen, doen we slechts 5 uur over. In de marina aangekomen besluiten we Erik, de technische man aldaar, te vragen een aantal gebreken van de boot in orde te maken. Na 3 maanden vakantie weten we goed wat er allemaal moet gebeuren. Van hem hoor ik, dat ook alle Bavaria’s een gaskraan hebben. Als alle gebreken verholpen zijn kunnen we met een goed uitgerust schip aan de 1e wedstrijd van de Grevelingencup meedoen. Hij zal er voor zorgen, dat we op 13 oktober met de Grevelingencup mee kunnen doen.


Als we (Chris Visser en ik) in dat kader op 8 oktober de boot van Stellendam naar Port Zélande willen brengen, blijven we in Willemstad steken. De beweegbare brug bij de beroepsvaartsluis doet het niet, omdat de verlichting van de weg niet goed werkt na een autoongeluk bij de brug. Door de reparatie kan de brug niet geopend worden. Dit gaat nog meer dan een week duren, zodat we niet mee kunnen doen aan de 1e race, tenzij we teruggaan naar Stellendam en over zee naar Port Zélande gaan. Gelukkig doen we dat niet, want als ik bij de havenmeester in Willemstad ga afrekenen, hoor ik dat ook de brug bij Stellendam niet draait. Chris en ik gaan dus maar naar huis en laten de Parbleu Deux in de marina “De Batterij”achter. Het is haast niet te geloven, maar ik heb eindelijk ook eens wat geluk. Want op 12 oktober staat er op de website van de Grevelingencup, dat de wedstrijd van 13 oktober niet door zal gaan wegens te harde wind. Het is voor het eerst in zo’n 10 jaar, dat een wedstrijd al voor de wedstrijddag wordt afgelast.


Uiteindelijk zijn Berta en ik van plan De Parbleu Deux in het weekend van 2 en 3 november terug te brengen naar Port Zélande. Volgens de weerverwachtingen zal het op zaterdag redelijk weer zijn, maar zal het zondag weer hard gaan waaien en hard regenen. We hopen dus maar dat we niet al te lang bij de beroepsvaartsluizen van de Volkerak- en Krammersluizen hoeven te wachten, want dan kunnen we tocht op zaterdag voltooïen. Als ik om 9.30 uur aan de Volkeraksluis vraag of ze mij om 10.00 uur willen schutten, zeggen dat ze dit ook wel eerder of later willen doen; want ze hebben de gehele dag de tijd. Verbaasd zeg ik, dat mij is verteld, dat ze nog maar 3x per zaterdag of zondag zouden schutten. Dat blijkt dus niet waar te zijn. Om 10.15 uur komen we de sluis uit en gaan op weg naar de Krammersluizen. Als ik me daar aanmeld vertellen ze me, dat het schutten wel lang zal duren, want ze hebben pas geschut. Dat had ik uit de verte al aan de geopende brug gezien. Wanneer we om 14.30 uur de Krammersluis uitkomen, moeten we de Grevelingensluis bij Bruinisse nog nemen en is het de vraag of we dan nog tijd genoeg hebben om Port Zélande voor het donker te halen. Dit lukt mede omdat de bewolking vrijwel geheel wegtrekt en de zon zelfs nog wat gaat schijnen. Als we rond half zes in Port Zélande afmeren is de hemel weer zwaar bewolkt en schemert het al behoorlijk, maar we hebben het gelukkig wel gehaald, want op zondag is het weer weer bar en boos.


En onze vakantie zit er nu echt op!

Rob kooijmans.


“Sapristie, l’histoire se répète”

Deel 1 

Door problemen met de giek en het afgelasten van de wedstrijd in maart, heb ik na november niet
meer deelgenomen aan de wedstrijden om de Grevelingencup en zeil ik op de derde pinksterdag voor het eerst in 2013. Als ik na het varen mijn fok op wil rollen, zie ik dat er bovenaan een horizontale scheur van een decimeter in de fok zit, terwijl er ook een lange zwarte streep naar beneden loopt. Ik vermoed, dat de scheur en de zwarte streep ontstaan zijn door het van elkaar losraken van 2 railsdelen. De scheur zit echter te hoog om hier vanaf het dek iets van te kunnen zien. Door tijdgebrek moet ik de fok zo weer oprollen om dan later in de week naar de boot te gaan en de fok naar de zeilmaker te brengen. Wanneer ik een paar dagen later probeer mijn fok naar beneden te halen lukt dat niet, zelfs niet als we er met twee man aan gaan hangen. Na een stukje gezakt te zijn, loopt hij vast en is er geen beweging meer in te krijgen, behalve naar boven. Er is een kraan nodig; zeker als de rails ook nog gerepareerd of vervangen moet worden. Daar ze die niet bij De Put hebben, wordt het naar de overkant van het Haringvliet varen, naar de mastenmaker in Middelharnis, waar ook een zeilmaker zit. De mastenmaker zegt echter, dat hij het te druk heeft. Hij heeft echt geen tijd voor me, zelfs al zou het maar een klusje van een kwartiertje zijn.

Een andere mogelijkheid is naar de marina van het KNWV in Stellendam te gaan, waar ze een kraan hebben en waarvan ik de manager van eerdere reparaties aan motor en schip ken. Hij blijkt me inderdaad te kunnen helpen; bovendien zit daar ook een zeilmaker.
Als de manager zichzelf met de kraan omhoog hijst en de arm naar de voorstag stuurt, blijkt dat de rails inderdaad niet meer één geheel is en de scherpe punten van de losgeraakte delen de scheur hebben gemaakt. Terwijl hij de delen van de rails bij elkaar houdt, kan ik de fok naar beneden trekken.
De fok blijkt behoorlijk beschadigd te zijn. Over de gehele baan langs de voorstag zijn er doorgesleten plekken, die veroorzaakt zijn door het schuren langs de voorstag; vermoedelijk als gevolg van het niet goed dichttrekken van de beschermhoes. Wat bewust niet gebeurde, omdat de hoes dan zo moeilijk naar beneden was te krijgen. Al met al is het een dure reparatie, die we echter laten uitvoeren, omdat we anders een deel van onze vrije dagen zouden moeten inleveren bij vervanging van de fok door een nieuwe of een goede tweedehands. Nadat ook de motor een beurt heeft gehad en de rails is gereviseerd (alle boutjes nagekeken en indien nodig vervangen, die van de stukken rails één geheel maken) zijn schip en bemanning klaar voor de reis naar de Oostzee.

Op 17 juni vertrekken we van Stellendam naar Scheveningen. Na een klein stukje gezeild te hebben neemt de wind zoveel af, dat we de motor bij moeten zetten. Het passeren van de Waterweg levert geen problemen op, want gedurende de oversteek zien we slechts één schip, dat naar buitenkomt. 

De volgende dag komt mijn dochter Lisette langs met haar halfjaar oude tweeling in de bakfiets, die wij bij de geboorte geschonken hebben. In januari ben ik door Lisette grootvader geworden van een tweeling (meisjes). Hoewel één van de twee meisjes (Jazz) wat licht van gewicht is bij de geboorte, ontwikkelen Puck en Jazz zich goed. Wel heeft Puck een bult op haar hoofd, die alsmaar groter wordt. Maar daar ze altijd zeer goedlachs is, geeft dat
aanvankelijk geen aanleiding tot grote zorgen. Als Lisette met haar tweeling aan boord gekomen is, zien wij, dat de bult inderdaad zeer groot is geworden. Lisette vertelt dat de bult waarschijnlijk met een operatie verwijderd gaat worden. Ze zegt, dat we onze vakantie gewoon moeten voorzetten, maar daar hebben we geen zin in. Wij willen in de buurt blijven en gaan voorlopig maar wat rondvaren op het IJsselmeer. Pas een paar dagen later is het weer zodanig dat we verder kunnen. Er staat een stevige wind (5 à 6 Bft), zodat we zelfs Den Helder bereiken. De dag erop gaan we alleen op de fok naar de buitenhaven van Den Oever, zodat we volop van het varen over het Wad kunnen genieten. Daar de buitenhaven weinig te bieden heeft gaan we de volgende dag naar de marina in de binnenhaven. Daar maken we voor het eerst kennis met het pasjessysteem. Alles wat men in de marina wil gebruiken moet apart betaald worden via een pasje, waar men een bedrag mee heeft opgenomen. Als je meer hebt opgenomen, dan je uiteindelijk verbruikt, is dat jammer voor jou, want je krijgt dat niet terug. Heb je te weinig opgenomen, dan kun je het bedrag aanvullen. We horen van de havenmeester, dat ze dit systeem ook in de zes andere Zuiderzeehavens van Noord-Holland gebruiken. We vinden dit maar een vervelend gedoe en gaan zo gauw mogelijk naar de marina van Stavoren, waar we vroeger met onze Zeeuwse Knots "Vrouwe Apolonia" en de spitsgat-tweemaster "Trui van Bokhoven" veel hebben gelegen; ook buiten de vakanties. Het is er nog steeds erg gezellig en bovendien een stuk goedkoper dan aan de overkant. Om ons geluk compleet te maken schenken we onszelf een Beerenburger uit de kruik, die we gewonnen hebben bij het Rondje van Tiengemeten. 
Op 29 juni komt onze eigen tweeling (Robert en Marjan) op bezoek. Ze komen flink wat later dan afgesproken, want ze hadden een feestje gehad en wisten bovendien niet waar Stavoren lag; ze konden het niet op de kaart van Noord-Holland vinden.

Van varen komt niet veel in Stavoren. Het is er reuze gezellig en terwijl Berta op haar vouwfiets de omgeving bekijkt, werp ik me op de het teakhout van banken en roosters. Ik heb daartoe de adviezen van Annelies Prast op de website van de Delerclub ter harte genomen en gebruikgemaakt van Teak Reiniger en Hersteller om alles mooi blank te krijgen, en Tropical Teak Oil Sealer om de banken te beschermen tegen het opnieuw intrekken van vuil. Sinds deze klus is geklaard geniet Berta nog veel meer van deze boot. En daar Berta een fijne manier heeft om haar dankbaarheid te uiten, moet ik Annelies en Starbrite erg bedanken.

Tijdens ons verblijf in Stavoren is Puck geopereerd. Twee dagen na de operatie gaan we naar het Sophia kinderziekenhuis in Rotterdam, waar zowel Lisette als de tweeling in hetzelfde kamertje van Puck logeren. Puck blijkt ondanks een litteken, dat van oor tot oor loopt, maar door het haar niet zichtbaar zal zijn, weer breeduit te kunnen lachen. Als we horen dat Lisette weer aan het hervatten van haar werk denkt, besluiten Berta en ik alsnog naar de Oostzee te gaan.
Als we op 23 juli in den Helder in de KMJC-jachthaven aankomen ontmoeten we daar ook Kees Bal en zijn vrouw, die daar met hun Zeeuwse Rakker, een Dehler 36 CWS, zijn. Door het weer en het overvol zijn van de jachthaven op Vlieland gaan we pas op 1 augustus naar Vlieland. Als we daar vroeg in de middag aankomen liggen er al veel schepen voor anker en mogen we de jachthaven niet in. We bellen de havenmeester, die ons mededeelt, dat we buiten voor anker moeten gaan. Er zal eerst geïnventariseerd worden wat er allemaal vrij is en welke boten er een ligplaats willen hebben. Hij vertelt ons wel, dat hij ook voor ons nog wel een plaatsje zal hebben. Na een paar uur wachten worden we als laatste groepje opgehaald. Onze boot krijgt een plaats toegewezen naast een mooie grote Lemsteraak, die er zo mooi uitziet dat we ons niet over zijn dek durven te bewegen om elektriciteit of water te laden. De haven ligt inderdaad hartstikke vol, zodat er geen oplaadpunt voor elektriciteit beschikbaar is.
Van Vlieland varen we door naar Lauwersoog. Als we het grootzeil willen hijsen krijgen we dit door een tekort aan stroom het zeil maar net helemaal omhoog. We kunnen lekker zeilen, maar schakelen later toch over op de motor, omdat we de accu’s wilden bijladen. Tijdens het varen op de motor lopen de accu’s tot onze verbazing verder leeg. Het voltage is zelfs tot 10 gedaald als we in de buitenhaven van Lauwersoog afmeren. Ik besluit Ger Rossel te bellen, die mij altijd goed weet te helpen. Hij klinkt wel érg enthousiast, als hij me vraagt te vertellen wat er aan de hand is. We komen samen tot de conclusie, dat het de dynamo moet zijn, daar de V-snaar goed gespannen staat en het bijladen met de walstroom geen probleem is. Hij raadt me naar de meter te kijken als Berta de motor start en gas geeft. Als de meter van 10 naar ruim 14 volt schiet is de dynamo oké. Er gebeurt echter niets, dus is het niet-bijladen aan de dynamo te wijten. Er zal weer eens een monteur moeten komen. De volgende dag krijg ik van de havenmeester van de binnenhaven het telefoonnummer van een monteur. Als ik bel is hij bezig, maar daar hij bijna klaar is, kan hij even langs komen om naar de dynamo te kijken, alvorens naar zijn volgende afspraak te gaan. Als hij er is, hoort hij me beleefd aan en kijkt even naar de dynamo en V-snaar. Daarna duikt hij naar de zijkant van de motor en rommelt daar wat. Vervolgens moet ik de motor starten, waarop hij hard "14,7" roept. De boosdoener blijkt een losgeraakt kabeltje te zijn. Dat valt dus weer ontzettend mee. En ook dat hoort Ger graag.

Lauwersoog – Nordeney

Op 6 augustus gaan we naar Duitsland toe. De eerste uren kunnen we lekker zeilen maar ook nu moet er weer enkele uren gemotord worden. Helaas komen we net als twee jaar geleden met laag water binnen, wat problemen bij het afmeren kan geven. En ja hoor, bij het begin van de jachthaven liggen ze 4-dik aan de kopsteiger, terwijl dit de enige plek is waar je bij laagwater met 2 meter diepgang kunt komen. Het vierde schip heeft wel stootkussens uithangen, maar op een motorboot menen ze me te moeten vragen of ik niet ergens anders kan gaan liggen. Stom genoeg doe ik dat nog ook, waardoor ik op twee plekken vastloop en slechts met veel moeite los kan komen om dan alsnog naast het vierde schip af te meren. Uiteraard is er geen oplaadpunt voor stroom meer beschikbaar.

Norderney - Helgoland.


We beginnen deze trip van 40 mijl met een aardig briesje maar al gauw neemt hij af, zodat we de gewenste 5 mijl niet halen. Niettemin blijven we nog een paar uur varen, maar als we zelfs de 3 mijl niet meer halen, zetten we de motor erbij. Na 23 mijl afgelegd te hebben begint de motor te haperen en stopt uiteindelijk. Dat hebben we al meer meegemaakt, maar ik snap er geen barst van, dat het nu weer gebeurt, want ik heb een middel aan mijn diesel toegevoegd, waardoor dit niet meer zou mogen gebeuren. Er staan wel behoorlijke golven en mijn tank is nog maar voor een kwart gevuld (45 liter diesel). Zou hij soms lucht happen? Berta draait het sleuteltje nog een keer om en verdraaid, de motor loopt weer. Met een gangetje van 4 mijl gaan we verder. Na 8 mijl hapert en stopt hij wederom en laat zich niet meer tot leven wekken. We hijsen de zeilen maar er staat echt te weinig wind. En dat terwijl de grote zeeschepen om onze oren vliegen. Berta meent een boot van de Duitse kustwacht te zien en wil die oproepen, maar ik ben nog niet zover. Vorig jaar hebben we overdadig veel hulp van de KNRM gehad, maar als ze in Duitsland net zo enthousiast reageren als in Nederland, kan ik gelijk mijn schip verkopen om de geboden hulp te betalen. Want in Duitsland moet je voor de geboden hulp betalen, ook al is die door de Duitse KNRM geboden.

Het geluk is met ons. In de verte komt een klein sportvissersbootje onze richting uit. Door mijn gezwaai met armen of door het gezwaai met Berta's onblootte bovenlijf komen ze naar ons toe en slepen ons met hun 90 pk motor naar Helgoland. Berta's gezwaai heeft kennelijk goed gewerkt want ze willen geen geld, ja, zelfs geen borrel. Als we later langs het clubhuis van de wsv Helgoland lopen, blijkt de truc van Berta ook al eerder is toegepast. Die redders werden alleen beter beloond!!!
Wij komen naast een Poolse stalen zeilschip te liggen. Het is echter duidelijk vakantietijd, want later komen er nog vijf zeilschepen naast mij te liggen, zodat we met zeven schepen tegen elkaar liggen. Als ik Ger wil bellen blijkt dat de KPN mijn toestel belemmert vanuit het buitenland te bellen.
Berta krijgt de volgende dag van de havenmeester het telefoonnummer van een monteur. Als dit zo doorgaat wordt ik vast erelid van de Yanmar servicemonteursvereniging. Na mijn verhaal gehoord te hebben, denkt de monteur met een verstopt brandstoffilter te maken te hebben en vraagt aan mij waar dat zit.
Ja, weet ik veel. Dit is pas het derde seizoen met deze boot. Bovendien laat ik mijn motor altijd door een monteur bijhouden. Dat lijkt me beter voor de motor. Dan herinner ik me, dat vorig jaar onder een bank in een zithoek, naast de doucheruimte een filter is schoongemaakt. Ik wijs de monteur aan, waar het ongeveer moet zitten. Hij vindt het nu en maakt het filter open. Hij haalt er een zeef uit die propvol zit met haren en ander vuil. Vol verbazing vraag ik hem hoe er haren in mijn diesel kunnen zitten. Dat weet hij ook niet maar hij maakt het filter mooi schoon. Vijf minuten later vertelt hij me, dat hij geen brandstoffilter heeft schoongemaakt, maar het filter van een waterpomp; van de douche dus. Het brandstoffilter blijkt bij de motor te zitten en is prima in orde. Ook in de tank is niets van
verontreiniging te bekennen. De monteur weet het verder ook niet en kan alleen nog denken aan het doorblazen van de leiding. Hij gaat het apparaat met samengeperste lucht halen en blaast een flinke stoot door de leiding. Als hij daarna de motor start loopt deze in het begin nog wat ongelijkmatig, maar daarna loopt hij prima bij verschillende toerentallen. Is dit het geweest? We zullen het wel zien. Maar ik snap dan niet wat het toevoegen van middelen aan de diesel voor zin heeft.

Inmiddels moesten we, na vanwege het weer een week in Helgoland gelegen te hebben, besluiten niet meer naar de Oostzee te gaan. Tenslotte willen we wel op tijd terug zijn voor het Rondje Tiengemeten 2013. Vanuit Helgoland gaan we daarom terug naar Nordeney. Na ongeveer de helft van de afstand zeilend te hebben afgelegd, gaan we over op de motor. De motor blijkt weer als een zonnetje te lopen. Na een dagje rust gaan we verder naar Lauwersoog. Als we de vaargeul van Nordeney gehad hebben en op ruim vaarwater zitten, stottert de motor en ………………

Uit arren moede bellen we de havenmeester van Nordeney op en vragen hem de Duitse reddingsmaatschappij SAR (o.a. gelegerd in Nordeney en Helgoland) te vragen ons te komen helpen. Na wat overleg krijgen wij een telefoonnummer met het verzoek hun zelf te bellen. Binnen een kwartier zien we een klein bootje met twee man op ons af komen stormen. Even later zijn we weer op weg naar de jachthaven van Nordeney. We krijgen van een van de redders het telefoonnummer van een monteur, die een uurtje later bij ons komt kijken. Hij komt tot de conclusie dat er een verstopping in het brandstofsysteem moet zitten en blaast allerlei slangen door na ons te hebben laten zien dat er alleen wat druppels diesel uit het slangetje komen, dat aan de brandstofpomp op de motor zit. Als hij het brandstof voorfilter wil bekijken kan hij dat niet vinden.
Ra, ra hoe kan dit allemaal ????
De monteur vermoedt dat er toch ergens een bron voor de vervuiling met bacteriën moet zitten, al kan ook hij die bron niet vinden. Mogelijk zit die achter het slingerschot in de tank, maar dat deel van de tank is niet te bezichtigen. Nadat hij ook nog 10x de voorgeschreven hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel tegen bacteriën aan de diesel heeft toegevoegd loopt de motor weer voortreffelijk.
Wij bedanken hem hartelijk voor de bewezen diensten. De volgende ochtend bellen we de monteur weer op en vertellen hem, dat we het niet zien zitten om, nu de motor het voor de vierde keer in drie jaar af heeft laten weten, door te gaan naar Holland. We willen weten wat we nog meer kunnen laten doen ter voorkoming van een verstopping in het brandstofsysteem. Tot nog toe hadden we het geluk, dat het steeds rustig weer was, maar het kan natuurlijk ook tijdens veel moeilijkere omstandigheden gebeuren.
Hij kan dat begrijpen en stelt voor de pas gevulde tank leeg te laten zuigen door een schip dat bij ons langszij komt, de tank dan schoon te maken en een brandstof voorfilter met waterafscheider in te bouwen. Hij hoopt dat op korte termijn te kunnen regelen. Het kost wel weer wat centen en een paar dagen maar we stemmen volgaarne in met het voorstel.

Als ik daarna van een overheerlijke malt whisky zit te genieten, komt er een Nederlander langszij, die na mijn verhaal gehoord te hebben, vertelt, dat er besloten is dat de biologische toevoeging aan de diesel gaat verdwijnen voor de watersport en dat er inmiddels in Friesland twee pompstations zijn, die deze voor een deel uit gas gewonnen diesel verkopen.

Wordt vervolgd (althans dat hopen we).





Grevelingencup 2012-2013

Deel 2

Nadat in december mijn vaste bemanning verhinderd was en de invallers (ex-bemanning) bij het hijsen van de zeilen ontdekten, dat de voorkant van de giek half uit de giek hing, raadden ze me af hiermee te gaan zeilen. Bij zeilen met de toen heersende krachtige wind bestond er een gerede kans dat de giek zich los zou trekken en dan schade aan  boot of zeilen zou aanrichten. Nader onderzoek in de jachthaven leerde dat de drie 8 mm bouten, waarmee het voorstuk in de giek werd vastgehouden, zich gedeeltelijk losgewrikt hadden. Daarnaast zagen ze ook dat top van mijn grootzeil er los bij hing en vertelden me, dat die punt met een karretje in de rails hoorde vast te zitten. Kortom, ik had weer wat te doen voor de wedstrijd in januari.

Na wat speurwerk op de website van de Dehlerclub kom ik erachter, dat ik het voorstuk van de giek via de website van Marina Groβenbrode kan bestellen. Ik doe dit vanwege de komende Kerstdagen onmiddellijk, met het vriendelijke doch dringende verzoek gezwinde spoed te betrachten, omdat ik op 13 januari weer moet varen als ik mijn kans op de hoofdprijs niet wil verspelen. Als ik na een week nog niets heb gehoord, ga ik naar de website van Groβenbrode met de bedoeling telefonisch contact op te nemen. Op de website staat nu evenwel vermeld, dat de afdeling Dehler-onderdelen zich gaat afsplitsen van Marina Groβenbrode en zelfstandig verder zal gaan. Als klap op de noodvuurpijl  vermelden ze ook nog, dat ze vinden, dat ook zij recht op vrije dagen hebben, want ze gaan hun verworven zelfstandigheid vieren met een sluiting tot het nieuwe jaar. 

Nou, daar val ik weer met mijn neus in de boter. 

In de eerste week van januari krijg ik bericht, dat ze het Groβbaumhalsbeschlag (vorn) pas in week 5 gaan leveren, dus vlak voor de wedstrijd van 10 februari. Ik herinner ze voor alle zekerheid nog eens aan mijn emailtje van half december, maar dat maakt geen “flauβ aus”. Ze weten wel, dat ze het op voorraad hebben, maar kennelijk niet waar het ligt. De race van 13 januari kan ik dus op mijn buik schrijven en als het een beetje tegenzit kan ik die van februari erbij schrijven.

Voorlopig gaan we maar verder met het perfectioneren van de Parbleu deux. Ik zit binnen nog met een Multimeter die bij het aanzetten alleen maar horizontale streepjes laat zien en de boodschappen “codelock” en “enter code”. Als

ik naar de boot wil gaan is er in Rotterdam net een dik pak sneeuw gevallen. Op de website van Port Zélande kan ik via het beeld van hun bewakingscamera zien, dat er ook op de steigers een dik pak sneeuw ligt. Ik vraag me af of ik wel zal gaan, want ik heb in de afgelopen jaren al tweemaal met mijn kleren aan in de Grevelingen rondgezwommen in water dat toen aanzienlijk warmer was. Daar driemaal nog steeds scheepsrecht is, ben ik er van doordrongen, dat ik toch wat voorzichtiger moet worden. Ik besluit toch te gaan, want de sneeuw ziet er ongerept uit en het zal daarom niet zo glad zijn. Verder kan ik bij de daar gevestigde zeilmaker langsgaan en hem vragen te bekijken of en hoe de punt van het grootzeil via de rails kan lopen, want het ziet er naar uit dat er een speciaal karretje voor nodig is. Ik trek wel mijn sneeuwlaarzen aan. 

De sneeuw op de steigers blijkt inderdaad geen probleem te zijn. Het dek van mijn Dehler geeft wel problemen, want de sneeuw is hier een beetje gesmolten en weer opgevroren. Bovendien loopt het dek hier en daar beetje schuin, zodat mijn voeten af en toe wegglijden. Me stevig vasthoudend aan de zeerailing en handgrepen bereik ik de kuip en de toegang tot de kajuit. Na wat gewurm met het sleuteltje krijg ik het bevroren slot open en kan ik naar binnen. De lucht voelt warm aan; mijn elektrische kacheltje slaat kennelijk naar behoren aan als de temperatuur onder de 50 C komt. Met de oude handleiding zet ik me neer bij de Multimeter. Als ik hem aanzet vraagt hij weer om de code. Dit zorgde ervoor, dat indien van buiten een Autohelm ST 50+ instrument door een vreemde werd geleend, deze meter het niet deed op de andere boot. Het vervangen van de oude Autohelm instrumenten door ST 60+ instrumenten is door de Multimeter kennelijk opgevat als een diefstal van de oude Autohelm instrumenten. Maar daar trekken de nieuwe instrumenten zich niets van aan, die doen het gewoon.

Met de oude handleiding kan ik nu wel zien hoe ik de code moet invoeren, maar weet ik nog niet welke code ik moet invoeren. De code van mijn boordradio is het helaas niet. Dat heb ik in december al uitgeprobeerd, evenals de door producenten van mobiele telefoons gebruikte begincode 0000. Maar oh wonder, als ik deze code nu volgens de door de handleiding beschreven methode invoer werkt het wel en kan ik mijn Multimeter weer gebruiken. Ik kan vanuit mijn navigatiehoek weer zien hoe hard het waait, hoe diep het is, welke koers en hoe hard ik vaar.

Als ik naar buiten kijk zie ik dat de zon schijnt. Daar ga ik eens even lekker van genieten. Dan kan ik tegelijk van mijn nieuwe instrumenten en hun nieuwe behuizing genieten. En ook van mijn buiskap, want die heb ik de vorige keer helemaal met bootkappen- en doekreiniger behandeld, zodat  de groene aanslag en de weervlekken verdwenen zijn en daarna weer waterdicht gemaakt. Het ziet er weer als nieuw uit. Nou maar hopen dat de superschone kap pijn aan de ogen of poepertje van de zeemeeuwen doet.

Het wordt tijd naar huis te gaan, dan kan ik gelijk langs de zeilmaker gaan, die maar eens moet bekijken, wat er nodig is om de top van mijn grootzeil weer via de rails te laten lopen. Deze zegt toe dit te doen, maar wel als de sneeuw van de steigers is.

Op zaterdag 12 januari, een dag voor de wedstrijd , waaraan ik dus niet mee kan doen, hebben we de Nieuwjaarsborrel van de Dehlerclub. Ik raak daar in gesprek met Paul Kramer, een zeer ervaren wedstrijdzeiler en een scheepswerktuigkundige in ruste. Uiteraard komt het gesprek op het mankement aan de giek. Het mankement blijkt veel voor te komen en het verbaast hem dat we de wedstrijd in december daarom niet gevaren hebben. Zo kent hij me niet. Met een touwtje hadden we het euvel heel goed provisorisch kunnen verhelpen. Helaas is het nu te laat om mijn bemanning alsnog  bij elkaar te roepen. Het repareren is volgens hem ook redelijk simpel: gaten vergroten van 8 naar 10 mm, een nieuwe schroefdraad tappen en er dan 10 mm bouten in draaien. Ger Rossel vertelt me even later hetzelfde. 

Dat heb ik weer. Ben ik eens een keer niet eigenwijs en ga ik op aanraden van mijn bemanning  niet zeilen, blijkt dat ik dat wel had moeten zijn. 

Het voorstuk van de giek wordt op donderdag 31 januari , ruim een week voor de februarirace, geleverd. Het blijkt dat hier ook 3 gaten in geboord  moeten worden en daarna van een schroefdraad voorzien. Daar heb ik de spullen niet voor, dus ga ik ’s maandags naar het MPZ-servicecenter. Zij zullen de giek op tijd in orde maken. Vervolgens ga ik naar de zeilmaker, die me vertelt, dat hij het zaakje bekeken heeft en dat dit net als de karretjes bij de zeilzakken een karretje van Luffshuttle kan zijn. 

Als ik op de vrijdag voor de wedstrijd naar mijn giek ga kijken, zie ik dat die prima gerepareerd is. Het blijkt dat de gaten in het oude voorstuk zodanig uitgelubberd zijn, dat die niet meer goed uitgeboord konden worden. Gelukkig heb ik die niet voor niets besteld. Van de zeilmaker ontvang ik de twee bestelde Luffshuttles, die voorzien zijn van een passend harpje. We kunnen er zondag tegen aan. Daar ik alleen ben en het ook stevig waait kan ik de Luffshuttle er nu niet aanzetten. Dat moet zaterdag of zondag maar gebeuren.

Op zaterdag staat er veel wind. Zowel KNMI als Weeronline en Windguru geven aan dat het zondag of 6 à 7 met flinke uitschieters zal waaien.  En omdat ze alledrie hetzelfde verwachten, ga ik er maar vanuit dat dit gaat komen. Het is een windkracht waarbij ik normaal gesproken niet start. We kunnen dit op zich wel goed aan, maar het is niet leuk varen, zeker niet met 190 boten in de smalle geulen. Als de weersverwachting in de namiddag nog hetzelfde is, bel ik mijn bemanning af, dan hebben zij tenminste de tijd om met vrouw en kinderen wat anders te gaan doen. 

Ik had beter moeten weten; want het is bij de Grevelingencup vrijwel altijd mooi zeilweer, ook als de voorspellingen anders zijn. Zo ook deze zondag, want er schijnt een lekker zonnetje (worden de wedstrijden daarom op een zondag gehouden?) en windje met een kracht van 4 Bft. Ik ben overigens niet de enige die zich in de luren heeft laten leggen, want van de 197 boten, waren er maar 111 aanwezig.

Nou, de hoofdprijs kunnen we niet meer winnen, hooguit de poedelprijs. Na 10 jaar vrijwel alle wedstrijddagen gevaren te hebben, zal ik nu niet meer dan 3 van de 6 wedstrijden varen, als de wedstrijd in maart tenminste wel doorgaat. 

Maar ook die zal ik niet meemaken. Want in de week voorafgaand aan zondag 17 maart staat er weer veel wind.  Op woensdag  blijkt Jelle ziek te zijn. Als ik hem zaterdag bel, is dat nog steeds het geval en hoor ik bovendien dat zijn zoon Simon in het weekend moet werken. We zijn dus maar met zijn drieën, wat te weinig is voor een boot van ruim 13 meter bij de windkracht 5, die voorspeld wordt. In de namiddag  ga ik naar mijn boot kijken dan kan ik ook zien, hoe het met de Funrace Rond de Platen is. Daar aangekomen ziet het er niet best uit. De Grevelingen oogt woest en verlaten want er zijn maar weinig zeilen te bespeuren. Nee, dat wordt niets morgen, want ik zou niet weten wie nu nog kan bellen. Mijn zoon is weliswaar reserve, maar zijn verkering is weer helemaal okay. Hij zegt leukere dingen te doen te hebben. Ik begrijp er niets van. Leuker dan zeilen????? 

Nee, dat wordt Chris en Maarten afbellen. Als ik dat doe zeggen ze niet eens dat ze het jammer vinden.

Als ik mijn verdriet bij wsv Rotterdam onder ga dompelen in Duvel en met een gesmoorde stem vertel, waarom ik de volgende dag niet ga varen, biedt een ervaren Valken- annex Ojollenzeiler zichzelf en zijn zoon voor het komende seizoen aan. Daar zij op de website van WSVR mijn belevenissen met de Parbleu deux hebben gelezen, weten zij wat hun te wachten kan staan.  Als zij daar niet van terugschrikken heb ik voor het komende seizoen vermoedelijk een uitstekende aanvulling op mijn vaste bemanning aangeboord. 

De overige 11 DCN leden hebben gelukkig betere resultaten bereikt dan ik, met name Rob Zeedijk, Ruud van Es, Chris Brand en Hans Verhoeff hebben goed gepresteerd. Zeer goed gepresteerd hebben Alda Langstraat en André van Naarden, die met Alda’s broer in zijn Scanner meevoeren en als 2e van de 21 schepen in Toergroep 1 eindigden. Wellicht dat dit Alda in het komende seizoen dit ook met de Dehler 32 Bluff kan bereiken?


Winterwedstrijden Grevelingencup 2012-2013

 

Inleiding.

Na van het Dehlerclub-evenement Uit De PUT op het Haringvliet teruggekeerd te zijn naar Port Zélande, mijn thuishaven, zie ik het als mijn allereerste taak ervoor te zorgen, dat het onderwaterschip van de Parbleu deux een goede beurt krijgt. Mijn slechte klassering (op twee na laatste) op dit rondje Tiengemeten maakt duidelijk, dat dit hard nodig is. Het twee maanden stil liggen op Vlieland als gevolg van de gebroken  binnenenkel van Berta heeft voor een forse aangroei van planten en dieren gezorgd. Na twee tellen nadenken kom ik tot de conclusie, dat ik dit rotwerk maar beter door het servicecenter van Port Zélande kan laten doen. En als de boot dan toch op de kant staat, kan ik gelijk de romp laten polijsten en goed in de was laten zetten, want die is in Amsterdam enigszins beschadigd door het harde wrijven tegen de stootkussens bij een storm.

Als ik de dag nadat deze klus is verricht naar mijn schip ga kijken ligt er een mooie glanzende romp in het water.

Maar wat is er in godsnaam met Querulijn Xaverius, markies de Canteclaer van Barneveldt gebeurd? Hij is zo goed als verdwenen. Alleen de naam van mijn Dehler is nog goed zichtbaar. Vloeit de huiveringwek-kende eliminatie van deze hoge edelman voort uit de naijver van het querulante rapaille van het servicecenter? De leidinggevende zegt van niets te weten. De verdwijning is hem niet opgevallen. Als ik ’s avonds Arie Wassink, een expert op dit gebied, opbel om te vragen, wat hij ervan denkt, snapt hij aanvankelijk ook niet, hoe het kan dat de markies door een beetje polijsten is verdwenen. Tot ik hem duidelijk maak, dat de tekening op wit materiaal is geprint, omdat gezicht, handen en een deel van het lijf wit moeten zijn. Dat de naam na het polijsten wel goed zichtbaar bleef, komt doordat die wel uit zwart materiaal is gesneden. Er had dus een lichtje moeten gaan branden bij het janhagel, toen ze de witte edele delen van de markies zagen. Of ze zagen die wel, maar wilden zich niet de geboden mogelijkheid laten ontgaan een stukje adel weg te poetsen. Maar dat zal heer Bollie niet laten gebeuren!

Daar ik toch al een tijdje niet helemaal tevreden ben over de grootte van de figuur en de naam, vind ik het niet zo erg dat ik deze nu moet vervangen. Bovendien wordt me verzekerd dat het verwijderen van de tekening en naam met een haardroger gedaan kan worden. Eerst maar eens goed nadenken, hoe ik het dan wel wil hebben en dan fotoshoppen om te bekijken hoe mijn nieuwe ideeën uitpakken. 

Eerste wedstrijd 21 oktober

We hebben evenals vorig jaar ingeschreven in de Toer S-klasse. Doordat er nu bijna 200 boten meedoen, is er een nieuwe klasse geschapen, waarin het de toerzeilers toegestaan is ook met een spinnaker, gennaker of halfwinder te varen. Daar blijkt veel belangstelling voor te bestaan, want in totaal 57 van de 194 ingeschreven boten varen in deze klasse, die in drie groepen is onderverdeeld.

Tijdens het palaver van deze eerste winterwedstrijd staat er een flink windje, maar volgens de voorzitter zal de wind gaan afnemen. Als het bij de start nog stevig waait leggen we toch maar een rif. We moeten eerst weer even wennen aan de forse wind en de boot.

Het startschip en de startlijn liggen vlak bij de rode boeien aan de rand van de geul. Als ik vlak voor het startschot te lang naar de andere schepen kijk, lopen we vast, als ik een klein stukje over de lijn tussen de boeien heen vaar. We kunnen niet los komen en daar ik niet met een grote achterstand wil beginnen, zet ik de motor maar even bij. Dit mag wel niet, maar ik wil niet te ver achter raken. Omdat we toch achteraan liggen protesteert er niemand.  Wat later wordt de wind, zoals voorspeld, minder en kunnen we de rif eruit halen.

Ik kan goed merken dat iedereen weer aan de boot en de elektrische lieren moet wennen, want af en toe zit het losse eind van de schoot klem tussen de slagen om de lier en de lier zelf, of blijft de schoot niet goed in de klem op de lier zitten. Halverwege de wedstrijd gebeurt dat weer en als geprobeerd wordt dit op te lossen, is het resultaat van alle inspanningen, dat de slagen zo strak over het losse eind zitten, dat deze zelfs met drie man niet meer los te krijgen is. Het is maar goed, dat er in zo’n geval een kapitein aan boord is, die gewend is voortdurend strijd te moeten leveren met zijn schip. Na kort maar krachtig gepeinsd te hebben stel ik voor het losse eind om de gewone lier te leggen en hem met de slinger onder de slagen uit te trekken. Het lukt meteen. Als ze me vol bewondering aankijken, haal ik luchtigjes mijn schouders op. Intussen zijn er dan wel een minuut of tien verstreken.

Als we door het finishschip afgeblazen worden, hebben we wel lekker gezeild, maar is het resultaat niet om over naar huis te schrijven. We zijn 12e van de 16 deelnemers, zowel op line honours als op handicap. Dat lijkt misschien aardig na al dat getob, maar twee van de zestien zijn niet gestart en één is niet gefinisht.

Als ik na afmeren naar binnen ga, blijkt er water in het douchehok en toiletruimte te staan. Verder ligt er water onder de vloerbedekking. Zou dat komen doordat ik de kranen niet afgesloten heb, zodat het water via toiletten en/of fonteintjes in de boot kon lopen? Ik betwijfel het, want ik heb in de afgelopen twee jaar die kranen nog nooit tijdens het zeilen afgesloten en heb desondanks nooit op die manier last van water gehad. Ik zou nog kunnen proeven of het zout water is, maar omdat er vanuit mijn weekendtas een fles whisky zachtjes ligt te roepen: “ Neem me Rob, neem me! “, sla ik dat maar over.

Tweede wedstrijd, 18 november

Op 18 november staat er weinig wind (2 à 3 Bft). Doordat we nu alles rustig kunnen bekijken en handelen, verloopt de race goed. Ook met de elektrische lieren werkt het nu goed, want die worden niet gebruikt, althans niet voor de fok. Zoals gebruikelijk is de geringe wind er de oorzaak van dat het weer zeer druk wordt in de vaargeulen, want alles vaart kris kras door elkaar. En wat vooral frustrerend is, is dat je weer wordt ingehaald door kleinere schepen, die je een half uur eerder al voorbij bent gevaren. Ook dat is nog niet zo erg, maar als ze jou vervolgens ook nog gaan oploeven, wanneer je hun weer aan het inhalen bent, is om gek van te worden. We boffen als er op het eind van de race weer wat wind opsteekt. We lopen weg van de kleine bootjes en naderen een aantal van de voor ons liggende boten uit onze eigen groep. Onze blijdschap is maar van korte duur, want plots horen we een eindje verder een bootje toeteren. Net nu we lekker lopen, gaan ze verdorie de baan afkorten! We houden toch nog acht van de zeventien schepen achter ons, maar door de zeer ongunstige handicap van mijn schip blijven daar uiteindelijk maar drie schepen van over. We vinden niettemin dat we een whisky verdiend hebben.

Kapitein wordt chef-meteropnemer.

Sinds de koop van de boot in 2011 zijn er drie van de zeven Raymarine instrumenten uitgevallen. Daarvan heb ik er twee vervangen heb, omdat ik het CH Wind instrument, dat een uitvergrote indicatie van -600 tot +600 rond de boeg en het hek geeft, niet echt mis. Dezelfde info, maar dan niet zo verfijnd, wordt op de gewone windmeter weergegeven. Ik heb nu vijf zwarte instrumenten en twee lichtgrijze. Bovendien zit het kunststof instrumentenpaneel, waar de instrumenten in verzonken zitten, al een jaar met plakband vast op de beugel waar de sprayhood en de grootschoot aan vast zitten. Ik ga er namelijk vanuit dat ook de resterende zwarte meters binnen niet al te lange tijd vervangen zullen worden. Omdat het steeds opnieuw vastkitten van dit kunststof paneel aan de aluminium beugel, een omslachtig en tijdrovend werk wordt, als er nog meer instrumenten het loodje leggen, heb ik het instrumentenpaneel tijdelijk met tape aan de beugel bevestigd en voorzien van een lijntje dat als extra beveiliging dient. Dit alles is natuurlijk geen gezicht en zodra de gelegenheid zich voordoet ga ik dit vervangen.

De nieuwe en oude instrumenten zijn op zich even groot, maar het deel van de achterkant van de nieuwe meters dat in het paneel verzonken zit, is wel groter. Dit maakt dat dit kunststof paneel niet al te sterk meer zal zijn als alle zeven instrumenten vervangen zijn, omdat er dan nog maar weinig kunststof tussen de gaten zit. Op aanraden van Ger Rossel heb ik er daarom voor gekozen dit kunststof paneel door een mooi blankgelakt houten paneel te vervangen, zodat het iedereen duidelijk is, dat deze Dehler 43 CWS de Rolls Royce onder de zeiljachten is. Daar ik Berta ervan overtuigd heb, dat onze levens van deze instrumenten afhangen, is ze bereid ook ’s nachts te gaan werken. Met het geld, dat we zo verdienen, kan ik haar dan met st. Nicolaas vijf nieuwe instrumenten geven en Wout, de timmerman, die eerder mijn nieuwe vlonders heeft gemaakt, de opdracht voor de vervaardiging van dit houten paneel geven. Het streven is  het nieuwe instrumentenpaneel voor de 3e wedstrijd in december klaar te hebben.         

Het moet gezegd worden: Wout heeft weer prima werk afgeleverd. Als we de instrumenten op het houten paneel en het paneel op de aluminium beugel gemonteerd hebben en de instrumenten vervolgens inschakelen, doen ze het allemaal, behalve het log. Maar dat is logisch, want er valt alleen wat weer te geven, als het schip vaart. Als ik uiterst tevreden met Wout naar binnen ga kom ik tot de ontdekking, dat mijn Multimeter bij de kaartentafel het niet meer doet. Als ik hem aanzet verschijnt er het woord CODELOCK en vervolgens de tekst ENTER CODE. Wat is dat nou weer? Ik vaar al twee jaar met dit schip, maar dit heb ik nog niet eerder gezien. Kennelijk moet deze meter ook opnieuw gecalibreerd worden. Dat is iets voor een andere keer, want Wout en ik gaan naar wsv Rotterdam, alwaar we het nieuwe instrumentenpaneel met een Duvel gaan inwijden.

Thuisgekomen vertel ik Berta met veel plezier, dat ons schip met al die nieuwe meters en dat mooie stukje hout van Wout veel meer waard is geworden. Mochten we ooit gaan scheiden dan hoeft ze niet ’s nachts te gaan werken om mijn alimentatie te kunnen betalen, want ik ga dan wel op dit mooie schip wonen. Maar aan haar reactie te zien zal ze dan zelf op het schip willen gaan wonen.

Derde wedstrijd, 16 december

Ik reken erop dat mijn vaste bemanning ook wel erg blij zal zijn als we half december gaan varen en ze het nieuwe instrumentenpaneel zien. Want ik heb steeds gezegd, dat ik die nieuwe instrumenten voor hen ga aanschaffen. Dat is verkeerd gedacht. Halverwege de week wordt ik door Maarten Witmaar opgebeld, dat hij komend weekend niet kan en dat zijn vader en broer waarschijnlijk ook niet kunnen. Daar Chris Visser al eerder had gemeld, dat hij 16 december niet zou kunnen, zit ik totaal onverwacht geheel zonder bemanning. Zouden ze soms bang zijn, dat ik ze om een bijdrage voor het instrumentenpaneel zou gaan vragen? 

Ik ondervang deze tegenslag door Leo Westermeijer en Yves Bornet (tot vorig jaar vaste bemanningsleden bij mijn Dehler 33 JV) en mijn zoon Robert uit te nodigen. Zij blijken graag mee te gaan. Op zaterdag belt mijn zoon me echter op, dat hij niet meekan, omdat hij grieperig is. Gelukkig zal het volgens de voorspellingen zondag mooi weer zijn, al zal er weinig wind staan. Dat moet dus kunnen met zijn drieën.

Als ik zondagochtend op Port Zélande aankom, is het daar een gezellige boel. Er zijn een hoop zeilers, die allemaal een kerstmuts op hebben en zich tegoed doen aan één of meer oliebollen. De bedoeling van het Grevelingencupcomité is duidelijk; als iedere boot voorzien is van 4 à 10 Kerstmannen, die lekker oliebollen hebben gesmikkeld, zullen die er toch wel alles aandoen om geen aanvaring te maken en de races vreedzaam te laten verlopen.

Leo en Yves hebben er zin in.  Als we op de Grevelingen zitten en in de buurt van ons startschip zijn willen we de zeilen gaan hijsen. Als Leo en Yves hiermee bezig zijn, zien ze dat het voorstuk van de giek bijna los is van de giek. Na wat gesleutel komen ze tot de conclusie, dat dit nu niet goed te repareren is en vertellen ze, dat als het hun boot was, ze niet  zouden gaan zeilen. Nou hebben zij ook geen Dehler 43 CWS, maar daar ze allebei technisch veel beter onderlegd zijn dan ik, komt het niet in me op te zeggen, dat het best wel kan als we maar een beetje voorzichtig varen en geen klapgijp maken. Het zeil gaat weer naar beneden en we besluiten wat op de motor te gaan varen, zodat die even lekker kan lopen. Dat komt eigenlijk wel goed uit, want de dieseltank heb ik kort geleden zo ver bijgevuld, dat de diesel tot mijn tankdop staat. We varen wat tussen de verschillende banen rond en gaan naar Yves’ broer kijken, die in een J80 vaart. Vriendelijk wuivend met onze kerstmanmuts en “yoho, yoho” roepend varen we tussen de wedstrijdschepen door. Wanneer de lucht donkerder wordt en er een bui lijkt aan te komen gaan we terug naar de haven.

Bij het verder opruimen van de zeilen doen Leo en Yves een nieuwe ontdekking. De tophoek van het grootzeil hangt er los bij, terwijl die via de mastrails zou moeten lopen. Ze laten me de gaten zien, waar bij één van de twee gaten in de houten punt inderdaad wat lak is weggesleten, zodat het eruit ziet, alsof dat door een sluiting of iets dergelijks is gedaan. Dat de punt los zit, wist ik natuurlijk wel, want dat is al zo vanaf de aanschaf en in mijn doos met reserve-onderdelen heb ik nooit iets gezien dat gebruikt zou kunnen worden om de punt via de rails te laten lopen. Bovendien stond het voorlijk altijd zo strak, dat het niet opviel dat de punt los zat.


Ik vertel ze dat ik in september met Berta een fles champagne heb genuttigd, omdat we toen, na een reparatie van de toiletten, voor het eerst in een schip zaten, waarop alles het naar behoren deed (behalve dan de CH Windmeter). En als zij dan eventjes mee gaan varen, mankeert er weer van alles aan mijn schip. Om te voorkomen dat ze nog meer ontdekken stel ik voor dat we gauw naar binnen gaan om een fles whisky te nuttigen. Mijn fles whisky is ook niet gelukkig met de situatie, want ik hoor hem dit keer niet roepen: “Neem me, neem me!”  

Als we een paar borrels op hebben, herinner ik me dat er ook nog wat met de Multimeter is en alleen maar streepjes weergeeft en vraagt om een code. Of het door de whisky komt weet ik niet, maar het gaat ook hun boven de kerstmuts. Ze krijgen de meter niet aan de praat en kunnen me ook niet vertellen wat er aan de hand is. Ik zal de oude handleiding moeten zoeken en kijken of ik daarmee zelf orde op zaken kan stellen.

Als ik thuis kom vraagt Berta of we lekker gevaren hebben.

Wordt vervolgd

Rob Kooijmans.

============================================

Sapristie, quel malheur !


Deel 2


Deel 1 eindigde ermee, dat Berta in de haven van Vlieland over een blok van de fokkenschoot struikelde en daarbij haar voet verdraaide. Deze nam in een paar seconden de vorm van een ballon aan, waarmee duidelijk werd dat we nog wel een tijdje in Vlieland zouden doorbrengen.

Maar wat is een tijdje???



Haar pijn verbijtend ziet Berta kans allerlei bewegingen met haar voet te maken, zodat wij de conclusie trekken, dat er niets gebroken is en dat Berta haar voet heeft verstuikt. Veel troost geeft dat niet, want ook met een verstuikte voet duurt het weken, voordat je weer een beetje kan strompelen.

Dat weet ik maar al te goed, want tientallen jaren geleden, in mijn studententijd, waarin ik wel eens meer dronk dan goed voor me was, reed ik op een dag op de fiets naar huis. Toen ik bij een verkeerslicht moest stoppen en mijn linkerbeen uitstak, rolde mijn fiets nog een stukje door en stak mijn been in plaats van naar voren naar achteren, waarop mijn fiets ook nog een rondje om mijn voet wilde maken. Dit was teveel voor mijn hoofd en mijn lichaam en in no-time lag ik op straat met mijn fiets bovenop me. Het is me nog steeds een raadsel hoe ik met zoveel pijn en niet of nauwelijks kunnen lopen toch de vijf kilometer naar huis heb kunnen afleggen. Het heeft toen maanden geduurd voordat de pijn helemaal verdwenen was.

Hoewel Berta dit verhaal kent, herinner ik haar er maar niet aan, want het ligt voor de hand, dat volledige genezing, nu we veel ouder zijn, langer zal gaan duren.

Wel, dan moet ik van de nood maar een deugd gaan maken en aan de boot gaan klussen. Hoewel, ik heb ook een hele stapel boeken gekocht met behulp van de Detective- & Thrillergids van VN; die liggen allemaal “Robby,Robby”te roepen. Of ik daar de tijd voor krijg is de vraag, want de huishoudelijke karweitjes zullen ook door mij verricht moeten worden. Koken, afwassen, stofzuigen, bedden opmaken, boodschappen doen in de biologische winkel zijn de komende weken mijn bestaansrecht.

        Het moet gezegd worden, er zijn slechtere havens dan Vlieland denkbaar als je ergens langere tijd moet liggen. In de dagen, die volgen, komen we ook allerlei kennissen tegen. Om te beginnen de oud WSVR- leden Pim Esser en Riet Devilee. De eerste is met een vriendje op weg naar Schotland en de tweede vaart een paar weekjes met een zus mee nu ze geen Dehler 34 meer heeft. Later ontmoeten we ook Wim Nierman, het erelid van de Dehlerclub, met zijn vrouw, die ook het plan hebben naar de Oostzee te gaan.

Na een paar dagen is Berta het doodstil zitten volkomen zat en gaat ze een beetje over het steiger strompelen. Dit lukt aardig, waarbij ze geholpen wordt door het feit dat de voet niet of nauwelijks pijn doet, ook niet als ze wat

rondstrompelt. Die doet alleen maar pijn als ze op het opgezette gedeelte drukt. Ze schiet gelijk door en wil naar huis gaan om te kijken of daar alles in orde is en of er belangrijke post is aangekomen. Ik voel daar niets voor, want er staat vaak veel wind, zodat ik geen zin heb de boot alleen te laten. Daar ze niet te houden is als ze zich zoiets voorge- nomen heeft, zal ik de komende twee dagen alleen op de boot zitten.

Op 16 juli vertrekt mijn eigenste Doddeltje naar Rommeldam. Ze vertrekt om 10.30 uur met de waddentaxi, die een paar keer per dag vlak bij ons schip aan- afmeert en komt om 12.00 uur vlakbij het station van Harlingen aan, alwaar de waddentaxi afmeert. Een half uur later zit ze op het station Leeuwarden en drie uur later bij Rotterdam CS. Al met al heeft de reis van Vlieland naar huis 5 à 6 uur geduurd. Thuis is alles in orde en na de post ingepakt te hebben gaat ze slapen. De volgende dag gaat Berta om 15.00 van huis en is ze om 19.00 uur bij het station van Harlingen, waar ze op dezelfde plek als de dag ervoor op de waddentaxi wacht. Wat er ook komt, geen waddentaxi. Eén minuut voor het officiële vertrektijd wordt ze door de waddentaxi gebeld en gevraagd, waar ze blijft. Als ze dat vertelt, zegt de schipper dat ze daar moet blijven wachten en dat hij eraan komt. Hij ligt nu op een andere plaats dan de dag ervoor. Want toen is hij op speciaal verzoek naar het station van Harlingen doorgevaren, maar dat is niet zijn vaste plaats zo vertelt hij, als ze aan boord is gestapt. Uiteindelijk zit ze om 20.00 uur weer aan boord van de Parbleu deux. Ze is zeer gelukkig als blijkt, dat ik er niet met een of andere vakantiedeerne en mijn door het biologische voedsel tot een Griekse god getransformeerde lichaam vandoor ben. Ze vertelt, dat ze haar fysieke mogelijkheden zwaar heeft overschat. Ik vind dit van zoveel inzicht getuigen, dat het me geen enkele moeite kost niet te zeggen “Zie je wel, dat heb ik toch gezegd! ” Verder heeft ze in Rotterdam een voetbrace gekocht, zodat haar voet nu goed verpakt zit.

Kort hierna komt Wim Nierman met zijn vrouw ’s avonds koffiedrinken. Het is reuze gezellig, zodat ik na de 7koffie vraag of ze misschien iets anders willen drinken. Nou gelukkig willen ze dat wel, zodat mijn voorraad biologische wijn gedecimeerd wordt. Het blijkt dat zij het inmiddels opgegeven hebben naar de Oostzee te gaan. Ze blijven nog wat rondtoeren op het wad en IJsselmeer.

        Na op Vlieland 31⁄2 week nagenoeg bewegingloos doorgebracht te hebben, komen we tot het inzicht, dat we misschien toch maar eens naar de huisarts moeten gaan, want de vooruitgang gaat wel erg langzaam. Als we de huisarts bellen blijkt het een vrouw te zijn. De afspraak wordt gemaakt, dat zij de volgend ochtend bij ons aan boord komt. De volgende ochtend stappen er een knappe vrouwelijke huisarts met een knappe assistente op de boot. Ik vraag me af of de dorpsomroeper of de biologische winkel soms rondgebazuind heeft, dat er een Dehler 43 CWS in de haven ligt met een Griekse god als schipper. De huisarts en haar assistente doen echter net of ze niks zien. Ze vindt dat de voet er goed uitziet, maar vertrouwt het toch niet helemaal. Er wordt afgesproken dat wij de volgende ochtend naar de praktijk zullen komen, alwaar er röntgenfoto’s gemaakt zullen worden.

        Nadat we een half uurtje in de wachtkamer hebben gezeten, waar ondanks de drukte op het eiland de plaatselijke bevolking toch de overhand heeft, komt een mannelijke huisarts ons ophalen om de foto’s te maken. Als deze klaar zijn, blijkt er toch een breuk in de binnenenkel te zitten; die overigens goed helende is. De huisarts belt de specialist in het topklinische Medisch Centrum Leeuwarden op, die hem na hem aangehoord te hebben, aanraadt de patiënt naar hem toe te sturen. Ik begrijp dat helemaal, want de kans om met mensen uit Overschie te communiceren was tot nu toe voor Vlielanders en Friezen slechts virtueel aanwezig. Om de tocht te vergemakkelijken krijgt Berta een paar krukken uitgereikt. Nou daar hebben we dus plotseling een aardige dagvulling. Het zou er wel eens op uit kunnen draaien, dat we de nacht in Leeuwarden moeten doorbrengen. We besluiten maar gelijk met de taxi naar de veerboot te gaan, die zo naar Harlingen gaat vertrekken. Dat lukt en even later genieten we van het uitzicht over de Waddenzee. Het is goed druk met jachtjes, die naar een waddeneiland of naar Harlingen gaan. In Harlingen aangekomen besluiten we om geen tijd te verliezen en met de taxi naar Leeuwarden te gaan, ook al omdat we volgens de artsen het geld van de verzekering terugkrijgen. We genieten van de tocht als we plaatsjes, waterwegen en havens herkennen, waar we met onze vorige boten (een Zeeuwse knots en een tweemast-spitsgatter) zo van genoten hebben. Een kleine 3 uur na ons vertrek van Vlieland komen we bij het MCL aan.


Nadat ons aan de informatiebalie is uitgelegd waar we moeten zijn weten we een elektrisch karretje te strikken, dat daar rondrijdt om mensen, die moeilijk kunnen lopen naar hun plaats van bestemming te brengen.

Bij de orthopedische afdeling aangekomen, blijkt dat men niet weet, dat wij eraan zouden komen. Gelukkig hebben ze begrip voor onze situatie en worden we er tussen gemoffeld. Dit levert wel wat kwade reacties op van mensen die al uren zitten te wachten, maar het verplegend personeel zegt dat het ook maar van eenvoudige komaf is en moet doen wat de mensen boven hem of haar besloten hebben. Nadat de meegenomen röntgenfoto nog eens goed bekeken is, vindt de specialist het niet nodig de enkel in het gips te zetten, iets wat hij ook al tegen de huisarts had gezegd. Het genezingsproces verloopt goed en men schat, dat er nog 3 weken rustig aan moet worden gedaan voor Berta kan gaan lopen en dat het nog wel een paar maanden zal duren, voordat de voet helemaal genezen is. Men denkt wel dat we over 3 weken weer kunnen gaan varen. Berta krijgt nog wel een veterbrace, die vreemd genoeg met grote letters het woord ASO laat zien. Dit in combinatie met de twee krukken zorgt dat ervoor dat de wachtende mensen geen onwelgevallige opmerkingen meer maken als wij langskomen. Al met al is alles snel verlopen in het ziekenhuis als we om 16.00 uur met een taxi in de haven van Harlingen aankomen. We moeten nog 3 uur wachten voordat we met de veerboot terug kunnen gaan. Gelukkig is het mooi weer en kunnen we het wachten op een terras aan de haven doen.

Uiteindelijk komen we om 20.30 uur in Vlieland aan en zitten we om 21.00 uur weer op onze eigen boot. We zijn vol goede moed en denken nog steeds naar de Oostzee te gaan. Dit wordt mede veroorzaakt door het reisverslag van het DCN-lid André van Naarden, die dagelijks op internet verslag doet van zijn drie maanden durende vakantie op de Oostzee. Dat ziet er allemaal leuk uit, vooral ook omdat hij veel van de meren in de diverse landen laat zien.

Vol goede moed begin ik de correcties op de kaarten (papier en digitaal) van de Oostzee te downloaden om die in mijn kaarten en havenpilots aan te brengen.

Dat is nog een hele klus, die extra moeilijk is, omdat ik al zolang van de kleuterschool af ben, waardoor ik niet goed meer kan fröbelen. Als we op 13 augustus vroeg op staan waait het weer eens fors en wanneer we op 16 augustus nog steeds niet naar Lauwersoog of een Duits Waddeneiland kunnen gaan besluiten we, achter ons streven om naar de Oostzee te gaan een dikke punt te zetten. De Oostzee zal tot volgend jaar op ons moeten wachten. We gaan richting thuishaven, waar we dan nog in Zeeland kunnen rondvaren of bijvoorbeeld naar België gaan. Op 17 augustus gaan we naar Den Helder waarna we via IJmuiden op 23 augustus in Scheveningen aankomen. Als we in de voorhaven van Scheveningen zijn, maken een paar stevige windvlagen het ons onmogelijk rustig in de wind af te tuigen en zijn we gedwongen het grootzeil met een klap te laten vallen. Gevolg is dat er een karretje bij een doorlopende zeillat het loodje legt. Dat gaan we de volgende dag maar eens bekijken.

’s Avonds komen mijn dochters Lisette met haar partner Chantal en Marjan (de vrouwelijke helft van onze tweeling) aan boord. Lisette wordt al aardig dik van haar aankomende tweeling, die in België gefabriekt is. Marjan heeft de hele dag surfles gehad op het strand van Scheveningen.

De volgende dag neem ik de schade bij het voorlijk van het grootzeil in ogenschouw. Dat is een heel gedoe, omdat ik het zeil niet kan hijsen door een teveel aan wind en het nogal zwaar en stijf is als triradiaal gelamineerd grootzeil. Ik ga met het kapotte karretje (Luffshuttle) naar Vrolijk. Ze hebben ze niet in voorraad, zodat het karretje bij de importeur in Brouwershaven besteld moet worden. Ik bestel gelijk maar een reserve. Als ik op maandag naar Vrolijk bel, hebben ze nog niets ontvangen. ’s Avonds komt Robert, de andere helft van onze tweeling met zijn nieuwe vriendin en haar twee kinderen.

Als ik dinsdag opnieuw naar Vrolijk bel hebben ze nog steeds

niets ontvangen. Wanneer zij vervolgens de importeur opbellen, krijgen ze te horen, dat die de verzending vergeten is. 

Woensdag in de namiddag krijg ik eindelijk bericht, dat de Luffshuttles zijn aangekomen. Als ik ze donderdag heb gehaald, kan ik gelijk aan de slag, want er staat geen wind, zodat ik het zeil kan hijsen. Ik ontdek nu dat er nog een karretje kapot is. Het komt dus mooi uit, dat ik een reservekarretje heb besteld. Die vlieger gaat echter niet op, want het blijkt dat één van de Luffshuttles niet in orde is. Ik kan het plaatje van de Luffshuttle dat in de rails zit niet aan de rest van het karretje vastschroeven omdat de twee meegeleverde bouten daar niet in passen. Gelukkig heb ik nog wat onderdelen van een eerdere reparatie, zodat ik het alsnog een compleet karretje kan samenstellen en niet nog een paar dagen hoef te wachten op een nieuw karretje. Goh, ik wordt toch wel steeds handiger!

Eind augustus gaan we op weg naar Stellendam. We besluiten daarheen te gaan en niet naar de Roompot, omdat we dan geen rekening hoeven te houden met de voor mij te lage brug bij de Roompotsluis en ook niet een paar dagen kwijt zijn aan het heen en weer varen tussen Port Zélande en De PUT, waar Zuid zijn Rondje Tiengemeten gaat houden.

Als we in Stellendam liggen, komen we tot de ontdekking, dat we ook hier te maken hebben met veel wind en regen. We gaan daarom ook een paar keer een aantal dagen naar huis. Verder laten we de twee toiletten en de douche repareren. Bij de douche maakt de motor, die het water weg moet zuigen, een enorm kabaal en bij de twee toiletten is er na een halfuur zwengelen nog geen druppel water verdwenen. De herrie bij de douche wordt veroorzaakt door een filter dat vol met haren zit en niet door de pomp. Nu weet ik gelijk, waar dat filter zit. Als ook de twee toiletten gerepareerd zijn vieren we dat met een fles champagne, want een jaar na de aanschaf van de Parbleu deux werkt voor het eerst alles, al is het natuurlijk de vraag hoelang dit gaat duren. Want het is nog steeds vaste prik, dat er na een dagje varen altijd wat te repareren valt.

Op 17 september steken we over naar De Put van waaruit ons evenement Rondje Tiengemeten van 21 t/m 23 september gehouden zal worden. Na de boot afgemeerd te hebben aan het passantensteiger gaan we naar huis, want de programma’s en de etiketten voor de kruiken Dehlers’s Bilgebitter moeten nog gemaakt worden.

Het Rondje Tiengemeten wordt met 15 inschrijvingen, het mooie zeilweer en het gastheerschap van wsv De Put een zeer geslaagd evenement (Zie elders in dit nummer).

Na aan het georganiseerde ontbijt deelgenomen te hebben gaan we op zondag 23 september op weg naar onze thuishaven. Hoewel onze thuishaven het verste weg ligt, gaan we als een van de laatste schepen weg, want we zijn van plan de Haringvlietbrug en drie daaropvolgende sluizen in twee dagen te nemen. We missen op een haar na de opening van 11.00 uur en gaan dus om 12.00 door de Haringvlietbrug. Bij de Volkeraksluizen moeten we, gezien de lengte van onze mast, door de beroepssluis. Via de marifoon krijgen we te horen dat er eerst 3 binnenschepen naar binnen gaan en dat wij daarna naar binnen mogen. Als de sluis opengaat komt er een betrekkelijk klein vrachtscheepje naar buiten, die over de marifoon op zijn grote collega’s aan het schelden is, omdat ze geen rekening met hem hebben gehouden. Nou, dat klinkt voor ons natuurlijk niet erg bemoedigend. Als wij naar binnen gaan ligt de één na grootste vlak voor me en de grootste opzij en achter me. We passen nog maar net tussen het schip voor ons en de sluisdeur achter ons. De vrachtschepen houden keurig netjes hun schroef stil, maar bij het wegvaren van de binnenschepen, heeft de Parbleu deux het zwaar te verduren. Eerst door het schroefwater dat tegen mijn steven botst en dan door het schroefwater dat na tegen de sluisdeur gebotst te zijn tegen mijn spiegel botst. En dat tweemaal. Het loopt allemaal goed af, maar ik leer er wel van, dat je in zo ́n situatie zo kort mogelijk afgemeerd moet zijn en de lijnen niet in je hand moet houden, maar via een kikker moet laten lopen. Bij de Krammersluizen is er bij de beroepssluis geen beroepsvaart. We worden vriendelijk verzocht dicht naar de sluis te varen, omdat er een zeiljacht uitkomt, die dan gelijk met ons door de brug kan.

Naar Bruinisse varend komt het hemelwater met bakken naar beneden en neemt de wind fors toe. Er liggen nog drie jachtjes te wachten. Als we om 18.00 uit de sluis komen stel ik Berta voor om toch maar naar Port Zélande door te varen. Want voor de volgende dag wordt eveneens veel regen en zeer veel wind voorspeld. Het enige waar ik bang voor ben is dat het te donker wordt, want door de dichte regen zijn de boeien nu al moeilijk te zien. We komen uiteindelijk om 19.30 uur volledig doorweekt in MPZ aan. Vanwege de wind (we zien een ander jacht zeer schuin

tegen een kopsteiger liggen) durven we niet in onze box af te meren en nemen ook een kopsteiger, maar wel in de luwte van de vakantiehuisjes van CenterParcs.

We blijven lekker lang in bed liggen. Het is windstil als we zitten te ontbijten en koffie te drinken. Maar als de wind begint op te komen, zorgen we, dat we razendsnel in onze box komen. En ja hoor, als we afgemeerd zijn, begint het echt te waaien en te regenen. Als het eventjes rustiger is snellen we met de bagage naar de auto en gaan naar huis. De tocht over de Haringvlietdam loopt goed af al wordt de auto af en toe flink onder handen genomen.

‘s Avonds zien we thuis op de TV dat de storm voor miljoenen schade heeft

gezorgd. We zijn blij, dat onze vakantie erop zit. Hoewel vakantie ????


Rob Kooijmans

VAKANTIE 2012

Bekijk hier de diashow van de redding: http://www.photoshow.com/watch/Ye2Rz3zE

Sapristie, quel malheur !

Vorig jaar zijn we voor het eerst, na vele vakanties op de Oostzee doorgebracht te hebben, met een ontevreden gevoel teruggekeerd . Dit was louter en alleen te wijten aan het weer, (veel wind en regen), waardoor veel minder gezeild en gezien hebben, dan we van plan waren. 

Daarom besloten Berta en ik daar in 2012 opnieuw naar toe te gaan en wel 3 maanden, om de schade in te halen.

 Na van 10 tot 12 juni nog wat kleinigheden in orde gemaakt te hebben in Port Zélande, het dek met “gerenoveerde wantspanners” aan de mast gefixeerd te hebben en een zak vol reserve onderdelen voor de Yanmar ontvangen te hebben,  vertrekken we op woensdag 13 juni naar de Roompot. Het is eindelijk goed zeilweer en we maken daar dankbaar gebruik van. Als ik echter de fok uit wil rollen, kan ik het lijntje niet vinden, dat ik los moet gooien om de fok uit te kunnen laten rollen. Als ik verder kijk, zie ik dat ook al de blokjes, die onderaan bij de scepters vastzaten en waar die lijn doorheen liep, weg zijn. Welke hufter heeft dat gejat? Wat nou?

Als ik probeer te bedenken hoe ik dit op moet lossen en naar mijn rijtje valstoppers kijk, zie ik op een van die valstoppers “fokoproller” staan. Die lijn is echter veel dikker dan de lijn, die ik in gedachten had. Langzaam begint het te dagen. Doordat ik vanaf de laatste winterwedstrijd op de Grevelingen (in maart) niet meer gevaren heb, verwarde ik even deze Dehler 43 CWS, die ik nog maar een jaar heb, met de mijn Dehler 33 J/V, waarin ik vanaf 2003 tot vorig jaar gevaren had. Wat bof ik toch met mijn Doddeltje, die op zulke momenten vol begrip is voor het gedrag van haar Bollie, en zijn ongehoorde uitvallen vriendelijk glimlachend langs haar koude kleren laat afglijden.

We zijn nauwelijks een uurtje op de Grevelingen of de zon breekt door. De zeilen bollend in de ruime wind doen de Parbleu deux door het opspattende water glijden. Een geluksgevoel zoals alleen zeilers dat kennen doet ons wegdromen als plotseling een snuivend geluid de stilte doorbreekt. Even flitst door Doddeltje heen dat Bollie zijn Famous Grouse verruild heeft voor coke, maar nee, het onregelmatig terugkerend gesnuif wordt voortgebracht door een bruinvis. Deze slimme vis nodigde onze boot al eens eerder uit zijn speelmakkertje te zijn en ook een duik onder water te nemen en vervolgens bij het happen naar lucht de rugvin  laten zien. Ook dit keer snuift en zwemt hij uitnodigend van stuurboord naar bakboord en verdwijnt pas na geruime tijd als onze stemmen hem niet langer aanmoedigen.

Uiteraard springt het licht van de sluis bij Bruinisse op groen als wij naderen en ook de Zeelandbrug dwingt het asfaltverkeer onmiddellijk tot stoppen om ons geluksvogels door te laten. Na nog een heerlijk stuk aan de wind varen naar de Roompot, waarbij we niet één keer over stag hoeven te gaan, lijkt deze eerste zeildag een fantastische vakantie in te luiden.

Het is de bedoeling de volgende dag vroeg op te staan, daar de vaste brug bij de Roompotsluis alleen met laag water geen stuk van mijn 20 m lange mast hapt. Die nacht komt het slechte weer terug van weggeweest en houdt 5 dagen aan, zodat we tot 18 juni kunnen uitslapen voor we naar Scheveningen gaan. 

Het eerste deel leggen we met een flink gangetje op de motor af. Het is de bedoeling na het passeren van de Maasgeul de zeilen te zetten. Als we de Maasgeul gepasseerd zijn, zie ik dat de wijzer van mijn temperatuurmeter schuin naar voren staat in plaats van rechtop. Ik kan echter niet zien hoeveel hij aanwijst, maar Doddeltje zegt dat hij 120 0C aangeeft. Dat is schrikken, vooral ook, omdat ik niet weet of hij niet al lang zo hoog staat. Na rap flink wat gas geminderd te hebben hijsen we de zeilen en gooien de motor helemaal uit. Ik stel mezelf min of meer gerust met het idee, dat ik te lang te hard gevaren heb en dat de motor het weer goed zal doen als hij afgekoeld is. Het is gelukkig goed zeilweer, waarbij de wind uit de goeie hoek komt. Bij Scheveningen aangekomen varen we met een rustig gangetje op de motor naar binnen. Als we netjes afgetuigd zijn, komt mijn zoon Robert aanzetten en even later mijn dochter Lisette met haar levenspartner Chantal. Daar die laatste twee de boot nog niet gezien hebben besluiten we ondanks de lonkende chinezen aan boord te eten. Het wordt een gezellige avond, waarbij we als klap op de vuurpijl te horen krijgen, dat heer Bollie en Doddeltje grootouders gaan worden van een tweeling.

De volgende dag gaan we door naar IJmuiden. Daar we maar een klein stukje hoeven te motoren om Scheveningen uit te komen en de zeilen te hijsen, loopt de motortemperatuur niet noemenswaardig op. Daar het ook deze dag schitterend zeilweer is met een wind, die uit de goede hoek komt, hoeven we pas bij IJmuiden de motor weer te starten om naar binnen te gaan. Als we in de verte een paar reusachtige schepen zien aankomen en nog een aardig stukje moeten varen voordat we bij de marina zijn, geef ik flink gas en loopt de temperatuur weer op. Er is dus toch wat aan de hand, wat we voorlopig oplossen door rustiger te varen en in de vaargeul uiterst rechts aan te houden. In de marina meren we zo gauw mogelijk aan een kopsteiger af naast een tot plezierjacht gerenoveerd vissersschip.

Na alles opgeruimd te hebben besluiten we eerst van onze welverdiende borrel te gaan genieten, want onze scheepsbel heeft 18.00 uur geheit. Bovendien is er morgen weer een dag. Daar het de volgende dag weer eens stevig waait blijven we lekker liggen en kan ik rustig naar mijn motor kijken. Het is heel bijzonder wat ik aanschouw. Ik ben de eerste Dehlerbezitter, wiens Dehler negroïde trekken heeft gekregen. Hij is namelijk pikzwart geworden. Ik wist niet dat mijn uitlaat zo lek was en zo’n zwarte roet afscheidde. Als ik vervolgens een paar stukken rubber in het motorruim zie liggen en nog eens naar mijn V-snaar kijk, zie ik, dat die nog wel over drie schijven loopt maar dat er flinke happen uit zijn. Gelukkig heb ik bij de aanschaf van het schip een oude V-snaar cadeau gekregen. Wanneer ik de moer van de dynamo probeer los te draaien, zit deze muurvast. Als ik nog meer kracht zet, glijdt de sleutel een stukje door. Dit is een duidelijk signaal, dat mijn motor vindt, dat ik van hem af moet blijven en ik kan daar begrip voor opbrengen. Dat zou ik ook denken als heer Bollie aan me zat te sleutelen. Ik besluit daarom een monteur te zoeken; die kan dan gelijk kijken of mijn motor niet nog meer schade heeft opgelopen door de oververhitting. De monteur blijkt vlakbij aan de haven te zitten en bij een vestiging van de Rotterdamse Volvo Penta dealer Terlouw te werken. Dat zit dus wel snor met iemand uit Rommeldam. Al de volgende dag heeft hij tijd om langs te komen. 

Een nieuwe V-snaar ligt er binnen een paar tellen om heen. De monteur laat zien, dat de dynamo niet verder opgeschoven kan worden, zodat de V-snaar niet verder gespannen kon worden. Iets wat ik zelf ook al had begrepen. Hij vermoedt dat dit de oorzaak van het oplopen van de temparatuur is geweest, met als gevolg het verbranden van de V-snaar is. Na goed geluisterd en gekeken te hebben komt hij tot de conclusie dat er verder niets aan de hand is. Daar kom ik dus goed mee weg.

Mijn motor is dan wel weer in orde, maar dat wil niet zeggen dat we verder kunnen varen. Er komt weer slecht weer aan met vooral veel wind. Met name in het weekend van 23 en 24 juni is het raak met windkracht 7 en 8. Daar de wind dwars op de boot staat lig ik niet zo fijn aan het kopsteiger. Hoewel ik toch flinke stootkussens heb is dit niet voldoende. Ze worden zover ingedrukt dat daar waar de boot het breedst is deze door de wind en de golven af en toe tegen de steiger wordt gedrukt. Bovendien kruipt een stootkussen soms omhoog en ligt dan op de steiger. Als ik naar mijn buurman kijk, die aan de lijzijde van het kopsteiger ligt, zie ik dat hij een paar nieuwe leguanen op het steiger heeft laten liggen. De punten hiervan zijn dunner dan mijn stootkussens, zijn omwikkeld met kunststof en passen mooi tussen mijn stootkussens, omdat het touwwerk niet dunner wordt door de druk van het schip. Als ik mijn buurman ga vragen of ik er een mag gebruiken, blijkt er niemand aan boord te zijn. Ik ga er dan maar vanuit dat de eigenaar er geen bezwaar tegen gehad zou hebben. Ik vouw de leguaan in de vorm van een hoefijzer, zodat beide punten tussen de stootkussens passen. Om te voorkomen dat de leguaan in het water wegzakt, maak ik hem met een lijntje vast op een kikker aan de andere kant van het steiger. 

De volgende ochtend zie ik dat de andere leguaan aan boord van het schip is gelegd en dat de leguaan, die ik heb geleend voor de helft op het steiger ligt , zodat er nog maar één punt tussen de stootkussens steekt. De boot blijkt wat licht beschadigingen opgelopen te hebben. Er zitten blauwe plekken op de romp van het materiaal, waarmee de punten omwikkeld zijn en het touwwerk blijkt toch zo ruw te zijn dat de huid wat beschadigd is. Wat stevig poetsen lijkt echter voldoende, maar gezien de windkracht acht steek ik mijn handen nog niet tussen boot en steiger

Wat ik niet begrijp is waarom één leguaan nu bij de buurman aan boord ligt, terwijl de door mij gebruikte leguaan nog voor de helft tussen schip en steiger zit. Als de buurman dit heeft gedaan, had hij er kennelijk geen bezwaar tegen dat ik zijn leguaan geleend heb. Maar waarom lag hij dan voort de helft op het steiger? Ik hang hem er maar weer helemaal tussen.

’s Avonds heb ik contact met de vrouw van de buurman, die alleen aan boord blijkt te slapen. Zij vertelt, dat toen zij de afgelopen avond met haar fiets over het kopsteiger liep wel de geleende leguaan zag hangen maar niet het door mij gespannen lijntje, dat dwars over het steiger liep. Het scheelde weinig of ze had met fiets en al in het water gelegen. Toen zij de geleende leguaan voor de helft had opgehaald, was haar woede bekoeld en heeft zij hem verder laten hangen. Toen ze mij dit vertelde kon ze er zelfs een beetje om lachen.

De 26e juni kunnen we eindelijk naar Den Helder of Vlieland gaan. Het wordt Den Helder want er staat voor de verandering eens helemaal geen wind. Als we van de 35 mijl naar Den Helder een stuk of 22 op de motor hebben afgelegd gaat de motor langzamer lopen en stopt uiteindelijk. Verdorie, dat heb ik vorig jaar ook al meegemaakt, maar dat is toen goed gerepareerd. Wat nu weer? Als we noodgedwongen gaan zeilen blijkt de SOG tussen de 0,5 en 1,0 nm te bedragen. Op die manier zijn we pas in 2016 in Den Helder of als we teruggaan, wat Doddeltje wil, in 2017 in IJmuiden. We worden het eens, dat Den Helder het meest voor de hand liggend is na alle inspanning, die het ons gekost heeft hier te komen en dat we via kanaal 16 de kustwacht moeten benaderen. Die houden hier kennelijk een oefening hebben, want ik kan me niet voorstellen, dat al die boten en een vliegtuig hier voor ons zijn.

Ik leg de kustwacht uit, dat er weliswaar geen sprake is van gevaar, maar dat we liever niet de nacht op zee doorbrengen tussen IJmuiden en Den Helder, omdat we vanwege het gebrek aan wind niet goed kunnen manoeuvreren. Ze begrijpen dit volkomen en zeggen, dat ik verder contact met het schip de Visarend moet onderhouden, dat me verder zal helpen. Die komen op me af en laten een rubberboot te water met daarin een mannetje of 5. En zo heb ik opeens douane, marechaussee en politie aan boord. terwijl de rubberboot mij richting Den Helder trekt. I.p.v. dat ze moeilijke vragen gaan stellen zijn ze zeer met me begaan. Er gaat zelfs iemand aan mijn motor zitten sleutelen. Zonder resultaat overigens, zelfs na ruggespraak met een scheepstechnicus aan boord van de Visarend.

Daar de Visarend ook nodig is voor de oefening, die gaande is, hebben zij contact gelegd met de KNRM van Petten en Den Helder, die het van hun zullen overnemen. En zo komt er eerst de “Dolfijn” een rubberboot met drie man van Petten, die de sleeplijn van de rubberboot van de Visarend overneemt, en vervolgens komt er een grote rubberboot van de KNRM van Den Helder met een mannetje of acht, die de sleep van de boot van Petten overneemt. De boot van Petten bleef zich echter verantwoordelijk voor Doddeltje en mij voelen, want ze blijven tot en met Den Helder meevaren en de “Joke Dijkstra” van Den Helder in de gaten houden. Als kroon op hun werk duwen zijn ons om 18.00 uur tegen een kopsteiger in Den Helder nadat de Joke Dijkstra eerst nog een oude reddingboot, die het tot museumstuk heeft gebracht een zet heeft gegeven. En zo zijn er en heleboel mensen bezig geweest “ons leven” te redden. (In de berichten van de door de KNRM verrichte reddingen komen we evenwel niet voor).

Twee dagen later komt de monteur van de officiële Yanmar-dealer in Andijk kijken wat er aan de hand is met mijn motor. Er blijkt ergens een verstopping in de brandstofleidingen te zitten. Als hij die met een pomp probeert weg te blazen, lukt dit pas bij een druk van 3 atmosfeer. Tevreden start hj de motor, die onmiddellijk aanslaat maar even later opnieuw uit eigen beweging stopt. Vervolgens zuigt hij met een andere pomp de diesel uit de brandstofleiding. Zwarte vlokken in de diesel geven aan dat de diesel door bacteriën vervuild is. Hij start de motor opnieuw, die even loopt maar vervolgens weer stopt. Daarop duikt hij in het mangat van mijn dieseltank en constateert dat die brandschoon is. 

Leidingen schoon, tank schoon, brandstoffilters schoon, waar zit het probleem dan? Na enig nadenken komt hij tot de conclusie, dat het euvel moet zitten in het T-stuk bij de brandstoftank, dat ervoor zorgt dat de diesel zowel naar de kachel als naar de motor kan stromen, waarbij de doorgang naar de kachel slechts 5 mm is. , i.t.t. de bredere doorgang naar de brandstofleiding van de motor. Na het T-stuk er afgehaald te hebben en de leiding van de motor rechtstreeks op de tank aangesloten te hebben is het probleem echt opgelost, zo zegt hij. En inderdaad, de motor blijft nu lopen. 

Daar het pas 12.00 uur is, besluiten we alsnog naar Vlieland te vertrekken. Als we daar na 5 uur motoren aankomen weten we zeker dat de motor weer in orde is. Verheugd dat we nu eindelijk naar de Oostzee kunnen gaan, meren we af en nemen een borrel, die ontzettend goed smaakt. Als Doddeltje even het dek op is gesneld om een irritant klapperende lijn te temmen hoor ik plotseling een doffe plof. Ik roep: "Doddeltje, wat is er ?" Als ik geen antwoord krijg neem ik aan, dat het geluid bij de buren vandaan kwam. Maar waar blijft Doddeltje dan? Als ze niet naar binnenkomt, ga ik toch maar even kijken. En daar zit ze! Met een van pijn vertrokken gezicht wrijft ze over een verdraaide enkel, die in een paar tellen de vorm van een luchtballon aanneemt. Ze is over de het blok van de fokkeschoot gestruikeld.

Het zal nog even duren voor we op de Oostzee zijn. 


Heer Bollie en zijn Doddeltje.



Parbleu deux

De maagdentrip naar de Oostzee, deel 1

 

Zoals velen weten, hebben wij ontzettend veel plezier van onze Dehler 33 J/V gehad, ondanks dat het volgens vele DCN-leden geen echte Dehler was (want dat zijn alleen Van der Stadt-Dehlers). Maar ja, leden, die dat zeggen, hebben waarschijnlijk nog nooit in een Dehler 33 J/V gezeild. Niettemin, voor die DCN-leden was ik de verloren zoon, die weer thuiskwam, toen ik een 43 CWS (central winch system) kocht.

De zoektocht naar een nieuwe boot
Maar goed, ondanks dat wij onze Dehler 33 een heel fijn schip vonden, wilden Berta en ik voordat we als twee mummelende ouwetjes in een verzorgingstehuis zouden belanden, nog één keer van schip veranderen. En omdat we graag lid van DCN wilden blijven moest dat ook een Dehler worden. In eerste instantie dachten wij gezien bovenstaande aan een Dehler 41 DS of een Dehler 43 CWS. De eerste had aanvankelijk de voorkeur, maar uiteindelijk vonden we het prijsverschil met de 43 CWS, waar we ook zeer van onder de indruk waren, te groot. Dus gingen we op zoek naar een Dehler 43 CWS.

Er waren er op dat moment in Nederland 4 te koop zo bleek na op internet gegoogled te hebben. Allemaal uit 1992. Dat gaf te denken. Zou er wat mis mee zijn? Nader onderzoek wees uit, dat dit niet het geval was. Integendeel, de Dehler 43 was in dat jaar “Boot van het jaar” geweest.

Van die vier bleek er een verkocht te zijn en voor een ander werd beduidend meer gevraagd dan waar de andere 43’ers voor te koop stonden. De mensen van die boot werden helemaal gek van de prijzen, die geboden werden en vertelden me besloten te hebben de boot voorlopig zelf te houden. Daar ik ook zo’n bod in gedachten had, viel die boot dus af.


De twee overblijvende boten bleken van DCN-leden te zijn. De eerste, die we bezochten kenden we, want die hadden we op een van de clubtochten van DCN naar Engeland kunnen zien. We waren er destijds zeer van onder de indruk. Nu we hem weer bezochten, zag hij er echter niet uit. Er heerste een grote puinhoop, veroorzaakt door het feit, dat de eigenaar bij het opknappen van de ladder was gevallen, maar met zijn been in de ladder was blijven haken. Hij kon een tijdje niet meer lopen en aan zijn schip werken en had dus ook zijn schip niet meer op kunnen ruimen; waar hij me overigens wel voor had gewaarschuwd.

De dag erna gingen we naar de laatste. Het was een verschil van dag en nacht met de vorige, vooral van binnen. Al het houtwerk zag er prachtig uit, er was geen krasje of deukje in het hout te bekennen. Daar het al april was en we per sé op korte termijn wilden gaan zeilen en de prijs redelijk was, viel onze keus op dit schip. Wel wilden we hem nog laten keuren, omdat we wisten dat kopers in hun enthousiasme weleens te weinig kritisch zijn. Die fout wilden wij niet maken. Bovendien wilden we er een boegschroef in laten zetten, want het rennen over dek om de boot af te houden werd ook minder.

En zo werd dit schip onze eerste “echte” Dehler. Na vervanging van de verstaging, het volledig kaal halen en het opnieuw in de antifouling zetten van het onderwaterschip, het inbouwen van een boegschroef en nog wat andere werkzaamheden was het inmiddels toch juli geworden. Na de tewaterlating bij de werf in Sint-Annaland, waar men zo vriendelijk was geweest deze werkzaamheden te verrichten, zouden we gelijk naar Lauwersoog door moeten varen om ons aan te kunnen sluiten bij een groepje DCN-leden, dat naar Denemarken zou gaan.


Het rijp maken van de Parbleu Deux voor Rob en Berta
Als we op 4 juli met een fototoestel en een fles champagne op de werf komen om de boot feestelijk te water te laten, ligt hij er al in. Dat is pech. Nu moet Berta de fles van de 4 à 5 meter hoge kademuur laten vallen om de boot te kunnen dopen. En daar dan ook nog een foto van maken? Nee, laten we dan maar van de nood een deugd maken en de fles leegdrinken. Maar dan wel eerst de bagage voor de vakantie aan boord zetten, anders wordt het weer zwemmen. Als ik daarna van mijn navigatie-instrumenten wil gaan genieten, blijkt het display van mijn windsnelheidsmeter blanco te blijven. Dat is vreemd, want bij de proefvaart deed hij het wel. Als ik naar het topje van de mast kijk, zie ik, dat het schoepenradje niet meer draait.  Zo kan ik toch niet met vakantie? Met opgestoken veren ga ik naar de werfeigenaar, omdat zijn personeel dit veroorzaakt heeft en die windmeters niet meer te koop zijn. Hij krijgt me pas tot bedaren, als hij me na enig denkwerk vertelt dat hij nog ergens zo’n onderdeel heeft liggen van iemand, die dit wel gekocht maar uiteindelijk nooit gebruikt heeft. Als hij die persoon belt, blijkt dat ik dit onderdeel voor een prikje kan overnemen. Als ik daarmee instem kan hij er de volgende dag opgezet worden. Uiteraard stem ik ermee in.

De volgende dag komen er drie man om de windvaan annex schoepenrad op de mast te zetten. Ik vind dat wat veel, omdat ze een grote botenkraan hebben. Het blijkt echter dat ze het leuker vinden om iemand mijn 20 meter hoge mast in te hijsen, zodat ik het donkerbruine vermoeden krijg, dat de man, die dit gaat doen een nieuwe kracht is. Alles gaat verder goed en tot mijn grote vreugde doet de windmeter het weer. Eindelijk kunnen we van onze “nieuwe” boot gaan genieten. We besluiten daarom, nu het al middag is, de tocht deze dag te beperken tot het varen naar de Roompot. Tijdens deze trip houdt het log het voor gezien. Gelukkig doet mijn GPS het wel, zodat ik wel de SOG (speed over ground) kan aflezen. Ik ga er maar vanuit, dat ze bij de werf in hun enthousiasme bij het opbrengen van de antifouling ook het draaiende deel van mijn log een flinke lik hebben gegeven; meestal gaat dat vanzelf weer draaien.

Met een roestige spijker in het hoofd naar het noorden

’s Avonds komen Nel en Leo langs, die ook in de Roompot liggen. Daar Berta een aantal kennismakingspakketten Glenfiddich (met drie soorten maltwhisky in kleine flesjes) heeft gekocht, moet het eerste pakket er die avond al aan geloven.

Op 6 juli gaan we veel later dan gepland op weg naar het noorden; ik met een grote spijker in mijn hoofd. Het ziet er verder goed uit. Daar het eerste stuk in de wind is door een betrekkelijk smalle geul, besluiten we voorlopig maar even op de motor te blijven varen. Na een half uurtje begint de dieptemeter als een gek te piepen en vertoont het display allerlei rare kreten. Hoe kan dat nou, ik zit toch keurig tussen de boeien? Maar dan herinner ik me, dat het alarm op drie meter is afgesteld, omdat de boot 2 meter diep steekt en het in deze geul hier en daar 3 meter diep is bij laag water.  Dat zal het zijn. Desondanks ga ik voor de zekerheid wat meer naar het midden. En inderdaad, hij houdt op met piepen en laat ook weer de diepte zien. Als we een half uurtje later in dieper water zitten slaakt Berta een diepe zucht en ook ik voel me wat veiliger, al snap ik nog niet wat er aan de hand was. Na een tijdje zijn we echt op zee en kunnen we de zeilen hijsen. Als we ter hoogte van Stellendam zijn, besluiten we, dat het genoeg is geweest en willen we in de buitenhaven gaan overnachten. Bij het aftuigen valt het blok, waarmee de schoot van het grootzeil aan de giek zit, in het water. Als ik de schoot uit het water trek, blijkt de borstbout van de harp de benen genomen te hebben. Het is behoorlijk vol in de buitenhaven, maar we kunnen langs een zeiljacht, dat de vlag van De Maas voert, afmeren. Men zit er gezellig te borrelen.

Hoewel ik ons hele schip ondersteboven keer kan ik geen andere harp vinden, althans niet zo’n grote. Ten einde raad wend ik me tot de schipper van het naast me liggende jacht en vraag hem of hij misschien een harpsluiting voor me heeft en laat hem de borstboutloze harp zien. Na enige aarzeling gaat hij voor me op zoek en komt met een mooie rvs-harpsluiting terug. Als ik zeg, dat ik er graag voor wil betalen schudt hij het hoofd, zodat er niets anders op zit dan een kennismakingspakket Glenfiddich open te gaan maken en daar een flesje uit te halen. Als ik hem dat aanbiedt, schudt zijn hoofd geen nee. De volgende dag is het goed zeilweer en bereiken we IJmuiden. Als ik ’s avonds de reis over zee wil voorbereiden, ontdek ik, dat we alle kaarten voor Duitsland en de Oostzee vergeten zijn. Het geluk bij dit ongeluk is, dat we vanuit IJmuiden nog makkelijk met de bus en trein naar huis kunnen gaan, maar het kost wel weer een dag.

Met het openbaar vervoer naar huis.

Als Berta de volgende dag naar huis gaat om de kaarten te halen, kan ik mooi gaan proberen erachter te komen, waarom mijn marifoon het niet doet. Ik heb ook wel een handmarifoon, maar daar heb ik op zee niet zoveel aan. Als ik de handleiding zit te bestuderen kom ik er achter, dat ik op zoek moet naar een apparaat waar ook nog een tweede marifoon op aangesloten kan worden. Het probleem is, dat ik het hele apparaat niet kan vinden. Ten einde raad bel ik de werf op, want die hebben mijn marifoon laten omzetten op mijn naam en toen weer ingebouwd. Het blijkt dat hij onder mijn kaartentafel achter een schot zit. Als ik dat schot weghaal zie ik het apparaat zitten. Bovendien vind ik zo ook de omvormer. Die stond bij de koop wel op de inventarislijst, maar ik kon hem in de Roompot niet vinden. Daar sla ik dus 1½ vlieg in één klap, want ik kan nu wel weer 220 volt uit mijn accu’s halen, maar nog niet met de marifoon communiceren, want hij reageert niet op de aan- en uitschakelaar. Als ik weer in de handleiding kijk gaat er een lichtje branden.
Vervolgens duik ik weer onder de kaartentafel en ja hoor, de stekker van het snoer van de hoorn zit niet aangesloten en is ook nergens te vinden. Wel zie ik een enorme bos draden, die vanaf mijn instrumentenpaneel overal naar toegaan, maar daar zit het marifoon snoer niet bij. Uiteindelijk zie ik met behulp van een zaklantaarn ergens ver weg een stekkertje zitten. En als ik met in mijn ene hand de zaklantaarn en in mijn andere hand een pincet op mijn dikke buik lig kan ik het stekkertje voorzichtig naar me toe wurmen en aansluiten. Als ik vervolgens de marifoon uitprobeer, functioneert hij weer naar behoren.

Als Berta ’s avonds weer aan boord komt vertel ik trots wat ik als simpele alfaman allemaal gedaan heb. Die nacht krijg ik mijn verdiende loon.

Rob Kooijmans

(wordt vervolgd)

Parbleu deux

De maagdentrip naar de Oostzee, deel 2

 (Het eerste deel eindigde met het feit dat Berta en ik er in IJmuiden achter kwamen, dat we de kaarten van de Oostzee vergeten waren en Berta die met de trein ging ophalen.

Naar Lauwersoog

Nu we onze zeekaarten weer hebben, kunnen we onze reis vervolgen naar Vlieland. Het is daar nog net zo druk als een aantal jaren geleden.

Er is één groot verschil. Een aantal jaren geleden lag het er zo vol, dat je van de ene kant van de haven over de jachten naar de andere kant kon lopen. Dat is nu niet meer, omdat de haven aanzienlijk is gemoderniseerd en uitgebreid. Ondanks de drukte is er zelfs voor mijn schip nog een box vrij. We besluiten het er deze avond maar eens van te nemen en in het nieuwe restaurant De DINING te gaan eten. En het komt misschien over als schipperslatijn, maar bij een gezellige openhaardvuur, dat speciaal voor ons brandde (op een groot beeldscherm), hebben we voortreffelijk gegeten tegen een schappelijke prijs.

Als we op 10 juli André Christiaan, de vlootvoogd van de DCN-groep bellen, blijkt dat ze in Lauwersoog liggen. Het gaat om de Joleroni (een 37 CWS) met Jos en Leni van de Ven, de Ignace (een 35 CWS) met Wilfried en Tiny Oude Vrielink, de Blazing Moon (een 36 CWS) met Leo en Bernadette Schol en last but not least de Nube Gris (een 31 CWS) met André en Carla Christiaan. De groep is van plan de volgende dag naar Borkum te gaan. Verder is vanwege de harde wind niet goed mogelijk. Als het ons lukt, willen we hen daar treffen. Het is dan wel wat langer varen, maar we besparen ons zo veel tijd, doordat we ons de vele mijlen van zee naar Lauwersoog tweemaal besparen.

Helaas mag het niet zo zijn. Als we op weg zijn gaat de wind inderdaad veel harder waaien (hij neemt toe van 4 Bft naar 7 Bft), terwijl hij ook nog eens tegen gaat staan. Er zit niets anders op dan de fok op te rollen, de motor bij te zetten en met een tweede rif in het grootzeil onze weg te vervolgen. Als we ter hoogte van Lauwersoog zijn, vinden we het genoeg en besluiten toch maar naar Lauwersoog te gaan. We hebben dan zo’n 14 uur tegen de golven in liggen hakken.

De in de buitenhaven gelegen jachthaven lijkt nogal klein, waardoor we er met deze harde wind moeilijk kunnen afmeren. We gaan daarom door naar een pier voor vissersschepen, waar enkele jachtjes liggen. Het zal ook hier niet zo makkelijk worden af te meren; zelfs niet met mijn nieuwe boegschroef, want de wind staat dwars op de pier. Gelukkig komt een flink aantal mensen van de afgemeerde scheepjes ons helpen en als de lijn van de boeg om een bolder is gelegd gaat een mannetje of vijf aan de lijn achter trekken. Uiteindelijk wordt ook die lijn helemaal aangetrokken en kunnen we, na de meerlijnen en springs volgens de regelen der kunst te hebben bevestigd, uitpuffen van de vermoeienissen. Het blijft de dagen daarna hard waaien. Na twee dagen aan de visserspier gelegen te hebben krijgen we de douane en politie aan boord, die onze papieren komen controleren. Het is een stevige controle, maar alles wordt in orde bevonden. Na hen komt ook nog eens de havenmeester, die ons vertelt, dat we op de plaats van vissersboten liggen en daarom de boot naar de jachthaven moeten verplaatsen. Daar het nu minder hard waait en de havenmeester ons met zijn rubberboot zal assisteren doen we dit, want naar de jachthaven op het Lauwersmeer gaan is geen optie voor ons.

Als we een paar uur op onze nieuwe plek liggen komt er een Hollander naar me toe die zegt dat hij me kent. Dat verbaast me, want ik heb hem nog nooit gezien. Het blijkt dat hij deel uitmaakt van de bemanning, die mijn oude Dehler 33 naar Finland gaat brengen. Hij heeft mijn boekje met het Heer Bommel-verhaal over de eerste deelname aan de Winterwedstrijden van de Grevelingencup gelezen en zag hier de Parbleu Deux liggen. Als ik rondkijk zie ik inderdaad de Parbleu liggen. Wat later komt ook de wegbrengschipper, een Engelsman, naar me toe om kennis te maken en over de Dehler 33 te praten. Het schip bevalt hun prima. Als hij weggaat vraagt hij me om de groeten te doen aan Gerard, Luc, Leo, Tim en Kees. (Later vertelt André, dat hij over de marifoon een SOS van de Parbleu heeft opgevangen maar niet heeft gehoord wat er aan de hand was).

Duitsland

Als we op 16 juli in Norderney aankomen hebben we er 9 uur over gedaan vanuit Lauwersoog. Als we bij de jachthaven aankomen is het daar zoals gewoonlijk een drukte van belang. Zelfs aan de kopsteigers liggen ze drie rijen dik. Als wij de jachthaven in willen varen lopen we vast. We varen een stukje terug en maken aan een vissersschip vast. Het is zaterdag en we nemen daarom aan, dat hij dit weekend zal blijven liggen; zo niet dan merken we het wel. We hebben geen zin nog verder naar een plaatsje te zoeken. We kunnen daardoor nog geen kennis maken met de groep, want dan moeten we een klauterpartij naar het dek van het vissersschip maken en vervolgens op het vissersschip halsbrekende toeren uithalen om op de kant te komen.

De volgende dag vaar ik mijn schip bij hoogwater naar de jachthaven en meer af aan het kopsteiger, waar ik als onderdeel van de 3e rij lig. Het palaver is bij mij aan boord. Ik verras de groep met kristallen glazen en champagne, want we hebben niet alleen mijn nieuwe boot te vieren, maar ook dat we allemaal nog leven en er niets verkeerds is gebeurd in al die dagen, dat we aan het varen zijn. Helaas zijn Leo en Bernadette van de Blazing Moon er niet op tijd bij, die zijn aan het winkelen. Als ze komen is de champagne op en moeten ze het met rode wijn doen. Dat lusten ze echter ook.

Op 19 juli is het zover, dat we verder kunnen en gaan we naar Cuxhaven. Net als in Norderney kan ik niet bij de groep liggen, want die liggen aan een steiger in boxen, die voor mij te klein zijn. Ik begin langzamerhand de diepere betekenis van het gezegde “Geld maakt niet gelukkig” te begrijpen.

We komen erachter, dat de Duitsers dit gezegde ook kennen, want als we in Cuxhaven met ons bankpasje willen betalen, blijkt dat niet mogelijk te zijn en moeten we naar het dorp om bij een bank geld te gaan halen.
oor de verandering is het de volgende dag redelijk mooi weer, zodat we door kunnen gaan naar Rendsburg. André heeft gepland om 2.00 uur te beginnen. We hebben niet gevraagd of hij gek geworden was, maar gezegd, dat we dachten dat hij 14.00 uur bedoelde.  Als compromis gaan we om 8.00 uur weg, zodat we om 12.00 bij Brünsbüttel door de sluis gaan. In het Kielerkanaal vaart de Blazing Moon in het midden, kennelijk met de gedachte, dat ze hem dan goed kunnen zien en opzij zullen gaan. Dat wij allemaal langs de kant varen zegt hem niets. En oproepen van ons via de marifoon halen ook niets uit. Als er een zeer grote oceaanstomer aankomt, houdt hij dat stug vol, waarop de oceaanstomer ten einde raad een geweldige stoot op zijn hoorn geeft. Ook de mannen hebben nu geen vliesje meer. Alleen de Parbleu Deux gaat door met zijn maagdentrip.

In Rendsburg valt de motor van André uit, vlakbij de jachthaven, nadat hij plotseling gas terugnam. Hij krijgt een sleep van de Jolerino. Bij onderzoek blijkt dat het grof- en fijnfilter brandschoon zijn. Toch vervangt hij het fijnfilter en ontlucht de motor. Wat de oorzaak van de motorstoring was, weet hij niet, maar hij loopt in ieder geval weer als een zonnetje. Als Berta en ik willen afmeren is het weer het oude liedje, vanwege de grootte van de boot moeten wij ergens anders liggen.

Denemarken

Na Rendsburg varen we naar Bagenkop op het eiland Langeland. Omdat het mooi zeilweer is doen we daar slechts 5,5 uur over. Rondom de haven staan allerlei houten vakantiehuisjes en andere gebouwtjes. In een van die gebouwtjes gaat de groep barbecuen.

Berta en ik zijn er echter niet bij, niet omdat we geen zin hebben (dat gelooft natuurlijk niemand), maar omdat we omvallen van de slaap en moe zijn. Bij het tevoorschijn halen van onze stootwillen komen we erachter, dat die ruimte vol waterstaat, doordat de rubberen rand waarop het luik rust is losgeraakt en overkomend zeewater daardoor naar binnen kon dringen. Dit wordt de volgende dag door André en Leo verholpen, die met een slang met een pompje komen aangelopen. Daar de weersverwachtingen weer eens bar en boos zijn blijven we nog twee dagen in Bagenkop. Als we op 25 juli om 8 uur naar Veyro gaan volgt een dag met wisselend weer, waardoor de motor regelmatig bijgezet moet worden. Wij komen wat later dan de anderen de jachthaven in. Men staat ons te roepen en wijzen naar een box. Blij dat we nu eens bij de groep kunnen liggen varen we er snel naartoe. Te snel, want we komen vast te zitten en niet zo’n beetje ook. Door de combinatie van motor, lier, boegschroef  en mankracht komen we weer los en ga ik maar weer ergens anders liggen.

Van Veyro gaan we naar naar Klintholm op het eiland Mon. Dit eiland heet zo, omdat er bovenop de krijtrotsen een punt uitsteekt die op een monnik lijkt. De dag erna blijven we ook in Klintholm en gaan we een fietstocht maken, d.w.z. Berta, want vouwfietsen, waarop ik me veilig kan voortbewegen bestaan nog niet. ’s Avonds gaan we op de wal borrelen. De

service van de jachthaven is zo groot dat er een tafel met banken klaar staat waarbij ook een vuur om te barbecueën is aangestoken. De mensen, die een tafel verder zitten maken daar met hun kinderen gretig gebruik van.

Door de vele zeildagen die verloren gingen door het slechte weer is een rondje Zeeland niet meer haalbaar en zelfs Kopenhagen moeten we vergeten. We moeten met de terugreis beginnen. Gedser is daarom de volgende plaats waar we naartoe gaan. Het is prachtig zeilweer met een windje van 5 Bft, die halvewinds binnenkomt.

Wanneer we van Gedser naar Heiligenhafen (Duitsland) gaan steekt er na een paar uur een harde wind op, die zodanig draait, dat het hoog aan de wind varen wordt. Vrijwel iedereen vaart op de motor en grootzeil, al of niet gereefd. Wij hebben een goede trim en verdwijnen zeilend uit het oog van de anderen. Als ik op een gegeven moment naar boven kijk, zie, ik dat een zeillat bij de mast wel een kleine meter uit het zeil steekt. Dat gaat problemen opleveren bij het strijken van het zeil, want misschien krijg ik het grootzeil niet meer naar beneden, als de zeillat te ver over de zaling heen steekt. Ik moet het in ieder geval gauw proberen. Als hij niet teveel hoeft te buigen lukt het misschien nog wel. Zogezegd zo gedaan en gelukkig, het lukt. Maar ja, nu vaar ik wel op de motor en dat is geen pretje met die hoge golven tegen de wind in en zonder de stabiliteit van het grootzeil. Na een half uurtje varen schrik ik me rot. De motor begint langzamer te lopen. Wat nou weer?  Als ik meer gas geef loopt hij echter weer goed en na een tijdje ben ik de schrik weer kwijt. Het overkomt me nog tweemaal, maar nu schrik ik niet mee zo, want de motor blijft lopen.

Als we Heiligenhafen binnenlopen is het nog een flink stuk varen door rustig water. De Parbleu Deux en de Blazing Moon gaan een klein stukje buiten de boeienlijn,wat onmiddellijk afgestraft wordt, want we komen vast te zitten. Op eigen kracht komen we weer los. Het borreluur wordt weer bij ons aan boord gehouden. Daar het een afscheidsborrel is, gebruik ik deze gelegenheid André als dank voor zijn voortreffelijk werk als voorbereider van de  reis en als vlootvoogd mijn laatste proefpakketje Chivas Regal te overhandigen.

Leo houdt als pantomimespeler, die hij van beroep is, eveneens een mooie preek.

Ik heb nu al een stuk of vier keer aan door André georganiseerde reizen deelgenomen en iedere keer was het van voorbereiding tot en met de reis zelf uitstekend geregeld en ook nog eens gezellig.

De volgende dag gaat de groep naar huis. Ik neem nog een aantal foto’s van de boten en mensen. De dag erna denken we terug aan de motor en vinden dat we over een maand niet de Duitse bocht kunnen oversteken met een motor die niet 100 % in orde is. Gelukkig heeft Heiligenhafen een grote jachthaven met een grote werf, die bovendien dealer van Yanmar is. Er zal in de middag al een monteur komen. Dat is dus niet zo en als we opbellen krijgen we te horen dat het de volgende dag wordt. En inderdaad in de loop van de ochtend komt de monteur. Hij gaat aan de slag, maar het schijnt niet zo eenvoudig te zijn, want hij belt een paar keer naar de zaak. Op een gegeven moment zegt hij, dat hij het gevonden heeft. De brandstofleiding is vervuild. Hij blijft nog een uurtje en gaat dan lunchen. Als hij weggaat zegt hij, dat hij ’s middags met nog iemand terug zal komen.


Dat doet hij inderdaad en wel met iemand, die in plaats van dat hij meer weet dan hij, nog minder weet. Hij heeft een bos leidingen bij zich. De toestand wordt nog erger, want behalve dat hij nog een paar keer zijn baas moet bellen, moet hij nu ook nog aan zijn knechtje vertellen wat hij allemaal doet.

Na een hoop gepraat een gekruip door mijn boot zijn ze na een paar uur klaar en vragen ze mij de motor te starten. Dit moeten ze nog een paar keer vragen, want er zitten luchtbellen in de leidingen, die bij de motor gekomen, verhinderen dat hij voldoende diesel krijgt om aan te slaan of te blijven lopen. Na een stuk of vier keer de motor gestart te hebben blijft hij eindelijk lopen. Na vele uren werk ben ik dus weer even ver als voordat de monteur begon en moet maar hopen dat  het euvel van het wegzakken van de motor inderdaad verholpen is.

Na vier dagen in Heilgenhafen gelegen te hebben gaan we op 5 augustus naar Spodsbjerg. Berta zegt ’s avonds dat ze het naar diesel vindt stinken. Ik zeg, dat dat wel zou kunnen met die tobbers van Heiligenhafen, die zullen best een hoop diesel gemorst hebben,

De dag erop gaan we met mooi zeilweer naar Kerteminde  Daar de wind afneemt moeten we op een gegeven moment de

motor bij zetten. Als we de haven naderen valt de motor opeens uit. Dat is balen, want hij wil niet meer starten. Volgens Berta geeft de meter aan dat er geen diesel meer in de tank zit. Dan moet de meter het niet meer doen, want in Heiligenhafen gaf de meter aan, dat hij half vol zat. Voor de zekerheid gooi ik de dieselolie uit mijn reservetank (25 liter), erbij, maar hij blijft weigeren te starten. Dan maar een sleepje vragen. Een passerend zeiljacht heeft geen zin ons een sleepje te geven, maar zegt toe de havenmeester te waarschuwen. Een betrekkelijk klein Duits zeiljachtje is echter wel bereid ons naar de haven te slepen en levert ons keurig aan een steiger langs de kade van de jachthaven af. Daar het zaterdag is kunnen we verder weinig doen, we zullen tot maandag moeten wachten.

’s Avonds, ik ben vroeg naar bed gegaan, maakt Berta mij wakker. Ze vindt dat de stank van de diesellucht sterker is geworden en is daarom op onderzoek uitgegaan. Daarbij heeft ze ook onder de kajuitvloer gekeken en zo ontdekt, dat daar de  inhoud van mijn dieseltank ligt. Hoewel ik denk dat dit geen gevaar oplevert, bellen we toch maar 112. Die brengen ons in contact met de brandweer, die na mijn verhaal gehoord te hebben, zegt dat hij onmiddellijk komt kijken. En zo zitten we op zaterdagavond om 11 uur met de brandweer te praten. Hij bevestigt mijn vermoeden, dat er geen direct gevaar voor brand of ontploffing bestaat, maar zegt wel, dat hij op zondagochtend met drie man de boot zal komen legen. Dus staan er op zondagochtend twee  personenauto’s en een grote brandweerwagen bij de kade. Als mijn voor- en achterburen dit zien, leggen ze hun boten een flink eind verder. Als de brandweerlui van mij horen, dat ik schat dat er tussen de 60 en 80 liter diesel onder de vloer moet liggen, vinden ze dat kennelijk wel meevallen, want ze vragen of ik een lege jerrycan heb. Nou die heb ik dus, want de inhoud ligt op de bodem. Als ze deze jerrycan gevuld hebben zien ze dat hier onder de vloer weinig van te merken is en gaan ze toch maar een grote 80-litertank halen, die bijna helemaal gevuld wordt.

Daar de diesel vermengd is met zeewater en vuiligheid zeg ik grootmoedig, dat zij de diesel mogen houden. Daar zijn ze heel blij mee, want die kunnen ze goed gebruiken als ze weer eens een brandoefening hebben.

Al met al snappen we er geen bal van hoe de diesel in de boot terecht is gekomen. Gelukkig zit er verderop een werf zodat we daar morgen een monteur naar kunnen laten kijken. De brandweerman van zaterdag gaat daar even naar de werf toe om daar te benadrukken dat die  klus een hoge prioriteit heeft. Ze zijn als de dood dat er diesel in het water terechtkomt.


De volgende dag is de monteur er inderdaad vlug bij. Al gauw komt hij erachter, dat de monteur in Heiligenhafen vergeten is de retourleiding van de dieselolie bij de tank aan te sluiten, zodat de motor als hij draaide de diesel in de boot pompte in plaats van in de tank. Verder komt hij er na onderzoek van de tank achter dat er vijf stukje kit in drijven. Dit is het gevolg van het feit, dat de deksel van het gat, waar de monteur nu door zit te kijken en te voelen, er eerst op is bevestigd met kit en dat men daarna de gaten voor de bevestigingsbouten is gaan boren. Deze stukjes kit zijn er volgens hem de oorzaak van dat de motor af en toe niet genoeg diesel kreeg. Hij vertelt dat de tank verder brandschoon is, en het dus onmogelijk is, dat de brandstof leiding vervuild was.

Ik ben dus behoorlijk opgelicht. Ik dacht dat dat alleen voorkwam als je in het buitenland autopech krijgt, maar je moet er dus ook bij werven op beducht zijn. Inmiddels heeft de praktijk uitgewezen, dat dat niet geldt voor de werf in Kerteminde.

Als ik dit allemaal hoor, besluit ik op de terugweg naar Holland toch ook nog even langs Heiligenhafen te gaan. Zowel de brandweerman als de monteur zullen zo nodig hun bevindingen graag aan de werf mededelen.

Helaas is het weer ook weer omgeslagen en moeten we nog een kleine week in Kerteminde blijven liggen. Als we op een dag grazende koeien passeren, zien we dat de wind zo sterk is, dat de uiers horizontaal hangen. Volgens ome Joop, die boer bij het Sneekermeer is, moet je in zo’n geval echt niet gaan zeilen.

Naar het Kielerkanaal

We hebben op onze vakantie zoveel dagen niet kunnen varen dat we dit op de terugweg ook wel zullen hebben. We kunnen de Oostzee maar beter voor gezien houden en met de thuisvaart aanvangen. Dat wij niet vervroegd teruggegaan zijn is alleen, omdat het in Holland ook slecht weer was. Als we eindelijk kunnen gaan varen besluiten door te varen naar Heikendorf, een plaatsje aan de overkant van de ingang van het Kielerkanaal. Dit blijkt een goede keus, want hier zit een Liddl-winkel, die whisky verkoopt, o.a. een echte Kentucky straight Bourbon voor 6 €. Dat komt goed uit, want het slechte weer is er de oorzaak van dat mijn whiskyvoorraad tot nul is gereduceerd. De volgende dag varen we met mooi weer in één keer door naar Brünsbüttel. De dag erop hebben we weer mooi weer en gaan zeilend naar Cuxhaven, waar we al na 3 uur aankomen. In Cuxhaven blijven we vanwege de wind weer een paar dagen liggen. We liggen weer langs de pier waar aan de andere kant een groot passagiersschip is afgemeerd. Het lijkt me wel aardig om tegen die achtergrond een foto te maken van ons schip met de Dehlerclubvlag en onze commissie Zuid vlag in top. Als ik die wil hijsen waaien ze uit mijn handen en daar ze aan de onderkant nog niet vastgemaakt zijn, zie ik ze ineens 20 meter voor me uit wapperen. Door de stevige wind zakken ze niet ver genoeg naar beneden om ze met de pikhaak te kunnen pakken. Van een vlakbij liggende Hollandse platbodem komt de schipper met een grote vaarboom aangelopen. Dat gaat beter.

Op 22 augustus gaan we op naar Norderney. Vlak voordat we daar naar binnen varen komt een grote rubberboot op ons af. Hij is volgeladen met politie en douane.  Als we hun vraag of we op weg zijn naar Nederland positief beantwoorden, laten ze ons ongemoeid verder varen en gaan op een andere boot af..

Bij de jachthaven in Norderney aangekomen, zien we dat er aan de kopsteiger maar één rij boten ligt. Gezien de ervaringen op de heenweg besluiten we hiernaast af te meren. Als we daarmee bezig zijn, komt er een vrouw naar buiten, die wel onze lijn aanpakt, maar ook vraagt of we niet ergens anders kunnen gaan liggen. Mijn klomp breekt. Hoe kan iemand, die aan het kopsteiger ligt in de uiterst drukke haven van Norderney vragen of je niet ergens anders kan gaan liggen? Ik leg haar dan ook uit, dat dat wat moeilijk is. Met een lang gezicht legt ze mijn lijnen om hun kikkers. Als ze later haar man het verhaal vertelt, kijkt die me vuil aan. Berta vraagt dan aan me, of we toch maar niet een ander plekje zullen zoeken. Ik voel daar niet voor omdat ik vind dat deze patsers wat bijgebracht moet worden. Als ze later bij de havenmeester hun beklag doen vangen ze daar ook bot.

De volgende ochtend vragen ze me op een gegeven moment of ik los wil maken, zodat ze weg kunnen gaan. Natuurlijk ben ik daartoe genegen en als ik een eindje van het kopsteiger lig te wachten, zie ik ze tot mijn grote verbazing losmaken en de haven invaren, een box in.

Terug in Holland

Na Norderney varen we door naar Vlieland. Het is geen mooi weer, maar er staat wel een goede wind, zodat we redelijk snel in Vlieland aankomen. Het is daar nu een stuk rustiger. Wat ook blijkt uit de vele soorten reddingsboten die een vlakbij liggen. Ook hier moeten we weer een aantal dagen wachten voordat we verder kunnen. Als er op één van die dagen een windhoos van naderbij zien komen, krabben we ons even achter het oor. Gelukkig komt hij niet over de haven van Vlieland heen. Om te vieren dat we terug zijn in Holland, gaan we weer eten in De Dining.  

Omdat we Vlieland/IJmuiden een te grote afstand vinden om in één keer te doen, gaan we eerst naar Den Helder, naar de marinejachthaven, waar we twee dagen blijven liggen. Daarna varen we door naar IJmuiden. Ter hoogte van Bergen, waar een of andere happening gaande is, komt vanaf het strand een rubberboot met een bloterik erin op ons af. Hij vaart alleen om ons heen en gaat dan weer terug naar het strand.

In IJmuiden is men bezig de haven in te richten voor de komende natte Hiswa. Het is niet te geloven, maar hier krijgen we weer een controle van douane en politie. Ondanks dat ik zeg, dat ze op de heenweg in Lauwersoog alles al bekeken hebben moet ik alle papieren weer laten zien. Als ik tegen Berta zeg “Jou neem ik niet meer mee, want ik wordt iedere keer gecontroleerd als jij aan boord bent” moeten ze hartelijk lachen. Verder vertel ik ze, dat we ter hoogte van Bergen ook al gecontroleerd werden door een bloterik in een rubberboot. Daar weten ze echter niets van en ze willen precies weten, hoe dat in zijn werk ging. Als ze dan ook nog een kopje koffie van Berta krijgen, gaan we al handenschuddend uit elkaar. Ik vraag ze nog wel of ze nu de politie en douane in Scheveningen gaan waarschuwen, dat we er aankomen.

Als we de volgende dag naar Scheveningen varen bedenk ik me, dat deze bloterik misschien een drugsdealer was, die kwam kijken of wij het schip waren, dat drugs kwam brengen voor het op het strand bezig zijnde feest. Ja, je wordt wel paranoïde door al die controles.


In Scheveningen moeten we aan de gastensteiger vlakbij het douanekantoortje afmeren. Hoewel we er drie dagen liggen komen ze echter niet bij mij kijken. De koffie van Berta en onze goedgemutstheid heeft kennelijk wonderen verricht.

Op 5 september komen we in Stellendam aan en beschouwen we dat als het einde van onze reis. We blijven hier nog wel liggen tot we verder gaan naar De PUT om daar aan het Rondje Tiengemeten deel te nemen alvorens weer terug te keren naar Port Zélande.

Rob Kooijmans.

========================================================