Van prerationeel naar transrationeel
 

God bestaat niet eens in onze rationele bestaanswereld

 

> vervolg van Geloof in wetenschap

 Het compulsieve wegverklaren van transnationele zaken 

Alles wat boven de menselijke ratio uit gaat moet weg verklaard worden en gereduceerd worden tot feiten en wetten uit de natuurwetenschappen. Je mag niet stiekem denken, praten of schrijven in termen van ‘bovennatuurlijk’ of ‘transcendent’, want dan ben je echt wel heel bijgelovig bezig en dan hang je de ‘God-van-de-gaten’ aan, dat is fout, heel fout. Dan hoor je er niet bij, dan ben je echt geen Bright. Echte Brights zijn devote ratio-calvinisten, streng in de leer, zeer moralistisch en steeds met de wijsvinger omhoog, zo fundamentalistisch als de pieten, de nieuwe denkpolitie. Buiten een strikt mechanistische kosmos is alleen maar illusie en bijgeloof te vinden.

 

Het begrip ‘closed minds’ kennen we wel. Gesloten geesten; niet buiten je eigen denkraam kunnen/willen denken. Er bestaat naast het begrip ‘gesloten denkraam’ nog een zakelijker term uit de cognitieve wetenschappen, namelijk ‘cognitieve opgeslotenheid’, cognitive closure.[1] Die laatste term heeft twee verwante maar verschillende betekenissen:

 

De psychologie wijst naar een behoefte bij veel mensen aan een ‘sluitende redenering’, een soort hapklaar bewijs, een ronde theorie, zodat je bevrijd wordt van alle onzekerheid, zodat je daarna ‘zeker kunt weten’ en niet meer hoeft te twijfelen, te zoeken of je hersens hoeft te pijnigen. Binnen veel managementopleidingen wordt aan de managers in spé geleerd om in hun communicaties de werknemers steeds te voorzien van ‘cognitive closure’. Want dan gaat men op de werkvloer tevreden aan de slag met een rustig gevoel van ‘zo ís het en niet anders, zeker weten’.

 

De filosofie wijst echter naar ‘cognitive closure’ op een andere manier: Wij mensen zijn qua kenvermogen principieel (structureel) niet in staat om alles van de realiteit te begrijpen. Er zal ons altijd ‘iets’ boven de pet blijven gaan. Hoe knap en geniaal denkers ook kunnen zijn, zij blijven binnen een ‘gesloten denkraam’ redeneren met hun algoritmen en syllogismen, dus binnen een strikt gereduceerde, zelfreferent logisch systeem en binnen een mensvormige (antropomorfe) matrix redeneren. “This philosophical position is also sometimes called transcendental naturalism.[2] It proposes that the human mind is unavoidably biased, or "closed" in some areas of thinking, and so these areas then are forever mysteries.”[3] Zij erkennen dus een transrationeel niveau. Religies erkennen het transcendentale.

 

De eerstgenoemde need for cognitive closure’ gaat over de menselijke informatieverwerking in omgang met informatieverschaffende medemensen, om mensen die zo snel mogelijk ‘duidelijkheid willen’, en hun mening anders niet aanpassen nadat zij meer en andere informatie betreffende het onderwerp hebben gekregen. Deze mensen zijn geneigd om af te gaan op subjectieve impressies van sympathie, te denken in vooroordelen en stereotypen, gelijkgestemde anderen te gebruiken bij sociale vergelijking en zich te conformeren aan de ‘belangrijke anderen’ en ‘geliefde vrienden’ binnen hun religieuze/ideologische netwerk.

 

Voor een belangrijke mate geldt dit zeker ook voor wetenschappers. Hielden wetenschappers zich nou maar gewoon bezig met het ijverig beoefenen van de wetenschap binnen de muren van hun specialistische laboratoria. Bleven zij maar zuiver rationeel doorwerken binnen het kader van de wetenschappelijke methodologie. Hielden zij zich maar gewoon aan het vermeerderen van wetenschappelijke feitenkennis binnen de demarcatielijn van de wetenschapsbeoefening. Maar nee, het wonderlijke is de volslagen irrationaliteit waarmee velen van hen volstrekt religieuze en ideologische geloofssystemen lanceren ‘op basis van wetenschappelijke feiten’. “Like their traditional counterpart, the new preachers speak with great confidence that their religion -- science -- contains all the truth we need to know and all the truth that can be known. They call us to worship at the altar of science, a summons of which I am skeptical, to say the least”, zegt natuurkundige Karl Giberson. [4] Ik wil hem hier liever wat uitgebreider citeren:

 

Hij vervolgt: “Science, it would appear, has the raw material for a new religion. Trust, traditionally placed in God, can be relocated to science which is reliable and faithful, as well as ennobling. Life can be oriented in a reverential way around the celebration and protection of the great diversity wrought by the evolutionary epic, a diversity that has produced creatures capable of reflecting on this grand mystery. The grand creation story at the heart of this new religion of science inspires reverence among those invested in its exploration. The world disclosed in this story rests on a foundation of reliable and remarkable natural laws. The other pieces of the new religion also fall naturally into place. Our existence is a gigantic miracle, billions of years in the making, and way more interesting than any magical conversion of water into wine. The atoms in our bodies were forged in the furnaces of ancient stars that exploded, seeding our galaxy with rich chemistry. Our planet and its life-sustaining sun formed from this recycled stellar debris. "We are stardust, we are golden, we are billion-year-old carbon. So there it is -- a brand-new religion, courtesy of modern science.”

 

En hij vraagt zich af “But is this going to work? Can a religion be built on nature and science, rather than God and sacred texts? And, if it could, would it be better than the old-fashioned religions it is replacing? If our present religions, like milk in our refrigerators, have all expired, we need a replacement to meet our mythopoeic needs. Can science do this for everyone, and not just the residents of ivory towers? Let's assume for the moment that this is possible -- that science can be canonized, moralized, transcendentalized and politicized into a replacement religion, with followers, codes of conduct, celebrated texts and sacred blogs, houses of worship, "saints" of some sort and inquisitors of another sort. And let's suppose that it's possible for this new religion to move out of the ivory towers of academia, where it lives now, to take its place alongside the other "world" religions, attracting hundreds of millions of adherents drawn from the main streets of the world and all walks of life. What would this new religion be like once it became institutionalized? After all, if religion fills a genuine human need, something has to fill the hole created by its passing -- something that appeals to billions of people.

In order for many of us to truly feel at home in the universe so grandly described by science, that science needs to coexist as peacefully as possible with the creation stories of our religious traditions. I share with Myers, Dawkins and Weinberg the conviction that we are the product of cosmic and biological evolution, that Einstein and Darwin got it right. But I want to believe that, through the eyes of my faith, this is how God created the world and that God cares about that world. Does this belief, shared by so many of our species, make me dangerous?

I am incredibly impressed with the achievements of science. But I don't think science is omniscient and I am not convinced that science will ever know everything. I am not convinced that science is even capable of knowing everything. That we can know as much as we do seems rather miraculous, in fact. Is it so dangerous to believe that there is a bit more to the world than meets the scientific eye, that behind the blackboard filled with equations there is a rational, creative and even caring mind breathing fire into those equations?”

 

De verwarring en kakofonie tussen wetenschap en religie is na de Verlichting tot een maximum gekomen, is vaak mijn gevoel. Vooral het mengen, roeren en verwisselen van categorieën van denken is maximaal. We hebben te maken met nogal wat categoriefouten, zowel binnen het denken van wetenschappers als dat van religionisten. Kennelijk wordt er op academisch niveau weinig tot niets gedaan aan epistemologie en ontologie. Om een voorbeeld te noemen: begrippen zoals ‘vrije wil’, ‘geest’, ‘ziel’, ‘God’, etc, vallen epistemologisch en ontologisch niet onder het domein van de materiewetenschappen maar binnen het domein van de geesteswetenschappen en de religies. En hoe gerenommeerd het wetenschapsbedrijf ook is, het blijft een uiterst merkwaardig verschijnsel dat er zoveel wetenschappers zijn die met vurig charisma en geschoolde eloquentie publiekelijk naar buiten treden met het lanceren van ieder weer hun eigen “goede zaak”, hun eigen ‘nieuwe religie op basis van ‘wetenschappelijke feiten’. Dit is een boeiende drive, en die (emotioneel zwaar beladen) sciëntistische drive leent zich kennelijk niet makkelijk tot een redelijk debat of dialoog. Ik zie in die drive (plus de bijbehorende verwarring) meer een natuurlijk, evolutionair veranderingsproces in de gelovige geest van de menselijke soort homo religiosus. De drive tot bestrijding van alle, welig tierende bijgeloof en een heilige strijd om waarheid, een ware verlichtings-djihad.

 

De categorieën ‘geestelijk leven’ en ‘lichamelijk functioneren’

 

“Hoe zit de menselijke geest in elkaar?” Deze vraag wordt regelmatig door mensen gesteld, maar dan gewoonlijk in de zin van “Hoe wonderlijk is ons geestelijke leven toch”, of “Wat er in zijn geest omgaat blijft voor mij een mysterie”, etc. Andere vragen in deze categorie zijn bijvoorbeeld “Hoe vrij en wilskrachtig is mijn vrije wil?” of “Wat is het bestemmingsplan van mijn ziel?” of “Beleef ik het gebeuren van God eigenlijk wel?” Maar uiteindelijk zouden we moeten beseffen dat al dit soort vragen over ‘geest’, ‘vrije wil’, ‘ziel’ en ‘God’ vragen zijn van de categorie ‘transrationele vraagstukken’, niet bestemd voor beantwoording door de materiewetenschappen, maar door die geesteswetenschappen die open staan voor het transcendentale karakter van de ons omvattende werkelijkheid. Het blijven vragen in het gebied van ‘het mysterie’. God openbaart in de menselijke geest de volgende mysterieuze uitspraak: "De mens is Mijn mysterie en Ik ben zijn Mysterie". [5] Met ons geestelijke leven blijven wij ook onszelf een eeuwig mysterie!

 

Materialisten geloven echter dat de materiewetenschappen uiteindelijk het antwoord zullen vinden op zo’n mechanistische vraag als “Hoe zit de menselijke geest in elkaar?” Voor hen ligt die vraag in dezelfde categorie als “Hoe is het materiële heelal ontstaan?” en “Hoe draait de machine van het universum?” Ook de menselijke geest is voor hen een machine, maar dan voor het gemak een machine met de modieuze naam “bewustzijn”. Ons bewustzijn valt echter niet binnen onze ‘hersenmachine’ te lokaliseren of ermee te identificeren en wordt dus consequent als ‘illusoir bijverschijnsel van het brein’ aangemerkt. Ons ‘bewustzijn’ is per slot  net zo ongrijpbaar als onze geestelijke leven. Desondanks zien zij letterlijk alles om zich heen als een machine, waarbij zij zichzelf niet als machines beleven maar als ‘grote geesten’ met een ‘superieur bewustzijn’, namelijk dat van de ‘fysicus van het bewustzijn’. We kunnen ons wetenschappelijk gewoon niet voorstellen hoe de geest in relatie staat tot het lichaam, dat is niet voor ons weggelegd, ‘net zo min als we ons met geen mogelijkheid voor kunnen stellen hoe het voor een vleermuis is om vleermuis te zijn’.[6]

 

Maar gaandeweg heeft de zelfbeschouwende soort, homo sapiens sapiens, genoeg zelfreflectie ontwikkeld om uiteindelijk te beseffen dat de religie van de rationaliteit absoluut niet toereikend is om ons genoeg ‘reality-check’ te geven, ook niet om contact met onze innerlijke werkelijkheid te verbeteren, en vooral niet om contact met de ons omvattende werkelijkheid te krijgen, De Werkelijkheid die ons openbaart:

“Ieder woord dat uit Gods mond komt, is met zulk een kracht geladen dat het elk menselijk lichaam met nieuw leven kan bezielen. Alleen al door de openbaring van het woord "Vormer", dat van Zijn lippen stroomde en Zijn hoedanigheden aan de mensheid verkondigde, is zo'n kracht vrijgekomen, dat vele eeuwen achtereen de veelsoortige werken die mensenhanden voortbrengen, konden ontstaan. Nauwelijks is dit schitterende woord uitgesproken of de bezielende kracht ervan, die in al het geschapene bestaat, roept de middelen en werktuigen in het leven waarmee dergelijke werken kunnen worden voortgebracht en vervolmaakt. Alle wonderbaarlijke werken waarvan gij nu getuige zijt, zijn de rechtstreekse uitwerking van de Openbaring van deze Naam. In de komende tijd zult gij voorzeker dingen zien, waarvan gij voordien nimmer hebt gehoord. Aldus is bevolen in de Tafelen Gods, en geen mens kan dit begrijpen behalve degenen met een scherpe blik. Evenzo zal - op het moment dat het woord, hetwelk Mijn hoedanigheid "de Alwetende" uitdrukt, uit Mijn mond klinkt - ieder geschapen ding overeenkomstig zijn capaciteit en beperkingen, worden bekleed met het vermogen om de kennis van de meest wonderbaarlijke wetenschappen open te leggen, en in staat worden gesteld deze in de loop van de tijd openbaar te maken op bevel van Hem Die de Almachtige, de Alwetende is. Weet voorzeker dat de Openbaring van iedere andere Naam gepaard gaat met een gelijksoortige onthulling van Gods macht. Iedere letter op zichzelf, die voortkomt uit de mond Gods is met recht een moederletter, en ieder woord dat wordt geuit door Hem, Die de Bron is van goddelijke openbaring, is een moederwoord en Zijn Tafel een Moedertafel. Wel ga het hen die deze waarheid verstaan.” [7]

 

Wat betreft het openbaringswoord ‘Vormer’ (zie citaat): “God vormde de mens naar Zijn beeld en gelijkenis”, dus als een soort spiegelbeeld van de Schepper, goed, maar dan vormde God ons dus allereerst als ‘scheppers’; wij zijn geschapen medescheppers. [8] Zo vormen (ontologiseren) wij – op onze beurt – naar óns beeld en naar ónze gelijkenis een volstrekt mensvormige (antropomorfe) werkelijkheid waarin ons lichamelijke functioneren voortdurend als model gebruikt wordt, ook voor de door ons geschapen “God”!

 

Het eerste wat wij – van onze geboorte af – van ons lichamelijke functioneren beleven is onze mobiliteit. Onze mobiliteit (gecoördineerd lopen, manipuleren, tillen, verplaatsen, werpen, etc) ervaren wij volstrekt mechanisch! Wij hebben onze mechanische mobiliteit vanaf ons ontstaan verlengd met machinale artefacten, stokken, stenen, touwen, sleden, wielen, en later ook auto’s, treinen, vliegtuigen, raketten, computers, etc. Een ontelbare diversiteit aan machines zijn dermate in onze leefwereld geïntegreerd geraakt dat wij een compleet mechanistisch denkpatroon ontwikkelden. In onze taal zitten vastgebakken uitdrukkingen in de trant van ‘het mechanisme van dat-en-dat werkt zus-en-zo..’. Wij zijn de gehele werkelijkheid mechanistisch gaan aanschouwen, en als ‘vormer’ (zie citaat) hebben we een mechanistisch wereldbeeld in ons bewustzijn gevormd, mogelijk ook van onze “God”. Voor velen is de kwantum-mechanica dan ook een uitstekende metafoor voor het werken van God.

 

Zoals wij naar óns beeld en naar ónze gelijkenis een volstrekt mensvormige werkelijkheid scheppen, zo ontologiseerden wij met onze mechanistische instelling ook een ingenieurachtige God, een soort Grote Klokkenmaker, en die bestaat natuurlijk niet. Eigenlijk pas recentelijk is ons wereldbeeld aangevuld met het wezenlijker, wetenschappelijk onderbouwde organicistische paradigma. Pas sinds de zeer recente ‘nieuwe wetenschappen' [9] beseffen wij dat het mechanistische, uniformistische en dingmatige denken alleen technologische nuttigheid heeft en alleen een faciliterende functie heeft voor vruchtbaar wetenschapstechnisch onderzoek. Het mechanistische denkmodel is voltrekt niet toereikend voor het beschrijven van de werkelijkheid. Veel adequater is het denken in organische en evolutionaire processen. In dit procesdenken zijn er dan ook geen losse, op zichzelf staande en uniforme ‘onderdelen’ die samen een groter ‘mechaniek’ vormen zoals de radertjes in een klokwerk. In werkelijkheid zijn er überhaupt geen uniforme, zelfstaande ‘dingen’ of ‘radertjes’ meer, maar spreken we over ‘unieke gebeurtenissen’. De realiteit bestaat uit samenhangende gebeurtenissen (processen) die voortspruiten uit grotere, omvattende gebeurtenissen (processen). De werkelijkheid, en voor een groeiend aantal filosofen[10] ook De Werkelijkheid, is nu één onvoorstelbaar groot, evolutionair procesgebeuren.

 

Het mechanicistische denken – men noemt dit veelal het ‘Newtoniaanse denken’ – blijft natuurlijk zijn bewezen nut behouden. Maar heel veel mensen kúnnen niet zo makkelijk uit dat zeer beperkte mechanistische denkkader stappen. Het mechanistische denken zit te diep ingeworteld om makkelijk over te gaan op een realistischer organisch procesdenken. 

 

De geest van de rede, van de ratio, en van het geloof

 

“De menselijke geest, die de mens van het dier onderscheidt, is de met rede begiftigde ziel, en deze twee namen - de menselijke geest en de met rede begiftigde ziel - duiden hetzelfde aan. Deze geest, die in de terminologie van de filosofen ‘de met rede begiftigde ziel’ is, overschaduwt en omvat alle wezens en ontdekt, voor zover het vermogen van de mens dat toelaat, de werkelijkheid der dingen en verkrijgt kennis van hun eigenaardigheden en invloeden en van de kwaliteiten en eigenschappen van wezens. Maar de menselijke geest wordt niet, tenzij bijgestaan door de geest van geloof, bekend gemaakt met de goddelijke geheimen en de hemelse werkelijkheden. Hij is als een spiegel die, alhoewel zuiver, gepolijst en glanzend, nog steeds licht nodig heeft. Niet voordat een zonnestraal zijn licht erop werpt, kan hij de hemelse geheimen ontdekken. Geest is de lamp, verstand het licht dat uit de lamp schijnt. Geest is de boom, en het verstand de vrucht. Verstand is de volmaaktheid van de geest en de essentiële eigenschap ervan, zoals de zonnestralen de essentiële eigenschap zijn van de zon.” [11]

 

“Evenals het dier bezit de mens zintuiglijke vermogens en is onderhevig aan hitte, kou, honger, dorst, enzovoort. In tegenstelling tot het dier heeft de mens echter een met rede begiftigde ziel - de menselijke intelligentie. Dit denkvermogen van de mens is de schakel tussen zijn lichaam en zijn geest. Wanneer de mens met behulp van zijn ziel de geest toestaat zijn verstand te verlichten, dan bevat hij de gehele schepping. Daar de mens het hoogtepunt is van alles wat aan hem voorafging en bijgevolg alle voorgaande ontwikkelingen overtreft, ligt in hem de gehele wereld van lagere orde besloten. Wanneer de mens met behulp van zijn ziel wordt verlicht door de geest, dan maakt zijn stralende intelligentie hem tot de kroon der schepping.

Wanneer anderzijds de mens hart en verstand niet openstelt voor de zegeningen van de geest, maar zich keert naar de stoffelijke kant, naar het fysieke deel van zijn natuur, dan valt hij van zijn hoge plaats en wordt hij minder dan de bewoners van het lagere dierenrijk. In dat geval verkeert de mens in een armzalige toestand! Want wanneer de geestelijke hoedanigheden van de ziel - die ontvankelijk is voor de ademtocht van de goddelijke Geest - nooit worden gebruikt, verzwakken en verschrompelen deze en worden tenslotte onbruikbaar.” [12]

 

“De eerste soort waarnemingsvermogen in de wereld der natuur is het waarnemingsvermogen van de rationele ziel. Dit waarnemingsvermogen hebben alle mensen gemeen, of ze nu onachtzaam zijn, of waakzaam, gelovigen of loochenaars. Deze menselijke rationele ziel is Gods schepping, ze omvat andere schepselen en overtreft deze; daar ze edeler en voortreffelijker is, omvat ze de dingen. Het vermogen van de rationele ziel kan de werkelijkheid der dingen ontdekken, de eigenaardigheden van wezens begrijpen en de mysteriën van het bestaan doordringen. Alle wetenschappen, kennis, kunsten, wonderen, instellingen, ontdekkingen en ondernemingen ontstaan door het toegepaste waarnemingsvermogen van de rationele ziel. Er was een tijd dat het onbekende, bewaarde mysteriën en verborgen geheimen waren; de rationele ziel ontdekte ze langzamerhand en bracht ze van het niveau van het onzichtbare en verborgene naar het rijk van het zichtbare. Dit is het grootste waarnemingsvermogen in de wereld der natuur, dat in zijn hoogste vlucht en opgang der werkelijkheid, de eigenschappen en de invloeden van de vergankelijke wezens begrijpt. Maar de universele goddelijke geest, welke de natuur te boven gaat, is de milddadigheid van de Vóórbestaande Kracht. Deze universele geest is goddelijk, hij omvat bestaande werkelijkheden en hij ontvangt het licht van de mysteriën Gods. Het is een bewust vermogen, niet een vermogen tot onderzoek en tot navorsing. Het verstandelijke vermogen van de wereld der natuur is een vermogen tot onderzoek en door navorsing ontdekt het de werkelijkheid der dingen en de eigenschappen der bestaansvormen, maar het hemelse verstandelijke vermogen dat de natuur te boven gaat, omvát de dingen en is bekend met de dingen, kent ze, begrijpt ze, ze is zich bewust van mysteriën, werkelijkheden, goddelijke betekenissen en is de ontdekker van de verborgen waarheden van het Koninkrijk.” [13]

 

In dit laatste citaat wordt onderscheid gemaakt tussen onze natuurlijke rationaliteit en ons goddelijke weten, dat van het intuïtieve hart. We herhalen even dat citaat van Frits van Haeften[14]: “Het hart heeft zijn redenen die de rede helemaal niet kent. De ‘redenen van het hart’ zijn, naast die van het hoofd, voor de volle waarheid onontbeerlijk. De redenen van het hart betreffen volgens Blaise Pascal[15] niet alleen fundamentele persoonlijke keuzen en onze liefde, maar ook de eerste kennisbeginselen – denk aan bewustzijn, ruimte en tijd, beweging en getallen. Die worden met grotere stelligheid door het hart gekend dan met redeneringen (esprit de géometrie). Die persoonlijke kennis van het hart – esprit de finesse – wordt volgens Pascal nog overtroffen door een andere bevattelijkheid, namelijk voor het bovennatuurlijke – esprit de grace. Bij dit laatste is waarheid een openbaringsgebeuren.”

 

Het gezonde, natuurlijke, rationele vermogen moet hier nader belicht worden. Het gaat dan om een scherpe aandacht voor details in een onderzoekende geest. In de grond is dit het vermogen tot analyse van de verschijnselen in onze wereld. Er is verschil tussen analytische en synthetiserende waarneming. De eerder genoemde Frits van Haeften schrijft: “Analyse berust op ontbinding in samenstellende onderdelen volgens consistent logische oordelen: iets is waar óf niet waar. Het onderscheid wordt gemaakt op exclusiviteit. Analytische oordelen zijn slechts mogelijk op de verschijnselen van de objectieve werkelijkheid. In de zelfbevattende innerlijke werkelijkheid gelden paraconsistente en inclusieve waarheidscriteria die samenvoegend, synthetisch van aard zijn. De synthetische waarheid is gekoppeld aan het weten, de analytische aan het kennen. Synthetische waarheid ontleent haar evidentie aan zichzelf, niet aan iets daarbuiten, immers het betreft een ervaringswereld waarin geen dualiteit als ‘binnen’ of ‘buiten’ geldt. Zo is het ware zelf een synthetische ervaring, aduaal en volstrekt authentiek, niet berustend op externe kenmerken.”

 

Bij analyse is er sprake van ontrafeling, het ontbinden, het uitsplitsen van een geheel in steeds kleinere ‘samenstellende delen’, het individualiseren van onderdelen, met het uiteindelijke gevolg: het fragmenteren. Bij vele wetenschappers overheerst het analytische vermogen over het synthetische vermogen, en dan ontstaat bij hen het denken in de zin van “de delen vormen samen het geheel, en daar is niets-anders-dan het toevallige samenkomen van delen voor nodig.” De werkelijkheid ‘bestaat’ dan uit toevallig samengekomen delen die vanzelf een groter geheel vormen zoals in de chemie; als je ‘toevallig’ 2 waterstofatomen samenbrengt met 1 atoom zuurstof ontstaat vanzelf 1 watermolecuul. De werkelijkheid is dan gewoon een kwestie van ‘zelforganisatie der atomen’, meer niet. Dit is eigenlijk een heel oude, zeer primitieve vorm van atomistisch denken over de werkelijkheid. Gehelen hebben geen eigen ‘bestaan’ op zichzelf, zij zijn het gevolg van samengekomen atomen. Het sciëntistisch rationalisme levert daarmee dan ook het dogma van het ‘reductionisme’ op, het “alles-is-niets-anders-dan losse en toevallig samengekomen materiële deeltjes”. Het reductionisme en het devoot aangehangen toevallisme. Voor ‘toeval’ is in de natuurkunde echter net zo min bewijs te vinden dan voor ‘God’. Echte doordenkers huiveren van dit soort naïviteit en beseffen dat het net andersom is: Het zijn de gehelen die actief en doelgericht ervoor zorgen dat de nodige ‘bouwstenen’ uit de natuur voor het functioneren van dat geheel bij elkaar gegaard en met elkaar verbonden worden! Echte doordenkers hebben naast hun analytische vermogen ook hun synthetiserende vermogen in leven gehouden. Zij reserveren reductionistische methoden uitsluitend voor wetenschapstechnisch onderzoek naar ‘feiten’ en hanteren hun holistische visie om hun vermogen tot relativering te bewaren ten behoeven van een realistisch overzicht.

 

Er zijn dan mensen die letterlijk ál het spirituele uit de wereld willen uitdrijven, al het metafysische, mystieke, mythologische eerst willen vervangen door de eenzijdigheid van mathematisch-logische algoritmen en vervolgens al die mathematisch-logische algoritmen uiteindelijk door de mechanica van de menselijke maat en maakbaarheid, de utopie van de Transhumanistische Technocratie. ‘Zelf de Schepper zijn’, reductionistische en materialistische technofantasten hebben m.i. iets van onvolwassen whizzkids.

 

De hoofdfactoren van de menselijke werkelijkheid in verbinding met De Werkelijkheid vallen rationeel niet te kwantificeren en te analyseren voor wetenschappelijk onderzoek. Denk aan liefde, haat, hoop, angst, wanhoop, geloof, vertrouwen, waarachtigheid, echtheid, schoonheid, etc. Daar kan de waarheid niet gevangen worden binnen de beperkingen van logische denkregels.

 

De evolutiewetenschappen bestuderen o.a. de levensvormen binnen hun strikt eigen niches[16]. Ook onze geestelijke, spirituele en religieuze evolutie speelt zich natuurlijk in niches af. Alle wereldreligies[17] verwijzen naar een hogere werkelijkheid die voor ons in wezen onkenbaar is, en dat is geheel verenigbaar met de evolutietheorie! Die voorspelt immers dat het kenvermogen van de mens steeds een ‘aanpassing’ is (een ‘adaptatie’) aan een veranderende ‘niche van kennis’. Het is volgens de evolutionaire visie dus zeer natuurlijk dat de niche van de menselijke soort niet alleen fysiek, maar ook intellectueel deel uitmaakt van een grotere en complexere werkelijkheid. Wij mensen hebben binnen onze niche een geheel eigen ‘logisch systeem’ ontwikkeld (op basis van onze zogenoemde ‘logische regels’), maar velen denken vervolgens dat dit logisch systeem meteen ook ‘hét enig ware logische systeem’ is om de werkelijkheid te omvatten. Dit, terwijl een ‘grotere werkelijkheid’ waarin onze logica niet van kracht is, voor ons natuurlijk ook niet te begrijpen is! En daarom hebben wij binnen onze begrensde natuurlijke werkelijkheid (dus zonder universeel omvattende logische regels) ook niet het epistemologische recht om te zeggen dat ‘de werkelijkheid’ géén paralogische eigenschappen kan hebben. De vraag blijft dus bestaan: is het echt waar dat onze logische regels ook ‘altijd’ waar zijn? Kunnen onze logische regels wel een soort 'universele' kracht dragen, terwijl er inmiddels (virtueel) andere logische systemen zijn ontwikkeld? Dat de mens in zijn leefwereld überhaupt gebruik maakt van meerdere, volstrekt uiteenlopende vormen van logica, dat mag toch als algemeen erkend worden verondersteld.

 

Waarom verdelen we ‘dé werkelijkheid’ niet gewoon in deelgebieden, het ons bekende gebied waarin onze ‘strenge’ logische regels wel gelden en onbekende deelgebieden waarin deze regels niet gelden. En vervolgens concluderen we dat onze ‘logische ruimten’ worden begrensd door onze eigen logische regels. Kortom: de ruimten waarbinnen deze regels gelden, is het deelgebied waarvoor wij evolutionair wel zijn ‘aangepast’. En de ruimte waar deze regels niet gelden, een deelgebied is waar wij evolutionair niet voor zijn ‘aangepast’ (ge-adapteerd).

 

Het komt dus echt neer op[19] ‘vertrouwen’, op waar we in ‘geloven’, en vooral: wat volgens ons ‘goed werkt’. Hoe ‘rationeel’ of ‘wetenschappelijk’ we onze eigen geest ook noemen, zij blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een heel fundament van vertrouwensartikelen, op een systeem dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vaak onbewuste!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met onze realiteit. En met die gelovige geest proberen wij dan onze eigen geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten. Het lijkt vaak op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen ons eigen netvlies te zien. Hoe scheel we onze ogen ook trekken om te proberen ‘inwaarts’ te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om zintuiglijk en rationeel onze blikrichting om te draaien. Hetzelfde geldt voor de geest of de ‘ziel’: wàt we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer zelf’ binnen in ons niet waarnemen, we kunnen ons niet bewust zijn van hoe we ons bewust zijn. [Hoe ‘zelfbewust’ we onszelf ook beleven… ;-}]

 

De mens als monoduaal wezen

 

Alle filosofen, of ze zich nu strikt aan het materialistische dogma vasthouden, of vanuit het sciëntisme uitgaan, of van een evolutionair naturalisme, of vanuit een deïstisch standpunt vertrekken, of van een atheïstisch standpunt, alle filosofen hebben één eigenschap gemeen: ze zijn allemaal intens geestelijk actief! Allemaal erkennen zij dat de vruchten van hun denkwerk geestelijk van aard zijn, en niet door de mechanische algoritmen van een supercomputer geproduceerd werden. Filosofen melden momenten van ‘inspiratie’, ‘intuïtie’, 'serendipiteit', ahá-belevingen,  of andere momenten van verrassende ‘influx’ die door computers niet beleefd kunnen worden. Ik herhaal Schins[19] hier nog maar even: “Een positieve en vruchtbare benadering van de menselijke geest door de natuurwetenschappen is helaas niet mogelijk. Als niet-materiële entiteit valt de menselijke geest immers per definitie buiten het competentiegebied van de natuurwetenschappen. Uit de natuurwetenschappen zullen we daarom nooit iets te weten komen over de oorsprong van de menselijke geest. Maar dat geest een ‘toevallige bijwerking van materie’ is, dat is pure onwetenschappelijkheid!”

 

Nee, laten we toegeven dat we als gewone burger inderdaad vaak geneigd zijn tot een soort ‘cultureel sciëntisme’, een geloof in een soort allesverklarende almacht van de wetenschap, maar laten we tegelijk beseffen dat de natuurwetenschappelijke methode zeer onvolledig is, zeer beperkt in ‘verklaringskracht’ en eerder ‘beschrijvend en interpreterend’ werkt, zeer veranderlijk blijft, een zeer oppervlakkige en dunne werkelijkheidslaag bestrijkt, en volkomen ontoereikend is om ‘alles’ te verklaren. Ook hier is de vraag terecht “Hoe komt het toch dat er wetenschappers zijn die de demarcatielijn van de wetenschap ver overschrijden en met grote stelligheid ‘op wetenschap gebaseerde’ uitspraken doen over levensbeschouwelijke domeinen waar de wetenschap (als magisterium) überhaupt geen zeggensmacht over kán hebben. Waarom houden zij zich niet gewoon met wetenschapsbeoefening bezig. Is de wetenschap voor hen dan zo’n kleine en benauwde denkruimte? Is het door hen begeerde veld van de metafysica en religies dan zoveel ruimer dat de wetenschap die ruimte dan ook maar moet annexeren?”

 

Of gaat het om een oude strijd tussen ‘twee monismen’, het materialistisch monisme (er bestaat allen ‘materie’, geest is een illusie) en het idealistisch monisme (alleen ‘geest’ bestaat, materie is een illusie). Een volstrekt verouderde ‘óf/óf’-strijd. Het nieuwe denken voorziet ons van een integratief ‘èn/èn/èn’-denken.

 

Tegenover de twee monismen vigeert het cartesiaans ‘dualisme’, dat van de twee werelden van geest en materie, van subject en object, als twee vreemden, gescheiden naast elkaar. Maar waarom zouden geest en materie toch steeds van elkaar gescheiden moeten worden in onze leefwereld, immers de enige wereld waar we over kunnen ‘beschikken’? Onder ‘menselijke leefwereld’ versta ik dan alles wat door ons beperkte bevattingsvermogen ‘be-grepen’ kan worden. 

 

Het uitgangspunt is hier iets waar maar weinigen bij stilstaan: het zeer beperkte begripsvermogen van de mens over onze ‘bestaanswereld’, en de menselijke geest die zich met geen mogelijkheid in die ‘bestaanswereld’ laat invangen omdat die de bestaanswereld juist omvat. In onze ‘bestaanswereld’ zegt onze nuchtere rede ons dat geest en materie niet te scheiden zijn, juist een sterk interactief paar vormen. Je zou ze als de twee kanten van de ene medaille kunnen beschouwen, en dan zou je veel consequenter moeten spreken van een ‘monodualisme’. [Zonder ‘geest’ is überhaupt geen ‘materie’, vice versa] Eventueel zou je dan kunnen spreken over een holistisch ‘neo-cartesiaans, interactief, personalistisch dualisme’ of een ‘huwelijk’ van geest en materie waarin deze 'twee kanten van de éne medaille’, beide ‘polariteiten’ intensief en effectief op elkaar “inwerken”, een vorm van ‘wederzijdse interventionisme’! En in onze basale realiteit blijven we onze eigen persoon ervaren als één, in de kern dus als ‘a-duaal’ (niet-dualistisch), en we hebben slechts bij reflectie weet van de monoduale wereld van ons ‘bestaan’. Onze werkelijkheid is niet òf/óf, dualistisch óf monistisch maar monoduaal èn aduaal tegelijk. Zie figuur hieronder.

 

We leven dus monoduaal, zou je kunnen zeggen; we zijn één, maar staan tóch in wisselwerking met de ‘Gans Andere’, het Hogere, een ons-omvattende werkelijkheid. Die Werkelijkheid omvat ons, maar juist daarom kunnen wij die Werkelijkheid nooit omvatten! En volgens een nominalistische levenshouding en omgangsvorm moeten we héél voorzichtig zijn om als ‘deskundige’ die Ultieme Werkelijkheid of die “God” voor de anderen te gaan definiëren, op te leggen, teneinde sociaal leiderschap te verwerven. Dit geld zowel voor religionisten als sciëntisten.

 
 

 

Websites over wetenschap en religie:

     Zygon

[1] Zie o.a. http://en.wikipedia.org/wiki/Cognitive_closure

[5] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 107, XC.

[6] Nagel, Thomas. What is it like to be a bat, (Philosophical Review 83, 1974) uit Heil, Philosophy of Mind, a guide and anthology (Oxford, 2004) hfst 29

[7] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 88

[8] Philip Hefner: ‘created co-creators’

[9] De ‘nieuwe wetenschappen’ zoals de systeem-, chaos-, zelforganisatie-, complexiteits-, kwantum-, neuro-, informatie- en evolutiewetenschappen.

[10] Te beginnen met Whitehead, die voortbouwt op het denken van Teilhard de Chardin

[11] ‘Abdu’l-Bahá in Beantwoorde Vragen

[12] ‘Abdu’l-Bahá, Toespraken in Parijs, p. 108

[13] ‘Abdu’l-Bahá in Beantwoorde Vragen

[14] F.F. van Haeften: zie bijv. zijn boek Spiritualiteit en de Uiterste Werkelijkheid, 2004 en recentere essays.

[16] Alle levensvormen nestelen zich in zeer specifieke ecosystemen, biotopen, habitats oftewel 'niches'.

[17] En dan maak ik hier gebruik van het essay van Jan Riemersma: Waarom Evolutie Religie niet uitsluit, 2007

[18] De uitdrukking “Het komt dus echt neer op…” is in feite ook weer een reductionisme van de holist!

[19] De Niet-Materiële Oorsprong van de Menselijke Geest door Juleon Schins. Hoofdstuk 17 uit het boek Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? Over toeval en doelgerichtheid in de evolutie. Redactie: Cees Dekker, Ronald Meester en René van Woudenberg, 2005, ISBN 90 259 5483 9